Skip to main content

Full text of "Album der Natuur"

See other formats


ALBUM DER NATUUR. 



iés^é 




ALBUM DER NATUUR. 



EEN WERK 



TER VERSPREIDING VAN NATUURKENNIS 



ONDER BESCHAAFDE LEZERS 



VAN ALLERLEI STAND. 



18 5 4. 



TE HAAELEM, BIJ A. C. KRUSEMAN. 

18 5 4. 



i;KimUKT lilj A. L'. hRl'SRMAN. 



INHOUD. 



. Waterdroppels , schetsen naar het leven , door P. Harting Blz. 1 . 

De planten van Pompeji, medegedeeld door D. Lubach •■ 16. 

AVeêrglazen , door W. M. Logeman " ^^- 

Over de baan, die de aarde rondom de zon beschrijft, door A. T. Reitsma.. " 33. 

Het zwavelmeer bij Tivoli in Campanie " 61 . 

Talrijkheid der Walrussen , door Cl. M. ...... . " 63 . 

Arabische plantennamen in het Nederlandsch overgebleven , door v. H » 64 . 

De wet der stormen, door V. W. C. Krecke " 65 . 

De Mieren in Zuid- Amerika , door Dr. v. H " 92 . 

Bloemen onder de sneeuw , door v. H " 94 . 

De regenachtigste plek der aarde , door Hg " 96 . 

De uitbarsting van den Mauna Loa in 1852 , door Hg - 97 ■ 

Het betoo verend vermogen der Eatelslang, door D. L " 109. 

De Anthropomorphen , door W. Vrolik " 113 . 

•♦ Het sluimerende leven , door P. Hakting " 147 . 

Nog iets over de Mieren van Zuid-Amerika , door Q. M. R. Vee Huell. . . " 179. 

Het gewigt van den aardbol , door D. Grothe " 185 . 

Iets over het aankweeken van Orchideën, door Dr. v. H " 194 . 

De zakkijkers van MoUeni te Parijs , door F. Kaiser " 195 . 

Groote uitwerkselen van zeer kleine bewegingen , door P. van der Burg .... » 227 . 



De walvischvangst in de baai van Allerheiligen op de kust van Brazilië, door 

Q. M. R Ver Huell Blz. 249. 

De Baiimannsgrot en de Bielsgrot in het Harzgebergte , door C. Ekama.. . . - 254. 

Zonderlinge groeiplaatsen van planten . door H. C. van Hall " 258 . 

De Leeuwen in Noord-Afrika, door de Jong van Rodenburgh -< 259. 

De lucht een hoofdvoedsel voor den mensch, door E. H. von Baumhauek. » 274. 

De Woekerplanten , door F. AV. van Eeden , " 291 . 

De Lammergier, door J. C. d. L " 313. 

Over de Struisachtige vogels (Struthiones), door H. Schlegel » 323. 

Rattenkruid- eters , door L » 352 . 

Over het legrip van dierlijke volkomenheid en de onderscheidene trappen 

daarvan, door D. Lubach -/ 355. 

Bezwaren hij geologische nasporingen in de heete gewesten, door Dr. v. H. " 382. 

Barnsteen , door v. H » 383 . 

Verhuizing van Waterjuffers, door Hg « 384. 

Roos van Jericho , door v. H « 385 . 



LIJST DER AFBEELDINGEN. 



Steendrukplaat. 

Waterdroppels met infusie-diertjes. 



Houtsneden. 

Ringen ter aantooning van de lucht- 

drukking Blz. 24. 

Barometer " 25 . 

Barometer met schaal enz " 26 . 

Deksel voor het onderste der huizen. " 27 . 

Wijzer-barometer " 28. 

Ellips " B7 . 

Parallelogram der krachten " 38. 

Toepassing op de beweging der 

aarde om de zon " 39 . 

Elliptische kegelsnede » 40 . 

Parabolische kegelsnede ■' 41 . 

Hyperbolische kegelsnede " 41 . 

Schuine stand van den as der aarde 

op de ecliptica " 47 . 

As der aarde regt op de ecliptica 

staande " 48 . 

As der aarde zamenvallende met de 

ecliptica " 49 . 

Figuur ter opheldering van de ver- 
plaatsing van de as der aarde .... « 51 . 

Baan der aarde in de ruimte » 58 . 

Acht kaartjes van gedeelten der 
Indische zee bij den storm van 7 

April 1843 " 74. 

Verzamelingskaart " 79 . 

Volwassen Gorilla , naar Is. Geof- 

FROY St. HlLAIRE " 119 . 

Jonge Gorilla , naar denzelfden .... " 121 . 

Jonge Chimpansé, naar W.Veolik. " 123, 



Jonge Orang-Oetan, naar denz.. .Blz. 128. 

Siamang, uaarl'. Cuvier " 133. 

Geraamte van den Siamang , naar 

W. Veolik " 136. 

Formiga de Manioc " 180 . 

Ophelderingen voor de bepaling van 

het gewigt der aarde. Blz. 189, 190, 191 . 

Zakkijkers van Molteni Blz. 204. 

Blinding voor dien kijker " 206. 

Oogbuizen daarvoor " 209 . 

Münchcner oogbuis ■' 213 . 

Houten voet voor den kijker " 218. 

Houten voet met schroefbeweging. » 220. 

Leeuwenjagt in Noord- Afrika .... " 259 . 

Ophelderingen voor de ventilatie . " 283 , 

Blz. 286, 287, 288, 289. 

Orobanche major Blz. 297 . 

Lathraea squamaria " 299 . 

Monotrofa hypophegea •' 299 . 

Cuscuta Europaea " 300. 

Viscum album " 301 . 

Rafflesia Arnoldi " 306 . 

Afrik. Struis (StrutUo camelus) . . " 326 . 

Petise (Rhea Darwinii) " 331 . 

Kasuaris van Australië {Casuarius 

Nova Hollandice) " 332 . 

Eigenlijke Kasuaris (C galeatus). . » 334 . 

Gewone Dodo {Didus ineptus).. . . " 338. 

Dodo van Bourbon (D. apterornis) . ■> 343 . 

DodovanRodriguez(jD.Jo/zï«?'i2«). ■' 344. 

Kleine Dodo van van den Broucke 

{B. Broucicei) " 345 . 

Kleine Dodo van Herbert {D. Her- 

lertii) " 346. 

Kiwi {Apteryx) " 349 . 



ERRATA. 

Blz. 16 regel 3 v. o. staat: "de stad des doods;"' lees: "de stad der dooden." 
In de figuur op blz. 26 moet de letter E in plaats van i, en Z in de plaats van £ staan. 
Blz. 124 regel 11 en 12 v. b. staat: dat op den bovenarm van beneden naar boven; 

lees: dat op den bovenarm van boven naar beneden, 
op den voorarm van beneden naar boven gerigt is. 
Blz. 142 regel 1 v. b. staat: keelholte; lees: okselholte. 



Berigt voor den Binder. 

Den Binder wordt berigt dat de opeenvolging der signaturen de volgende is: 
1, 2, 3, 4, 5, 6, 6*. 7 enz., 14, 15, 15, 16 enz. 



WATERDKOPPELS, 

SCHETSEN NAAR HET LEVEN, 



DOOR 



P. HARTING. 



Hr is welligt niets dat den opmerkzamen beschouwer der natuur 
meer treft, dan de rijkdom van leven dien zij ten toon spreidt. 
Waarheen wij den. blik wenden, hetzij naar de aarde met de 
haar bedekkende tallooze planten, naar de menigte van dieren, 
welke zich daarmede voeden of de prooi worden van andere dieren, 
of naar de lucht, waar zwermen van vogels en van nog talrijker 
insekten op vlugge wieken rond zweven, of naar den oceaan, die 
beide, aarde en lucht, in veelheid en verscheidenheid van schep- 
selen nog verre overtreft , — overal ontmoet ons oog leven en bewe- 
ging. En al is dat leven slechts tijdelijk, al maakt het telkens wederom 
plaats voor den dood, dien eindpaal voor het bestaan van iederen stoffe- 
lijken vorm, het getal van levende wezens blijft daarom toch steeds 
even oneindig groot, want de dood heeft slechts eene gedaante- 
verwisseling ten gevolge. De organische stof, die heden gedaante- 
en bewegingloos daarneder ligt, zal misschien morgen reeds weder 
eenen organischen vorm hebben aangenomen, eenen vorm, welligt 
geheel verschillend van den vroegeren, maar even als deze de zit- 
plaats van dat raadselachtig beginsel, hetwelk de grootste wijsgee- 
ren tot hiertoe vergeefs getracht hebben geheel te ontcijferen, en 
dat men "leven" heet. 

Die gestadige gedaanteverwisseling der stof, en tevens die ver- 
bazende rijkdom van levende wezens valt echter eerst dan regt in 
het oog , wanneer men dat oog wapent met het vergrootglas , en zoo 



Q 



deii blik in staat stelt door te dringen tot die wereld van planten 
en dieren, welke voor het bloote oog geheel onzigtbaar zijn, wier 
aanzijn en gewemel zelfs niet vermoed zouden worden, indien het 
mikroskoop nimmer ware uitgevonden, maar die, wat zij in lig- 
chaamsgrootte te kort komen, vergoeden door eene talrijkheid, zoo 
verbazend groot, dat zij in dit opzigt niet alleen alle grootere 
aardbewoners verre overtreffen, maar er zelfs eene levendige verbeel- 
ding toe vereischt wordt om zich die talrijkheid eenigermate juist voor 
te stellen. 

Terwijl ik dit schrijf, staat voor mij een bord met water, 
waarin reeds sedert eenige dagen een doode kikvorsch ligt. Aan 
de oppervlakte van dit water heeft zich, naar het schijnt, een dun 
vliesje gevormd, doch indien een droppel van het vocht, tevens 
met eene kleine hoeveelheid van dit vliesje, onder het mikroskoop 
wordt gebragt, dan blijkt, dat dit geheele vliesje enkel en alleen 
bestaat uit digt op een gedrongen diertjes, waarvan de afbeel- 
ding in Pig. 1 eene voorstelling geeft. Zij zijn langwerpig rond, 
eenigzins plat, aan het eene uiteinde spits en daar uitloopende in 
eenen uiterst fijnen draad, die slechts met veel moeite duidelijk 
zigtbaar gemaakt kan worden, al valt hij in de afbeelding ook 
dadelijk in het oog, omdat de kunst de natuur nimmer in fijnheid 
kan evennaren. Dien draad bewegen zij als ware hij een snuit , in al- 
lerlei bogten, terwijl zij zelve dan eens in deze dan eens in gene 
rigting zwemmen, grootere ligchaampjes in het vocht ontwijkende, 
kleinere op zijde duwende, en aldus op hunne wijze het leven ge- 
nietende. De grootste dezer diertjes hebben echter slechts eene lengte 
van 1/^00 van een Ned. streep, maar hun getal bedraagt, naar eene 
matige berekening, in eiken droppel van de oppervlakte van het 
water genomen, niet minder dan 1,125,000 , zoodat derhalve, indien 
wij aannemen, dat er slechts 500 dergelijke droppels voorhanden 
zijn, er in het water van het genoemde bord meer levende wezens 
wonen , dan menscheii in het grootste der werelddeelen. 

En toch behooren deze diertjes nog geenszins tot de allerklein- 
sten; er zijn er waarvan minstens een honderdtal zoude gevorderd 
worden, om in grootte een der eerstgenoemden te evenaren. Wan- 



— 3 — 

neer een eiwitlioudend vocht aan de lucht staat, b. v. bloedwei,melk, 
enz. , dan ontstaan daarin binnen weinige dagen millioenen van dier- 
tjes (zie l^ig. 2) , die slechts door een goed mikroskoop bij sterke ver- 
grooting even herkenbaar zijn , want velen zijn ter naauwernood 
l/^QQQ streep lang, terwijl andere die iets langer zijn, uit twee, 
drie of meer afzonderlijke- geledingen bestaan, welke, gelijk uit de 
vergelijking met andere grootere soorten blijkt, door verdeeling of 
afsnoering ontstaan zijn, zoodat deze reeksen van geledingen 
waarschijnlijk uit verschillende nog tijdelijk zamenhangende indivi- 
du's zijn zamengesteld. Meer echter dan deze afbeelding ver- 
toont laat zich daaraan zelfs bij de sterkste vergrooting niet waarne- 
men; doch , wat geene afbeelding terug geven kan , is het woelige gewe- 
mel van deze kleine wezentjes in den droppel, die voor hen een 
oceaan is, en van hunne eigenaardige beweging, welke hen tot 
dieren stempelt, omdat zich bij de aanschouwing de overtuiging 
aan ons opdringt, dat die beweging de uiting is van willekeur en 
van zelfbewustzijn, zij het dan ook op den laagst denkbaren trap. 
De reeds genoemde diertjes vormden zich in waterige vochten, 
waarin tevens zelfstandigheden van bewerktuigden oorsprong voor- 
handen waren. Inderdaad is het laatste daartoe een volstrekt ver- 
eischte, en ik haast mij diegenen mijner lezers en vooral mijner 
lezeressen, die welligt aanvingen het afgrijsselijk vermoeden te 
koesteren, als of zij met eiken waterdroppel millioenen levende die- 
ren inzwelgen , liieromtrent gerust te stellen. Zij mogen het welwa- 
ter zonder de minste gewetensknagingen drinken, en vrijelijk alle 
vrees verbannen voor het begaan van eenen onwillekeurigen moord, 
want daarin kan zelfs het beste mikroskoop geene levende wezens 
ontdekken. Ook het regenwater is er doorgaans vrij van, mits het 
opgevangen is in goten en vergaarbakken , waarin zich geene afge- 
vallen bladeren en andere stofi'en van bewerktuigden oorsprong be- 
vinden, en het bovendien opgezameld worde in bakken, waartoe 
de lucht geenen toegang heeft. Anders is het met het rivier- en vooral 
met het slootwater gelegen; dit is altijd rijk bevolkt, gelijk zoo 
aanstonds blijken zal , en het is alleen door goed ingerigte filtreer- 
werktuigen, dat dergelijk water van deze en andere niet alleen wal- 



gelijke maar zelfs geenszins onschadelijke inmengselen kan bevrijd 
worden. 

Goed zuiver water bevat derhalve geen spoor van daarin levende 
dieren , maar het verschaft de gelegenheid tot overvloedige vorming 
daarvan , zoodra daarin tevens organische stofl'en voorhanden zijn. 
Laat men aftreksels of afgietsels van zeer verschillende plantendee- 
len, van bloemen, van stengels, van bladeren enz. eenige dagen 
aan de lucht staan, dan zullen zich daarin weldra diertjes vertoo- 
nen, ja het water, waarin een bloemruiker lang genoeg vertoefd 
heeft, wordt eindelijk eene zee vol leven en beweging. Ook is het 
geenszins een vereischte, dat daartoe versche plantendeelen gebe- 
zigd worden, want in de aftreksels van gedroogde, b. v. in die 
van hooi , van peper enz. ontstaan eveneens diertjes , terwijl het uit 
de boven aangevoerde voorbeelden blijkt, dat water, waarin zich 
dierlijke stoffen bevinden , al mede voor hunne ontwikkeling gun- 
stis: is. Aan dit ontstaan in waterifje aftreksels of afijietsels is de 
naam ontleend van afgietseldiertjes of infusiediertjes , waarmede in 
het algemeen de verschillende kleine dierlijke wezens bestempeld 
worden, die zich daarin ontwikkelen. Echter heeft men deze naam 
ook ruimer toegepast en er mede een groot aantal kleine dieren 
onder begrepen, die ook in de vrije natuur voorkomen, inzonder- 
heid in de slooten en andere zwak stroomende wateren, waar zij 
zich vooral ophouden tusschen de aan de oppervlakte drijvende 
waterplanten , en wel inzonderheid tusschen die vezelachtige groene 
draden , waaraan men den onwelluidenden naam van "flab" of wel 
den nog verachtelijkeren van "slootvuil" geeft, doch waarin het mi- 
kroskoop vaak de sierlijkste vormen erkent, even zoovele goed ge- 
kenmerkte soorten van planten uitmakende, welke onder den al- 
gemeenen naam van zoetwatervvieren of algen bekend zijn. Bij eene 
latere gelegenheid hopen wij den lezer in nadere kennis te bren- 
gen met dat verachte slootvuil , en hij zal het ons toestemmen , dat 
daarin de voortrefl'elijkheid van het geschapene niet minder door- 
blinkt dan in de prachtige wouden der keerkringsgewesten. 

Niet altijd echter zoeken deze diertjes juist hun verblijf tusschen 
de aan de oppervlakte des waters drijvende planten. Er zijn er 



ook, die zich in groote scholen verzamelen op plaatsen, waar zulke 
planten niet worden aangetroflen. Hiertoe behooren onder anderen 
de in fig. 3 afgebeelde diertjes, wier ligchaam eigenlijk groen 
gekleurd is, en waardoor de wateroppervlakte zich dan ook als met 
een groen vlies bedekt vertoont, dat zich soms over eene aanzienlijke 
uitgestrektheid uitbreidt. Bovendien neemt men aan deze diertjes 
nog een rond vlekje of stipje nabij hun vooreinde waar, dat in de 
afbeelding eene donkere tint, maar in werkelijkheid eene roode 
kleur heeft. Sommigen hebben in dit roode vlekje, dat ook bij 
eenige andere soorten voorkomt, een oog willen zien. Hoe gewaagd 
deze gissing ook schijnen moge aan hen, die bij het woord "oog" 
alleen denken aan de oogen van menschen en grootere dieren, zoo 
was zij toch niet zoo geheel zonder eenigen grond, want inderdaad 
blijkt het, dat, naarmate men in de reeks der dieren afdaalt, de 
werktuigen al eenvoudiger en eenvoudiger worden , zoodat er dan 
ook dieren in de afdeeling der wormen gevonden worden met oogen, 
waarvan de verrigting als gezigtswerktuigen niet kan betwijfeld 
worden, omdat ïnen daarin ook het noodwendigste bestanddeel, na- 
melijk eene kristallens ontdekt heeft, doch die overigens eene niet 
geheel te miskennen overeenkomst met de zoogenaamde oogvlekken 
van sommige infusiedieren vertoonen, waarin men bovendien ver- 
moeden mogt, dat werkelijk eene kristallens bevat is, die alleen uit 
Jioofde der verbazende kleinheid dezer oogjes, ook bij de sterkste 
vergrooting voor ons onzigtbaar blijft. Doch ofschoon ik mij ver- 
pligt rekende dit aan te voeren, ten einde ehrenbeug, den man 
aan wien wij zoovele heerlijke ontdekkingen in deze wereld van 
het kleine verschuldigd zijn, en die het eerst de meening, dat de 
genoemde vlekjes oogen zouden zijn, geuit heeft, vrij te waren voor 
de verdenking als of daarvoor geen de minste grond bestond , zoo 
moet ik er echter bijvoegen dat die meening thans door weinigen 
meer Avordt aangekleefd. Eene dergelijke roode kleurstof toch is 
bij lagere dieren en ook planten geenszins zeldzaam. Sommige dier 
kleine mikroskopische wezens, welke op eenen zekeren leeftijd groen 
gekleurd zijn, hebben eene roode kleur op eenen anderen, zoodat 
zij dan de wateroppervlakte rood kleuren even als anders groen ; 



— 6 — 

de roode kleur maakt dikwijls later plaats voor eeue groene, met 
overlating van een klein rood gekleurd gedeelte, en, wat nog ster- 
ker spreekt, zelfs de kiemcellen van sommige zoetwater-algen, aan 
welker plantaardige natuur niet getwijfeld kan worden, al bezit- 
ten zij ook eene hoogst opmerkelijke beweging, die hen ligtelijk 
met infusiediertjes kan doen verwarren, hebben somwijlen geheel 
dergelijke roode vlekjes, die hier toch wel geene oogen kunnen zijn. 
Ook is er nog eene andere reden, welke de beteekenis van 
oogen, die men aan deze vlekjes gehecht heeft, onwaarschijnlijk 
maakt. Zij worden namelijk aangetroffen juist bij zulke infusiedie- 
ren, die op den laagsten trap van bewerktuiging staan, namelijk 
bij die welke zelfs geene opening of mond bezitten , waardoor zij 
voedsel kunnen opnemen. De meeste en grootere soorten zijn daar- 
van voorzien (Fig. 5 Am^ Bm, Cm), en de opneming van voedsel 
geschiedt dan ook bij hen op gelijke wijze als bij de overige dieren, 
namelijk door het naar binnen brengen van spijs, en niet gelijk bij de 
planten, die zich slechts door de uitwendige oppervlakte voeden. Inder- 
daad levert de voedering dezer kleine schepselen , waaronder sommigen 
buitengemeen vraatzuchtig zijn, een zeer aardig schouwspel op, vooral 
wanneer men een weinig waterverw, karmijn of indigo, in den droppel 
gebragt heeft, waarin zij zich bevinden. Terwijl zij ginds en her 
rondzwemmen, dan eens stilstaan, dan weder voortgaan , maar gesta- 
dig een sterken maalstroom in het water verwekken door de 
onophoudelijke snelle beweging der uiterst fijne trilhaartjes aan de 
oppervlakte van hun ligchaam , stroomen de fijne kleurdeeltjes door 
den geopenden mond naar binnen, die, bij sommigen vooraan, bij 
anderen ter zijde van het ligchaam geplaatst, en doorgaans om- 
zoomd is met iets grootere haartjes, welke mede gestadig in be- 
weging zijn , of wel (Fïg. 6, B m) omzet met uiterst fijne naaldvormige 
tandjes, die eene soort van trechter daarstellen. Door den mond in het 
ligchaam gekomen , verzamelen zich de kleurdeeltjes tot kleine ronde 
ballen (Eig. 4 B, Fig. 5 B) , terwijl de onverteerde stoflen weder door 
den mond of, gelijk bij eenige soorten, door eene bijzondere 
opening (Fig. ö B b) worden naar buiten gebragt. Men heeft gemeend 
dat elk der genoemde spijsballetjes in even zoovele magen of blaas- 



— 7 — 

vormige uitzettingen van een darmkanaal bevat zoude zijn , doch 
dit schijnt voor de meeste soorten op eene dwaling te berusten. 
Men kan zich althans bij sommigen met zekerheid overtuigen , dat 
die zoogenaamde magen niet bestaan , maar dat de spijsballen zich en- 
kel bevinden te midden der weeke massa, die de ligcliaamsholte 
vult, want zij veranderen van plaats, ja in enkele gevallen (vooral 
duidelijk bij Loxodes Bursaria fig. 5 A) hebben zij eenen geregel- 
den omloop, zoodat zij langs de eene zijde dalen, om langs de 
andere weder op te stijgen. 

Het zijn niet enkel de grootere soorten, die zich aldus door 
het inwendig opnemen van spijs voeden ; zelfs bij sommige zeer 
kleinen, b. v. die welke het eerst door ons vermeld zijn (bl. 2), 
gelukt het door kunstmatige voedering met fijn verdeelde kleur- 
stoflen deze binnen in de ligchaampjes te brengen , iets dat in fig. 
1 bij a door de zwarte stipjes in een paar der voorwerpen is aangeduid; 
en vergelijkt men nu hetgeen hier plaats grijpt met de wijze waarop 
de voeding bij grootere, eenen duidelijken mond bezittende soorten 
geschiedt, dan komt men tot het besluit, dat ook deze diertjes, 
hoewel zoo klein, dat eenige honderdduizenden van hen te zamen 
genomen slechts de ruimte van eenen kleinen speldeknop zouden 
innemen, toch nog van eene bijzondere mondopening voorzien zijn, 
zoo klein echter, dat zij aan onze tegenwoordige middelen tot waar- 
neming geheel ontsnapt. 

Bij het groote meerendeel der infusiediertjes neemt men, behalve 
de genoemde spijsballen, nog met een helder vocht gevulde blaas- 
jes waar, of liever ruimten, want van een hen bekleedend vlies is 
geen spoor te onderscheiden (zie fig. 4 ^ «, 2? ö, fig. 5 ^ a, fig. 6 ^ «). 
Deze ruimten, doorgaans een, twee, zelden meer in getal, trekken zich 
van tijd tot tijd plotselijk zamen, zoodat zij voor een oogenblik spoor- 
loos verdwenen zijn, en komen dan weder op dezelfde plaats te voor- 
schijn , om zich vervolgens na eenigen tijd wederom zamen te trekken , 
enz. Gewoonlijk verloopen er tusschen elke dier zamentrekkingen en 
uitzettingen eenige seconden. De eigenlijke beteekenis dier zamen- 
trekbare ruimten is nog niet volkomen opgehelderd, en ook hieromtrent 
zijn de gevoelens verdeeld. Het waarschijnlijkst is wel, dat het or- 



— 8 — 

ganen zijn, wier verrigting daarin bestaat, dat zij door hunne plot- 
selijke inkrimping en uitzetting beweging brengen in het vloeibare 
gedeelte der ligchaamsmassa. Zulk eene zamentrekbare ruimte zoude 
derhalve een hart kunnen genoemd worden in zijnen allereenvoudig- 
sten vorm. Eigenlijke vaten staan daarmede nimmer in verband, 
maar althans in één geval (bij Paramecium Aurelia) is de zamen-' 
trekbare ruimte voorzien van straalsgewijs daarvan uitgaande aan- 
hangsels , die als het ware een eerste beginsel van vaatstelsel ver- 
kondigen. Niet onmogelijk is het echter, dat in sommige gevallen 
aan deze zamentrekbare ruimten nog eene andere verrigting, b. v. 
die der ademhaling moet worden toegekend. Bij eeuige soorten 
namelijk (b. v. bij ActinopTirys Sol, fig. 4 i^a) ligt deze zamentrek- 
bare ruimte onmiddelijk onder het vliesje dat de opperhuid vormt, 
en het vocht, waarmede het in den uitgezetten toestand gevuld is, 
is derhalve blootgesteld aan den invloed van de lucht in het om- 
ringende water. Overigens mag men veilig aannemen, dat bij allen 
de ademhaling ook door de geheele oppervlakte geschiedt, en door 
de gestadige beweging der fijne trilhaartjes , waarmede de meesten 
bezet zijn, krachtig bevorderd wordt. 

Niets is zoo verscliillend als de bewej^incr der verschillende soor- 
ten van infusiediertjes. Er zijn er, die schier onbewegelijk op de- 
zelfde plaats vertoeven, anderen die zoo vlug in hunne bewegingen 
zijn, dat het tot de moeijelijkste opgaven voor den mikroskopischen 
waarnemer behoort hen op hunne snelle vaart te volgen en in 
het gezigtsveld te houden. Veelal zijn het alleen de reeds meer 
genoemde trilhaartjes, welke die voortgaande beweging veroorzaken, 
doch er zijn er ook (fig. 6 ^ en ^'), die, behalve deze, nog van groo- 
tere stijvere haartjes voorzien zijn, welke zij op de wijze van poot- 
jes gebruiken, waarmede zij langs de oppervlakte der waterplantjes 
en andere zich in het vocht bevindende voorwerpen loopen. Sommige» 
hebben een zeer week en zoo beweegbaar ligchaam, dat het schier 
ieder oogenblik van vorm verandert. Bij anderen blijft die vorm meer 
gestadig dezelfde, hetzij uit hoofde van de algemeene onbuigzaam- 
heid hunner huid (fig. 6 B), of omdat een gedeelte der oppervlakte 
met -een soort van schild bedekt is (fig. 6^), terwijl eindelijk nog 



— 9 — 

anderen (fig. 5 C) door een glashelder kokertje omgeven worden, 
waarin zij zich bij dreigend gevaar terug trekken. 

Het opfherkelijkst onder alle deze bewegingen is echter de za- 
mentrekking van den steel der Yorticellinen. Ook zijn er weinige 
mikroskopische voorwerpen, die, wanneer men ze voor de eerste 
maal waarneemt, meer verwondering wekken. In hunnen uitge- 
breiden toestand liggen de klokvormige ligchaampjes (Fig. 7) bijna 
onbewegelijk stil; alleen de haartjes aan den rand der mondopening 
zijn in eene onophoudelijke snelle beweging en doen eenen maal- 
stroom in het omringende vocht ontstaan, waardoor de kleine daarin 
zwevende deeltjes tot op eenen tamelijk verren afstand worden me- 
degesleept, en naar den wijd gapenden mond gevoerd. De steel, en- 
kelvoudig bij eenigen (het geslacht Vorücella) , vertakt bij anderen 
(de geslachten EfislyUs en Carchesmm) , bestaat uit eenen rolronden 
draad, spiraalsgewijs omzoomd door eenen uiterst dunnen doorschij- 
nenden band, die soms ook het voorkomen heeft van een kanaal, 
tegen welks binnenwand de zoo even genoemde draad aan gelegen 
is. In dien toestand zoude men ligtelijk meenen een klein sierlijk 
gevormd plantje te zien, dat zich in het water uitbreidt. Doch 
naauwelijks ontstaat er eenige sterke beweging, hetzij veroorzaakt 
door eenen geringen stoot tegen het glaasje, waarop zich het voorwerp 
bevindt, of door de nabijheid van eenig grooter dier, dat tevens 
in den droppel aanwezig is, of plotselijk verandert het tooneel. 
Alle de ligchaampjes trekken zich te zamen, sluiten hunne mon- 
den, worden daarbij min of meer bolvormig, terwijl de steelen zich als 
kurkentrekkers digt op een rollen (Pig. 7 D). Eerst wanneer het drei- 
gend gevaar geweken is, en het vocht om hen heen geheel tot kalmte 
is terug gekomen, ontrollen zich de steelen weder, de mondope- 
ningen ontsluiten zich en de diertjes hernemen hunne vroegere 
uitgebreide gedaante, terwijl de maalstroom op nieuw aanvangt. 

Zeer gewigtig is de vraag: hoe ontstaan deze kleine wezens? 
Wanneer men ziet hoe zij te voorschijn komen in vochten, waarin 
vroeger geen spoor van levende wezens te zien was, hoe verbazend 
snel zij zich vermenigvuldigen, zoodat hun aantal binnen eenige 
weinige dagen vele millioenen bedraagt, dan kan ligtelijk de mee- 



— 10 — 

ning ontstaan, dat zij hunnen oorsprong nemen uit de kleine 
deeltjes van in staat van ontbinding verkeerende organische stof- 
fen, die eenen bepaalden vorm aannemen en met leven bezield 
worden. Inderdaad is er niets, dat zulk eene oorspronkelijke 
vorming, zulk eene zich telkens herhalende schepping van be- 
werktuigde wezens uit niet bewerktuigde stof, onmogelijk maakt, 
mits deze slechts de scheikundige bestanddeelen kan leveren, 
waaruit alle organische wezens zijn opgebouwd. Deze noodzake- 
lijke voorwaarde nu is gegeven, zoodra in water de overblijfse- 
len van planten of dieren voorhanden zijn; deze, al is hun vorm 
geheel onkenbaar geworden, kunnen de stof leveren, waaruit andere 
planten en dieren kunnen ontstaan. Doch het is hier niet de 
vraag wat mogelijk, maar wat waar is, en dit kan alleen door 
onderzoek worden uitgemaakt. In de natuurkundige wetenschap- 
pen is een der wegen, om tot verklaring der verschijnselen 
te geraken , die waarop ons de overeenkomst met andere ge- 
lijksoortige verschijnselen tot leiddraad strekt. Van alle dieren en 
planten, wier voortplantingswijze grondig bekend is, is het geble- 
ken, dat zij hunnen oorsprong nemen uit andere dergelijke dieren 
en planten, met andere M'oorden: dat zij ouders hebben. Wel is 
waar, is er een tijd geweest, dat men meende dat zelfs op eeneu 
hoogen trap van bewerktuiging staande wezens, b. v. ratten en 
muizen, door oorspronkelijke vorming ontstonden, ja ook nu nog 
verkeeren sommigen in den waan als of het zoogenaamd ongedierte, 
gelijk men zegt, van zelfs ontstaan zoude, door onreinheid, huid- 
ziekten enz., doch de natuurkundigen weten reeds sedert lang dat 
dit eene dwaling is Andere gevallen , waarin men tot voor 
korten tijd eene oorspronkelijke vorming meende te moeten aan- 
nemen, gelijk b. V. d'er ingewandswormen die binnen in de lig- 
chaamsholten van menschen en dieren voorkomen, zijn door de 
onderzoekingen der laatste jaren veel minder raadselachtig gewor- 
den dan vroeger, sedert men de gedaanteverwisselingen van vele 
dezer dieren heeft ontdekt. En zoo, om van vele andere voorbeel- 
den te zwijgen, wordt het, naarmate onze kennis zich uitbreidt, 
inderdaad meer en meer onwaarschijnlijk, dat er immer zulk een 



— 11 — 

geheel oorspronkelijke vorming plaats grijpt, en komt men ook ten 
aanzien der infusiediertjes tot het besluit , dat de kiemen, waaruit zij 
zich ontwikkelen, vermoedelijk reeds roorhanden waren, hetzij in 
het water of in de daarin bevatte organische overblijfselen, of -wel 
dat zij daarin door de lucht zijn aangebragt. Somtijds kan men dezen 
oorsprong duidelijk- aantoonen. Zoo b. v. leeft het diertje, waarvan 
in den aanvang dezes gesproken is, werkelijk in de ingewanden 
van den kikvorsch , en het kan dus niet verwonderen, wanneer wij 
het naderhand aantreffen in het water, waarin het doode dier een 
tijdlang vertoefd heeft. Oppervlakkig schijnt het moeijelijker te 
gelooven aan het bestaan van organische kiemen in geheel ver- 
droogde plantendeelen , gelijk hooi, peper enz., doch wij zouden 
talrijke gevallen kunnen aanvoeren ten bewijze dat vele diertjes 
volkomen verdroegen kunnen, zonder de vatbaarlieid te verliezen 
van te lierleven , zoodra zij in water komen. Dit verklaart tevens 
hoe het mogelijk is, dat infusiediertjes ontstaan in waterige aftrek- 
sels die sterk gekookt zijn, en waarin men derhalve mag aannemen, 
dat alle organisch leven door de kookhitte vernietigd is, want hier 
kunnen de kiemen in verdroogden toestand nog door de lucht zijn over- 
gevoerd. Doch opzettelijk onderzoek heeft geleerd, dat wanneer 
men tot zulke vooraf gekookte aftreksels slechts lucht den toegang 
verschafte, die door sterke verhitting en strijking door zwavelzuur 
van alle daarin zwevende organische deeltjes beroofd was, er zich 
dan ook geene infusiediertjes vormden. 

Ook zijn de wijzen, waarop de eenmaal aanwezige infusiediertjes 
zich vermenigvuldigen, zoo wel bekend, dat men althans daardoor 
volkomen rekenschap kan geven van de groote getalen, waarin zij 
somtijds voorkomen. De meest algemeene wijze van vermenigvuldiging 
is die door zelfdeeling (fig. 4 C), welke, zelfs bij eene en dezelfde soort, 
dan eens in de dwarse, dan weder in de overlangsche rigting plaats 
grijpt. Door deze zelfdeeling ontstaan derhalve twee individu's, waar- 
aan zich na eenigen tijd hetzelfde verschijnsel herhaalt, en zoo vormen 
zich opvolgend uit een enkel voorwerp, 3, 4,8, 16, 32, 64, 128 
enz. individu's, en kan het dus niet verwonderen, dat binnen een 
betrekkelijk kort tijdsbestek hun aantal zoozeer kan toenemen. 



— 12 — 

Eene tweede wii5ce van voortplanting is die door knoppen (fig. 
SAh\]ff), welke slechts bij weinige soorten voorkomt, inzonderheid 
bij de afdeeling der Vorticellinen en liier den lateren taksgewijzen 
zamenhang verklaart. Zij bestaat daarin , dat een klein gedeelte van 
het ligchaam naar buiten uitbot, meer en meer uitgroeit en zicli 
allengs van liet moederdier afscheidt. In de lioofdzaak komt dus 
deze knopvorming met de zelfdeeling overeen. 

In den laatsten tijd is men, vooral door de onderzoekingen van 
COHN, JULES HAiME en sïEiN nog op ecnc andere vermenigvuldi- 
gingswijze opmerkzaam geworden, namelijk die door zich binnen 
in de ligchaamsholte der diertjes (b. v. Loxodes Bnrsana fig. 5 A^ 
vormende kiemen, welke men eene inwendige knopvorming zoude 
kunnen noemen. Ware vruchtbare eijeren zijn het niet, want deze kun- 
nen alleen door zamenwerking van twee geslachten ontstaan , en daar- 
van is bij de infusiedieren tot hiertoe geen spoor gevonden. Deze 
kiemen vormen zich echter in de ligchaamsholte zelve, en banen 
zich later eenen weg door de bekleedselen , hetzij door eene opening 
die slechts tijdelijk ontstaat en zich later weder sluit, of door de- 
zelfde opening, waardoor ook de onverteerde spijsdeelen weder ver- 
wijderd worden. 

Bij de Vorticellinen gaat aan deze inwendige kiem vorming, nog 
een ander verschijnsel vooraf. Zij omgeven zich namelijk, hetzij 
na zich van hunnen steel te hebben afgescheiden , of daar- 
mede nog zamenhangende, met een hulsel, dat bij sommigen (fig. 
8 ^ C) glad , bij anderen (fig. 8 i^) van aanhangselen voorzien is, die 
noff eenen zeer verschillenden vorm kunnen hebben. Binnen in deze 
hulsels heeft dan de genoemde kiemvorming plaats , en het verdient 
hier bepaaldelijk opmerking, dat de diertjes in dezen toestand ge- 
heel verdroegen kunnen , zoodat zij gemakkelijk door de lucht kun- 
nen worden roiidgevoerd, zonder het vermogen te verliezen , om , in 
water gekomen , hunne levensvatbare kiemen naar buiten te doen 
treden. Somtijds echter gebeurt het, dat zich in zulke hulsels niet 
de gewone kiemen vormen , maar daaruit geheel andere veel kleinere 
infusiediertjes (fig. 8 ^), omgeven van eene slijmige massa te voor- 
schijn treden, diertjes die in vorm geheel overeenkomen met andere 



— 13 — 

(van het geslacht Motias), die men vroeger als zelfstandige soorten 
heeft beschouwd. Dit brengt ons nog t«t vermelding eener andere 
bijzonderheid in de levensgeschiedenis dezer kleine wezens, name- 
lijk hunne gedaanteverwisselingen. Het is mede eerst in den aller- 
laatsten tijd dat men daarop opmerkzaam is geworden, maar reeds 
zijn er enkele wel waargenomen voorbeelden bekend, waaruit blijkt, 
dat sommige dezer diertjes even merkwaardige gedaanteverwisselin- 
gen kunnen ondergaan als waaraan, gelijk ieder weet, de meeste 
insekten onderworpen zijn. De verandering van vorm kan hierbij 
zoo groot wezen , dat hetzelfde voorwerp in onderscheidene levens- 
tijdperken voor geheel verschillende soorten zoude gehouden wor- 
den en werkelijk gehouden is. Welligt mag men nog verder gaan 
en het als waarschijnlijk stellen, dat verscheidene als infusiedieren 
beschreven wezens slechts de kiemen zijn van andere dieren, die 
op eenen merkelijk hoogeren trap van ontwikkeling staan, gelijk 
Planariën, Poljpen, sommige ingewandswormen enz. Is dit zoo, 
dan zal mogelijk de tijd eenmaal aanbreken, dat de afdeeling der 
infusiedieren als zelfstandige dierklasse wordt opgeheven en dan 
verdeeld onder die klassen, waartoe zij als ontwikkelingsvormen 
eigenlijk behooreii. 

Doch het zoude ons te ver voeren hieromtrent in bijzonderheden 
te treden. Mijn doel was alleen den lezer een' vlugtigen blik te 
doen slaan in deze kleine dierenwereld, waarvan ik elders i) een 
overzigt in meer wetenschappelijken vorm, tevens met aanhaling- 
der bronnen, gegeven heb. 

Nog ten slotte de beantwoording eener enkele vraag, die mis- 
schien bij dezen of genen zal zijn opgekomen. Welke is de nut- 
tige bestemming dezer nietige wezentjes , welke plaats bekleeden 
zij in de groote huishouding der natuur? Niet altijd is het ant- 
woord op dergelijke vragen zoo gemakkelijk te geven als juist hier. 



1) Hef mikroslcoop , deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordige toestand, é^le 
Deel , ook afzonderlijk verkrijgbaar onder den titel van : Ilikroskopische voorwerpen uit 
beide organische rijken. Beknopte handleiding voor praktische beoefenaars der mikros- 
kopische weefselleer van planten en dieren. 1854 bl. 200 en verv. 



- 14- — 

Inderdaad is de rol, welke de infusiedieren vervullen, een hoogst 
gewigtige. Alle organische voorwerpen bestaan uit enkelvoudige, 
dat is voor geene verdere ontleding vatbare stoflen , waarvan de 
voornaamste, dat is die welke nimmer ontbreken, zijn: koolstof, 
zuurstof, stikstof, waterstof en zwavel. Dadelijk na den dood be- 
gint echter het verband tusschen deze stofien verbroken te worden; 
de ontbinding vangt aan , die in verrotting overgaat , en daarbij 
ontstaan nieuwe verbindingen, die gasvormig zijn, koolstofzuur, 
koohvaterstof , ammoniak, zwavelwaterstof. Deze zijn alle in meer- 
dere of mindere mate schadelijk voor het dierlijk leven, en zoo 
ook voor den mensch. Doch eer nosj de ontbindin<^ tot dien uiter- 
sten trap gekomen is , eer nog de lucht verpest en voor inademing 
ongeschikt is geworden, is ook het verbeteringsmiddel doorgaans 
bij de hand. Talrijke vogels, insekten enz. voeden zich bij voor- 
keur met die doode voorwerpen, en hetzelfde doen de infusiedie- 
ren. Hun organisch leven stelt hen in staat tot weder vastlefj^iiis: 
van die bestanddeelen, welke anders in gasvorm ontwijken zouden. 
Wel is de ligchaamsgrootte van elk hunner gering, doch hunne 
verbazend snelle ontwikkeling en vermenigvuldiging doen weldra 
hun aantal zoo zeer toenemen, dat zij gezamenlijk voorzeker een 
niet minder aanzienlijk vermogen bezitten om den dampkring voor 
verontreiniging te bewaren, dan vele merkelijk grootere doch in ge- 
ringer getal voorhanden dieren. 

De infusiedieren zijn derhalve de vastleggers van organischen 
stof in organischen vorm; zij dienen mede tot handhaving van 
het evenvvigt in de natuur. Maar zij zijn nog meer. Uit hoofde 
juist hunner kleinheid strekken zij tot voedsel van vele andere iets 
grootere dieren, insekten en hunne maskers, kleine schaaldieren , 
wormen, polypen enz., die met hen in het water leven. Deze op 
hunne beurt worden de prooi van visschen , die zonder de tegen- 
woordigheid van gene niet zouden kunnen bestaan. De visschen einde- 
lijk strekken tot voedsel aan andere dieren en daaronder ook aan 
den mensch. En zoo ziet men hoe ook hier, even als overal elders 
in de natuur, de eene schakel in den anderen grijpf, en aldus een 
harmonisch geheel ontstaat. Ook de zoo nietige infusiedieren vor- 









^ 


--«SC:;; ■ 


m. 


f: M 


mL C* & ^ 


' -^ 


^^^^^^^ 


ééH 



4. 







^.'dk iuf? ÜD.hmrik.k^^^U 



— is- 
men zulk eeneu schakel, die even onmisbrar is tot instandhou- 
ding van het algemeen verband, als eenige andere. Het is alleen 
onze beperktheid, waardoor wij meer gewigt hechten aan het groote 
dan aan het kleine in de natuur, maar volkomen waar zijn de 
heerlijke woorden van lamaktine: 

"Tout est beau, tout est bon, tout est grand en ce monde, 
Aux regards de celui, qui fit l'immensité, 
L'insecte vaut un monde, ils ont autant conté. 



VERKLARING DEK AFBEELDINGEN. 

De verschillende witte velden door zwart omgeven stellen voor 
het gezigtsveld van een mikroskoop. Fig. 1 en 2 zijn bij eene 500 
malige, de overige bij eene 300 malige vergrooting geteekend, 
met uitzondering van A in Pig. 7 , waarvan de vergrooting slechts 
150 maal bedraagt. 



Fig. 1 . Bodo intestinalis , a na voedering 

met karmijn. 
Fig. 2. Fibrlo lineola. 
3. Euglena viridis. 
" 4i, A. Euglena pi/rum. 
■I " £. Oxytricha Pellionella , a za- 
nientrekbaie ruimte, B' , dezelf- 
de van terzijde gezien. 
C. Ox'jtricha , die zich verdeelt. 
" ■/ H. Tracfwlius trichophorus , a 
zamentrekbare ruimte, i snuit. 
'/ " E. Ampkileptus fasciola. 

I' F. Actinopkrijs Sol, a zamen- 
trekbare blaas. 
" 5, A. Loxodes Bursaria, m mond. 
■' B< Bursaria vorax , m mond, 
aa zamentrekbare ruimten, b 
aars. 
■/ C. Vaglnicola cristallina , m 
mond, c glashelder kokertje. 
" 6, A. Euplotes appendiculaiiis , A' 
hetzelfde dier van ter zijde , 
loopende overeenen Spirogyra- 
draad. 
B. C//ilodon CttcuUulus , m mond. 
•' 7, A. Carchesium, polypinimi, naar 

EHRENBERG. 



8, A 



B 



Fig. 7, B. Vorücella nebuUfera. 

C. Dezelfde, na vorming van het 
trilvlies bij t. 

•I 1 D. Dezelfde, in zamengetrokken 
toestand. 

■/ " E. Dezelfde, na zich van den steel 
te hebben afgescheiden. 
Vorücella microsloma , g 
knop. Deze en de volgende 
afbeeldingen zijn naar stein. 
Hetzelfde dier, na zich inge- 
huld (gcinkysteerd) te hebben , 
nog zamenhangend met den 
steel. 

C. Hetzelfde, in verder ontwik- 
kelden toestand, met zich ver- 
deden den band vormigen kern. 

D. Hetzelfde, in geheel rijpen 
toestand. 

E. Hetzelfde, waaruit de mona- 
denachtige kiemen, in eene 
slijmachtige stof gewikkeld , 
naar buiten treden. 

F. Podnp/iya fixa , mede een door 
inhulling van Vorücella mi- 
crosloma ontstane vorm. 



DE PLANTEN VAN POMPEJI. 



MEDEGEDEELD DOOR 



Dr. D. LUB ACH. 



Jllet is algemeen bekend, dat de aan de golf van Napels gelegene 
stad Pompeji, en de naburige steden Herculanum en Stabiae, 
in het jaar 79 van onze tijdrekening, onder de regering vanTiTUs, 
bij eene hevige uitbarsting van den Vesuvius onder asch en lava 
bedolven zijn. Bekend is het almede, dat bij die gelegenheid de 
geleerde c. plinius secundus het slagtoöer werd van zijne zucht, 
om die uitbarsting van zoo nabij mogelijk waar te nemen. Eeuwen 
lang bleven de genoemde steden begraven onder den door de uit- 
werpselen des vulkaans gevormden bodera; men kon zelfs niet eens 
met volkomene zekerheid aanwijzen, waar zij eenmaal gelegen wa- 
ren. Eindelijk, in 1750, ontdekte men toevallig hare ligging, — 
maar het duurde nog geruimen tijd, eer men van deze ontdekking 
door planmatige opgravingen behoorlijk partij trok. Thans echter 
liggen zij, voor een groot gedeelte vrij, vooral Pompeji; men aan- 
schouwt daar, nog frisch en ongeschonden, de huizen, de straten, 
de tempels, de schouwplaatsen van eene stad uit den bloeijendsten 
tijd van Rome; en de voorwerpen, in de woningen gevonden, de 
schilderijen, die nog hare wanden versieren, vergunnen ons een 
levendig en getrouw (ienkbeeld te vormen van de maatschappelijke 
en huisselijke toestanden van hen, die eens, door die voorwerpen 
omringd , leefden en werkten. 

Ook voor den natuurkenner heeft die als uit het graf herrezene 
stad , die "stad des doods ," zooals bulwer haar noemt , eene ei^en- 
aardige belangrijkheid. Er is veel, wat hem daar een' dieperen blik 
doet slaan in de kennis, welke de ouden hadden van de natuur 



— 17 — 

en hare voortbrengselen, en in de wijze, waarop zij van die ken- 
nis gebruik wisten te maken. Maar bovendien wordt hij daar in 
staat gesteld om, althans in het algemeen, te kunnen beoordeelen, 
welke de natuurvoortbrengselen waren in dat gedeelte van Italië 
gedurende de eerste eeuw onzer tijdrekening, en in hoeverre het 
verloop van zoovele eeuwen daarin verandering heeft gebragt. — 
Waren b. v. alle planten, die tegenwoordig in de omstreken van 
Pompeji groeijen of aangekweekt worden, ten tijde van haren on- 
dergang reeds in Italië bekend? Over deze vraag vooral versprei- 
den de oudheden van Pompeji , in verband met hetgeen wij dienaan- 
gaande uit de schriften der Ouden besluiten mogen, veel licht. 
Den lezer, die in hare beantwoording eenig belang stelt, verzoek 
ik om met mij , onder het geleide van den Deenschen plantkundige 
j. F. SCHOUW, te onderzoeken, welke van de thans in Italië alge- 
meen voorkomende en gebruikelijke planten aan de inwoners van 
Pompeji al dan niet bekend waren. 



Twee hoofdbronnen zijn het, waaruit men de kennis putten kan 
der planten, die aan de inwoners van Pompeji, Herculanum en Sta- 
biae bekend waren. Deze zijn : de te Pompeji en in de beide andere 
vernielde steden gevondene schilderijen en andere voorstellin- 
gen van planten, — en de aldaar gevondene overblijfselen van 
planten zelve. Met het eerstgenoemde hulpmiddel moet men echter 
voorzigtig zijn. Natuurlijk zijn vele voorstellingen van planten zoo 
weinig kennelijk, dat zij niet bepaald kunnen worden, even als dit 
in onzen tijd ook het geval zoude zijn. En wanneer de plant al 
duidelijk te onderkennen is, zoo is het daarom nog niet uitge- 
maakt, dat zij bij Pompeji voorkwam; want dikwijls werd ook de 
plantengroei van vreemde landen afgebeeld. Zoo vindt men veel- 
malen de natuur aan de boorden van den Nijl voorgesteld: moe- 
rassige streken met den Lotus en de Egyptische boon {Nelum- 
lium),'^) het nijlpaard, den krokodil, de ichneumon, eenden, en 

1) Zie over deze plant het opstel van den Hoogleeraar de vriese, getiteld: "Wa- 
terleliën" in het eerste deel van dit werk, bladz. 314. 

2 



— 18 — 

aan den oever den dadelpalm, — b. v. in het voetstuk van het 
beroemde mosaïek, op hetwelk, naar men meent, alexander en 
DARlus voorgesteld zijn. Dikwijls zijn ook die voorstellingen en- 
kel phantasie-beelden , b. v. een laurierboom , die uit een dadelpalm 
groeit, ja als uitlooper uit zijne wortelen voorkomt, — eene phy- 
siologische onmogelijkheid. Dit doelt misschien, gelijk tenore meent, 
op de zonderlinge gewoonte der Ouden , om de meest verschillende 
gewassen zoo digt bij elkander te planten, dat zij het aanzien ver- 
kregen als of zij slechts ééne plant uitmaakten. 

Tot de boomen, die thans veel bijdragen om de Italiaan- 
sche landschappen hun eigenaardig karakter te geven , behooren de 
pijnboom en de cypres. Beiden waren bij de Ouden aanwezig; daar- 
van getuigen de schrijvers, en ook de afbeeldingen in Pompeji , 
want de pijnappel wordt meermalen afgebeeld gezien ; te Hercu- 
lanum heeft men ook verkoolde pijnkernen gevonden. In de land- 
schappen, die de wanden der kamers van dePompejanen versierden, 
vindt men den cypres zeer dikwijls voorgesteld, en somtijds in 
vereeniging met den pijnboom. Eene derde soort van naaldboom, 
die aan de landen rondom de Middellandsche zee eigen is , de Aleppi- 
scJie den, vindt men ook te Pompeji afgebeeld. 

Dit is mede het geval met den oleander, die thans de oevers 
der rivieren versiert, en met het klimop, dat muren en boomstam- 
men bekleedt. Daarentegen zijn er twee gewassen, die heden ten 
dage eene beduidende rol in de Italiaansche landschappen spelen, 
maar die oudtijds niet in Italië groeiden. De zoogenaamde aloë, 
beter agave, die door hare groote, vleezige bladeren, en haren 
hoogen, kandelabervorraigen bloemsteng, bij de landschapschilders 
zoo geliefd geworden is, en die men overal rondom de Middelland- 
sche zee, zoowel aangebouwd als verwilderd, aantreft, is men aan 
Amerika verschuldigd, en zij kon dus den Pompejanen niet be- 
kend zijn. De Indische vijg, uit de groep der cactusplanten , die 
in het oog loopt door haren bijzonderen vorm, hoofdzakelijk door 
hare platgedrukte bladvormige takken, eene plant, die thans in 
de landen aan de Middellandsche zee even algemeen is als de aloë, 
en even als deze verwilderd wordt aangetroffen , is ook uit Ame- 



— 19 — 



rika afkomstig. Men vindt dan ook te Porapeji even zoo weinig 
sporen eener afbeelding van dezen zoo eigen dommelij ken planten- 
vorra, als van de aloë. 

Of er van ouds ook enkele dadelpalmen zonder rijpe vruchten 
in Italië werden aangetroffen, even als thans het geval is, is twij- 
felachtig. Wel vindt men deze boomen vaak afgebeeld; maar over 
het algemeen in verband met Egyptische onderwerpen, of in sym- 
bolische beteekenis. De dwergpalm daarentegen heeft toen ongetwij- 
feld dezelfde rol gespeeld, als thans, want theophrastus verhaalt, 
dat zij op Sicilië zeer algemeen was; dit nu is nog het geval, 
terwijl zij aan de golf van Napels slechts spaarzaam wordt ge- 
vonden. 

Wenden wij onzen blik op de verbouwde planten, zoo maken de 
meeste reizigers , wanneer zij Pompeji bezoeken , voor 't eerste ken- 
nis met de boomwolkultuur. Digt bij de ruïnen van Pompeji vin- 
den wij velden met de hatoenstruik beplant, van welke plant hier 
ter plaatse de noordelijke grens voor Italië is. Van deze gewigti^e 
plant vinden wij inde gedenkteekenen der oudheid geen spoor; uit 
andere bronnen weten wij, dat zij bij de Ouden slechts als eene 
Indische, en, volgens latere schrijvers, tevens als eene Egyptische 
plant bekend was, en dat eerst de Arabieren haar in de landen 
aan de Middellandsche zee verspreid hebben. 

Eene andere plant, welke thans, middelijk, eene gewigtige klee- 
ding-plant in Italië is, te weten als voedsel voor den zij worm, is 
de witte moerhezieboom. Ook deze was den .inwoneren van Pompeji 
onbekend. In hunnen tijd werd zijde beschouwd als een allerkost- 
baarst uitlandsch artikel van weelde. Eerst in de zesde eeuw kwam 
de zijde- en moerbezieteelt naar Europa. 

Onder de graansoorten bekleedde bij de oude Eomeinen de tarwe 
den eersten rang ; ook de gerst was algemeen ; daarentegen ontbra- 
ken de meer noordelijke graansoorten, de haver en de rogge. Te 
Pompeji zijn verkoolde tarwe- en gerstkorrels gevonden. Aan eenen 
muur vindt men eene fraaije afbeelding van eenen kwartel, die 
gerstkorrels uit eene aar pikt. Als tegenhanger van deze afbeel- 
ding vindt men een' anderen kwartel voorgesteld, die aan een aar 



— 20 — 

van vogelgierst [Panicum italicum) trekt, ■welke plant alzoo toen 
ter tijd almede bekend was. 

Daarentegen ontdekken wij geene teekeningen van de door haren 
vorm zoo kenbare maïs\ maar wij weten ook, dat men deze aan 
Amerika verschuldigd is. Thans wordt zij in de omstreken van 
Pompeji verbouwd. 

Ook rijst vindt men niet; zij was toenmaals tot Oost-Indie be- 
perkt. Ook thans nog wordt zij bij Pompeji niet verbouwd, maar 
wel elders in Italië. Of de Boerra of Sorgho aan de Ouden be- 
kend was, of eerst door de Arabieren naar Europa is gebragt, is 
onzeker; de afbeeldingen te Pompeji geven ons dienaangaande geene 
opheldering. 

Van peulvruchten vinden wij] paardeioonen in verkoolden toe- 
stand, die volkomen op de hedendaagsche gelijken. 

Op schilderijen, die keukenonderwerpen voorstellen, vindt men 
een bos aspergies afgebeeld, welke echter waarschijnlijk wilde zijn, 
die thans even als toen gegeten worden; het schijnt, dat de Ouden 
de gekweekte aspergie niet gekend hebben. Op andere afbeeldingen 
komen tdjen , radijzen , rapen en eene kleine soort van halabas voor. 
De Porno d'Oro [Li/copersicum esculenhim) , die uit Amerika af kom- 
stig is, kenden de Ouden niet. 

De olijfboom heeft ten tijde der Pompejanen dezelfde belang- 
rijke rol gespeeld, als thans; daarvan geven trouwens de schrijvers 
getuigenis. Veelvuldig vindt men olijftakken afgebeeld, en in een 
te Pompeji opgegraven glas heeft men ingelegde olijven gevonden 
die met de hedendaagsche volkomen overeenkwamen, en die nog 
hunnen smaak bezaten, toen zij opgegraven werden. 

De ooftsoorten, die in dit gedeelte van Italië thans het meest 
gebruikt worden, zijn druiven en vijgen; deze vindt men ook het 
meest voorgesteld op de vele vruchtstukken, die op de wanden te 
Pompeji worden aangetroffen. De wijnstok speelde buitendien eene 
gewigtige rol, daar hij aan bacchus geheiligd was, en wij vinden 
hem dan ook in vele voorstellingen in verband "-ebrasrt met de 
vereering van deze godheid. 

Dikwijls treffen wij ook op vrucht- en dierschilderijen peeren, 



— 21 — 

appelen, kersen, amandelen, pruimen, perziken, granaatappelen en 
mispels aan. 

Sommigen hebben gemeend te Pompeji den ananas afgebeeld te 
vinden. Daar echter de ananas voor eene Amerikaansche vrucht 
gehouden wordt, zoo zou dit al. zeer opmerkelijk zijn. Doch het 
op eenen schotel geplaatste voorwerp, dat men voor eene ananas 
gehouden heeft, is naar tenoee's zonder twijfel zeer gegrond ver- 
moeden, niets dan de top van een jongen dwergpalm, welke ook 
thans nog op Sicilië gegeten wordt. 

Yan veel meer beteekenis is het gemis vanden chinaasappel , van 
den oranjeappel, van den citroen en den ceclraatappel. Het is vol- 
komen zeker, dat men deze ten tijde van plinius in Italië niet 
kweekte; hij verhaalt, dat men vergeefsche moeite gedaan had om 
den "medischen appel" (den cedraatappel) naar Europa te verplan- 
ten. Eerst in de derde eeuw begon men dien in Italië te kweeken; 
de citroenen en oranjeappels kwamen later naar Europa, waarschijn- 
lijk door de Arabieren; het laatst kwam de chinaasappel, die uit 
China afkomstig is , en door de Portugezen naar Europa werd ge- 
bragt. 

Wij zien dus, dat sedert den bloeitijd van Pompeji de plantenwe- 
reld, in het bijzonder ten opzigte der verbouwd wordende gewassen, 
aanmerkelijke veranderingen heeft ondergaan, en dat, terwijl de 
oude inwoners van Pompeji ten aanzien van menigerlei levensgenot, 
en vooral van kunstgenot, zoo veel boven de hedendaagsche 
vooruit hadden , zij desniettemin eenige belangrijke gewassen 
ontbeerden, welke de vooruitgang der geographische kennis en 
de uitbreiding van het handelsverkeer aan hunne nakomelingen 
verschaft hebben. De gewigtigste onder de later bijgekomene voort- 
brengselen zijn rijst, maïs, katoen, zijde en oranjeappels. Italië was 
derhalve toenmaals nog niet 

.... "das Land wo die Citronen blühn, 
lm dauklen Laub die Gold-Orangen gliihn." 



WEÊRGLAZEN. 



DOOR 



W. M. LOGEMAN. 



VXelukkig, wie een goed weêrglas heeft! Niet slechts gelukkig 
voor zich zelven, omdat hij heden zijne maatregelen nemen kan 
naar het weder dat morgen te wachten is, en dus geen gevaar 
loopt zich veel vermaak te beloven van een uitstapje op den vol- 
genden dag, en dan al dat gedroomde genoegen door eene graauwe 
lucht, die zich in aanhoudende buijen ontlast, in rook te zien 
vervliegen ; maar ook gelukkig voor anderen , die hij met zijne 
voorspellingen gewillig ten dienste staat, en die hem dan ook telkens 
met vertrouwen komen raadplegen, 't Is waar, die voorspellingen 
zijn niet altoos even klaar en stellig, en eene enkele maal komen 
ze ongelukkig wel eens verkeerd uit; maar doorgaans kan men er 
toch al heel wel op aan. 

Bij de vrij algemeene liefhebberij voor weêrglazen in ons vaderland, 
zal menig lezer van het Album der Natuur het misschien wel eene 
vreemde zaak noemen, dat het getal dergenen, die op de bovenge- 
melde wijze een vraagbaak zijn voor velen, nog zoo gering is; en 
bovenal zal menigeen zich verwonderen over de mogelijkheid, die 
er dan toch blijft bestaan, om met en door het weêrglas zich nog 
schromelijk te vergissen. Men zou kunnen vragen , waardoor deze 
onvolkomenheid wordt te weeg gebragt, of zij onvermijdelijk is of 
niet, en zoo neen, wat men dan zou kunnen doen om haar te ver- 
mijden, of, met andere woorden, om door werktuigen eenige zekerheid 
van den aanstaanden toestand des weders te kunnen bekomen? Ik 
hoop de lezers van dit werk geene ondienst te doen door aan een 
antwoord op deze vragen eenige bladzijden te wijden, en vertrouw 
dat zij mij daartoe wel zullen willen volgen in eene voorafgaande 
ontwikkeling van eenige algemeene natuurwaarheden , zonder welke 



— 33 — 

het onmogelijk zijn zou om in die beantwoording eenige duidelijk- 
heid en grondigheid te brengen. 

De lucht is zwaar, de lucht bezit gewigt, even als elk ander 
ligchaam. Eene glazen flesch, die door eene kraan gesloten kau 
worden , kan ons dienen om dit aan te toonen. Wegen wij haar eerst 
terwijl de kraan openstaat en zij dus geheel met lucht gevuld is, 
en vervolgens nadat wij, door middel der luchtpomp, het grootste 
gedeelte der lucht, die zij bevatte, daaruit verwijderd hebben, dan 
zien wij duidelijk dat de flesch bij de eerste weging meer weegt 
dan bij de tweede. Dit meerdere gewigt, des te aanzienlijker naarmate 
de flesch grooter is, is dat van de daarin bevatte lucht. Openen 
wij de kraan, dan stroomt de lucht weder in de flesch, en als dit 
geschied is, dan weegt deze weder evenveel als te voren. 

Een gevolg van deze zwaarte, en een noodzakelijk gevolg daarvan, 
is, dat de lucht op alle ligchamen drukt. En daar onze aardbol met 
eene zeer dikke laag lucht omgeven is, zoo moet die drukking niet 
gering zijn; zij is gelijk aan die van 1 Ned. pond op eiken vierkanten 
duim der oppervlakte van een ligchaam. Zoo als deze bladzijde dus 
hier vóór ons ligt, bedraagt de drukking der lucht daarbovenop — de 
breedte op 15, de lengte op 24 duimen en dus de oppervlakte op 
•360 vierk. duimen stellende — meer dan 360 Ned. ponden. Misschien 
zal de eene of andere lezer of lezeres — zoo er nog gevonden worden , 
die zulk eene bekende waarheid voor het eerst vernemen — zich daar- 
over verwonderen, ja moeite hebben om het te gelooven ; want, zullen 
zij zeggen, wie zal mij wijs maken dat er 360 ponden drukken op 
dit papier, dat ik kan wegblazen, en met éénen vinger zonder de 
minste inspanning optillen? Zoo sprekende vergeten zij evenwel ééne 
zaak, die, wanneer men haar behoorlijk in aanmerking neemt, al 
het wonderspreukige in het bovengemelde verdwijnen doet. Vloei- 
stoff'en toch, drupvormige zoowel als gasvormige, water zoowel als 
lucht dus, drukken niet, zoo als vaste ligchamen, alléén vanboven 
naar beneden , maar de drukking plant zich daarin , gelijkmatig , 
naar alle rigtingen voort. Zij drukken dus ook ter zijde en ook 
van beneden naar boven. Er drukken dus niet alleen 360 ponden 
hoven op ons papier , om het even of wij dit plat of schuin houden , 




— 24 — 

maar ook evenveel ponden van, onder daar tegen aan; en ziedaar 
waarom deze drukking voor ons niet merkbaar kan wezen. 

Al is 't niet waar, 't is goed gevonden, denkt misschien een 
twijfelachtige lezer met het Italiaansche spreekwoord. Maar het is 
waar; alles wat ik hierboven aanvoerde berust, niet op enkele re- 
deneringen of onderstellingen, maar op onloochenbare daadzaken, 
op proefnemingen. Wil de lezer ééne van die velen kennen ? Ik heb 
hiernevens een glazen ring afgebeeld, bespannen aan 
de bovenzijde met een stuk varkensblaas, dat er goed 
omheen gebonden en dan gedroogd is. Op die varkens- 
blaas en daaronder tegen aan, ter zijde, van binnen en 
van buiten tegen de wanden, drukt de lucht. Die drukking van 
boven daarop — om ons voor 't oogenblik slechts bij de blaas te 
bepalen — is even groot als die van onderen daar tegen aan , en 
de blaas blijft dus vlak gespannen , even als of er niets op drukte. 
Maar plaatsen wij nu onzen ring op de plaat der luchtpomp en 
brengen wij deze in werking; verminderen wij dus de hoeveelheid 
lucht van binnen, en daardoor in gelijke mate de drukking die deze 
uitoefent. Nu zien wij hoe de drukking boven op de blaas, welke 
^^H|||li]ii|jv wij al voortpompende aanhoudend doen verminderen, 
^^^^S^m al meer en meer de overhand verkrijgt en de blaas hol 
Mlli^W en holler doet staan , totdat eindelijk — wat eene ont- 
"' ploffing! Een slag .als een geweerschot ! De blaas heeft 

zich begeven; 't is niet te verwonderen, want, bij hare middellijn 
van 12 duimen , werd zij , toen wij de lucht van onderen bijna 
geheel hadden weggenomen, jiaar binnen gedrukt met eene kracht 
van omstreeks 100 Ned. ponden. 

Nog ééne proef, minder verrassend maar daarentegen regtstreeks met 
ons tegenwoordig onderwerp in betrekking. Nemen wij eene buis, 
liefst eene glazen, aan beide zijden open, en dompelen wij die 
met het eene uiteinde in water. In de buis en daar buiten staat 
nu het water even hoog. Maar verminderen wij de drukking der 
lucht in de buis, door de opening van boven met de luchtpomp 
in verbinding te brengen, of zelfs slechts door daaraan met den mond 
te zuigen, zoo als men het noemt, dan zien wij het water daarin 



— 25 — 



stijgen, al hooger en hooger, naarmate de lucht in de buis meer 
verdund wordt. Hierdoor toch krijgt de drukking van buiten op 
het water, die eerst gelijk was aan die in de buis, al meer en meer 
de overhand; en daar deze drukking zich door het water in alle rig- 
tingen voortplant , zoo perst zij dit in de buis naar boven. Om de- 
zelfde reden zal, indien wij de buis van boven met eene kurk goed 
sluiten , haar dan vol gieten met water en , de opening voor een oogen- 
blik met den vinger digt houdende, deze onder water dompelen en 
dan den vinger wegnemen, het water in de buis, al houden wij deze 
ook regtstandig en al ware zij bijna 10 ellen lang, niet dalen, maar 
de buis zal geheel daarmede gevuld blijven. Immers, daar deze van 
boven gesloten is , kan de lucht daar niet op het water drukken. 

Al ware de buis ook bijna 10 ellen lang, heette het boven. En 
inderdaad, indien de buis nog langer ware, dan zou de drukking, 
die het water door zijn gewigt uitoefent en het tot dalen 
dringt, grooter zijn dan die welke de lucht door Mar ge- 
wigt op het water buiten de buis uitoefent. En wat zou daar- 
van het gevolg zijn ? Eene buis van 11 ellen lang is wat moei- 
jelijk te behandelen ; nemen wij dus in plaats van water eene 
andere vloeistof, het kwikzilver, dat ruim ISYa malen zwaar- 
der dan water is, dan kunnen wij onze buis even zoo vele 
malen korter nemen , en dan is dus eene lengte van ruim 8 pal- 
men toereikend. Zulk eene v buis, aan het eene einde geslo- 
ten , met kwik gevuld en dan op de bovenbeschrevene wijze 
omgekeerd en met de opening in een glas met kwik gedom- 
peld, vertoont ons hetzelfde wat er met de 11 el lange met 
water gevulde buis zou geschieden. Wij zien daarin name- 
lijk het kwikzilver dalen , totdat het , als wij door bijzon- 
dere maatregelen zorg gedragen hebben dat er niet met het 
kwik eenige lucht in de buis komt, op eene hoogte van 
omstreeks 76 Ned. duim boven de oppervlakte van het kwik 
in het glas staan blijft. 

Ziedaar dus de de drukking, of zoo men wil het 'gewigt, 
de zwaarte van de lucht gemeten door een eenvoudig werktuig 
dat daarom haromeier, zwaartemeter heet. Het is namelijk 




26 — 



uit het voorgaande duidelijk , dat indien wij dit toestel rustig laten 
staan, en de drukking van den dampkring vermeerdert, de kwikko- 
lom in de buis langer worden, of het kwik daarin rijzen, en dat 
dit, in het omgekeerde geval, dalen zal. 

Om gemakkelijk te kunnen zien hoe- 
veel het kwik rijst of 'daalt, plaatst men 
achter de buis eene in duimen en stre- 
pen verdeelde schaal, A in de hier ne- 
vensstaande afbeelding. Ook wordt de 
buis veelal niet in een bakje geplaatst, 
maar aan het ondereind bij N omgebo- 
gen en dan aan het opstaande einde een 
bolletje bevestigd , waarin van boven zich 
eene kleine opening bevindt om de lucht 
van buiten met die in het bolletje in 
gemeenschap te brengen. 

De veranderingen in de drukking der 
lucht op verschillende tijden kunnen vrij 
aanmerkelijk zijn ; aan eenen met water 
gevuldeu barometer zouden wij van den 
eenen dag tot den anderen wel eens een 
verschil in hoogte van 3 a 4 palmen en 
meer kunnen bespeuren. Bij de met kwik 
gevulde buis kan dit evenwel natuurlijk 
slechts ongeveer zoo vele duimen bedra- 
gen , en plotselinge veranderingen, zoo 
groot als de bovengemelde, komen zelden 
of nooit voor; de gewone verschillen in 
stand bedragen sleclits eenige strepen. 
Wie dus gaarne met gemak de verande- 
ringen in de drukking des dampkrings 
gadeslaat, zal zich daartoe bij voorkeur 
bedienen van den, gewoonlijk op dezelfde 
plank met den barometer geplaatsten , zoo- 
genaamden controleur EHIL. Deze ver- 




• — 37 — 

schilt slechts uiterlijk van den eersten, maar berust op hetzelfde be- 
ginsel. De buis is bij E gesloten, bij L open. De arm E Hl is met 
kwik gevuld; houdt men de buis dus regtop, dan zakt het kwik in 
de verwijding bij E en rijst in die bij I, totdat het verschil in 
stand tusschen beide weder 76 duimen, of daaromtrent, bedraagt. 
In beide verwijdingen komt het kwik dus ongeveer halverwege, en 
de overblijvende ruimte in I en een gedeelte van de buis L is 
gevuld met eene zeer ligte vloeistof, gewoonlijk spiritus of zooge- 
naamden voorloop, die om de zigtbaarheid rood of blaauw is gekleurd. 
Wat zal er nu gebeuren als b. v. de drukking der lucht slechts een 
weinig vermindert, zoodat het kwik in E daardoor één streep lager 
gaat staan? Dan rijst dit evenveel in I, en drukt den daarop rustenden 
spiritus naar boven, maar de buis L, waarin die rijzing moet ge- 
schieden, is veel naauwer, tienmalen naauwer dikwijls dan de ver- 
wijding I waarin het kwik rijst; en om dus den spiritus, die door 
een streep rijzing van het kwik in die buis L wordt gestuwd, daarin 
te kunnen bergen, moet hij eene ruimte, nu niet van één,ma,ar van 
tien strepen daarin beslaan. Ik heb dat getal tien hier slechts tot 
een voorbeeld genomen; men begrijpt dat niets gemakkelijker is, 
dan om de buis twintig en meermalen naauwer te maken, en dus 
de op- en nedergaande beweging van het kwik, bij veranderingen in 
de drukking der lucht, daardoor even zooveel malen vergroot op 
de schaal des controleurs zigtbaar te maken. 

Om het "Wederglas" compleet te maken is er gewoonlijk bij E nog 
een Thermometer geplaatst. Ik geloof, zelfs voor den het minst met 
zulke zaken zich bezig hondenden lezer , te kunnen volstaan met te 
herinneren, dat die, zoo als zijn naam dit ook asiïidmdt , een warmle- 
meter is. Eene beschouwing van zulk eenen thermometer, — daarbij in 
aanmerking nemende dat alle ligchamen, dus ook het kwik of de spiritus 
waarmede het buisje gevuld is , door verwarming zich uitzetten en door 
verkoeling inkrimpen, — zal ook wel voor ieder genoegzaam zijn om de 
inrigting daarvan zonder moeite te begrijpen. 
Het dekseltje Z wordt, zoo als bekend is, gebe- 
zigd om de buizen in den voet van het toe- 
stel te bedekken. 




— 28 — 



De inrigting van den Controleur is van onzen grooten hüijgens 
afkomstig, en getuigt, den tijd waarin zij werd uitgevonden en de 
behoeften van dien tijd in aanmerking genomen, zeker mede van 
's mans vindingrijkheid en kennis. Toch heeft zij een lastig gebrek: 
de spiritus in de open buis verdampt met der tijd, en, wijst dus de 
controleur in het eerst gelijk met den barometer, zoo als hij behoort 
te doen, dan begint hij na eenige maanden al meer en meer te laag 

te wijzen. Dit heeft geleid tot de 
uitvinding der wijzerharometers. Zulk 
een is hiernevens voorgesteld, met 
het binnenwerk door stippellijnen 
aangeduid. Men ziet , het is een buis 
E H I , als die van den controleur , 
met dit onderscheid slechts, dat de 
verwijding bij I niet in eene naauwe 
buis uitloopt, maar van boven open is. 
Op het kwik in 1 drijft een glazen 
gewigtje, waaraan een fijn draadje is 
vastgemaakt, dat bij O over een zeer 
ligt beweegbaar schijfje is geslagen 
en aan het andere einde bij V voor- 
zien is van een kleiner en ligter 
tegengewigtje. Op hetzelfde spilletje , 
waarop het schijfje vast zit, is ook 
de wijzer AA bevestigd. Als nu het 
kwik in E daalt, door vermindering 
der dampkringdrukking , dan rijst 
het in I; daardoor rijst ook het 
daarop rustende gewigtje, en de 
wijzer draait linksom. Bij eene ver- 
meerdering der drukking van de 
lucht daalt het kwik in I en de 
wijzer draait regtsom, en in beide 
gevallen is die draaijing van den 
wijzer des te grooter, naar mate 




— 29 — 

de beweging van het kwik in den barometer, naarmate dus 
de verandering in de luchtdrukking aanzienlijker is. De wijzer 
toont alzoo op de daartoe behoorlijk met eene verdeeling voorziene 
plaat den stand des barometers aan, en eene kleine verandering in 
dezen wordt door den wijzer voor het oog zeer zigtbaar gemaakt. 

Onder de barometerplaat bij H is in eene daartoe gemaakte 
opening een waterpasje geplaatst. Dit dient om het geheele toestel 
loodregt te kunnen hangen. Boven de barometerplaat bevindt zich 
gewoonlijk de thermometer en daarboven bij E nog een ander 
instrumentje, de zoogenaamde hygrometer of vocJitmeter. Deze bestaat 
uit een zeer ligt wijzertje vanstroo, dat vastgemaakt is aan een klein 
stukje darmsnaar of aan een reepje van eenige andere stof, die de 
eigenschap bezit om bij vermeerdering der vochtigheid in de lucht zich 
een weinig ineen te draaijen en in het tegenovergestelde geval eene 
tegenovergestelde beweging te maken, waarbij het den daaraan be- 
vestigden wijzer meevoert. Bij N ziet men op de plaat des baro- 
meters nog eenen wijzer. Deze is niet met den barometer in ver- 
binding, maar kan door middel van eenen knop, bij Z onder de 
plaat geplaatst, naar willekeur bewogen worden. Hij dient om, met 
dien des barometers gelijk gezet en zoo tot eene volgende waarneming 
staan blijvend, gemakkelijk de verandering, die er in dien tusschentijd 
in den stand van dezen laatsten heeft plaats gehad, te doen herkennen. 

Ik maak hier, om niet van te groote onvolledigheid beschuldigd 
te kunnen worden, ook nog melding van den in de laatste jaren 
in gebruik gekomen , door den Transchman vidi uitgevonden , 
aneroïde harometer. De proef op bl. 24 met de blaas op eenen ring 
gespannen, kan ons van de zamenstelling van zulk een barometer 
een denkbeeld geven. Stellen wij namelijk dat die blaas door eene 
dunne plaat van koper vervangen ware, dat de ring ook van eenen 
bodem voorzien en dus tot eene doos ware geworden, luchtledig 
gepompt en goed gesloten. Dan zou die dunne koperplaat, wel niet 
zoo sterk als de blaas, maar toch ook hol gedrukt worden, en wel 
des te meer hol, naar mate de lucht daarop van buiten sterker drukt. 
Het midden van die plaat zou dus bij elke verandering in de lucht- 
drukking een weinig, zeer weinig maar toch zeker , op- en nedergaan. 



- 30 - . 

Nu behoeft men zich slechts voor te stellen, dat deze beweging op 
eene, met de inrigting van den eerst beschrevenen wijzerbarometer 
eenigzins overeenkomstige wijze, wordt overgebragt op eenen wijzer 
en daardoor zeer vergroot, om een vrij juist, al is het dan niet 
volkomen volledig, denkbeeld te bezitten van de inrigting des aneroïde 
barometers. 

Als wij nu een wederglas, van eene der bovenbeschrevene inrig- 
tingen , bezitten , wat kunnen wij dan daarop zien ? Uit het boven 
daaromtrent gezegde volgt, dunkt mij, ten duidelijkste: 

10. Dat de gewone barometer — zoowel als de controleur en de 
wijzerbarometer — ons aantoont de veranderingen in de drukking 
van den dampkring, en ons voor die drukking ongeveer eene maat aan 
de hand geeft. Ik zeg ongeveer, want om de juiste maat der lucht- 
drukking te geven , om dus tot wetenschappelijke, naauwkeurige waar- 
nemingen geschikt te zijn, moet een barometer nog eenigzins anders 
ingerigt wezen. Voor het gewone gebruik is echter een als de 
bovenbeschrevene zeker naauwkeurig genoeg. 

30. Dat de thermometer ons den warmtegraad van de lucht, 
waarin hij zich bevindt, aanwijst, en 

30. Dat de hygrometer, zoo deze aan ons wederglas is aangebragt, 
ons de meerdere of mindere vochtigheid der lucht doet kennen , zonder 
dat evenwel de aanwijzingen van dit toestelletje op groote naauwkeu- 
righeid en onderlinge vergelijkbaarheid aanspraak kunnen maken. 

Alle deze aanwijzingen betreflen alleen het oogenblik der waarne- 
ming; dat wil zeggen: de barometer toont ons alleen, hoe sterk de 
lucht drukt, de thermometer hoe warm, en de hygrometer hoe voch- 
tig de lucht is, op het oogenblik dat wij den stand dier werktuigen 
opmerken. Bovendien is er onder deze drie slechts een, die van den 
thermometer, welke regtstreeks op het weder betrekking heeft. Want 
het kan goed of slecht weder zijn bij eenen hoogen en ook bij eenen 
lagen barometer, en evenzoo bij eenen vochtigen , zoowel als bij eenen 
zeer droogen dampkring. Al hadden wij dus een werktuig noodig, 
dat ons den tegenwoordigen toestand des weders aanwees , — zoo 
als de thermometer dit doet voor de warmte , — de barometer noch 
de hygrometer zouden ons daartoe kunnen dienen. 



— 31 — 

Maar , zal men teregt zeggen , daartoe hebben wij geene weêrglazen 
noodig, doch wel om eenigen tijd vooraf te kunnen weten welk weder 
wij te wachten hebben ; is ons weêrglas goed , dan moeten wij er dit 
op kunnen zien. Gaat dit door, dan zou daaruit, in verband met 
de bekende inrigting en de oorzaak der werking van die toestellen, 
volgen, dat het weder van den volgenden dag afhangt en alléén afhangt 
van de meerdere of mindere drukking der lucht, die wij heden op- 
merken. Ik geloof dat bij eenig nadenken ieder lezer het onhoudbare 
en ongerijmde van deze stelling dadelijk zal inzien; mogt dit bij 
iemand nog zoo gereedelijk niet het geval wezen, dan verwijs ik hem 
onder anderen naar het opstel van Dr. krecke : De Luchtstroomen , in 
het eerste deel van dit werk, pag. 193. Hij zal, dit gelezen en overwo- 
gen hebbende, niet aarzelen mij toe te stemmen, dat de wind, op 
eene plaats des aardbols heerschende, niet afhangt van oorzaken die 
op die zelfde plaats werken of hebben gewerkt, maar dat de rigting 
en sterkte des winds veelal geheel bepaald worden door iets , dat op 
honderden mijlen afstands der plaats , daar die wind waait , geschiedt 
of geschied is. Hoe kan de barometer daarvan iets aantoonen, en 
vooral , hoe zoude hij dit vooraf kunnen aanduiden .P En kan hij dit 
niet, dan kan hij zoo iets evenmin voor andere verschijnselen in den 
dampkring, voor regen, sneeuw of mist b. v., die ook niet plaatselijk zijn, 
maar wier oorzaak en ontstaan meestal evenzeer verre zijn te zoeken. 

Komen wij er dus maar rond voor uit: de harometer is geen 
weêrvoorspeller , en de thermometer of de hygrometer evenmin ; er be- 
staat geen werktuig, en waarschijnlijk zal er wel nooit een gevonden 
worden , dat in staat is ons het weder aan te wijzen voor den volgenden 
dag, voor het volgende uur, zelfs niet voor het volgende oogenblik. 

Maar nu zal de lezer vragen: wat beteekent dan die reeks van 
woorden, op de wijzerplaat des barometers altijd te vinden, als 
storm, regen of wind, sclioon weer enz.? Och, er heerscht in alles 
mode, en de gewoonte is, naar het spreekwoord, eene tweede natuur ; 
men heeft er vroeger, voor vele jaren, toen men nog geloofde dat 
zij waarheid behelsden, deze woorden op geplaatst, en thans, nu 
sommigen , die deze werktuigen maken , wel beter weten en allen 
beter weten moesten nu zet men ze er nog op , omdat de ge- 



— 32 — 

bruikers gewoon zijn die er op te zien, en het hun, al hechten zij 
er overigens niet aan, gemakkelijker is te zeggen: de barometer 
staat op Veranderlijk , dan : hij staat op zooveel duimen of streepen. 

Met dit al zijn er, gelijk ik reeds vroeger erkende , vele menschen , 
die vlijtig den barometer waarnemen en die daardoor in staat zijn om , 
dikwijls vrij gelukkig, het een en ander aangaande den toestand des 
weders te voorspellen. Maar zien deze alleen en uitsluitend naar den 
barometer? Gewis niet! Zij gaan, niet Aen stand, maar den ^««^ des 
barometers na; niet het zoo of zoo hoog staan, maar het rijzen of 
dalen , het meer of min snelle daarvan en de meer of min plotselinge 
afwisselingen daarin, nemen zij in aanmerking, en, deze aanduidingen 
met die van andere verschijnselen, wier beteekenis zij door de onder- 
vinding hebben leeren schatten , vergelijkende, maken zij , uit dit alles 
te zamen, als slotsom eene weêrvoorspelling op, die somtijds 
geheel, op andere tijden slechts ten halve, enkele malen ook wel eens 
glad verkeerd uitkomt. 

Het is dus klaar, dat toen ik boven zeide: "gelukkig hij die een 
goed weêrglas bezit," ik daarmede slechts het oordeel en de uitspraak 
van het algemeen, geenszins mijne eigene opinie ter nederstelde. 
Had ik dit laatste willen doen , ik had zeker gansch anders gesproken , 
en liever hém gelukkig genoemd, die in zijn bedrijf niet van het 
weder, welks veranderlijkheid bij ons ten spreekwoord is geworden, af- 
hankelijk is, en die, als het zijn genoegen geldt, zich boven de kleine 
teleurstellingen , welke het weder ons bereidt , even als boven zoo vele 
andere verdrietelijkheden des levens, weet te verheffen. 



OVER DE BAAN, 

DIE DE AARDE RONDOM DE ZON BESCHRIJFT, 



DOOR 



Ds. A. T. EEITSMA. 



l\.\s wij eenen blik slaan op de onmetelijke ruimte des heelals, 
dan doen zich daar afstanden en grootheden aan ons voor, waarbij 
de koenste verbeeldingskracht duizelt. Dan wordt de aarde, die 
wij bewonen, een naauwelijks merkbaar stipje, dat in die oneindige 
ruimte in het niet verzinkt, — één droppel in dien oceaan van 
werelden, die over het grenzenloos gebied der schepping zijn uitge- 
strooid, een zonnestofje, een zandkorrel, wiens bestaan zelfs niet 
vermoed zal worden op eene van die wereldbollen en sterrenstelsels, 
die wij in de diepte van het hemelruim met teleskopische blikken 
bespieden. 

En toch is er geen plekje in de scheppingsruimte, hetwelk ons 
nader ligt en grooter belangstelling inboezemt, dan de aarde, die 
wij bewonen , die wij liefhebben , waarop wij geboren worden , leven 
en sterven, waar wij onze ontwikkeling aanvangen om ze misschien 
op andere wereldbollen te voltooijen. En welk een uitgebreid veld 
opent zich hier niet voor onze zucht naar kennis en wetenschap ! Wij 
kunnen de natuurlijke gesteldheid van haar ligchaam tot het onderwerp 
onzer navorschingen stellen. Dit is de taak der physische aardbe- 
schrijving. Wij kunnen het wonderbare zamenstel van hare opper- 
vlakte ontleden, of afdalen in de diepte, om in de op elkander 
volgende lagen en formatiën het geheim harer wording na te sporen. 
Maar wij kunnen haar ook beschouwen in hare verhouding tot het 
zonnestelsel, waarvan zij een deel uitmaakt. Wij kunnen den 

3 



— 34 — 

schakel , waardoor zij zamenhangt met dat stelsel van werelden , 
waarin de zon met de van haar afhankelijke ligchamen eene plaats 
bekleedt, de wetten, aan welke zij gehoorzaamt, de verschijnsels, 
die zij aanbiedt, de plaats, die zij als individueel lid in dat 
wereldstelsel inneemt, trachten na te vorschen. Dit is de taak der 
astronomische aardbeschrijving. 

Wij hebben ons voorgenomen één enkel punt uit de veelomvat- 
tende wetenschap der astronomische aardbeschrijving voor onze le- 
zers in het licht te stellen, en de haan, die de aarde rondom de 
zon beschrijft, hen nader te doen kennen. 

Er wordt hier dus als bewezen voorondersteld , dat de aarde eene 
baan rondom de zon beschrijft, dat zij zich dus rondom de zon, 
en niet de zon zich rondom de aarde beweegt. Die vooronderstel- 
ling is voorwaar geene kleinigheid. Het mag voor eene der schoon- 
ste overwinningen op het gebied der sterrekunde gehouden worden, 
dat een copernicus, in weerwil van de schijnbare beweging der zon 
rondom de aarde, het onwederlegbare bewijs leverde, dat dit slechts 
een bedriegelijke schijn is, en dat daarentegen de aarde zich wer- 
kelijk rondom de zon beweegt. Het mag voor een treft'end bewijs 
van het erkende gezag der sterrekundige wetenschap gelden, dat 
men deze stelling, die eens voor eene groote ketterij gehouden 
werd, althans voor het beschaafde publiek als eene erkende waar- 
heid mag aannemen. De zinnelijke waarneming toch maakt op ons 
geenen anderen indruk, dan dat de aarde onbewegelijk vast staat, 
en dat de zon en alle hemelligchamen zich rondom haar bewegen. 
En desniettegenstaande vindt de wetenschap geloof zelfs bij hen , 
die hare bewijsvoeringen niet kunnen volgen, en op haar gezag 
wordt als waarheid aangenomen, wat tegen de eigene zinnelijke 
waarneming indruischt, namelijk dat de aarde rondom de zon haren 
loop volbrengt. 

Mag men dit nu als eene waarheid aannemen , die voor allen , 
die in de kennis der natuur belang stellen, geen opzettelijk bewijs 
noodig heeft, er blijven dan toch vele vragen te beantwoorden, vele 
ophelderingen te geven aangaande den weg, dien de aarde door- 
loopt en dien wij met haar, door haar gevoerd en gedragen, door 



— 35 — 

de onmetelijke ruimte afleggen. De aarde toch is het voertuig, de 
ontzaggelijke ballon, waarop wij met millioenen togtgenooten zon- 
der het te merken met eene verbazende snelheid eene groote, zeer 
groote reis door het onbegrensde rijk der schepping volbrengen. 
Zouden wij het dan niet van belang achten de baan, die de aarde 
doorloopt, en den weg, dien wij met haar afleggen, eenigzins na- 
der te leeren kennen? 

Wij zullen daarom de voornaamste eigenschappen van die baan 
nader trachten te verklaren, en daartoe onze aandacht bepalen: 
vooreerst, bij de gedaante van die baan, 
ten tweede, bij hare grootte, 
ten derde , bij de stelling der aarde op die baan , 
ten vierde, bij de beweging der aarde in die baan, 
ten vijfde, bij de verplaatsing van die baan in de ruimte. 



OVER DE GEDAANTE VAN DE BAAN, DIE DE AARDE RONDOM DE 

ZON BESCHRIJFT. 

Er was ongetwijfeld eene groote schrede voorwaarts gedaan, toen 
coPERNicus het bewijs had geleverd, dat de aarde zich rondom de 
zon beweegt. Het was zeer natuurlijk, dat men zich de baan, die 
de aarde rondom de zon beschrijft , als eenen cirkel voorstelde. Maar 
indien de baan der aarde eenen volmaakten cirkelvorm hadde, dan 
moest ook de afstand der aarde van de zon in elk punt van hare 
loopbaan dezelfde zijn, omdat elk punt in den omtrek van eenen 
cirkel even ver van het middelpunt is verwijderd; maar dan moest 
ook de snelheid, waarmede de aarde in hare baan voortgaat, altijd 
dezelfde zijn, omdat bij gelijken afstand van de zon ook de oor- 
zaak , die de aarde voortbeweegt , met gelijke kracht op haar moest 
werken. Maar nu bemerkte men al spoedig bij voortgezette waar- 
neming, dat dit werkelijk niet het geval is,' dat de afstand der 
aarde van de zon niet altijd gelijk en de snelheid harer beweging 



— 36 — 

niet altijd dezelfde is. Het was vooral de met onvermoeide volhar- 
ding voortgezette waarneming van dit verschijnsel, die den grooten 
KEPLEK tot de ontdekking leidde van de ware wetten, waardoor 
het gansche zonnestelsel wordt beheerscht, en die later in de door 
NEWTON ontdekte wet der algemeene zwaarte hare volkomene ver- 
klaring en bevestiging vonden. Het resultaat van keplers waar- 
nemingen was, dat de beweging der planeten en dus ook der Aarde 
plaats heeft, niet in een' cirkel, maar in eene ellips. 

Wat is eene ellips? Om zich daarvan een duidelijk denkbeeld 
te maken, heeft men slechts te letten op de wijze, waarop men 
zulk eene ellips zeer gemakkelijk kan teekenen. Als men in twee 
punten op een effen vlak twee nagels of pennen vastzet, dan een 
koord, waarvan de einden aan elkander zijn geknoopt, om die pen- 
nen legt en dan met een tusschen de koord gehouden potlood die 
koord stijf uitspant; als men vervolgens dat potlood op de effene 
vlakte laat rondgaan, terwijl men zorgt, dat de koord steeds goed 
gespannen blijft, dan verkrijgt men een langwerpig rond of ellips. 
De twee punten, om welke de koord loopt, heeten de brandpunten, 
terwijl het punt, hetwelk juist in het midden tusschen de brand- 
punten ligt, het oniddelpunt van de ellips genoemd wordt. Hoe 
nader de brandpunten aan elkander geplaatst zijn, des te meer nadert 
de ellips tot de cirkelvormige gedaante; hoe verder de brandpunten 
van elkander zijn verwijderd, des te langwerpiger wordt de ellips. 
Als men nu door de twee brandpunten eene regte lijn trekt, die 
aan beide zijden den omtrek der ellips raakt, dan noemt men die 
lijn de lange as van de ellips. Wanneer men door het middelpunt eene 
loodlijn trekt, die aan beide zijden tot den omtrek wordt voort- 
gezet, noemt men die de korte as van de ellips. Den afstand tus- 
schen een der brandpunten en het middelpunt, noemt m&xx de excen- 
triciteit of uitmiddelpuntigheid. De regte lijnen, die uit een der 
brandpunten naar den omtrek worden getrokken, noemt men de 
vosrstralen der ellips. 

Op de nevensgaande figuur zijn d en e de brandpunten, c het 
middelpunt, a ö de groote as, /^ de kleine as, c e of t?^? de uit- 
middelpuntigheid, en ek, ei, eh voerstralen. De beide voerstralen 



~ 87 — 




Tig. 1. 



df en e ƒ stellen de koord 
voor, door welker rondbe- 
weging om de brandpunten 
d en e de omtrek der ellips 
geteekend is. 

In zulk een en elliptisclien 
kring nu beweegt zich de 
aarde rondom de zon. Wij 
moeten ons daarbij tevens 
voorstellen , dat de zon niet 



in het middelpunt, maar in eene van de brandpunten der ellips 
geplaatst is. Daaruit volgt nu van zelve, dat de afstand tusschen 
de aarde en de zon, die door de voerstralen wordt aangeduid, niet 
altijd dezelfde zijn kan , maar gedurig toe of afneemt. Dat punt 
nu in de elliptische baan der aarde, hetwelk het naaste bij de zon 
is, noemt men het perl/ielimn , en het punt, hetwelk het verste ^van 
de zon verwijderd is, het aphel'mm. Deze beide punten zijn gele- 
gen aan de uiteinden van de lange as. Als wij vooronderstellen, 
dat de zon in het brandpunt e geplaatst is, dan- is de aarde, als 
zij in è is, in haar perihelium of grootste nabijheid; als zij in a is, 
in haar aphelium of grootste verwijdering van de zon. Stond de 
zon in het middelpunt van de ellips, dan zouden de twee uitein- 
den van de korte as, ƒ en g, periheliums en twee uiteinden van 
de lange as, a en b, apheliums zijn. Bijgevolg zoude zich dan ook 
bij eiken geheelen omloop der aarde het af- en toenemen van den 
afstand, waarin zij zich tot de zon bevond, tweemaal voordoen. 
Maar nu de zon in één der brandpunten staat, zal het af- en toenemen 
van dien afstand maar eenmaal bij eiken omloop plaats hebben. 
Bevindt de aarde zich in haar perihelium, in b, in haren kortsten 
afstand van de zon, die afstand zal gedurende een halven omloops- 
tijd gedurig grooter worden, totdat zij in haar aphelium, in «, het 
verst van de zon verwijderd is, om dan van daar gedurio- weder 
af te nemen, tot dat de aarde wederom in b het naast bij de zon 
geplaatst is. 

Doch nu ontstaat de vraag : wat mag toch wel de oorzaak zijn , dat 



— 38 — 

de aarde zich niet in eenen cirkel, maar in eene ellips rondom de 
zon beweegt? Men zoude anders denken, dat de aantrekkings- 
kracht, die de zon op haar uitoefent, omdat ze altijd even stsrk 
is, haar ook altijd op gelijken afstand moest houden, en dat zij 
bij gevolg eenen volmaakten cirkel om de zon beschrijven moest. 

Om ons dit nog al ingewikkeld vraagstuk te verklaren, moeten 
wij letten op een verschijnsel, hetwelk onder ieders waarneming 
valt. Indien twee verschillende krachten in denzelfden tijd in ver- 
schillende rigtingen op een ligchaam inwerken, zal dat ligchaam 
niet de rigting van de eene o.^ de andere kracht volgen, maar in eene 
tusschen die beide inliggende rigt^ng worden voortgestooten ; het 
zal, gelijk men het in de mathematische kuiuttaal noemt, in ;aan 
in de diagonaal van den parallelogram. 

Als op een ligchaam (zie fig. 2,3,4) in a geplaatst , op hetzelfde 




Kg. 2. 




^Hfc^v^^^^j^HJI 






^■^^^^^ 







Kg. 3. 



Tig. 4. 



punt des tijds twee krachten inwerken, de eene in de rigting ea 
met een vermogen om in eene bepaalde tijdsruimte dat ligchaam 
van a tot h te verplaatsen, de andere in de rigting /" « met een 
vermogen om het in datzelfde tijdsbestek van a naar d over te 
breno-en, dan zal het niet in de rigting ad oï ah, maar juist in 



— 39 — 



den diagonaal dier beide rigtingen a e voortgaan, en in den gegeven 
tijd juist het uiteinde des diagonaals, het punt e bereiken. 

Deze algemeene wet is hier ten volle toepasselijk. Het is geene 
enkele kracht, maar het zijn twee krachten, in vermogen en rig- 
ting zeer verschillende, die de beweging der aarde om de zon 
bepalen. De eerste kracht is de aantrekking, welke het ligchaam 
der zon op de aarde uitoefent. Indien deze kracht alleen op de 
aarde inwerkte, dan zoude de aarde steeds in eene regte lijn en met 
toenemende snelheid tot de zon naderen , totdat zij eindelijk geheel op 
de zon nederviel. Deze kracht werkt dus in eene rigting , die naar het 
centrum of middelpunt der zon gekeerd is, en wordt daarom ook de 
centraalkracht genoemd. De andere kracht is die impulsie, die 
stoot , waardoor aan iedere planeet bij hare wording eene eigene , oor- 
spronkelijke beweging is medegedeeld. Door deze kracht wordt dus 
de aarde aangedreven om in de eenmaal gegevene rigting desgelijks 
in eene regte lijn voort te gaan. Indien deze kracht de eenige ware, 
die op haar inwerkte, dan zoude zij sedert hare wording onafge- 
broken in die rigting zijn voortgegaan en zich steeds verder van 
de zon verwijderd hebben. Men noemt ze, omdat ze in den tangens 
of raaklijn van hare baan gerigt is, de tangentiaal- ook wel de 
centrifugaal of middelpuntscimwende kracht. De zamenwerking van 
deze twee krachten bepaalt de beweging der aarde. 

Stellen wij , dat in fig. 5 c de zon en a de aarde aanwijst. In- 
dien nu de kracht, waarmede de 
zon het ligchaam der aarde in de 
rigting « c aantrekt, het vermo- 
gen heeft om in een gegeven tijd 
de aarde uit a naar l te verplaat- 
sen, terwijl de aarde door de haar 
gegevene impulsie, dat is door de 
tangentiaalkracht , in dienzelf- 
den tijd van a tot d zoude voort- 
gaan , dan zal zij , volgens de 
boven verklaarde wet, in den 
Fig. 5. gegeven tijd door den diagonaal 




— 40 



des parallellelograms gaan , en dus in e zijn aangekomen. Indien zij nu 
in e aangekomen wederom deiizelfden stoot krijgt, door de zamen- 
werking van de centraal- en tangentiaalkracht, zal zij in even 
grooten tijd in h gekomen zijn en zoo wederom in l enz. Zij zoude 
dus een veelhoek ae, eh, hltaz. beschrijven, tot dat ze eindelijk 
wederom in a zou zijn teruggekeerd. 

Daar nu echter de beide krachten, die de bewecring der aarde 
bepalen , niet bij regelmatig terugkeerende stooten haar vermogen 
oefenen, maar onafgebroken en in elk punt des tijds gelijkelijk 
doorwerken, zoo wordt daardoor bewerkt, dat de baan, die de 
aarde beschrijft, niet uit eene menigte regte lijnen zamengesteld , 
geen veelhoek zijn kan , zoo als op fig. 5 is voortgesteld , maar 
dat zij eene voortloopende kromme lijn zijn moet, die over de 
punten a,e,h,l loopt en eindelijk tot a terugkeert. Maar nu leert 
de wiskunde, dat in dit geval deze kromme lijn noodzakelijk den 
vorm van eene der zoogenaamde hegelsneden moet aannemen. 

Als wij eenen regthoekigen driehoek om eene van de zijden, die 
den regthoek vormen, omdraaijen, dan beschrijven wij een ligchaam, 
welks grondvlakte een cirkel is en welks gebogene oppervlakte in 
eene spits uitloopt. Zulk een ligchaam noemt men eenen kegel. Nu 
kan men dat ligchaam door eene platte doorsnede in verschillende 
rigtingen doorsnijden. Snijdt men den kegel zoo door, als in fig. 6, 

dat de doorsneden evenwijdig zijn aan 
de grondvlakte, dan verkrijgt men 
vlakten, die volkomene cirkels zijn, 
zoo als bij de aan de grondvlakte a h 
evenwijdige doorsneden e/", g h, ik 
het geval is. — Snijdt men den kegel 
met eene doorsnede, die niet aan 
de grondvlakte evenwijdig is , maar 
toch door de as cl c des kegels gaat 
lig. 6. en dus den gebogenen omtrek geheel 

doorsnijdt, zoo als in fig. 7 bij de doorsneden ef^g/i, en ik het 
geval is, dan noemt men die doorsneden ellipsen. — Doch men kan 
den kegel ook doorsnijden met eene snede, die evenwijdig is aan 




41 



de schuinsclie zijde van den kegel. Men verkrijgt dan eene kromme 
lijn, die alleen aan den top gebogen is, maar dan uitloopt in twee 





Kg. «. Fig. 8. 

takken, die zich gedurig verder van elkander verwijderen zoo als in 
fig. 8 bij de aan de zijde des kegels rZ 5 evenwijdige doorsneden ef,g7i, 
i k te zien is. Men noemt deze kromme lijnen parabolen. — Brengt 
men nu die doorsneden lager aan dan de aan de zijde des kegels 
evenwijdige doorsneden, zoo als in fig. 9 wordt afgebeeld, waar 

de doorsneden ef, g JieniJc zich 
beneden de parallelen e f', g K en 
ih' bevinden, dan verkrijgt men 
insgelijks aan den top gekromde 
lijnen, die in takken uitloopen, 
die tot in het oneindige voort- 
gezet , zich steeds verder van elk- 
ander verwijderen. Deze kromme 
lijnen nu dragen den naam van 
yig. 9. liy perholen. 

Daar de beweging der aarde, gelijk wij boven hebben aangetoond, 
door de zamen werking van twee verschillende krachten, de centraal- 
en tangentiaalkracht , bepaald wordt, zoo volgt daaruit reeds op 
wiskundige gronden, dat zij, even als elk ander planetenligchaam , 
zich van hare wording af in eene van die kromme lijnen moet 
bewegen : dat zij dus of eenen cirkel , of eene ellips of eene para- 
bool, of eene hyperbool moet beschrijven. Elke andere gedaante 
van hare baan wordt op wiskundige gronden als onmogelijk erkend. 




— 42 — 

Nu is de vraag, in welke van deze kromme lijnen een pla- 
netenligchaam zich zal voortbewegen. Dit hangt af van twee 
factoren: vooreerst, van de snelheid der beweging, welke aan een 
ligchaam bij zijne wording is medegedeeld, en ten tweede, van 
den afstand, waarop een ligchaam van de zon geplaatst is, omdat 
daardoor de aantrekkingskracht, die de zon daarop uitoefent , wordt 
bepaald. De wiskunde geeft ons de vaste wetten aan de hand , 
volgens welke wij kunnen berekenen, welke uitwerking deze beide 
factoren met opzigt tot de banen der planeten moeten hebben. 

Als onze aarde zich in haar perihelium, dus het naast bij de zon 
bevindt, gaat zij voort met eene snelheid van 4,1846 Geog. Mijlen in 
eene sekonde. Indien hare snelheid op dien afstand 4,1389 G. M. 
bedroeg, dan zoude zij eenen volkomenen cirkel rondom de zon 
beschrijven. Ware de snelheid harer beweging minder, dan zoude 
zij in eene ellips rondgaan , wier middellijn korter zoude zijn dan 
de middellijn van dien cirkel. Nu echter hare werkelijke snelheid 
liet bedrag van 4,1389 te boven gaat, moet zij eene ellips beschrij- 
ven, wier middellijn die van dien cirkel te boven gaat. Had zij 
op dat punt eene snelheid van 5,8532 G. M., dan zoude hare 
loopbaan eene parabool uitmaken. Bij eene nog grootere snelheid 
zoude zij eene hyperbool beschrijven. In de twee laatste gevallen 
zoude de aarde niet meer tot het planetenstelsel behooren , daar zij , 
de rigting van den eenen tak des parabools of des hyperbools tot in het 
oneindige volgende, steeds verder in de diepten der oneindige 
ruimte zoude voortgaan, zonder ooit tot de zon terug te keeren. 
Maar nu hare oorspronkelijke snelheid meer is dan 4,1389 G. M. 
en minder dan 5,8532 G.M. in eene sekonde, nu moet hare loop- 
baan noodwendig eene elliptische zijn. 

Het spreekt van ^elf, dat dit bedrag der snelheid bij de ver- 
schillende planeten geëvenredigd is aan hare afstanden van de zon. 
Jupiter, bij voorbeeld, de grootste planeet van ons zonnestelsel, 
zoude zich in eenen volkomenen cirkel bewegen , indien hare oor- 
spronkelijke snelheid bij haren kortsten afstand van de zon, 1,8443 
G. M. in eene sekonde bedroeg. Indien zij op dat punt eene snel- 
heid van 2,6082 G. M. bereikte , zoude zij in eene parabool, bij nog 



— 43 — 

grootere snelheid in eene hyperbool voortgaan , dat is in beide gevallen 
eene oneindig groote loopbaan beschrijven. Maar nu hare wezenlijke 
snelheid op dat punt 1,8941 G.M. in de sekonde bedraagt, nu 
wordt zij juist door die snelheid in betrekking tot haren afstand 
van de zon genoodzaakt eene ellips te beschrijven. 

Uit dit alles volgt derhalve op wiskundige gronden , dat de ge- 
daante van de baan der aarde rondom de zon noodzakelijk eene 
elliptische zijn moet. 



IL 

OVER DE GROOTTE VAN DE BAAN, DIE DE AARDE RONDOM DE ZON 

BESCHRIJFT. 

Om de eigenschappen van eene elliptische loopbaan des te beter 
in het oog te doen vallen, hebben wij in fig. 1 eene ellips van 
aanmerkelijke excentriciteit geteekend. Wij moeten ons echter niet 
voorstellen, dat de baan der aarde eene zoo langwerpige ellips 
vormt. Uit hetgeen wij over de gedaante dier baan gezegd hebben, 
valt gemakkelijk af te leiden, dat zij slechts weinig van eenen 
volkomen cirkel kan verschillen. 

Wij hebben gezien, dat de oorspronkelijke snelheid, waarmede 
de aarde in hare baan voortgaat, slechts 0,0457 G. M. in de 
sekonde verschilt van die snelheid, die haar zoude noodzaken eenen 
volkomen cirkel te beschrijven. Uit dit gering verschil in snelheid 
volgt, dat ook de afwijking van den cirkelvorm slechts zeer gering 
kan zijn, en dat bij gevolg de ellips, die zij beschrijft, geene 
groote excentriciteit kan bezitten. 

Wij zien dit bevestigd, als wij opmerken, dat de verste en 
naaste afstand, waarop de aarde op de tegenovergestelde punten 
van hare baan van de zon geplaatst is, niet eens zoo aanmerkelijk 
verschillen, dat wij dat verschil met ons oog uit de toe- of afne- 
ming der grootte van de zonneschijf kunnen waarnemen. Was dat 
verschil waarlijk in het oog loopend groot , dan zoude de zonne- 
schijf zich in onze grootste nabijheid van dat ligchaam grooter en 



_ 44 — 

op den versten afstand veel kleiner voordoen. Nu is dat verschil 
zoo fferins:, dat het niet dan door zeer naauwkeurig:e metingen kan 
worden waargenomen. Het is ons een nieuw bewijs, dat die af- 
standen niet veel verschillen, met andere woorden, dat de ellips, 
die onze aarde beschrijft, slechts weinig van den cirkelvorm afwijkt. 

Om nu de ware grootte van de elliptische baan der aarde te 
kennen , behoeft men slechts aan de beide uiteinden van de groote 
as der loopbaan, den afstand van de zon, die in een der brand- 
punten staat, naauwkeurig te meten. Als de aarde (ziefig. 1) in 
haar perihelium b is, en men daar den afstand van de zon eb 
meet, en dan later als de aarde in haar aphelium , ina, is, weder 
den afstand van de zon ae meet; als men dan die twee afstanden 
zamentrekt, heeft men de geheele lengte van de lange as der baan 
a b. Als men dan weder van de helft van die lange as , eb , den 
kortsten afstand van de zon eb aftrekt, dan verkrijgt men daar- 
door c e als het bedrag der excentriciteit. Is dit eenmaal door waar- 
neming bekend, dan is de geheele ellips in alle hare afmetingen ligt 
te berekenen. 

Uit die waarnemingen is volgens de laatste zeer naauwkeurige 
bepaling van en'cke gebleken, dat de naaste afstand van de aarde 
tot de zon bedraagt 20,385,073 G. M., de verste afstand 21,029,585, 
hetwelk een gemiddelden afstand geeft van 20,682,329 G. M. De 
geheele lengte van de halve groote as der aardbaan bedraagt dus de 
ontzaggelijke som van 41,364,658 G. M. Het bedrag der excentri- 
citeit is gevolgelijk ongeveer ^Vjoqo, of naauwkeuriger in decima- 
len uitgedrukt, 0,016792 van de halve groote as; dat is eene lengte 
van 347256 G. M. 

Alhoewel eene lengte van 347 256 G. M. nog al aanzienlijk ge- 
noemd mag worden, -zoo is zij toch niet te vergelijken met de 
verbazende uitgebreidheid van de geheele baan der aarde. Om ons 
daarvan eene zinnelijke voorstelling te geven , behoeven wij slechts 
de verschillende grootheden, tot de baan der aarde betrekkelijk, 
met elkander te vergelijken. 

Onze aarde heeft op hare evenachtslijn eenen omtrek van omstreeks 
5400 G.M. en eene middellijn van 1719 G.M. of, naauwkeuriger 



— 45 — 

uitgedrukt, van ongeveer 12,754,980 Ned. ellen. Indien wij nu 
eene afbeelding van de baan der aarde wilden maken, en in die 
afbeelding aan de middellijn der aarde slechts de geringe lengte 
van Vjo streep (0,0001 N. el) gaven , dan zoude het ligchaam der zon 
naar diezelfde evenredigheid eene middellijn van twaalf streep (0,013 
N. el) moeten hebben, omdat haar middellijn ongeveer gelijk staat 
aan 120 middellijnen van onzen aardbol, met andere woorden, 
omdat 120 bollen, als onze aarde, naast elkander op de middellijn 
der zon geplaatst zouden kunnen worden. Dat ontzaggelijke hemel- 
ligchaam, hetwelk in inhoud onze aarde l^/j millioen malen te boven 
ffaat, zoude dus worden vooru'esteld door een' bol van 12 Ned.- 
streep in de middellijn. Maar de geheele groote as van de baan 
der aarde zoude, daar zij meer dan 24,000 maal de middellijn der 
aarde bevat, naar diezelfde evenredigheid eene lengte moeten be- 
slaan van ongeveer twee el en vier palmen (2,4 Ned. el). Daar 
echter het bedrag der excentriciteit ongeveer 200 maal de middel- 
lijn der aarde overtreft, zoo zoude men het brandpunt, waarin de 
zon staat, op die middellijn van 2,4 Ned. el slechts 2 duim van 
het middelpunt af.behooren te plaatsen. En wanneer men nu op 
die middellijn volgens de aangegevene afmetingen eene ellips be- 
schrijft, dan moet het al een zeer scherp en geoefend gezigt zijn, 
hetwelk ze met het bloote oog van eenen cirkel zal kunnen on- 
derscheiden. Hieruit volgt van zelve, dat men bij eene afbeelding 
op kleine schaal de elliptische gedaante der baan in het geheel 
niet kan uitdrukken en ze eenvoudig als eenen cirkel met de zon 
in het middelpunt beschrijft. 

Ware d^ baan der aarde een cirkel, zij zoude een omtrek van 
bijna 130 millioen G.M. bezitten; nu zij eene ellips is, is de omtrek 
kleiner en bedraagt ongeveer 115 millioen G.M. Honderd vijftien 
millioen G. M. ! Dat is dan de verbazende ruimte, die onze aarde 
jaar op jaar van hare wording af heeft doorloopen , dat is de weg, 
dien wij jaarlijks met haar door liet onbegrensde gebied der schep- 
ping afleggen. 

Om ons van zulke ontzaggelijke afstanden en van de snelheid, 
waarmede zij doorkliefd worden , eenige voorstelling te vormen , 



— 46 — 

doen wij best ze te vergelijken met andere ons bekende snelheden. 
Een snelzeilend schip legt in één uur een weg van ongeveer 'ó^/o G. M. 
af. Een stoomwagen doorloopt in dien tijd 6 tot 8 G. M. Het 
geluid doorklieft in één uur tijds eene ruimte van 163 G. M. Een 
vier-en-twintig ponder, zoo hij onafgebroken met dezelfde snelheid, ■ 
waarmede hij het kanon verlaat, kon voortgaan, zoude 250 mijlen 
afleggen. Maar dat alles is slakkengang bij de snelheid, waarmede 
onze aarde op hare baan voortijlt. Zij doorvliegt bij gemiddelde 
snelheid in één uur tijds eene ruimte van bijna 15,000 G. M. 



III. 

OVEn DE STELLING DER AARDE OP HARE BAAN. 

Om ons eene juiste voorstelling te vormen van den ^eg, dien 
de aarde aflegt, is het niet genoeg de gedaante en grootte der 
baan te kennen, maar moeten wij ook weten, hoe zij in hare baan 
geplaatst is. Als wij eene aardglobe voor ons zetten , en ons verbeelden , 
dat de rand der globe, tot in het oneindige verlengd , de vlakte is, 
waarin de aarde zich voortbeweegt, dan valt het in het oog, dat de 
aarde in die vlakte zeer verschillende standen kan aannemen , met an- 
dere woorden , dat de hoek , dien de aequator der aarde met de vlakte 
der ecliptica, dat is met die der aardbaan, maakt, zeer ongelijk kan zijn. 

Naauwkeurige waarnemingen hebben geleerd, dat deze hoek, 
welken men de sdiuinscJiJieul der ecliptica noemt, omstreeks 23^/2° 
bedraagt, of, volgens de opgave van peters voor het jaar 1850, 
23° 27' 30" 76. Bijgevolg is de hoek, dien de as der aarde met de 
vlakte van de loopbaan vormt, ongeveer van 66^/3°. 

Gesteld dat in fig. 10,^^ de vlakte der ecliptica is, en a 5 de 
aequator, dan zal de hoek door die beide gemaakt, g c a oi b c h 
=1 23Vo° de schuinschheid der ecliptica bepalen en de as , die 
door de polen de gaat, den stand der aarde op hare baan aanwijzen. 

Men denke niet, dat de stelling der aarde op hare baan eene 
onverschillige zaak is. Juist aan dien schuinschen stand onzer 
planeet hebben wij de geregelde toe- en afneming van dag en 



— 47 — 




Pig. 10. 



nacht, van licht en warm- 
te, en dus de wisseling 
der jaargetijden te dan- 
ken. 

Stellen wij, dat de 
aarde op een zeker punt 
van hare baan gekomen , 
b. V. in fig. 1 in ö, zoo ge- 
plaatst is, dat de Noord- 
pool naar de zon, die 
wij hier als in het cen- 
trum c geplaatst voor- 



onderstellen , is toegekeerd, dan zal het van de zon uitstralende 
licht in de rigting van de ecliptica tusschen de raaklijnen AB 
en CD op het ligchaam der aarde vallen, zooals in fig. 10 wordt 
voorgesteld. Wat zal dan het geval zijn? Het noordelijke halfrond 
heeft nu een veel grooter aandeel in het licht en de warmte der 
zon dan het zuidelijke: want terwijl de zon in het Noorden het 
deel des aardbols acJc beschijnt, en slechts heb in de schaduw 
stelt, wordt daarentegen in het Zuiden slechts acn beschenen, 
terwijl ben in het duister ligt. In alle plaatsen boven den aequator 
gelegen , zullen dus de dagen langer dan de nachten zijn ; beneden 
den aequator zal het tegengestelde plaats hebben. Hoe noordelijker 
men komt, des te langer zullen de dagen zijn, ja boven den 
Noordpool-cirkel Ik is er in het geheel geen nacht meer, omdat dit 
geheele vlak zelfs bij de rondwenteling der aarde aan het zonne- 
Hcht is toegekeerd. Hoe zuidelijker men komt, des te langer zijn 
de nachten, en beneden den Zuidpool-cirkel wordt het in 't geheel 
geen dag meer. Het is zomer in het noordelijk en winter in het 
zuidelijk halfrond. — Stellen wij nu verder, dat de aarde na eenigen 
tijd in fig. 1 van b tot/ is voortgegaan, dan valt in fig. 10 het 
licht vlak op haar. Het gevolg is dus, dat het noordelijk en zui- 
delijk halfrond gelijkelijk met licht en warmte bestraald worden, 
dat dus de dagen en nachten over de geheele aarde even lang zijn. 
Het is de tijd der nachtevening. — Is nu na eenigen tijd de zon 



48 — 



in fig. 1 in a aangekomen , dan zal juist liet tegendeel plaats hebben 
van hetgeen wij zoo even zeiden. Het zonnelicht zal nu van de 
andere zijde tusschende raaklijnen B Dm fig. 10 op de aarde vallen. 
Het zuidelijk halfrond zal dus naar de zon zijn toegekeerd. Het zal 
zomer zijn in het Zuiden, terwijl in het Noorden de winter heerscht. — 
Gaat de aarde dan weder voort in hare baan tot g , dan zal er weder- 
om een tijd van nachtevening op de aarde heerschen. Omdat de 
aarde met gelijkmatige snelheid op hare baan voortgaat, heeft ook 
de wisseling der jaargetijden met zachte overgangen plaats. 

Was nu de aarde niet in dien schuinschen stand , maar b. v. 
regtstandig op hare baan gesteld, zoodat de aequator en ecliptica 
zamenvielen en de as der polen loodregt daarop stond, dan zouden 
het licht en de warmte der zon geheel gelijkmatig over de aarde 
verbreid zijn. Dag en nacht zouden overal even lang zijn. Alle 
afwisseling van jaargetijden zoude ophouden en de aarde eene 
eeuwige lente vieren. Fig. 11 doet het ons duidelijk zien, dat van 



wMÊÊÊÊ 



Fig. 11. 

welke zijde de zon ook de aarde beschijnt, hetzij hare stralen van 
de zijde van ^ C of van de zijde van £ J) invallen, de verdeeling 
van licht en warmte overal onder alle breedten gelijk zal zijn. 

Stellen wij ons daarentegen voor, dat de as der aarde geheel 
met hare loopbaan zaraenviel, en dat bij gevolg haar aequator met 



49 



de ecliptica eeu' regten hoek maakte, dan zoude daaruit onvermijdelijk 
volgen, dat er, als de Noordpool naar de zon was gekeerd, op 
het noordelijk halfrond weken en maanden lang onafgebroken dag 
zoude heerschen, terwijl het van de zon afgekeerde zuidelijk half- 
rond in een even langden nacht zoude verkeeren. Als de aarde nu 




Fig. 12. 
na drie maanden een vierde van hare loopbaan volbragt had, en dus 
de aequator ha naar de zon ware toegekeerd, zou de zon vooralle 
plaatsen op den aardbol op en ondergaan, en de dagen en nachten 
even lang zijn. Na drie maanden zou de zon aan de Zuidpool in 
het toppunt staan , het licht langs de raaklijnen B B invallen ; op 
het zuidelijk halfrond zou de zon niet meer ondergaan, terwijl zij 
in het noordelijk halfrond niet meer zou gezien worden. Het is 
ligt in te zien, dat de aarde bij zulken stand op hare baan geheel 
onbewoonbaar zoude zijn. 

Die schuinsche stand der aarde is echter niet onveranderlijk 
dezelfde. Als men de vroegste waarnemingen der sterrekundigen , 
waarvan die onder den Chineeschen keizer tschu-king 1100 v. C. 
wel de oudste zullen zijn, met de latere vergelijkt, dan vindt men, 
dat er eene langzame afneming van den schuinschen stand der 
ecliptica plaats heeft. Die jaarlijksche afneming wordt thans op on- 
geveer eene halve sekonde, of naauwkeurig uitgedrukt, 0",4738 



— 50 — 

berekend. Wanneer nu deze afneming geregeld vooitging, dan 
zoude eenmaal de aequator en ecliptica zamenvallen, de hoek gca 
en lich op fig. 10 geheel verdwijnen en de in fig. 11 voorgestelde 
toestand werkelijk aanwezig zijn. Maar dit uitzigt op eene eeuwige 
lente, die dan zoude aanvangen, is geheel ongegrond. De juistere 
kennis van de wederkeerige aantrekking, die de verschillende lig- 
chamen van ons planetenstelsel op elkander uitoefenen, heeft geleerd, 
dat dergelijke afwijkingen niet altijd in dezelfde rigting kunnen 
voortgaan , maar dat zij , tot een zeker pnnt gekomen , wederom in 
eene tegenovergestelde rigting overgaan. Het zijn , cm zoo te 
spreken, langzame schommelingen, die wel eeuwen en duizenden 
jaren in ééne rigting voortgaan, maar dan ook weder even lang 
eene tegenovergestelde rigting volgen en zoowel in toenemen als in 
afnemen binnen bepaalde perken zijn ingesloten. Zoo heeft de sterre- 
kundige LAGRANGE berekend , dat de verandering in de schuinschheid 
van de ecliptica besloten is tusschen 21 en 28 graden. Het is dus 
eene slingering, die in duizentallen van jaren eenen boog van on- 
geveer 7 graden beschrijft. 

De stelling der aarde op hare baan ondergaat nog eene aan- 
merkelijke verandering door de veranderde rigting van de as der 
aarde. Indien deze as onveranderlijk dezelfde rigting behield, dan 
zoude zij altijd op hetzelfde punt des hemels gerigt zijn. Een ge- 
volg hiervan zoude zijn, dat de sterrenhemel met opzigt tot de 
aarde altijd in denzelfden stand zoude blijven. Dit is nu echter 
het geval niet. De ster, die nu wegens hare nabijheid aan de pool 
des hemels de poolster heet, is niet altijd poolster geweest en zal 
het niet altijd blijven. 

Laat in fig. 13 de lijn a /" de rigting van de as der aarde, die 
met eenen hoek van. 66%° op hare baan ailhe staat, aanwijzen. 
Denken wij ons nu in het middelpunt van de vlakte der aardbaan 
eene loodlijnige as c ^, die dus de as der ecliptica vormt. Nu 
zal de as der aarde niet altijd in de rigting «ƒ" blijven, maar 
zich langzamerhand omwenden. Gesteld, dat die _ as zich door de 
punten a l d h heen beweegt , dan zal zij, in h aangekomen , in eene 
geheel tegengestelde rigting h g geplaatst zijn. Gaat dan die om- 



— 51 




wending der as voort door e, dan zal 
ze in a wederom tot den vroegeren stand 
zijn teruggekeerd. In dien zelfden tijd nu, 
waarin deze omdraaijing van de as der 
aarde plaats heeft , zal zij aan den hemel 
een cirkelboog f m i g h beschrijven , 
waarvan de as der ecliptica c Je het mid- 
delpunt uitmaakt. Zij zal dus achtereen- 
volgend henen wijzen op die punten van 
den hemel, die in dien cirkelboog gelegen 
zijn. Maar door de veranderde rigting van 
de as der aarde, wordt ook haar aequator 
verplaatst en naar een ander gedeelte des 
hemels gerigt. De punten, waar de aequator 
door de ecliptica gesneden wordt, de zoo- 
genoemde nachteveningspunten , zullen 
^'g- 13. dus telkens op andere punten des hemels 

wijzen en de geheele ecliptica rondloopen. 

Men denke echter niet, dat deze omdraaijing van de as der aarde in 
hare baan binnen een kort tijdsbestek volbragt wordt. De aarde 
wentelt zich in 24 uren om hare as. Zij volbrengt in 365 dagen 
5 uren 48' 47" hare jaarlijksche reis om de zon. Maar de omwending 
van hare as wordt, zoo als door de naauwkeurige berekening 
van PETERS te Dorpat is gebleken, eerst volbragt in den tijd 
van 35700 jaren. De jaarlijksche verandering in de rigting van 
de as bedraagt derhalve slechts 50" of naauwkeurig uitgedrukt 
50",2468. Men noemt dit den vooruitgang der nachteveningen of de 
praecessie der aequinoctiën. 

Stellen wij nu eens, dat a ƒ ^& tegenwoordige rigting van de 
as der aarde aanwijst, dan zal na ruim 3000 jaren de as in de 
rigting l m, na ruim 12000 jaren in de rigting b g geplaatst, en 
na 25700 jaren weder tot a f zijn teruggekeerd. 

Hoe langzaam deze verandering nu ook plaats moge hebben , zoo 
is zij echter thans reeds duidelijk merkbaar. Door deze verandering 
toch worden de nachteveningspunten aan den hemel verplaatst. In 



— 52 - 

ruim 2000 jaren bedraagt die verplaatsing een twaalfde gedeelte 
van de ecliptica. Nu is men reeds sedert eeuwen gewoon de eclip- 
tica in twaalf deelen af te scheiden, die naar zekere sterrebeel- 
den worden genoemd b. v. de Weegschaal, de Maagd enz. Maar 
nu komen die deelen niet meer overeen met de sterrebeelden , 
waarnaar zij genoemd zijn, daar elk deel met opzigt tot het 
sterrebeeld, welks naam het draagt, één ten achterenis. Die afdee- 
ling van den hemel, die men door het teeken van den Ram aanduidt, 
ligt niet in het sterrebeeld van den Ram, maar van de Visschen, 
en zoo vervolgens. Zeer natuurlijk: want sedert dien tijd, dat men 
voor ruim 2000 jaren elk deel des hemels naar het daarin zich 
bevindend sterrebeeld noemde, is de stand van de aarde met opzigt 
tot den hemel door de omwending van hare as, juist de lengte 
van een hemelteeken, dat is een twaalfde gedeelte van de ecliptica, 
verplaatst. Dit zal zoo voortgaan, tot, na verloop van omstreeks 
25700 jaren, de afdeelingen des hemels weder volkomen zullen over- 
eenstemmen met de sterrebeelden, wier namen zij dragen. 



IV. 

OVER DE BEWEGING DER AARDE IN HARE BAAN. 

Het is allen bekend, dat de aarde zich op hare baan rondom 
de zon , al rondwentelende om hare as , voortbeweegt , dat zij die 
omwenteling in eenen tijd van 24 uren volbrengt, en dat zij ruim 
365 zulke omwentelingen te volbrengen heeft, eer zij haren jaar- 
lijkschen weg heeft afgelegd. Die beide bewegingen , om hare as en 
om de zon, zijn ten naauwste verbonden. Het is niet denkbaar, 
dat een ligchaam, van alle kanten vrij zijnde, zich alleen om hare 
as bewegen zal , zonder zich in de ruimte te verplaatsen. Wij 
kunnen de oorspronkelijke beweging der aarde ons niet anders den- 
ken, dan als een schok of stoot, haar reeds bij hare wording toe- 
gebragt. Geeft men eenen kogel , die op eene gladde vlakte ligt , 
eenen stoot, hij zal zich voorwaarts bewegen. Gaat die stoot juist 
door het middelpunt des kogels, hij zal in eene regte lijn voort- 



— 53 — 

gaan, zonder dat er eene omdraaijing van dien kogel plaats heeft. 
Maar gaat die stoot niet juist door het middelpunt des kogels, 
dan zal hij zich tegelijk om zijne as wentelen, en die omwenteling 
zal met grootere snelheid plaats hebben, naarmate de stoot den 
kogel verder van het middelpunt treft. Zoo is het ook met onze 
aarde. Uit de omwenteling om hare as volgt reeds, dat zij zich 
ook in de ruimte moet voortbewegen uit kracht van de impulsie, 
die haar reeds bij hare wording is gegeven. Uit de snelheid van 
hare omwenteling heeft mtïrow {Wunder des Himmels , Appendix 
p. 33.) opgemaakt, dat die schok, die stoot, die oorspronkelijke 
impulsie aan de aarde moet zijn toegebragt op een punt 5 G. M. 
van haar middelpunt verwijderd. 

Wij hebben boven reeds gezegd, dat de aarde op hare baan niet 
altijd met dezelfde snelheid voortgaat. De reden daarvan is gele- 
gen in de gedaante van de baan, die de aarde doorloopt. Ware 
die baan volkomen cirkelvormig, dan zoude zij in elk punt des 
tijds met gelijke snelheid voortspoeden, omdat zoowel de kracht 
der aantrekking als die harer oorspronkelijke beweging , de centraal- 
en tangeutiaal-krachten , in dit geval altijd gelijkmatig zouden werken. 
Maar omdat de gedaante van de baan der aarde geene cirkel- 
vormige, maar elliptische is, is ook de afstand tusschen de aarde 
en de zon niet altijd gelijk. Nu werkt de aantrekkingskracht in 
de omgekeerde rede der afstanden: dat wil zeggen, dat die kracht 
sterker is, naarmate de afstand der zich aantrekkende ligchamen 
geringer is en omgekeerd; en wel zoo, dat die kracht geëvenredigd 
is aan de vierkanten der afstanden. Wordt bij voorbeeld de afstand 
tusschen twee ligchamen tweemaal kleiner, dan zal de kracht van 
aantrekking tusschen die ligchamen tweemaaltwee, dat is vier- 
maal o-rooter worden. Wordt de afstand driemaal verkleind, dan 
wordt de aantrekking driemaaldrie, dat is negenmaal vergroot. 
Daaruit volgt dus dat de kracht, waarmede de zon de aarde aan- 
trekt, naar diezelfde evenredigheid grooter zal worden, naarmate 
de afstand kleiner is. 

Als dus de aarde zich op het aan de zon naastgelegene punt, 
dat is, in haar perihelium, in b (zie fig. 1) bevindt, zal hare snel- 



— 54 — 

heid de grootste zijn. Die snelheid zal van lieverlede afnemen, 
tot dat zij in haar aphelium , in «, gekomen is, om. dan langzamer- 
hand weder toe te nemen, totdat zij in haar perihelium hare grootste 
snelheid bereikt heeft. 

Daar echter de ellips, die onze aarde rondom de zon beschrijft, 
slechts weinig van den volkomen cirkelvorm afwijkt, zoo kan ook 
het verschil tusschen hare grootste en kleinste snelheid niet zeer 
aanmerkelijk zijn. Als onze aarde het digtst bij de zon gekomen 
is en zij dus hare grootste snelheid bereikt heeft, legt zij in één 
uur 15100 G. M. af. Als zij het verst van de zon verwijderd is 
en dus hare kleinste snelheid heeft, gaat zij in één uur 14600 
G. M. voorwaarts. Het verschil in de snelheid harer beweging be- 
draagt dus 500 G. M. in één uur. 

Dat verschil in snelheid heeft ten gevolge , dat zij in gelijke 
tijdruimten, juist geene bogen van dezelfde lengte doorloopt. Aan 
den grooten en genialen kepler komt de hooge eere toe, dat hij 
de bewonderenswaardige natuurwet ontdekt heeft, volgens welke 
die verschillende grootheden worden bepaald. 

Als men van de uiteinden van een' elliptischen boog voerstralen 
naar een der brandpunten trekt, dan besluiten twee dier voerstra- 
len met eenen boog een driehoekig stuk , een zoogenaamden Sector. 
Zoo stellen op fig. 1 de vlakten &eb, iek, kei, aeh ons zulke 
sectoren voor. Heeft men nu twee bogen , die eene planeet in eene 
gelijke tijdruimte doorloopt, dan zullen niet die bogen even lang 
wezen, maar de vlakken, door die bogen en de voerstralen inge- 
sloten, zullen even groot van inhoud zijn. Naarmate de planeet 
digter bij de zon geplaatst is, is dit stuk korter, maar moet het 
ook daarom breeder zijn, zal het dezelfde ruimte beslaan als een 
ander vlak, dat langer is, maar daarom ook smaller moet zijn. 
Vooronderstellen wij dat in fig. 1 de sectoren k eh , iek, hei en 
aeh dezelfde ruimte bevatten, gelijken inhoud hebben, dan zal eene 
planeet de bogen b k, ki, ih, ha, die deze sectoren begrenzen, in 
dezelfde tijdruimte doorloopen. De snelheid zal dus in den boog 
ö k aanmerkelijk sneller moeten zijn, dan in de volgende. 

Men zoude zich echter zeer vergissen, indien men meende, dat 



— 55 — 

de aarde zich nu altijd juist in dat punt van hare baan bevond, 
en zich altijd juist met die mate van snelheid bewoog, zoo als dat 
volgens mathematische berekening zijn moest. Men moet niet den- 
ken , dat die baan , welke de aarde werkelijk om de zon beschrijft , 
eene volkomen elliptische lijn is, zoo als men die op mathematische 
gronden beschrijft en berekent. Dat zoude zeker het geval zijn , 
indien de zon het eenige ligchaam ware, tot hetwelk de aarde in 
betrekking staat. Maar er zijn nog andere ligchamen in ons pla- 
netenstelsel en daaronder van aanmerkelijke grootte, zooals de pla- 
neten Jupiter en Saturnus. En alle die ligchamen trekken elkander 
onderling aan, geheel volgens de zelfde wet, waarnaar de zon hare 
aantrekkingskracht uitoefent. Door die onderlinge aantrekking 
worden de planeten gedurig uit hare banen getrokken. Nu eens 
wordt hare beweging door de inwerking van eene andere planeet 
versneld, dan eens vertraagd. Men noemt deze afwijkingen gewoonlijk 
storingen. 

Ook onze aarde ondergaat die storingen. Zij zijn van zeer ver- 
schillenden aard. Sommige hangen' af van de tijdelijke standplaats, 
die deze of gene planeet ten haren opzigte inneemt en eene meer- 
dere of mindere onregelmatigheid in hare beweging veroorzaakt. 
Omdat deze storingen in een bepaalden tijdkring wederkeeren, zoo 
noemt men ze periodieJce storingen. Maar er zijn ook andere, die 
niet in de tijdelijke plaatsing der planeten, maar die in den bouw 
van het geheele planetenstelsel haren grond hebben en over reeksen 
van eeuwen loopen. Men noemt ze seculaire storingen. 

Zoo ondergaat de vlakte, waarin de baan der aarde gelegen is, 
eene zeer langzame schommeling, die duizenden van jaren in eene 
rigting voortgaat, en dan wieder duizenden van jaren in tegenge- 
stelde rigting terugkeert. De gedaante der baan zelve ondergaat 
eene kleine verandering, daar de groote as der loopbaan thans door 
lange tijdruimte henen inkrimpt, om zich later wederom uit te zetten. 

Als wij alle deze storingen in aanmerking nemen , dan kunnen 
wij met regt beweren , dat onze aarde zich welligt nooit op dat 
punt van hare loopbaan bevindt, waarop zij zich volgens eenvou- 
dige wiskundige berekening bevinden moest. 



— 56 — 

Men deiike echter niet, dat deze storingen uitzonderingen zijn op 
de wetten, die in de natuur zijn vastgesteld. Integendeel; ook die 
storingen worden te weeg gebragt door diezelfde kracht van aan- 
trekking, die aan elk ligchaam naar evenredigheid van zijne massa 
eigen is. 

Men denke evenmin, dat door die storingen eenig gevaar zoude 
kunnen ontstaan voor de orde en regelmaat, die in het geheele 
planetenstelsel heerschen. Men vreeze niet, dat daardoor ooit de 
gang van het geheel in verwarring zoude kunnen gebragt worden. 
De zon, die in massa onze aarde 360,000 en zelfs de grootste ons 
bekende planeet, Jupiter, nog 1000 malen overtreft, is onder de 
planeten, als een reus onder de dwergen. Zij is door hare ont- 
zaggelijke massa de magtige gebiedster, die de beweging van alle van 
haar afhangende planeten bestuurt en regelt. Bovendien zijn de 
ligging en gedaante der loopbanen, de snelheid en omloopstijden der 
verschillende planeten, juist zoo geordend, dat, zoo als de hoogere 
wiskunde zulks ontegensprekelijk bewijst, elke afwijking, elke on- 
regelmatigheid, elke storing telkens weder door zich zelve wordt 
hersteld, zoodat het geheele planetenstelsel in zijne oorspronkelijke 
door den Schepper zelven verordende inrigting den zekeren waar- 
borg zijner duurzaamheid heeft. Het draagt niet, zoo als het werk 
van menschenhanden , de kiemen van zijne ontbinding in zich. Het 
kan en zal blijven bestaan, zoolang het Hem behaagt, die het eens 
te voorschijn riep en ordende. 



V. 

OVER DE VERPLAATSING VAN DIE BAAN IN DE RUIMTE. 

Wij hebben tot hiertoe bij onze beschouwing van de baan der 
aarde de zon aangenomen als een vast en onbewegelijk punt in de 
scheppingsruimte , rondom hetwelk de aarde jaarlijks haren kring- 
loop volbrengt. Maar de zon is niet zulk een vast en onbewegelijk 
punt : zij heeft zelve ook hare eigene beweging. 

Het was reeds sedert langen tijd bekend , dat de zon zich even 



— 57 — 

als de aarde om hare as wentelt. Zij volbrengt die beweging in 
ruim 25 dagen. Maar nu is het reeds op zich zelven ondenkbaar, 
dat een ligchaam, hetwelk uit kracht van eene hem van den be- 
ginne af medegedeelde beweging, zich om zijne as wentelt, des 
niet te min onveranderlijk op dezelfde plaats zoude blijven. De 
omwenteling der zon om hare as sluit in zich, dat zij zich ook 
moet voortbewegen in de ruimte. 

Deze gedachte werd het eerst duidelijk uitgesproken door brad- 
i.EY in 1748 en naderhand door de beroemdste sterrekundigen be- 
vestigd. Wii.LiAM HERSCHELL berekende reeds in 1783 uit eene me- 
nigte zeer naauwkeurige waarnemingen het punt aan den hemel, 
op hetwelk die beweging der zon gerigt is. Men scheen in het eerst 
de uitkomsten van herschell's onderzoekingen te betwijfelen. Maar 
ARGELANDER in 1837 en na hem lunddahl en struve zijn op 
het door herscheij, ingeslagen spoor voortgegaan en nagenoeg tot 
hetzelfde resultaat gekomen. Zij gingen echter nog eene schrede ver- 
der, en berekenden ook de snelheid waarmede de zon hare reis door 
de scheppingsruimte voortzet. Uit de laatste onderzoekingen van 
STRUVE is gebleken, dat de zon zich voortbeweegt naar een punt 
des hemels, gelegen in het sterrebeeld van Hercules. Dit punt 
bevindt zich tusschen de sterren tt en jc« in het genoemde sterre- 
beeld, op 259°,4 R. O. en 33°,2 A. N. Zij doorloopt in die rigting 
jaarlijks eene ruimte van nagenoeg 30 millioenen G. M. 

Onze zon behoort derhalve tot de vaste sterren en heeft even 
als deze eene eigene beweging. Alhoewel tot hiertoe alleen de rig- 
ting, welke de zon in die beweging volgt, met eenige zekerheid 
kan worden aangewezen, zoo moeten wij echter niet denken, dat 
zij zich in eene regte lijn voortbeweegt. Het lijdt wel geen twijfel, 
dat zij zich met het om haar zwevende planetenstelsel , misschien 
wel in vereeniging met eene geheele sterrengroep , rondom één ge- 
meenschappelijk zwaartepunt in eene elliptische baan beweegt. Als 
de waarneming van den stand der zon, in betrekking tot de haar 
naastgelegene sterrengroepen zich over een aanmerkelijk gedeelte 
van hare baan zal uitstrekken , zal men eerst met wiskundige zeker- 
heid het brandpunt kunnen aanwijzen van de verbazend groote ellips, 



58 — 



langs welke zij hare ontzaggelijke baan welligt in millioenen jaren 
volbrengt. De sterrekunde, die van de aarde tot het zonnestelsel en 
van het zonnestelsel tot het geheele sterren- en wereldstelsel op- 
klimt, bestijgt daar eene hoogte, die de koenste verbeeldingskracht 
doet duizelen. 

Uit de eigene beweging der zon om een of ander ver gelegen 
centraalpunt volgt van zelve, dat het geheele planetenstelsel en 
dus ook onze aarde, die er een lid van uitmaakt, haar op die on- 
metelijke baan vergezelt. Indien de zon in één jaar eene ruimte 
van 30 millioen G. M. doorloopt, dan wordt ook de gelieele baan 
der aarde in dienzelfden tijd 30 millioen G. M. in de ruimte 
verplaatst. 

Hoe aanmerkelijk deze verplaatsing ook zijn moge, zoo heeft zij 
echter niet den minsten invloed op de berekening van de loopbaan 
der aarde. Men kan daarbij de zon als een vaststaand en rustend 
punt beschouwen en hare beweging geheel buiten de berekening 
laten. 

Maar geheel anders is het, als men vraagt naar den weg, dien 
onze aarde met der daad in de onbegrensde ruimte aflegt, als men 
de lijn, die zij door het onmetelijke ruim des heelals beschrijft, 
wil volgen. Wij netaen aan , dat de groote as van de baan der 
aarde, in ronde getallen uitgedrukt, 40 millioen G.M. lang is, en 
dat de zon in eene nagenoeg regte lijn 30 millioen G. M. in één 
jaar aflegt, dan zal de weg, dien onze aarde werkelijk in de ruimte 
doorloopt, eigenlijk eene spiraalvormig kromme lijn CD zijn, die 
op eene vlakte geteekend, nagenoeg de gedaante heeft, die wij in 
fig. 14 hebben afgebeeld. Elke afdeeling op de regte lijn A B stelt 
eenen afstand voor van 10 millioen G.M. Stellen wij, dat de aarde 

zich op een zeker 
tijdstip in a bevindt, 
dan zal de zon in 
b zijn. Indien de 
zon zich niet voort- 
bewoog , zou de 
i'ig. ]4. aarde na een half- 




— 59 — 

jaar in «?zijn; maar omdat de zon zich in dien tijd 15 millioen 
G. M. verplaatst heeft , en zich dus in c' bevindt , zoo zal de aarde 
20 millioen G.M. verder en dus in e' zijn. In het tweede halfjaar 
verplaatst de zon zich wederom 15 millioen G. M. en is dus van 
c' tot e voortgegaan; de aarde zal dus na verloop van dat halfjaar 
de lijn snijden op een punt, 20 millioen G. M. van e verwijderd, 
dat is in c. Zij zal van daar na een halfjaar tot // en na een 
geheel jaar tot f zijn voortgegaan en zoo vervolgens. 

Daar de aarde, als eene onafscheidelijke gezellin, de zon op haren 
weg door de oneindige ruimte getrouw moet ter zijde blijven, zoo 
volgt daaruit, dat zij eok nooit weder kan terugkeeren tot het- 
zelfde punt, hetwelk zij eenmaal heeft ingenomen. I)e plaats en 
de ruimte , waar wij ons op dit oogenblik bevinden , ligt reeds het 
volgende oogenblik vele mijlen achter ons. Terwijl wij met onze 
aarde in één jaar eene ruimte van 115 millioen G. M. doorklieven, 
ligt reeds het volgende jaar die geheele baan 30 millioen G. M. 
achter ons. 

Zoo dringen wij , door onze aarde medegevoerd en gedragen , met 
eene verbazende snelheid de diepten der oneindige ruimte in. Hoe 
meer wij op dien weg voortgaan , des te meer zullen de geheime- 
nissen des hemels zich voor den navorschenden blik der wetenschap 
ontsluijeren , des te dieper zal de harmonie des heelals door ons 
worden ingezien en begrepen. 

Wat de sterrekunde op haar tegenwoordig standpunt reeds aan 
het licht bragt, is wel in staat ieders verbazing te wekken- 
Want zij heeft ons die ééne groote kracht doen kennen , die het 
gansche heelal, die myriaden werelden, talloos als het zand aan 
den oever der zee, in de onmetelijke scheppingsruimte langs hare 
vaste banen voortstuwt. En toch is het dezelfde kracht, die den 
waterdroppel vormt, den slinger beweegt, den opgeworpen steen 
weder ter aarde doet vallen , en die aan zonnestelsels en sterrengroe- 
pen hunne banen door alle tijdruimten henen heeft afgebakend. 
Eenvoudigheid van kracht en oneindigheid van werking ! Is het 
niet het groote geheim des almagtigen Scheppers , hetwelk op elk 
gebied der natuur bij diepere nasporing zich telkens in klaarder 



— 60 — 

licht aan ons openbaart ? Is het niet het beginsel , hetwelk de schei- 
kundige telkens weder ontmoet, als hij het wonderbare zamenstel 
der dingen tot in hare grondbestanddeelen tracht te ontleden? Is 
het niet de regel, dien de kennis van het planten- en dierenrijk 
telkens weder aanwijst, als zij die eindelooze verscheidenheid in 
plant- en diervormingen, van de laagste trappen van het organische 
leven tot aan zijne hoogste ontwikkelingen volgt? Zet niet de ge- 
heele physiologie van den mensch, de diepere navorsching van zijn 
ligchaams- en geestesleven het zegel op dat groote scheppingsbe- 
ginsel , op dien regel , die geene uitzondering kent , die eeuwig onver- 
anderlijk is , omdat zij haren grond heeft in den Almagtigen , die 
hemel en aarde heeft geschapen : Eenvoudigheid van kracht en 
oneindige verscheidenheid van werking ! 



HET ZWAVELMEER BIJ TIVOLI IN CAMPANIE. 



Xn de nabijheid van Tivoli, niet ver van Eome, ligt een zwavelrneer , 
bij de oude Romeinen bekend onder den naam van Albulae aqime^ het- 
welk eene der merkwaardigste warme bronnen van Italië is , en de 
aandacht verdient niet alleen om de standvastigheid, waarmede het 
een overvloed van water en gas voortbrengt, maar ook om de be- 
langrijke rol, welke het, even als andere vulkanische kraters, ver- 
vuld heeft in de voortbrenging van den Travertien (Kalktuff). 

De Romeinen achtten dit water zeer hoog ter bevordering der ge- 
zondheid. Agrippa had er baden in gemaakt, welke onder anderen 
door Keizer augustus bezocht werden. Zenobia, welke hare ge- 
vangenschap onder de Romeinen te Tivoli doorbragt , liet deze baden 
vergrooten en verfraaijen, waarom zij nu nog '■'■Bagni della regincC^ 
genoemd worden. 

Thans wordt het water in een kanaal, op last van den Kardinaal 
HippoLiïo d'este, vroeger Gouverneur van Tivoli, kunstig in den 
kalktufi" uitgehouwen, 3 mijlen voortgeleid. Dit kanaal is 9 voet 
breed en 4 voet diep, en de snelheid van den stroom, waarmede 
het overtollige water van het meertje wordt afgevoerd, is opmerkelijk, 
als men de geringe grootte van de bron in aanmerking neemt. 

De nabijheid van het meer kondigt zich aan door de reuk van 
gezwaveld waterstofgas , en men staat verbaasd over de menigte 
van gasbellen, welke uit het water oprijzen en daaraan het aanzien 
van koking geven. 

Bij het inwerpen van een' steen in de bron ontstaat eene ge- 
weldige opborreling van gasbellen, waardoor het water in den omtrek 



— 62 — 

met groote kracht en geluid aan het zieden geraakt. Het water is 
zeer helder, zoodat de melkachtige of opaliseerende kleur van het 
meertje aan de witte bodem en randen schijnt te moeten worden 
toegeschreven. De temperatuur van het water is 80° Pahrenheit, 
en uit een glas gedronken is de smaak door het koolzuurgas aan- 
genaam prikkelend, terwijl het gezwavelde waterstofgas daarbij niet 
hinderlijk is. 

De omtrek van het meertje wordt gedurig kleiner. Ten dage van 
KIRCHER, dus ongeveer 200 jaren geleden, bedroeg de omtrek nog 
eene mijl ; thans niet meer dan 15 a 1600 voeten. Onder de regering 
van AUGUSTUS moet de omvang nog veel grooter zijn geweest, want 
de reeds vermelde baden van agrippa waren in het water gebouwd, 
en staan nu op eenigen afstand van den oever. De oorzaak dezer 
beperking is niet twijfelachtig: zij bestaat in de voortdurende 
formatie van den Travertien. De gras- en rietscheutjes toch, welke 
welig aan de boorden groeij en, worden voortdurend omkorst door de 
koolstofzure kalk, welke uit het water nedervalt. Als men deze 
grasscheutjes afbreekt, vindt men de wortels geheel omkorst; en 
de wallen der omringende velden bestaan uit blokken Travertien , 
geheel gevormd uit de omkorstingen der stengels van gras- en 
waterplanten. Op vele plaatsen van Campanië kan men in de 
Travertien deze omkorsting van planten waarnemen, zoo als ook in 
de blokken van Travertien, in het Coliseum te Rome bewaard, 
gemakkelijk kan opgemerkt worden. Voor weinige jaren viel een 
vrij groot stuk lands bij dit zwavelmeertje in, omdat de holle 
rotsen geene genoegzame ondersteuning hadden; en in de versche 
breuk der steenen kon men gereedelijk de stengels derzelfde water- 
planten herkennen , welke nu nog op den oever groeijen. 

Op deze wijze wordt ex gestadig nog Travertien gevormd , waardoor 
de omtrek van dit meertje, door de Italianen ^«^«o «o^a^arö! genaamd, 
gedurig kleiner wordt. 



TALRIJKHEID VAN WALRUSSEN. 



J^J.en is gewoon van talrijke schooien van Robben te liooren spreken , 
waaronder de Groenlandsvaarders groote slagting aanrigten; doch zeld- 
zamer vindt men gewag gemaakt, zelfs in natuurkundige werken, 
van talrijke vereenigingen van Walnissen {Trichechus Rosmarus i,.). 
Ik roep op dit punt het volgende, door onze landgenooten opge- 
teekende, in het geheugen terug. 

In 1707 werden, door den Groenlandschen Commandeur e. cou- 
WENHOVEN, 50 vaten walrusspek aangevoerd. 

In 1730, door d. c. ruyg, 35 vaten, 

In 1753, door jacob j. bras, 20 vaten. 

In 1767 heeft corn. pietersz. quack op het Mosseneiland gedood 
2200 Walrussen, waarvan 930 door hem zijn overgebragt, hebbende 
170 vaten spek en 196 quardeelen traan. 

In hetzelfde jaar had pieïer quack 200 (34 vaten spek), k. h. 
BROERTJES 35, CORN. swAN 25, c. M. WALIG 35 Walrussen ; terwijl 
jacob daalder 15 vaten walrusspek aanvoerde. Zoodat alleen onze 
Commandeurs ter Groenlandsvaart in één jaar in hetzelfde oord 
meer dan 2495 van meergenoemde dieren afmaakten. (Verg. Naam- 
lijst van Comm. door G. v. santé.) 

Onze bekende zorgdrager schijnt ook "troepen of drommen" van 
80, 100 en 200 Walrussen op het land gezien te hebben, maar 
verzekert tevens, dat de mensch hen zoodanig verjaagd heeft, dat 
zij slechts op "heimelijke plaatsen" in grooten getale zaam gevonden 
worden. Dikwijls vond hij twee of drie bij elkaar op een vlakke 
schots. Van oude Commandeurs was het hem bekend , dat zij van 200 



— 64 — 

tot 500 Walrussen teffens doodsloegen: "en dus bragt toen zoo- 
danig een Walrusvangst vrij wat meer zoden aan den dijk, dan 
nu." Bijzonder vermeldt hij nog de gelukkige vangst van bijke 
YSE, Commandeur van Vlieland , die, omstreeks 1640 of 1645, aan 
de Oostzijde van Spitsbergen eenige eilanden vond. Deze eilanden, 
naar hem toen Rijke-Tse-Eüanden genoemd, leverden eene buiten- 
gewone menigte Walrussen op, waarvan vele honderden gedood 
werden, "zulks dat men, behalve het spek, een ongelooflijken 
rijkdom van tanden van daar bragt, en de reeders zoodanig een voor- 
deel deeden, als men nooit van diergelijk een togt heeft gehoort." 
{Bloeijende Opkomst der Groenlandsche Visscherij.) 

Cl.. M. 



ARABISCHE PLANTENNAMEN 

IN HET 

NEDERLANDSCH OVERGEBLEVEN. 

Zaffaran der Arabieren is onze Saffraan. 

Nardschis der Arabieren is onze Narcis, en wel de Narcissus Ta- 
retta of Tros-narcis. 

TtiUpan der Arabieren is onze Tulp, namelijk de groote Tulp, 
Tulipa gesneriana: De zoogenaamde Duc van Tol is eene andere 
soort, de zachUjeurigé Tulp, Tidipa suaveolens. 

Kasah el Sukkar der Arabieren is onze suiker. 

Aruz der Arabieren is onze rijst. Nog duidelijker vindt men den 
Arabischen naam terug in het Latijnsche Oryza. 

Semsen der Arabieren is het Sesamzaad , Sesamum oriëntale. 

(Zie w. F. T.YNCH, Bericht ilher die Expedition der Vereinigten 
Staten nach dem Jordan nnd dem todten Meere. Leipzig 1850 
p. 321— S.'JO. V. H. 

ERRATUM. 

In de Figuur op blatlz. 26 moet de letter E in de plaats van L, en de letter L in 
de plaats van E staan. 



DE WET DER STORMEN. 



DOOR 



Dr. F. W. C. KRECKE. 



XJe wet der stormen ! zal welligt menigeen bij zich zeiven zeggen , 
terwijl hij met eenen ongeloovigen glimlach de lezing van dit opstel 
begint. Doch, lezer, wees niet voorbarig, en laat ons eerst zien of 
er ook eenige waarschijnlijkheid bestaat, dat er eene wet der stormen 
zij , tn daarna , waarin deze bestaat. 

Indien wij op eenen helderen avond de sterren gedurende eenigen 
tijd gadeslaan, dan bemerken wij weldra, dat zij zich met betrekking 
tot ons standpunt verplaatsen, de eene meer, de andere minder. Yolgen 
wij die verplaatsing gedurende eenige uren, dan blijkt het spoedig, 
dat alle sterren cirkelbogen beschrijven van zeer verscliillende grootte; 
dat sommige gedurende twaalf uren van het oosten naar het westen 
den geheelen hemel doorloopen, terwijl andere kleinere bogen be- 
schrijven, of nagenoeg schijnen stil te staan. Herhalen wij de waar- 
neming den volgenden avond, dan vinden wij op hetzelfde uur nagenoeg 
denzelfden stand van den hemel terug, als den vorigen; en hoe juister 
de middelen zijn, waarmede wij de waarnemingen verrigten, des te 
meer orde en regelmatigheid vinden wij in dit verschijnsel. Eenige 
hemelligchamen schijnen zich echter aan dien eerst gevonden regel 
niet te storen en van die volmaakte regelmaat af te wijken. Geven 
wij evenwel op de hoegrootheid dezer afwiildngen zelve acht, dan 
blijkt het, dat deze toe- en afnemen, en dus zelve aan regelen ge- 
bonden zijn. Aangaande die afwijkingen geldt hetzelfde, dat zoo even 
is gezegd, dat zij eene des te grootere regelmatigheid vertoonen, 
naarmate de waarnemingen grootere juistheid hebben. Heeft men 

5 



— 66 — 

eenmaal die orde erkend en in bekende grootheden uitgedrukt, dan 
kan men de volgende verschijnselen aan dien gevonden regel toetsen 
en zelfs toekomende voorspellen. Indien aldus de volgende ver- 
schijnselen naar dienzelfden regel plaats hebben , dan wordt deze eene 
wet genoemd. Men heeft, na eeuwen van ongeloofelijke inspanning, 
aldus de wetten ontdekt, die de hemelligcharaen in hunnen loop 
volffen niet alleen , maar zelfs de oorzaak daarvan erkend in de alge- 
meene eigenschappen der stof. De zekerheid, die wij hebben aan- 
gaande den loop der hemelligchamen , is zoo groot, dat men met 
vertrouwen de verschijnselen jaren te voren bepaalt, en niemand 
twijfelt er thans meer aan, of eene aangekondigde zons- of maans- 
verduistering wel op den bepaalden tijd zal plaats vinden. 

Letten wij nu op hetgeen wij op aarde zien gebeuren , dan merken 
wij eene geregelde afwisseling der jaargetijden op; de lente volgt op 
den winter, de herfst op den zomer, en niemand twijfelt er aan, of 
elk jaar ons wel een zomer zal opleveren. Ieder, die met de beweging 
der aarde rondom de zon en met hare dagelijksche aswenteling ge- 
noegzaam bekend is, ziet in, dat de opvolging der jaargetijden een 
oioodzakelijk gevolg is van die bewegingen der aarde. Of echter eenig 
aanstaand jaargetijde zich door eene bijzondere hitte of koude zal 
onderscheiden, is nog nooit op genoegzaam wetenschappelijke gron- 
den voorspeld. Wij zien hier dus wel den hoofdregel, en nemen 
tevens de afwijkingen daarvan waar, doch de oorzaken dezer af- 
wijkingen hebben wij nog even zoo min doorgrond als de wet, die 
zij volgen moeten. Hebben wij daarom het regt, om het bestaan van 
zoodanige wet te ontkennen en de natuur van wanorde te verdenken? 
Geenszins! Erkennen wij liever onze onkunde, en zij ons het be- 
wustzijn daarvan eenen spoorslag tot verder onderzoek. 

Maar , denkt welligt eenig lezer , zou het voor den mensch mogelijk 
zijn, om de wetten te ontdekken, waarnaar de verschijnselen des 
dampkrings plaats hebben? Liggen deze, die zoo ingewikkeld schij- 
nen, niet verre boven het bereik van den menschelijken geest? Gaarne 
geven wij toe, dat er hier nog veel onbekend is; maar wij hebben in de 
sterrekunde en in vele andere takken der natuurkundige wetenschappen 
te schoone voorbeelden van hetgeen de mensch vermag , indien hij 



— 67 — 

voortdurend met kracht streeft , om nieuwe waarheden en wetten te 
ontdekken, dan dat wij ook hier zouden behoeven te wanhopen 
aan de uitbreiding onzer kennis. 

Zien wij dus overal in de natuur orde en regelmaat lieerschen en 
is deze des te schooner, naarmate het ons gelukt meer daarvan te 
ontdekken en het verband tusschen oorzaak en gevolg beter in te zien , 
dan kunnen wij ook niet op redelijke gronden twijfelen, of ook alle, 
schijnbaar zoo onregelmatige verschijnselen in den dampkring, zijn 
aan bepaalde wetten gebonden. De stormen mogen ons als onregel- 
matigheden, als storingen in den geregelden gang in de natuur 
voorkomen, werpen wij daarvan echter geenszins de schuld op de 
natuur, maar op de onvolkomenheid van onze kennis. 

De lezer zal thans welligt minder aan het bestaan van eene wet 
der stormen twijfelen, of althans de mogelijkheid van haar bestaan 
erkennen. Zien wij thans welke die wet is. 

Ten einde dit geregeld te doen, zullen wij in tijdsorde eenige 
waarnemingen vermelden, die reeds vroeger sommigen op het denk- 
beeld hadden gebragt aangaande den aard en den loop der stormen , 
om'*3aarna eenen enkelen storm meer in zijne bijzonderheden na te 
gaan, en eindelijk eenige algemeene opmerkingen dienaangaande bij 
te brengen. Wij ontleenen de voornaamste bijzonderheden over dit 
onderwerp aan de werken van piddingtont, thom, keid, dove 
en anderen, i) 

Het is omstreeks anderhalve eeuw geleden , dat de eerste berigten 
zijn bekend gemaakt van schepen, die, na eenen dag en langer bij 
eenen orkaan in de rigting van den wind te zijn voortgegaan, zich 
nagenoeg op dezelfde plaats bevonden, waarop zij bij het begin van 
den storm geweest waren. In 1618 noemde kapitein langford de 
West-Indische orkanen reeds draaiwinden; ook aan Don juan de 
TjLLOA waren zij in 1743 reeds als zoodanig op de westkust van 
Zuid-Amerika bekend. In een werk, dat in 1801 het licht zag, 
zegt kolonel gapper, over de orkanen bij Madras en de kust van 



1) Van de beide eersten testaat eene Hollandsche vertaling, door den heer s. van 
DELDEN, te Amsterdam tij stemler in 1849 en 1850 verschenen. 



— 68 — 

Coromandel sprekende, dat het "draaiwinden" zijn, "wier middellijn 
niet meer dan dertig mijlen kan zijn." Horsbukgh zegt in zijn 
Zeemans-Gids (in het begin dezer eeuw in het licht gekomen) , dat 
stormen , bepaaldelijk die in de Chineesche zee,ronddraaijen. Eomme 
beschrijft in een werk, dat van 1806 dagteekent , de Tyfons in de 
Chineesche zee en omstreeks de golf van Tonkin als draaikringen , 
en van die in het kanaal van Mozambique zegt hij , dat aldaar 
gedurende den Noordoost Moeson de geweldigste stormen voorvallen, 
•waarbij de winden in draaiwinden veranderen, met eene hooge zee, 
dikke lucht en hevigen regen. Ook de orkanen in de golf van 
Mexico worden door hem draaiwinden genoemd. Benjamin franklin 
meldt in zijne brieven, dat hij in de waarneming eener maansver- 
duistering te Philadelphia door eenen noordoodelijhen storm werd 
verhinderd, welke 's avonds te 7 ure voorviel, dewijl de maan voor 
hem door wolken werd bedekt. Eenige dagen daarna was hij zeer 
verwonderd toen hij vernam, dat men te Boston, meer dan 200 
Eng. mijlen ten noord-oosten van Philadelphia gelegen, eerst te 11 
ure 's avonds den storm had waargenomen. Door meerdere derge- 
lijke waarnemingen kwam hij tot het besluit, dat de noordoostelijke 
stormen op de Noord-Araerikaansche kust uit het Zuidwesten komen. 

Uit dit een en ander zien wij , dat men reeds voor lang op het 
punt is geweest, om den aard der stormen te ontdekken, doch wij 
zullen zien , dat de ontraadseling van de voornaamste omstandig- 
heden, die hen vergezellen, eerst sedert de laatste jaren dagteekent. 

Op Kersavond van het jaar 1821 daalde de barometer, na aan- 
houdend stormachtig weder, in Europa bij hevige stormen, tot eene 
ongewone laagte, zoodat dit algemeen de opmerkzaamheid trok en 
velen daarvan aanteekeningen hielden. Brandes plaatste daarop eene 
uitnoodiging in vele 'dagbladen , om de gedane waarnemingen aan 
hem te doen toekomen, en deelde de uitkomst zijner onderzoekingen 
mede in zijn academisch proefschrift, over de plotselinge verminde- 
ringen in de drukking des dampkrings loaargenomen. Beandes leidde 
uit die waarneming af, dat er zich bij de stormen eene nog onbe- 
kende oorzaak van vermindering der drukking des dampkrings over 
de aarde had voortgeplant, en dat de lucht van alle zijden naar die 



— 69 — 

plaats van verminderde drukking of verijling was toegestroomd; dat 
de storm dus was ontstaan door het streven der omringende lucht, 
om het gestoorde evenwigt te herstellen. 

De Hoogleeraar dove had zich echter eene andere meening aan- 
gaande de oorzaak en toedragt der stormen gevormd, en onderwierp 
de door beandes verzamelde waarnemingen aan een nieuw onderzoek. 
De uitkomsten hiervan waren hoogst belangrijk. Zij leerden l^. dat 
de storm een wervelwind was geweest op zeer groote schaal, waarvan 
de draaijing plaats had in de rigting Zuid, Oost, Noord, West, 
(dat is in tegengestelde rigting van den wijzer van een vlak liggend 
uurwerk). 20. Dat deze wervelwind zich verplaatst had en wel zoo- 
danig, dat het middelpunt der draaijing van Brest naar kaap Lin- 
denaës in Noorwegen was voortgegaan. 30. Dat de barometer op de 
verschillende plaatsen, waarover het middelpunt was heengegaan, 
steeds bij dien overgang het laagst had gestaan. 

Driejaren later, namelijk in 1831, kwam redfield te New-York, 
door een naauwkeurig onderzoek der stormen aan de kusten van 
Amerika, volkomen tot dezelfde uitkomsten; namelijk, dat die stor- 
men wervelwinden zijn, die in de rigting Zuid, Oost , Noord , West , 
omdraaijen en zich voortbewegen. 

Volgens de theorie van dove moest de rigting der draaijing van 
de wervelwinden in het zuidelijk halfrond tegenovergesteld zijn aan 
die in het noordelijke; ook dit is later door vele onderzoekingen 
volkomen bevestigd. 

Na dien tijd hebben piddin&ïon, thom en anderen vele stormen 
nagegaan, die in verschillende streken der aarde hebben gewoed; de 
eerste die der Indische zee , der golf van Bengalen , der Chineesche 
zee en der Arabische golf; de laatste heeft meer bepaald den orkaan 
nagegaan, die in April 1843 over de Indische zee trok. Door al 
deze onderzoekingen zijn de grondslagen gelegd tot den opbouw 
onzer verdere kennis aangaande dit onderwerp, zoodat latere ont- 
dekkingen slechts kunnen wijzigen, verbeteren of uitbreiden. 

Daar de verschijnselen , die de stormen , vooral in de warme ge- 
westen der aarde, aanbieden, veel overeenkomst met elkander hebben, 
zal het voldoende zijn, om slechts een enkelen in deszelfs bijzonder- 



— 70 — 

heden na te gaan, om daarna meer algemeen over den loop en de 
oorzaken der stormen te handelen. Ofschoon wij uit eenige honderden 
voorbeelden de keus hebben, zullen wij ons bepalen bij den even- 
gemelden storm, die in April 184*3 op de Indische zee heeft ge- 
heerscht, dewijl deze zeker een der best waargenomene en naauw- 
keurigst onderzochte is. De bijzonderheden zullen wij ontleenen aan 
het werk van den Engelschen militairen geneeskundigen thom, toen 
in garnizoen te Port Louis, op het eiland Mauritius beoosten 
Madagascar. 

De toestand des dampkrings, de aanwijzing van den barometer 
en de daarbij komende harde wind, in het begin van April 1843, 
deden de inwoners van Port-Louis , die eenige ondervinding hadden, 
denken, dat de "staart van een orkaan" over het eiland trok; welk 
vermoeden eenige dagen later, door het binnenvallen der schepen, 
die denzelven ondervonden hadden , werd bevestigd. Van den 12^^° 
tot den 15*^^" was de telegraaf onophoudelijk bezig, om het achter- 
eenvolgend te voorschijn komen van eene menigte ontredderde en 
genoegzaam onregeerbare en lekke schepen aan te kondigen, welke 
bedekt waren met noodseinen of noodschoten deden, ten teeken dat 
zij hulp wenschten , omdat zij , zelfs in het gezigt van de haven , 
het nagenoeg onmogelijk achtten, om zonder hulp binnen te komen. 
Eene zoo groote vloot van door éénen storm geteisterde schepen , 
was waarschijnlijk daar nooit binnengekomen. Een bezoek der reede, 
zegt THOM, was voldoende, om de belangstelling tot een meewarig 
gevoel te verhoogen. Een hoop verbrijzelde schepen bedekte de 
baai ; sommige zonder masten , doch in derzelver plaats eenige 
spieren, als noodmasten opgerigt; andere geheel op zijde liggende, 
door dat gedurende den storm hunne ladingen waren overgegaan , 
en alle met verlies van hun bovenwerk, boot en verschansingen en 
alles wat op het dek geweest was, terwijl door het afgematte scheeps- 
volk de pompen gestadig aan den gang moesten worden gehouden. 
Alles bewees dat deze schepen gedurende den storm verschrikkelijk 
geleden hadden. 

De journalen gaven slechts een onvolkomen denkbeeld van hetgeen 
hunne schrijvers hadden doorgestaan ; maar de mondelinge berigten 



— 71 — 

van de officieren der beschadigde schepen waren vervuld met de 
treffende verhalen van de groote en verschrikkelijke tooneelen , 
waarvan zij getuigen waren geweest. 

Het getal der schepen , die min of meer in den orkaan gewikkeld 
waren, bedroeg 14 of 15, waarvan sommige langs zijnen rand 
zeilende, andere zijne baan doorsnijdende, achter hem aanloopende, 
naar het middelpunt ijlende, rondom den draaikring lenzende, en 
door den storm ingehaald wordende. Hierdoor verkrijgen wij gelijk- 
tijdige berigten, aangaande den staat van het weder gedurende 
verscheiden achtereenvolgende dagen en over eene uitgestrektheid 
van 400 mijlen. Zulk eene gelegenheid als deze, waarbij op 15 
verplaatsbare meteorologische observatoriëu een storm was waarge- 
nomen , komt zeker zelden vóór. 

De namen der schepen, die in dezen storm gewikkeld waren , zijn: 



1. Marararet. 


9. Catherine Steward Torbes 


2, Kobin Gray. 


10. Waverley. 


3. Argo. 


11. Parland. 


4. Rambler. 


13. Wellington. 



5. Blanche. 13. Tramjee cowajee. 

6. Broxbournbury. , 14. Surat merchant. 

7. Sea Queen. 15. Gazelle. 

8. Velore. | 

De lengte, breedte en wiudrigting is tot den middag van eiken 
dag herleid. 

Den 15 Maart verliet het schip Catherine Steward Forhes Java's 
hoofd, met WNW en NW wind; geen slecht weer. Het bereikte 
den ZO passaat en geraakte eerst nabij het eiland Rodriguez in den 
storm. De orkaan was dus niet beoosten Java ontstaan. 

De eerste teekenen van zijn ontstaan kunnen tot den 33 of 24 
Maart worden teruggebragt , toen de Broxbournbury op 7° 28' ZB 
en 79° 10' OL den wind van het WZW tot WNW heeft gehad, 
met zware buijen en onophoudelijk regen ^ terwijl de Catherine Steward 
Forbes 10° 52' ZB en 97° 27' OL den wind had uit het OtZ, 
buijig met harde regen. Den volgenden dag had men op hetzelfde 
schip harde koelte uit het Oosten; de Sea Queen ondervond op 8° 



— 72 — 

ZB en 82° OL eene lange deining uit het Zuiden, met de wind 
ZtW. Drie graden westelijker had de Broxbournhury hetzelfde weer 
en denzelfden wind, dih en hetrohhen. 

Den 26 had de Catherine Steward Forles op 13° ZB en 92° OL 
een mooi koeltje uit het ZZO ; de Broxhournlury had den wind van 
ZW naar NO omgaande; stijve koelte met buijen. De Sea Queen 
had den wind evenzoo rondloopende; betrokken met zware buijen 
en regen en eene 7iooge zuidelijke zee. Het middelpunt was toen 
waarschijnlijk op 11° 80' ZB en 90° OL. 

Den 27 Maart bevond zich het middelpunt des storms op 12° 
ZB en 86° OL , te oordeelen naar de windrigtingen der schepen 
Robin Oray, Sea Queen en Catherine Steward Forbes. 

Den 28 Maart had de Framjee Cowajee harde winden uit het 
ZZO, met eene Jcoppige, wilde, door elkander loopendezee, gestadige 
buijen. Het journaal van de Robin Gray vermeldt eene koppige on- 
stuimige zee. 

Dien dag waren er zeven verschillende schepen meer of min reeds 
in den storm gewikkeld, en uit derzelver windrigtingen is op te 
maken, dat het middelpunt op 12° 30' ZB en 81° 40' OL geweest is. 

Den 29 Maart had de Robin Gray op 13° 20' ZB en 73° OL 
eene bewolkte lucht, met een zuidelijken wind en deining; de 
Margareth op 10° 46' ZB en 70° 23 OL, den wind Zuid, vergezeld 
van "dik dreigend weder, harde regen en overvallende buijen." Op 
omstreeks 14° 51' ZB en 74° 46' OL had de Blanche eene hooge 
zee uit het Oosten en nam veel water over met den wind van het 
ZZO en dubbel gereefde marszeilen. Niet ver van dit schip bevonden 
zich de Broxbournhury en Sea Qtieen* met hetzelfde weer en wind. 
De Framjee Cowajee had, op 13° 20' ZB en 78° 20' OL en Zuid- 
westen wind , met harde buijen , gestadigen regen en digt betrokken 
lucht. Dit schip schijnt digt bij het middelpunt geweest te zijn, 
dewijl op dezen dag de wind van het ZO naar het ZW liep en de 
volgende vier en twintig uren nog verder, door het Westen naar 
het NW rondliep. 

Wij hebben hier eenen grooten kring, met den wind van het 
Oosten, op de plaats van de Catherine Steward Forbes; van daar 



— 73 — 

naar den Rohin, Gray gedurig zuidelijker wordende en nabij het 
middelpunt ZW, terwijl de Westmoeson, naar het Noordwesten 
draaijende dien volkomen zal maken. 

30 Maart. Alle schepen, waarvan de journalen voor dezen storm 
ziju nagegaan, hadden nagenoeg denzelfden koers ; dat is, zij zeilden 
alle West- of Zuidwestwaarts. Zij hadden dus, met betrekking tot 
den weg dien de orkaan volgde, omstreeks dezelfde rigting en 
werden achtereenvolgens door denzelven ingehaald. De Framjee 
Cowajee had den vorigen dag reeds het grootste geweld van den 
storm doorgestaan. De storm achterhaalde echter dien dag de Sea 
Queen, Blanche en Broxhournhury ^ ofschoon deze met eene vaart 
van tien mijlen voor hem uit zeilden. 

De acht hierbij gaande afbeeldingen zijn even zoo vele kaartjes 
van de gedeelten des Indischen oceaans , waar de storm zich achter- 
eenvolgend van den 31 Maart tot den 7 April bevond. De geogra- 
phische lengte en breedte is op de randen aangegeven. De 
pijltjes duiden de plaatsen der schepen aan, ^ie zich op eiken 
dag in den stormcirkel bevonden , terwijl de rigting der pijltjes die 
des winds aangeeft, aan boord der schepen op den middag waarge- 
nomen, of daartoe herleid. De getallen, nevens de pijltjes geplaatst, 
zijn dezelfde als de nummers, die op de reeds vermelde lijst 
der schepen nevens deze staan. Uit de windrigtingen , op den- 
zelfden tijd aan boord der schepen waargenomen, valt het nu niet 
moeijelijk, om den ronddraaijenden aard van den storm te bewijzen. 
Die windrigtingen zijn namelijk nagenoeg raaklijnen aan kringen, 
die een zelfde middelpunt gemeen hebben, doch in grootte verschillen. 
Het komt er dus slechts op aan, om de plaats, waar zich het mid- 
delpunt bevindt, te zoeken. Dit is op de verschillende schetsen 
gedaan; en wij zien, dat, door aan te nemen, dat de storm een 
ronddraaijende is geweest, zelfs de grootste schijnstrijdigheden der 
journalen zich in de schoonste harmonie oplossen. Zoo b. v. de lijn- 
regt tegenovergestelde winden , die twee schepen hadden , welke niet 
ver van elkander waren verwijderd. Deze scMjnstrijdigJieid zien wij 
als een noodzakelijk gevolg optreden van den ronddraaijenden aard des 
storras. Alle waarnemingen, zonder uitzondering, stemmen overeen 



— 71 




— 75 — 

in de rigting van de draaijing. Zij bewijzen voldingend dat de 
draaijing plaats had in de rigting ZWNO, of in die van de wijzers 
eens uurwerks. Deze draaijing is juist tegengesteld aan die, welke 
op het noordelijk halfrond der aarde wordt waargenomen. 

Letten wij thans op de kracht van den wind in de verschillende 
gedeelten van den stormcirkel. 

Daartoe zullen zoo kort mogelijk de berigten medegedeeld worden 
van de schepen , welke in den storm gewikkeld waren , en die van een 
enkelen dag genomen worden, namelijk van den 7 April. Wij zullen 
daarbij van den omtrek naar het middelpunt voortgaan. 

Aan den rand des grooten cirkels bevond zich ö.e, Surat Merchant 
(14) met NW wind. Te Port-Louis op Mauritius was de wind ZW. 

De Framjee Cowajee (13) liad WZW wind, buijig met regen; 
hooge deining uit het Zuiden, even alsof het hard gewaaid had. 

De Velore (8) vermeldt slechts een ZW wind. 

De Argo (8) zware storm en hooge zee. 

De Blanehe (5) ZO wind, dikke lucht, onophoudelijke regen 
en zware buijen. De zee brak er gedurig overheen, veegde het dek 
schoon, verbrijzelde de verschansing, enz. 

De Catherine Steward Forbes (9) ondervond eene hevige, door 
elkander loopende zee, waardoor het schip geweldig werkte en slin- 
gerde. Twaalf uren later woei het een geweldigen orkaan met wilde 
en koppige zee uit het ZO en NO. Het schip slingerde vreesselijk 
en was onder de golven begraven. Vijf voet water was er in het 
ruim en het scheepsvolk stond aan de pompen tot aan de middel 
in het water. Het dek stond vol water, waarvan het door het weg- 
slaan der verschansing verlost werd. 

Naarmate wij dus het middelpunt naderen, zien wij de hevigheid 
des orkaans toenemen. 

De Margareth (1) en Sea Queen (7) waren nog digter bij het 
middelpunt. Yan de eerste woei, bij een "volmaakten orkaan," het 
grootmarszeil uit de lijken en het grootzeil "dat vast was" uit de 
beslagseizings. De digtgereefde bezaan werd bijgezet, doch vloog 
dadelijk uit elkander. Er liep eene verschrikkelijke zee, waaronder 



— 76 — 

het schip gestadig bedolven was en waardoor de groote boot weg 
en in splinters geslagen werd. 's Morgens te 5 ure sloeg eene ge- 
weldige zee tegen het dek, waardoor het roer en de kop van den 
achtersteven werd medegenomen. Op dien tijd sloeg gedeeltelijk de 
lading, provisiën en eene laag watervaten weg. Tot behoud van schip 
en masten werden de onderra's weggekapt, welke, volgens het zeggen 
van een ooggetuige, door de kracht van den storm werden mede- 
gevoerd "als pijlen op den wind." 

Dergelijke tooneelen beleefde men aan boord der schepen Sea 
Queen (7), IFaverlei/ (10), Broxbournlury (6), Robin Gray (2) en 
Bamher (4). Sommige draaiden onder kale masten bij. Een ander 
lag plat op zijde met stuurboordzij de onder water. Doch ik wil 
mijne lezers niet vermoeijen met de bijzonderheden te vermelden. 
Slechts op deze enkele moet ik opmerkzaam maken , dat men , te 
midden van dezen kamp der natuur, plotselinge stilte ondervond, 
en anderen "handzaam weer" vermelden b. v. de Waverley (10). Dit 
merkwaardig verschijnsel, van plotselinge stilte met hevige wind- 
vlagen afgewisseld, vinden wij bij alle schepen terug, die zich in 
het middelpunt van den storm hebben bevonden. De duur dezer stilte 
is van één, twee tot zes uren, waarna de wind bijna altijd uit de 
tegenovergestelde rlgting weder begint. 

Wij zien hieruit dat de kracht van den storm toeneemt, naar- 
mate men het midden nadert, doch dat er in het middelpunt zelf 
stilte heerscJd, die slechts nu en dan door rukwinden uit verschil- 
lende rigtingen wordt afgebroken. 

De uitgestrektheid van den stormcirkel is in het algemeen moeijelijk 
te bepalen , dewijl bij dezen storm alle meting van de windkracht 
ontbreekt. De aangaven bepalen zich slechts tot de gevoerde zeilen, 
of tot de uitwerkselen op de verschillende schepen. Sommige orkanen 
hebben in den aanvang eene groote uitgestrektheid en deze neemt 
af bij den verderen loop. Anderen daarentegen zijn in den aanvang 
klein en vergrooten zich voortdurend, maar de kracht neemt dan 
tevens af. De orkanen in den Zuider Indischen oceaan (waartoe de 
door ons behandelde behoort), hebben, wanneer zij het eerst ontdekt 
worden, eene middellijn van 100 a 150 mijlen. Vele zijn echter 



— 77 — 

kleiner. Neemt men nu de hoogte des dampkrings op 15 mijlen 
aan, dan zien wij, dat de orkanen met draaijende schijven zijn 
te vergelijken, die eene geringe hoogte hebben in verhouding tot hare 
uitgebreidheid. Hier ontstaat echter de vraag, of de beroering des 
dampkrings zich tot aan diens bovenste deelen zal uitstrekken. 
De beantwoording dezer vraag is moeijelijk te verwachten van waar- 
nemingen, gedaan aan boord van schepen , die in een' storm gewikkeld 
zijn en waarvan de bemanning alle krachten moet inspannen , om 
schip en lading de minste schade te doen lijden, of dikwijls alleen op 
zelfbehoud bedacht zijn. Andere waarnemingen hebben geleerd, dat 
bij stormen de beroering zich tot eene aanmerkelijke hoogte uitstrekt. 
Zoo zijn er voorbeelden , dat zij over de bergen van Mauritius en 
Bourbon heentrokken , die van 3000 tot 5000 voeten hoog zijn, 
zonder merkbaar opgehouden of op eenige wijze aangedaan te worden. 
Beide eilanden wijzigen echter eenigzins de rigting van den passaat. 
Op de Alpen heeft men gezien, dat stormen, van mindere uitgebreid- 
heid dan die der keerkringslanden , over bergen van 15000 voet 
zijn heengetrokken en in deze gevallen was slechts het onderste 
der stormschijf zigtbaar. 

Zien wij thans de bijzonderheden, die de dagelijksche voortgang 
van den storm, waarover wij handelen, aanbiedt. Wanneer men de 
middelpunten der stormcirkels , die op de voorgaande kaartjes van 
dag tot dag gezocht zijn, bij elkander op ééne kaart brengt en ze 
op hunne juiste geographische lengte en breedte plaatst, dan zal 
men eene reeks van punten moeten verkrijgen , die ons een denk- 
beeld geven van den weg, welken de storm bij zijne voortgaande 
beweging is gevolgd. Indien men nu deze punten, volgens de tijds- 
orde, door lijnen vereenigt, dan zullen deze ons de baan of as 
van den storm voorstellen. — Dit is nu op het bijgaande kaartje 2 
geschied. 

Wij zien uit deze kaart, dat de baan van het middelpunt, of de as 
des storms,eene zeer regelmatige kromme lijn is gevolgd; het schijnt 
dat in den aanvang of bij de vorming van een orkaan in den Indi- 
schen oceaan, het middelpunt na"enoeg stilstaat, of met eene ongelijke 
snelheid voortgaat. Zoodra echter de orkaan zich volkomen heeft 



7S 




— 79 — 

gevormd, schijnt hij met geregelde schreden zijne baan te vervolgen. 

De Eodriguez-storm ging, toen hij op 12° en 14° ZB een- 
maal was gevormd, met eene snelheid van 50 a 55 Duitsche geo- 
graphische mijlen in het etmaal voorwaarts. Op het verdere gedeelte 
zijner baan verminderde deze snelheid langzamerhand; op 20° en 
22° ZB was zij reeds tot 25 mijlen afgenomen en bedroeg voorbij 
den 26° ZB, naauwelijks 12 mijlen meer in de 24 uren. Aan de 
buitengrens van den passaat houdt hij geheel op. Wij vinden in 
de journalen der schepen, die in dezen storm waren gewikkeld, 
treilende voorbeelden van die afneming van de snelheid van voort- 
gang. Eenige schepen namelijk, die W en ZW-waarts stuurden, 
werden door den orkaan ingehaald, dewijl diens voortgang eerst 
sneller dan die der schepen was. Later echter , toen deze voortgang 
aanmerkelijk was verminderd, zonder dat de storm zelf nog in 
hevigheid afgenomen was, haalden deze schepen den storm op hunne 
■beurt in en ondervonden ten tweedenmale zijne vernielende uit- 
werkselen. Zulke gebeurtenissen zijn alleen aan onbekendheid van 
de gezagvoerders der schepen met den waren aard der stormen toe 
te schrijven. 

Er blijft ons nu nog over, ten einde het beeld van den Eodri- 
o-uez-orkaan volkomen te maken, dat wij letten op de verschillende 
meteorologische verschijnselen die dezen orkaan vergezeld hebben. 
Daarbij komt in aanmerking de stand des barometers en thermo- 
meters, de hoeveelheid gevallen regen, en de elektrische verschijnselen. 

Ongelukkigerwijze is het getal der waarnemingen dienaangaande 
uiterst gering. Alleen zijn aan boord van de Velore ^ barometer- 
waarnemingen gedaan. En zelfs gedurende het hevigste woeden van 
den orkaan, alle twee uren. Uit de waarnemingen aan boord van 
de Velore en uit nog vele andere , bij andere stormen gedaan , blijkt 
dat de barometerstand steeds daalt, naarmate men tot het mid- 
den des orkaans nadert, zoodat hort vóór dat het middelpunt over 
het schip trekt de laagste stand plaats grijpt. 

Ifa dien tijd rijst de barometer weder vrij snel. Deze rijzing en 
daling heeft echter niet met eene volkomene regelmatigheid plaats, 
maar eenigzins golvende. Yooral daalt de barometer snel, even 



— 80 — 

vóórdat hij zijnen laagsten stand bereikt. Hieruit blijkt , dat de druk- 
king des dampkrings in het middelpunt van den storm aanmerkelijk 
is afgenomen. Deze afneming is echter een noodzakelijk gevolg van 
den ronddraaijenden aard des orkaans. Door de omdraaijing ont- 
staat namelijk eene aanmerkelijke middelpuntvliedende kracht , waar- 
door de luchtdeeltjes zich naar alle kanten trachten te verwijderen. 
Indien wij dus de grenzen van den dampkring konden zien, dan 
zouden wij eene trechtervormige uitholling waarnemen boven den 
stormcirkel, waarvan het laagste punt nagenoeg met het middelpunt 
overeenkomt. De barometerwaarnemingen geven ons wel niet de 
hoogte, maar de drukking aan, die de lucht op de kwikkolom uit- 
oefent; doch nemen wij in aanmerking, dat de lucht, wanneer zij 
verschillende temperaturen heeft, bij stormen zeer wordt dooréén 
gemengd, dan kunnen wij het er voor houden, dat werkelijk boven 
het middelpunt eene verlaging van de oppervlakte des dampkrings 
plaats heeft. Wij worden nog te meer geregtigd dit aan te ne- 
men, wanneer wij de oppervlakte van eene vloeistof beschouwen, 
die snel wordt rondbewogen. Daarbij bespeuren wij mede eene trech- 
tervormige verlaging van den waterspiegel, en indien wij de druk- 
king bepaalden op verschillende afstanden van het midden, dan 
zouden wij deze, even als bij orkanen, van het middelpunt naar 
den omtrek zien toenemen. 

De thermometer-waarnemingen ontbreken gedurende dezen storm 
geheel; de reden hiervan is trouwens ligt na te gaan. De waarne- 
mino" van den thermometer binnen de ruimte eens schips heeft geene 
waarde, en daarbuiten is zij bij storm bijna onmogelijk. Hierover zal 
men zich niet behoeven te verwonderen , indien men den staat der 
zee in aanmerking' neemt gedurende dezen orkaan. Alle scheeps- 
journalen getuigen eenparig van hooge koppige zeeën, die gedurig 
over het schip heenrolden. Op enkele schepen heeft men zelfs 
oogenblikken gehad , waarop men niet wist of men zich 07ider of 
boven water bevond. Daar nu eene waarneming met den thermo- 
meter vordert dat het instrument droog zij, is het ligt te begrijpen, 
dat de waarneming schier onmogelijk is. 



81 



Van alle verschijnselen die zich, gedurende orkanen, op den 
Indischen oceaan ontwikkelen, is er geen zekerder en opmerke- 
lijker, ja verschrikkelijker, zou men kunnen zeggen, dan de regen, 
die uit den ontstelden dampkring nederstroomt. Meer dan honderd 
mijlen rondom het middelpunt bevindt zich eene dikke wolkenlaag, 
waaruit de regen zonder ophouden als met stroomen nederstort. Dit 
duurt dagen ja weken achtereen, en schijnt een der onverander- 
lijkste kenteekenen van eenen ronddraaijenden orkaan te zijn. Men 
kan zijne nadering bijkans uit de zamenhangende wolkenlaag 
voorspellen, die langzaam de geheele lucht overtrekt, eerst op eene 
groote hoogte, doch langzamerhand lager komt, totdat zij, ter- 
wijl de duisternis toeneemt, op de aarde neerdaalt en de regen 
een aanvang neemt. Op eenen afstand van 50 tot 75 Duitsche 
mijlen vóór den orkaan uit, bespeurt men reeds deze voortee- 
kenen, waaruit men bijna besluiten zou, dat de beweging in de 
lucht grooter is in de bovenste dan in de benedenste lucht- 
lagen. Hetgeen aangaande de thermometer-waarnemingen is op- 
gemerkt, is evenzeer van toepassing op de regen-waarnemingen, 
want al hadden de schepen die in den Rodriguez-orkaan geweest 
zijn, regenmeters aan boord gehad, dan zouden de waarnemingen 
eene te groote hoeveelheid hebben gegeven. Het spattende en schui- 
mende zeewater zou zich met den regen vermengd, en de waar- 
nemingen onnaauwkeurig gemaakt hebben. 

Om ons echter eenig denkbeeld te vormen van de groote hoeveel- 
heid regen, welke bij orkanen nederstroomt, moeten wij ons dus 
wenden tot de waarnemingen, die op de eilanden gedaan zijn over 
welke deze orkanen zijn heengetrokken. Als voorbeelden zal het 
voldoende zijn slechts die te Port Louis op Mauritius aan te halen. 

Bij een orkaan, die in 1786 over dit eiland trok, viel er 154,5 ""'^ 
// // // // // 1789 // '/ '/ " 'I " 211,6 // 

// // // // // 1836 // " " " » " 215,8 // 

// // // // // 1840 // '/ // '/ >' " 255,9 // 

Deze uitkomsten zijn, zelfs binnen de keerkringen, verbazend. 

Om zich van deze hoeveelheid eenig denkbeeld te vormen, kan het 

6 



— 82 — 

volgende dienen. Indien men veronderstelt, dat de oppervlakte, 
waarop de regen valt, een cirkel is van 75 Duitsche mijlen middellijn, 
en dat daarop in 34 uren de regen slechts tot eene hoogte van 
100 streepen valt (wat niet overdreven is) , dan zal de geheele 
hoeveelheid, die in 20 dagen valt, gelijk staan met 22 1/2 kub. mijl 
water. Deze zouden voldoende zijn, om ons geheele land ter hoogte 
van 20 ellen met water te bedekken. 

Onder de verschijnselen , welke die tropische stormen dikwijls ver- 
gezellen, is er geen zoo indrukwekkend als dat der elektriciteit. In 
het algemeen overtreffen de elektrische verschijnselen der keerkrings- 
landen verreweg die, welke in de gematigde gewesten worden waar- 
genomen; doch bij deze stormen worden zij niet altijd opgemerkt; 
slechts enkele journalen van de schepen die in den Eodriguez- 
storm zijn geweest, maken van elektrische verschijnselen gewag, en 
men zou zelfs geneigd zijn tot het besluit te komen, dat deze 
hierbij weinig hadden plaats gehad. Eene vergelijking echter van 
dezen storm met andere die in den Zuider-Indischen oceaan zijn 
waargenomen, geeft ons gedeeltelijk den sleutel in de hand om dien- 
aangaande meer te weten. 

Het blijkt namelijk, dat de ontwikkeling van elektriciteit niet 
in gelijke mate in de verschillende deelen van den stormcirkel 
plaats heeft, maar dat zij zich voornamelijk voordoen in de Noor- 
delijke of aequatoriale zijde van dezen. Van 42 stormen, die be- 
trekkelijk dit verschijnsel onderzocht zijn, waren er 35 waarbij aan 
de noordzijde des cirkels sterke elektrische verschijnselen zijn 
waargenomen, en slechts 7 waarbij zij aan de Zuid- of poolzijdevan 
dien cirkel zijn opgemerkt. Men vindt dan ook in enkele jour- 
nalen aangeteekend , dat het rollen des donders niet gehoord kon 
worden door het geloei van den storm door het want en het gebrul 
der golven. 

Letten wij nog op den toestand der -zee zelve gedurende dezen 
storm, dan blijkt uit de journalen der schepen, dat deze zeer ver- 
schilde, naarmate van den afstand waarop zich de schepen van het 
middelpunt bevonden , en of zij vóór den storm uit waren , of 
achter dezen aanzeilden. Op 70 tot 100 mijlen van het middel- 



— 83 — 

punt ondervond men algemeen eene hooye deining^ dat is eene gol- 
ving, die grooter was dan met de sterkte van den wind overeenkwam. 
Deze deining die uit lange hooge golven bestaat, wordt alge- 
meen door de zeelieden voor een kenteeken van eenen verwijderden 
storm gehouden. Nader bij het middelpunt werd de zee onstuimi- 
ger, naarmate de kracht van den wind toenam. In den omtrek van 
het middelpunt wordt de toestand der zee door allen eenstemmig 
afgeschilderd als eene geweldige '■'koppige, verward door elkander 
loopende zee, door den wind uit alle hoeken piramidaal opgejaagd. 
Zij wordt bij eene branding vergeleken , die over een kliprif breekt ; 
eene zee die aan een schip geen kans overlaat. Een ander journaal 
meldt vóór den storm het volgende : "Ik zie dat de barometer be- 
langrijk gedaald is, en er loopt eene bijzonder lange deining uit 
het Zuiden. Te 7 uren kwam er eene hooge zee uit het NNW. 
die, tegen de Zuidelijke deining inloopende, eene zeer wilde zee 
deed ontstaan. In de buijen ziet de zee er zeer vreemd uit, de 
toppen der beide zeeën, tegen elkander invliegende, rijzen tot eene 
onbegrijpelijke hoogte en drijven hun schuim, door den westenwind 
voortgezweept, tot over onze masten heen. De geheele horizon 
heeft het voorkomen van eene geweldige branding." 

In den orkaan vermeldt hetzelfde journaal: "Vreesselijke buijen, 
welke onbegrijpelijk hevig zijn; de zee rijst in pyramiden, maar 
loopt met weinig vaart en rijst en valt als kokend water." 

Deze korte opgaven zullen voldoende zijn om een denkbeeld te 
geven van den toestand der zee in orkanen. Het pyramidaal oprijzen 
der golven verdient nog eenige woorden tot toelichting. Wij zagen, 
dat de windrigting zich plotseling verandert, nadat het middelpunt 
des storms over eene plaats gegaan is , en dat zelfs de wind uit een' 
tegenovergestelden hoek begint te waaijen. Daar nu bij de wind- 
rigting, die eerst geheerscht heeft, de golven reeds eene aanmerke- 
lijke hoogte hebben bereikt, zal de later heerschende, tegenoverge- 
stelde wind het water ook in eene tegengestelde rigting opstuwen, 
en van daar, dat de hoogte der golven aanmerkelijk zal toenemen. 

Er komt bij orkanen nog ééne bijzonderheid voor, die ten laatste 
vermelding verdient, namelijk de storm-golf en de storm-stroom. 



— 84. — 

Bij de beschouwing van den stand des barometers zagen wij, dat 
deze nabij het middelpunt aanmerkelijk was verminderd. Daar nu 
de oppervlakte der zee, in den gewonen toestand , eene gelijkmatige 
drukking des dampkrings ondervindt, zal het water moeten opstij- 
gen, wanneer de drukking in eenig pnnt verminderd wordt; dewijl 
nu het water omstreeks 13 1/2 malen ligter is dan het kwik, zal de 
oppervlakte des waters 13 1/2 malen meer moeten rijzen, dan de 
barometer daalt, dat is voor elk verschil van 3 streepen in de 
hoogte van het kwikzilver omtrent 4 palmen. Zoodanige verhooging 
is echter in de opene zee niet waar te nemen , maar zij openbaart 
zich, wanneer het middelpunt van eenen orkaan eenig land aantreft. 
Behalve de opgenoemde oorzaak, schijnen er echter meerdere werk- 
zaam te zijn , om den waterspiegel des oceaans te verhoogen ; welligt 
wordt door de opeenvolgende tegenovergestelde rigtingen van den 
wind eene zoodanige verhooging te weeg gebragt. Er zijn althans 
ontegenzeggelijke bewijzen voor het bestaan van den storm-golf, 
ofschoon zijne oorzaak gedeeltelijk in het duistere ligt. 

Een enkel voorbeeld hiervan zal voldoende zijn: Coringa op de 
kust van Coromandel is door zoodanige stormgolven meermalen ge- 
teisterd en eindelijk geheel verwoest. Op het oogenblik, toen de 
vloed zijn' hoogsten stand bereikt had, en de woedende NW wind 
het water boven in de baai ophoopte , zagen de ongelukkige bewoners 
van Coringa met angst drie vreesselijke golven uit zee komen aan- 
rollen en kort op elkander volgen. De eerste, die alles medenam 
wat haar in den weg kwam , bragt verscheiden voeten water in de 
stad. De tweede vergrootte de verwoesting door al het lage land 
onder water te zetten, en de derde overstroomde alles. De stad 
met 20,000 inwoners verdween; schepen die aan den mond der 
rivier ten anker lagen , werden weggevoerd tot aan de vlakte 
rondom Yanaon. Bij haren terugkeer liet de zee hoopen zand en 
modder achter, waardoor alle onderzoek naar ligchamen en eigen- 
dom onmogelijk en de monding der rivier voor groote schepen onbe- 
vaarbaar werd. Het eenige spoor, dat er tegenwoordig nog van de 
oude stad over is, is het huis van den Directeur der werf en de 
werf die dit omringt. 



85 



Tot nu toe heeft de beschouwing van den Rodriguez-orkaan van 
April 1843 ons bijna uitsluitend bezig gehouden, en bij het ontwerpen 
van eene schets daarvan is alleen in zooverre van enkele bijzon- 
derheden gewaagd , die bij andere orkanen zijn voorgekomen , als 
deze dienden om een volkomen beeld van dit natuurtooneel voor 
oogen te stellen. Breiden wij thans den kring onzer beschouwingen 
uit tot andere orkanen , die op verschillende gedeelten der aarde plaats 
hebben. 

Gelijk reeds is opgemerkt, bieden de verschillende orkanen, wat 
hunne algemeene verschijnselen betreft, geene zoo afwijkende bij- 
zonderheden aan, dat het noodig zijn zou om hierop weder in het 
bijzonder terug te komen. Wij zullen dan hier sleclits over de 
door hen gevolgde koersen spreken. 

Men heeft de koersen van 35 verschillende orkanen, die in den 
Zuider-Indischen oceaan zijn waargenomen , op eene kaart voorge- 
steld, en van deze banen zijn er 28, die zich van Java af tot aan 
en voorbij Mauritius^' en Rodriguez uitstrekken. Deze loopen alle 
zeer nabij evenwijdig aan de lijn, die in onze kaart als de as of 
baan van den door ons beschouwden Rodricruez-orkaan is vooro-esteld , 
zoodat men in de verzoeking zou geraken , om de ruimte die zij 
beslaan, voor de algemeene baan der orkanen in den Zuider-Indi- 
schen oceaan te verklaren. Andere koersen bewijzen echter, dat ook 
in de verdere gedeelten van dezen oceaan orkanen voorvallen, ofschoon 
minder algemeen. Eene latere beschouwing zal ons ecliter leeren, 
dat er op de plaats, waar de eerste 28 banen gevonden worden, 
bijzondere oorzaken werkzaam zijn om orkanen te doen ontstaan. 

Wenden wij ons thans tot een ander gedeelte der aardoppervlakte, 
dat mede veelvuldig door orkanen bezocht wordt, namelijk West- 
Indië, de Caraïbische zee, de golf van Mexico, de kust van IsToord- 
Amerika en de Noorder Atlantische oceaan tot aan de kust van 
Europa. Over dit gedeelte des oceaans hebben wij, dank zij de 
werkzaamheid van redfield en eeid, ten minste tot aan de Ber- 
mudas zeer naauwkeurige en uitvoerige bescheiden. 



— 86 — 

De Noord-Amerikaansche en West-Indische orkanen schijnen 
twee soorten van koersen te hebben, die wij gevoegelijk in regt- 
en kromlijnige kunnen onderscheiden. Een gedeelte van die der 
reo-tlijnige koersen van de West-Iudiën schijnt te ontstaan tusschen 
10° en 23° NB en (voor zoover ons tot nog toe bekend is), be- 
westen 55° westerlengte. 

Twee andere regte, of nagenoeg regte koersen schijnen in het 
groote vasteland van Noord-Amerika eenen aanvang te nemen; zij 
gaan resct naar zee of van het WZW naar het ONO. De Noorde- 
lijkste gaan over de Meren heen en vormen de verwoestende Novem- 
ber- en Decemberstormen van de Meren en de Golf van St. Laurens. 
Wanneer wij deze beide groepen van stormen met elkander verge- 
lijken, dan valt het aanstonds in het oog, dat de eerste, die binnen 
de Tceerhringen ontstaan zijn, hunnen koers uit de Atlantische zee 
naar het vaste land rigten, terwijl de twee andere, die in de binnen- 
landen van Noord-Amerika en henoorden den heerhring schijnen 
ontstaan te zijn, hunnen koers van\i%\. land naar den oceaan hebben. 
Deze tegenstelling der rigting laat zich volkomen oplossen, indien 
men deze beide rigtingen door eene kromming vereenigt, die aan- 
duidt dat de orkanen hunnen koers veranderen, wanneer zij de 
keerkringen overschrijden. Dit bevestigen alle overige orkaankoersen 
die men op eene kaart heeft gebragt. De meesten vormen kromme 
lijnen, die in den aanvang eene NW en WNW rigting hebben, 
maar zich met eene meerdere of mindere kromming ombuigen en 
eene NO rigting aannemen. Deze ombuiging geschiedt nu eens in 
de nabijheid van het vaste land van Amerika zelf, dan weder op 
de Atlantische zee, eene enkele heeft haar keerpunt zelfs bij 
Bermuda. Deze laatste is een ware Atlantische storm. 

Het is niet volkomen bepaald waar deze koersen eindigen, maar 
zooveel is zeker, dat enkele de kusten van Europa bereiken en 
aan hun noordelijken rand uitgestrekte harde ZO, O en NO 
winden veroorzaken, en in hunne zuidelijke helft, NW,Wen ZW 
winden. De geweldige storm die den 29sten November 1836 ook 
hier te lande heeft gewoed, behoort tot deze soort van stormen. 
Men heeft zijnen loop van New-Foundland af, over den Atlanti- 



— 87 — 

schen oceaan, door midden-Europa tot ten Oosten van Warschau 
kunnen nasporen. 

De storm, die den 5<Jen en 6'Jen Pebruarij 1850 alhier heerschte, 
alsmede in Engeland en Ierland, behoort mede tot deze soort van 
stormen. Hij bood alle verschijnselen van eenen ronddraaijenden 
storm aan, en het was zelfs mogelijk, om van uur tot uur bijna, 
de plaats van het middelpunt uit de waarnemingen van den baro- 
meter en de windrigting te bepalen. 

Het zou overtollig zijn om hier ook nog de koersen der draai- 
jende stormen aan te toonen op andere gedeelten der aarde. In 
het algemeen zijn deze minder goed bekend, dan die, welke in 
den Indischen en Atlantischen oceaan voorkomen. Het zal genoeg 
zijn te wijzen op de vreesselijke T^ö?^* der Chineesche zee, de Tor- 
nados op de kusten van Afrika, de Pamperd's van Rio de la Plata 
en de Noordwesters van Bengalen, die allen tot de draaijende 
stormen moeten worden geteld, om de algemeenheid van hun 
voorkomen te doen opmerken. Deze laatste hebben echter niet die 
uitgestrektheid, welke de eerst behandelde bezitten ; zij duren korter, 
gewoonlijk niet langer dan 6 a 8 uren, maar in hevigheid doen 
zij niet voor de eerste onder. 

Uit dit een en ander zien wij , dat de oorzaken en aanleiding 
tot het ontstaan van draaijende stormen vrij algemeen over de 
aardoppervlakte aanwezig zijn. En hierop steunende , is in den laat- 
sten tijd zelfs de meening geuit of niet alle stormen tot de rond- 
draaijende moeten gerekend worden. Dit gevoelen heeft wel iets 
vóór zich , doch nadere onderzoekingen zullen moeten leeren , of 
het al dan niet met de waarheid overeen komt. 

Nadat wij dan de verschijnselen hebben nagegaan , die de orkanen 
opleveren, hen in hunnen koers hebben gevolgd, en de verbreiding 
derzelve over de oppervlakte onzer planeet hebben opgegeven , komen 
ons als van zelf de vragen voor den geest : welke zijn de plaatsen 
waar de orkanen hunnen oorsprong nemen? Welke zijn deze oor- 
zaken zelve? Waarom beschrijven de meeste orkanen zulke geregelde 
banen? Waardoor buigen zich deze banen op bepaalde breedten om 



— 88 — 

en nemen eene bijna tegenovergestelde rigting aan? Aan welke 
oorzaak ontkenen zij hunne kracht? Hoe is het mogelijk, dat het 
evenwigt des dampkrings, van eene zoo bewegelijke vloeistof, zoo- 
zeer gestoord worde, dat de herstelling van dit evenwigt met zoo 
vreesselijk geweld plaats heeft? Is het ontstaan van orkanen aan 
bepaalde tijden des jaars gebonden, en zoo ja, welke zijn die tijden? 
Zal men er ooit toe kunnen geraken om den tijd van de verschij- 
ning eens orkaans en om zijnen koers te bepalen, even als die 
eener eclips of van de terugkomst eener komeet? 

Wij moeten bekennen, dat de wetenschap voor als nog geen 
voldoende antwoorden op al deze vragen kan geven. Maar het 
onderzoek is nog niet afgesloten. Gedurig worden nieuwe feiten 
bijeen gebragt, gerangschikt en vergeleken. Gedurig verbreidt zich 
meer en meer licht over dit onderwerp. Meer en meer blijkt het, 
dat de beantwoording dezer vragen niet boven het menschelijk ver- 
mogen gaat. Ja! men zal ze eenmaal kunnen beantwoorden; dat is, 
tot eenvoudige beginselen terugbrengen , beginselen waarbij zij ons 
blijken noodzakelijke gevolgen te zijn van algemeene en onverander- 
lijke natuurwetten. Wannéér wij deze vraagstukken zullen kunnen 
oplossen, en onze almanakken, naast de rij der hemelverschijnselen, 
die zullen plaats hebben, ook die der verschijnselen des dampkrings 
zullen bevatten, zal afhangen van de vermogens en middelen, die 
tot het verder onderzoek worden aangewend. 

Voordat wij echter verder gaan moet er op eene moeijelijkheid wor- 
den opmerkzaam gemaakt , die alle onderzoek aangaande de oorzaken 
van meteorologische verschijnselen in den weg staat. Gesteld eens, 
men konde naauwkeurig den aanvang van eenen storm waarnemen, 
dan zouden wij hoogstwaarschijnlijk nog met deszelfs oorzaak onbe- 
kend blijven, want wij zouden slechts het begin van het uitwerksel 
waarnemen. De oorzaak zelve zou op zeer grooten afstand kunnen 
gelegen zijn, dewijl de dampkringslucht alle drukkingen en ver- 
plaatsingen harer deelen in alle rigtingen voortplant. 

Wij zullen ons thans onthouden van hier de verschillende en 
dikwijls zeer uiteen loopende hypothesen voor te dragen, die in 
vroegeren en lateren tijd over den oorsprong der orkanen zijn gemaakt- 



— 89 — 

Vele daarvan komen echter , ofschoon in andere woorden bevat , op 
hetzelfde neder , eu het zal genoeg zijn slechts kortelijk de meest vol- 
doende en naar den tegenwoordigen staat onzer kennis waar- 
schijnlijkste dier hypothesen uiteen te zetten. 

Indien wij namelijk op den algemeenen toestand der stroomen letten , 
die in den luchtoceaan gevonden worden , dan kunnen wij de aardop- 
pervlakte in zes groote afdeelingen onderscheiden. Yooreerst in eenen 
gordel rondom de aarde, waarin veranderlijke winden, stilten en stormen 
elkander afwisselen; deze gaat door de warmste deelen der aarde, 
veelal even benoorden den evenaar. Ten Noorden en ten Zuiden van 
dezen vinden wij twee andere gordels, waar de passaten heerschen, 
dat is in het Noordelijk halfrond de NO en in het Zuidelijk half- 
rond de ZO passaat. Verder Noord- en Zuidwaarts vinden wij de 
streken der veranderlijke winden, die in het Noordelijk halfrond 
Zuidwestelijk, in het Zuidelijk halfrond Noordwestelijk zijn. Ein- 
delijk vinden wij in den Indischen oceaan de streek der moeson of van 
die winden, die in de eene helft des jaars eene juist tegenoverge- 
stelde rigting als die in het andere gedeelte des jaars hebben; deze 
afwisseling heeft in de maanden Maart of April en in September 
of October plaats. Deze algemeene toestand der dampkringsstroomen 
kan vrij voldoende uit de verwarming der aarde door de zon , en de on- 
gelijke verdeeling van land en water op de oppervlakte worden afgeleid. 

Vestigen wij nn onze aandacht op de luchtstroomen , die b. v. in 
den Indischen oceaan plaats hebben, dan zien wij hier eene gereede 
aanleiding tot het ontstaan van draaijende stormen in de lucht- 
stroomen , die eene verschillende rigting hebben. De NW moeson , 
die van November tot April waait, ontmoet, op eene groote uitge- 
strektheid aan zijne Zuidzijde, den ZO passaat, en het is waar- 
schijnlijk, dat die ontmoeting van zoo groote luchtmassa's, bij 
hunne onderlinge vermenging, met zulke hevige verschijnselen, al 
de orkanen zijn, gepaard gaat. Deze luchtmassa's hebben eenen on- 
gelijken warmtegraad en een verschillend gehalte aan water, en 
het is dus bijna zeker, dat, bij onderlinge vermenging, die groote 
hoeveelheden regen zullen nederslaan, zoo ais wij gezien hebben, 
dat bij ronddraaijende orkanen plaats heeft. 



— 90 — 

Over de ronddraaijing zelve behoeft men zich hierbij niet te ver- 
wonderen, dewijl deze beweging steeds zal moeten ontstaan, zoo 
dikwijls als twee luchtstroomen elkander ontmoeten, welker rigting 
veel verschilt. Uit het bijgebragte aangaande den Rodriguez-storm 
is ons gebleken , dat de oorzaak des storms niet in het middelpunt 
zelve te zoeken is ; dit sluit zich volkomen aan deze veronderstelling 
aan, want hierbij vinden wij deze in den omtrek van den cirkel- 
storm, door den wederzij dschen aandrang van twee magtige tegen- 
gestelde luchtstroomen. 

Enkele natuuronderzoekers hebben, door waarneming daartoe ge- 
leid, de meening geuit, dat het onweer een verschijnsel is, dat 
de vermenging van luchtstroomen , die in verschillenden elektrischen 
toestand zijn, vergezelt. Indien deze meening waarheid ware, 
zoude zij ons den sleutel geven tot de verklaring der elektrische 
verschijnselen , die met de orkanen gepaard gaan. Het bij voorkeur 
plaats hebben der zelve aan de aequatoriale zijde van den storm, 
verdient hierbij zeer de aandacht; eene nadere verklaring moet 
echter eerst na veelvuldig onderzoek ondernomen worden. 

De rigting, waarin de draaijende beweging van orkanen plaats 
heeft, levért weinig bezwaar ter verklaring op , indien wij de gemelde 
veronderstelling aannemen van een ontstaan door de onderlinge 
ontmoeting van luchtstroomen , die zeer in rigting verschillen. Voor 
den Zuider Indischen oceaan loopt dit als van zelf in het oog. 

Voor den Atlantischen oceaan levert de verklaring echter tot heden 
nog eenige moeijelijkheden op. 

Het veranderen van de koersen , die de stormen nemen , verdient 
in hooge mate de aandacht. Die van den Zuider Indischen oceaan 
buigen zich namelijk, in de nabijheid van de eilanden Rodriguez 
of Bourbon, meer naar het Zuiden en veranderen later nog meer 
van rigting. Doch let men op de plaats waar dit geschiedt, dan loopt 
het aanstonds in het oog, dat aldaar de storm buiten de grens van den 
passaat komt. Ditzelfde is ook met de stormen in den Noorder 
Atlantischen oceaan het geval. Zoodra zij de grens van den Noordoost- 
passaat overschrijden, veranderen zij hun loop, en wenden zich naar 
het Noordwesten, zoodat zij zelfs de kusten van Europa naderen. 



— Sl- 
uit het bijgebragte aangaande de oorzaken der stormen, kan men 
verwachten, dat niet alle tijden des jaars evenveel stormen opleveren. 
Talrijke onderzoekingen hebben geleerd, dat in de vier eerste maanden 
des jaars de stormen het menigvuldigst zijn in den Zuider oceaan, 
vooral in Tebruarij. In West-Indië zijn zij daarentegen het me- 
nigvuldigst in de maanden Julij , Augustus en September, vooral 
in Augustus. Met andere woorden: de stormen zijn het talrijkst in 
de warmste maanden op elk halfrond, zoodat de tijden, waarin de 
meeste stormen voorkomen, omstreeks zes maanden voor die half- 
ronden uit elkander liggen. 

De schoone harmonie, waarin de verschijnselen tot elkander staan , 
die de oppervlakte onzer planeet oplevert, wekt dikwerf onze hoogste 
bewondering; de geweldige verstoringen echter, die nu en dan plaats 
grijpen, komen ons daarom somtijds als wanklanken in die zamen- 
stemming voor. Het verhandelde leert ons dit echter anders inzien. 
De stormen zijn geene wanorden. Het zijn slechts de dissonanten, 
die den overgang maken van het eene akkoord in het andere. 



DE MIEREN IN ZUIDAMERIRA, 



Wij rustige bewoners van het Noordelijk halfrond kunnen ons 
geen juist denkbeeld vormen, van de verbazende menigte, waarin 
de mieren op vele plaatsen der warme luchtstreken worden gevon- 
den. Al mogen wij soms in bewondering staan bij het. aanschouwen 
van deze diertjes, hoe zij in reijen en gelederen, nimmer in rust, 
onophoudelijk heen en weer trekken, het werkzame volkje deert 
ons niet, en onbeschroomd vervolgen wij onzen weg, terwijl onze voet 
honderden hunner soms onwetend vertreedt. Anders is het in de keer- 
kringsgewesten ; talloos zijn de klagten der huisvrouwen, die in hare 
ligte woningen nagenoeg niets beveiligd achten tegen hunne invallen , 
tenzij zij hare kisten en kasten bij wijze van forteressen versterken , 
die op hoogten plaatsen en de voeten daarvan omgeven met bakken 
met water, als ondoorwaadbare grachten, door deze kleine vijanden 
ten zeersten geschuwd. Talloos ook zijn de klagten van den reizi- 
ger, vooral wanneer hij de maagdelijke bosschen bezoekt, en velen 
wordt het genot der schoone natuur door de onophoudelijk bezoe- 
ken van mieren van allerlei soort vergald, mieren, die zoodanig 
kunnen bijten of steken, dat men, zoo als blume ons leert, zich 
soms van pijn verpligt ziet, om zich te wentelen over den grond. 
Zonder te treden in eene beschouwing der verschillende soorten van 
deze overigens zeer belangwekkende diertjes of hunne werkelijk 
verwonderlijke gewoonten, willen wij onzen lezers een klein staaltje 
mededeelen van hetgeen een beroemd reiziger daarvan eens in het 
Nieuwe Werelddeel heeft bijgewoond. 

"Eensklaps," zoo verhaalt hij, "hield onze kolonne, die het woud 



— 93 — 

doortrok, halt; er moest zich voorzeker een hinderpaal hebben voor- 
gedaan aan het hoofd van onzen troep, waarop die was gestuit. 
Met allen spoed begaf hij zich derwaarts , — de eerste personen in 
den optogt werden opgehouden door eenen bruinen band of streep 
van 12 tot 16 voeten breed, die zich onophoudelijk voortbewoog; 
het was een digte, dikke drom van trekmieren ("Wander-ameisen") 
die juist ons pad door het bosch kruiste. Het zou ons te lang 
hebben opgehouden, om te wachten totdat deze onafzienbare kara- 
vaan in haren langzamen tred zou zijn voorbij gegaan; er moest 
alzoo worden besloten, om dwars door dit heirleger henen te bre- 
ken, met snellen loop en onder verre sprongen. Bij deze manoeuvre 
werden wij tot aan de knieën bedekt met de in woede geraakte 
insekten, duchtig en overal door hen gebeten, welke moeite wij 
ook aanwendden, om ze met de voeten te vertreden en met de 
handen weg te slaan. Wij Europeërs intusschen kwamen er nog al 
genadig af, doch onze arme geleiders, onze Indianen, sansculotten 
als zij waren, ondervonden het gewigt dezer onderneming in volle 
mate, en zelden heeft men een belagchelijker schouwspel gezien 
dan het springen en slaan der gepijnigde Indianen, terwijl zij hun 
nakende huid zooveel mogelijk trachten te ontdoen van deze fel 
stekende diertjes. Het is bekend, dat deze mierensoort in onover- 
zienbare benden het land doortrekt, zonder dat iemand weet van 
waar zij komen en werwaarts de togt zich begeeft; alleen dit weet 
men, dat zij alles aangrijpen wat zij op hunnen weg ontmoeten." 
Naar r. schomburgk, '■'■Reise in Brit. Guiana,^'' II D. pag. 287.) 

Dr. V. H. 



BLOEMEN ONDER DE SNEEUW. 



Dr. LORTET heeft in de Annales de la societé cV AgrimUure van 
Lyon, de opmerking medegedeeld, dat, als de Soldanella alpina 
onder de sneeuw bloeit, zij van eene volkomene uitholling in de 
sneeuw omgeven is. Welligt is dit te verklaren uit de eigene warmte 
die zich in de bloemen van onderscheidene gewassen ontwikkelt, 
en welke onder anderen in de bloem der in dit opzigt zoo beroemde 
Colocasia odora, eene soort van Aronskelk, soms 16° P. van de 
warmte der overige deelen derzelfde plant verschilt. 

Yoorbeelden dat bloemen dikwijls meer koude kunnen verdragen, 
dan men oppervlakkig zoude meenen, worden onder anderen mede- 
gedeeld in de Physiologie végélale van decandoli-e II. p. 877. 
Deze zag sneeuwklokjes {GalantJms nivalis) geheel van ijs omsloten, 
zonder dat hunne bloemen daarvan schenen te lijden. De Hazelaar 
bloeit in Tebruarij en Maart i) , en verdraagt, volgens heritier, 
tot 6° C. vorst, zonder daarvan nadeel te ondervinden. Senebier 
zag bloemen van groote hoonen in het najaar aan eene koude van 
5° C. vorst, zonder nadeel, blootgesteld. Het winter-hoef blad 
[Tussïlago alba? v H.) verdraagt tot 8° C. vorst. 

Mag men niet aannemen , dat de warmte , die zich in de bloemen 
alzoo ontwikkelt, voor hare verrigtingen nuttig is door haar, 
eenigermate althans , voor de koude te beschermen ? 

Ook bij de ontkieming der zaden ontwikkelt zich waarschijnlijk 



1) In den Hortus te Groningen zag ik de St. Lamberts Hazelaar {Corylws lubulosa) 
reeds op 5 Januarij 1853 met geheel geopende mannelijke bloemkatjes. 



— 95 ~ 

door dezelfde oorzaak (namelijk de opneming van zuurstof uit den 
dampkring) warmte; iets, waarvan men zich gemakkelijk kan over- 
tuigen door de vrij sterke warmte te voelen, die zich in een hoop 
moutend (dat is , ontkiemend) graan ontwikkelt. Mag men ook hierbij 
niet aannemen , dat deze aldus zich ontwikkelende warmte bij de 
jeugdige plant de opneming van vochten en de geheele voeding en 
groei aanmerkelijk bevordert? 

Bij de ontbinding van stroo, bladeren enz, en van dierlijke uit- 
werpselen vormt zich mede warmte door de opneming van zuurstof 
uit den dampkring. Vandaar het broeijen van den mest. Vandaar 
ook dat pas bemeste gronden warmer zijn en alzoo krachtiger en 
sneller den plantengroei bevorderen dan onbemeste gronden. Maar 
diezelfde warmte doet ook hier nut door de ontbinding verder te 
bevorderen en het, tot onmiddellijk plantenvoedsel ongeschikte, 
stroo, blad enz. te doen verteren en tot bruikbare aarde om te 
scheppen, waardoor weder op nieuw plantaardige deelen en hier- 
door ook dierlijke deelen ontstaan, en de schoone omloop aller stoffen 
in de natuur alzoo krachtdadig bevorderd wordt. 

V. H. 



DE REGENACHTIG STE PLEK DER AARDE. 



Doorgaans meent men dat ons vaderland tot die landen behoort, 
waar de meeste regen valt. Dit is echter geheel onjuist. Gemiddeld 
valt hier te lande jaarlijks zooveel regen, dat, indien al het uit de 
wolken nedergevallen water op den bodem staan bleef , dit na verloop 
van een jaar ongeveer drie vierde van een Ned. el zoude bedragen. 
Eeeds in Europa zijn er vele streken, waar de hoeveelheid regen 
veel meer bedraagt; doch vooral zijn het de tusschen de keerkringen 
gelegen gewesten , waar de hoeveelheid van den gevallen regen aanzien- 
lijk grooter is. Onder alle gedeelten der aardoppervlakte, waar onder- 
zoekingen over den gevallen regen zijn in het werk gesteld, is er 
echter geen waar de hoeveelheid zoo groot is als te Cherraponjie, 
eene plaats, gelegen op de hoogte van 4500 Eng. voeten (1872 
Ned. el), aan de Zuidelijke helling van het Cossya-gebergte in 
Arracan (Bengale). Volgens mededeeling van den kolonel sykes, 
in de vergadering der ^nVi*^ Association in 1852, bedroeg de aldaar 
in het vorige jaar gevallen regen 610,35 Eng. duim, of 15,5 Ned. 
el , dat is ruim 20 maal zooveel als hier te lande. Deze verbazende 
hoeveelheid regen viel grootendeels in het tijdperk van Mei tot 
September. Alleen in de maand Junij bedroeg zij 147,20 Eng. 
duim of 3,74 Ned. el , dat is ongeveer 5 malen zooveel als hier in 
een geheel jaar valt. 

Hg. 



DE UITBARSTING VAN DEN MAUNA LOA 

IN 185 2. 



Van den 17^«° Februarij tot den 93«n Maart 1852 waren de be- 
woners van het eiland Hawaiï getuigen van een schouwspel, zoo 
verheven en grootsch, als welligt immer door menschelijke oogen 
aanschouwd is, van eene uitbarsting van den Mauna Loa, die in 
schrikwekkende schoonheid en verhevene pracht alles te boven 
ging, wat wij uit vroegere beschrijvingen der uitbarstingen van 
vulkanen weten. Alvorens wij echter trachten uit de in de Noord- 
Amerikaansche dagbladen en wetenschappelijke tijdschriften ver- 
schenen berigten diegene te kiezen, waardoor de lezers van dit 
Album zich het best een denkbeeld kunnen vormen van dit tref- 
fende natuurverschijnsel, zal het niet ongepast zijn iets te laten 
voorafgaan over de Sandwich-eilanden in het algemeen en meer 
bepaald over het grootste dier eilanden, Hawaiï, en zijne vulkanen. 



Midden in den oceaan, welke de westkust van Noord-Amerika 
van de oostkust van Azië scheidt, ligt tussclien omstreeks 19° en 
ruim 22° N. Br. en 155° en 160° W. L. de Sandwich-archipel, 
bestaande uit dertien eilanden, waarvan sommige echter slechts 
eenen geringen omvang hebben. Eenige verhefien zich ter naauwer- 
nood boven de zeeoppervlakte, en hun bodem is het voortbreno-sel 
der nimmer rustende werkzaamheid van koraaldiertjes of polypen , 
andere daarentegen zijn uit de diepte der zee opgerezen , ten ge- 
volge der werking van vulkanische krachten, waarvan hunne op- 
pervlakte ook thans nog het tooneel is. Tot deze laatsten behoort 

6* 



— 98 — 

het zuidelijkste en tevens het grootste dier eilanden, welks naam 
verschillend geschreven wordt als Owaihi , Owyhee, Hawaï en 
Hawaiï; de laatste benaming schijnt echter de meest gebruikelijke. 
Het was op dat eiland dat de beroemde zeereiziger cook, ten ge- 
volge van een misverstand met de inwoners, in 1779 zijnen dood 
vond. Sedert dien tijd heeft de maatschappelijke toestand aldaar 
groote veranderingen ondergaan, en de beschaving, vooral gesteund 
door het Christendom , aanzienlijke vorderingen gemaakt. Yele 
Amerikanen hebben er er zich nedergezet, en het laat zich vooruit 
zien dat de Sandwich-eilanden, inzonderheid ten gevolge hunner 
ligging op den weg van Amerika naar Japan, China en de Oost- 
Indische eilanden, eenmaal eene belangrijke stapelplaats voor den 
handel zullen worden, en dan ook eene gewigtige staatkundige be- 
teekenis zullen verkrijgen. 

De oppervlakte van Hawaiï bedraagt 216 vierkante mijlen, der- 
halve ongeveer twee vijfde der oppervlakte van ons vaderland. Al- 
lengs oprijzende verheft zich de bodem tot drie pyramiedvormige 
bergen, alle drie vulkanen, de Mauna Hoerarai, Mauna Loa en 
Mauna Kea, waarvan de beide laatsten zich tot eene hoogte van 
ruim 14,000 E. voeten of 4300 ellen boven de zee verheffen en 
derhalve bijna even hoog zijn als de Montblanc. De geheele bodem 
getuigt van de geweldige werkingen van het onderaardsche vuur. 
Lavastroomen, welke zich over steile berghellingen naar beneden 
hebben gestort, als waren zij zoovele vurige watervallen, zijn thans 
tot vast rotsgesteente gestold , en vormen reusachtige zuilen en 
wonderschoone stalactiten, terwijl zij elders, waar de helling ge- 
ringer was, als rivieren zich slingerend door het landschap uit- 
breiden , dikwerf nog de sporen van de door hen aangerigte ver- 
woestingen aan het oog vertoonende. 

Van de drie genoemde vulkanen is de Mauna Loa thans nog 
alleen werkzaam. Het is aan de zuidelijke helling van dezen berg, 
op ruim 6 uren gaans van den top en 3873 voeten boven de 
zee, dat zich de Kilauea bevindt, een krater, welke die van alle 
overige vuurspuwende bergen in andere oorden der wereld verre 
in omvang overtreft. Zijn grootste middellijn bedraagt drie en een 



— 99 — 

halve, zijn kleinste twee en een halve E. mijl. De ruimte van 
dezen verbazenden vuurketel is derhalve veel grooter dan die welke 
door geheel Amsterdam wordt ingenomen. Gelijk de krater van 
alle nog werkzame vulkanen, heeft ook de Kilauea zijne eigene 
geschiedenis, en de opvolgende beschrijvingen, welke daarvan door 
onderscheidene bezoekers, namelijk ellis, douglas, chasb en 
PARKEK, sRZELECKi, sHEPEKD , wiLKEs en coAN gegeveu zijn, 
wijken dan ook telkens in eenige bijzonderheden van elkander af, 
ofschoon zij in de hoofdpunten overeenstemmen. De holte van den 
krater wordt omgeven door drie trapsgewijs achter elkander vol- 
gende steile kringvormige wanden , waarvan de beide buitenste 
omstreeks 150 voeten hoog zijn, terwijl de binnenste, die den 
eigenlijken krater vormt, wanneer deze betrekkelijk in rust is, 
eenen steilen afgrond aan het oog vertoont van meer dan duizend 
voeten diepte, op welks bodem de gloeijend gesmolten lava in ver- 
scheidene kleinere meren zich als de golven eener zee beweegt en 
waaruit een aantal kleine kegels oprijzen, die gestadig gloeijende 
steenen, asch en waterdamp uitstoten, dikwerf vergezeld van een 
geweldig en vreesaanjagend gedruisch. Van tijd tot tijd stijgt de 
gesmolten massa uit de diepte al hooger en hooger, en vult den 
krater meer en meer op. Slechts zelden vloeit de lava echter over, 
gelijk in 1787 gebeurde, toen, tijdens eenen burgerkrijg op het 
eiland, het geheele uit 5000 man bestaande leger van Keoua, 
den mededinger van Tamehameha, daardoor omkwam. Zakt de lava, 
na tot aan of boven den rand opgerezen te zijn, vervolgens weder 
in de diepte, dan blijft de bovenste gestolde korst soms als een 
koepeldak achter, dat echter allengs wederom instort en waarvan de 
brokstukken een voor een in den gapenden vuurmond verdwijnen, 
om in zijne diepte den vroegeren gloeijend gesmolten toestand weder 
aan te nemen. Tijdperken van betrekkelijke rust van den Kilauea 
duren ongeveer acht tot tien jaren. In 1823, 1833 en 1840 had- 
den belangrijke uitbarstingen plaatst. Dana, een dergenen die den 
krater met kapitein wiiiKES bezocht, wien hij als natuuronder- 
zoeker op zijne reis om de wereld vergezelde , vermoedt dat er in 
1847 of 1848 eene onderzeesche uitvloeijing van lava heeft plaats 



— 100 — 

gegrepen. Volgens de laatste berigten ^) is de werkzaamheid van den 
Kilauea weder sterk toenemende. Een koepeldak van gestolde lava, 
anderhalve E. mijl in omtrek en verscheidene honderd voeten hoog, 
met eene opening aan den top van 200 voet in middellijn, waar- 
door men in de gloeijende zee naar beneden blikt, is aan de eene 
zijde van boven tot beneden gescheurd, en de gestadig hooger 
rijzende lava dreigt weldra het geheele gebouw te verzwelgen. 

Even als de Grieken hunne geheele godenleer aan de hen om- 
ringende natuur ontleenden, zoo heeft ook de verbeelding der be- 
woners van Hawaiï, voor dat het licht van het Christendom tot 
hen was doorgedrongen, de Kilauea met hoogere wezens bevolkt, 
die de straks genoemde kleinere kegelvormige kraters bewonen, 
waar zij zich vermaken met een soort van spel, genaamd "Konanee" 
terwijl het gebrul in de diepte de muziek van hunnen dans is, en 
de branding van de gloeijende lavazee veroorzaakt wordt, doordat 
zij zich van tijd tot tijd vermaken met daarin te zwemmen. De 
voornaamste dier goddelijke wezens was echter de godin Pele, en 
de krater van den Kilauea was dan ook de plaats, waar aan haar 
geofferd en waar de beenderen hunner hoofden heen gebragt werden. 
Eens gebeurde het, dat een koning Pele beleedigd had, endoorhaar 
tot aan de zeekust vervolgd werd, waar hij in eene kanoe sprong. 
Zoodra' Pele zijne ontsnapping bemerkte, wierp zij hem geweldige 
steen- en rotsbrokken achterna, welke in menige rondom de voort- 
spoedende kanoe nedervielen, doch zonder haar te treffen. Nog 
worden den reiziger, zegt ellis die deze legende mededeelt, een 
aantal als klippen uit de zee oprijzende rotsen vertoond, welke, 
aldaar verstrooid liggende even als de Cyclopen-eilanden aan den 
voet van den berg Etna, door Pele zouden geworpen zijn om de 
boot te doen zinken. * 

De Kilauea, hoe groot ook, is evenwel geenszins de eenige 
krater waardoor zich het onderaardsche vuur, dat onder den Mauna 
Loa en de omringende landstreek brandt, eenen weg baant. Ook 



1) Uit eenen brief van den heer coan van 31 Julij 1852, American Journal of 
Science and Arts, 1853, pag. 63. 



— 101 — 

op den top des bergs zei ven bevindt zich een krater van gewel- 
digen omvang, en bovendien heeft zich op eenigen afstand van den 
top, op ongeveer 10,000 voeten boven de zeeoppervlakte, eennieuwe 
zijdelingsche krater geopend, en het is inzonderheid deze, waaruit 
de merkwaardige uitbarsting heeft plaats gegrepen, waarbij wij 
thans iets uitvoeriger willen stilstaan. Ten einde den lezer in staat 
te stellen zich daarvan eene voorstelling te verschaffen , die eeniger- 
mate beantwoordt aan de grootschheid van het verschijnsel, weten 
wij niets beters te doen, dan hier eene der vele beschrijvingen 
woordelijk vertaald te laten volgen. Het is die bevat in eenen brief 
van den heer t. coan,1) die te Hilo, eene havenplaats aan de 
oostkust van het eiland, woont, en aldaar sedert vele jaren als 
zendeling werkzaam is. Wij voegen hierbij, dat deze stad 35 E. 
mijlen, of ongeveer 10 uren gaans van het eigenlijk tooneel der 
uitbarsting verwijderd ligt. 

"Ten half vier ure des morgens op den 17^^° Eebruarij, werd een 
klein licht als van een vuurbaken op den top van den Mauna Loa 
ontdekt. Aanvankelijk vertoonde het zich als eene ster, rustende 
op de kruin van den berg. In weinige oogenblikken nam het 
licht toe en scheen als de opkomende maan. Zeelieden, die de wacht 
hielden op de in de haven liggende schepen riepen uit: "Wat is 
dat? De maan, die opgaat in het westen!" Binnen een kwartier 
uurs was het raadsel opgelost. Een vloed van vuur barstte uit den 
berg, en begon weldra als een schitterende stroom langs zijne 
noordelijke helling te vloeijen. Het was van hetzelfde punt en het 
vloeide in dezelfde rigting, als bij de groote uitbarsting, waarvan 
ik in Maart 1843 getuige was. In een kort tijdsbestek stegen 
onmetelijke zuilen van brandende lava hemelwaarts tot eene hoogte 
van 300 of 400 voeten, de kruin des bergs in eenen lichtglans 
hullende en den hemel met hare afstraling verguldende. Stroomen 
van licht kwamen van den berg af en verspreidden zooveel helder- 
heid in onze vertrekken, dat wij eenen grooten letterdruk lezen 
konden. Toen wij pas ontwaakten, was de glans die door onze 



1) American Journal 1852, p. 219. 



— 102 — 

vensters scheen, zoo sterk, dat wij meenden dat eenig nabijzijnd 
o-ebouw in brand stond; maar weldra bemerkten wij er de oorzaak 
van. In twee uren tijds had de gesmolten lavastroom naar onze 
berekening ongeveer eenen weg van vijftien mijlen langs de zijden 
van den berg afgelegd. 

Deze uitbarsting was uiterst hevig en prachtig, doch zij duurde 
slechts kort. Binnen ongeveer 24 uren waren er alle sporen van 
uitgedoofd. 

Bij het aanbreken van den morgenstond op den 20=*™ werden 
wij op nieuw verschrikt door eene plotselinge uitbarsting, plaats 
grijpende aan de naar Hilo toegekeerde zijde van den berg, onge- 
veer op de helft van den voet naar den top. Deze zijdelingsche 
krater was even werkzaam als die op de kruin, en weldra bespeur- 
den wij dat de daaruit vloeijende lavastroom zijnen weg regtstreeks 
naar Hilo nam. Van uur tot uur nam de uitbarsting in hevigheid 
toe, en weldra had de gloeijende rivier de bosschen aan den voet 
van den berg bereikt, — eenen afstand van 20 mijlen. 

Wolken van asch stegen opwaarts, en hingen als een uitgebreid 
scherm boven den berg, of werden voortgerold op de vleugelen 
van den wind. Deze wolken namen allerlei tinten aan, — donker- 
graauw, blaauw, wit, purper of scharlakenrood, — al naar gelang 
zij meer of minder licht uit den vurigen afgrond daaronder ont- 
vingen. Somtijds geleken zij op eenen omgekeerden brandenden 
berg met zijnen top gekeerd naar den vreesselijken mond, waar- 
boven hij hing. Dan weder rees die gloeijende zuil loodregt naar 
omhooo- en daarop, eene sierlijke bogt beschrijvende, dreef zij in 
eene horizontale rigting weg, gelijk aan den staart van eene ko- 
meet, verder dan het oog kon reiken. De met asch opgevulde 
dampkring van Hilo verkreeg een somber aanzien, en de stralen 
der zon vielen op ons met een geel, ziekelijk licht. Wolken van 
rook dreven over den oceaan, asch, sintels, verkoolde bladeren enz. 
met zich voerende, welke als regen op de schepen nabij de kust 
nedervielen. Het licht werd op meer dan 100 mijlen afstands in zee 
gezien, en van tijd tot tijd breidde zich de purperen gloed zoo 
ver uit, dat de geheele hemel in brand scheen te staan. Asch, 



— 103 — 

vermengd met glasachtige draden, "het haar vanPele geheten," viel 
tot eene dikke laag in onze straten en op de daken onzer woningen. 
Zoodra de tweede uitbarsting begon, besloot ik haar een bezoek 
te brengen. Dr. W. gaf zijn verlangen te kennen om mij te ver- 
gezellen en wij namen vier inboorlingen aan om onze pakkaadje 
te dragen; een hunner, Kekai (Zoutzee) genaamd, zoude ons tot gids 
dienen. Maandag den 23^''=° Februarij vertrokken wij en bragten 
den nacht door aan den buitenzoom van het groote bosch, hetwelk 
Hilo van de bergen scheidt. Den volgenden dag drongen wij in 
het bosch door, langs een in vroeger dagen bestaan hebbend Indi- 
aansch pad, doch dat zoozeer met struikgewas was begroeid, dat 
het nagenoeg geheel verstopt was. Met behulp van een lang mes, 
eene bijl en knodsen baanden wij ons echter eenen weg, zoodat 
wij elk uur een en een vijfde mijl vorderden. Dien nacht sliepen 
wij in het bosch, en luisterden naar het verwijderde brullen van 
den vulkaan. Woensdag den 25^'^^^ bereikten wij eenen kleinen 
heuvel, vanwaar wij den lavastroom konden zien, welke zich nu 
tegen ons over aan de linkerzijde bevond, op eenen afstand van 
zes mijlen. Deze vuurvloed was nu half weg door het bosch, en 
had reeds meer dan drievierde van den weg afgelegd van den 
krater naar de zeekust, alles voor zich uit drijvende of verwoes- 
tende. Op den 26^'^° kwamen wij uit het bosch, maar vonden ons 
hier dadelijk in eenen mist gehuld , nog duisterder dan in het 
digte struikgewas hetwelk wij zoo even verlaten hadden. Den berg 
al verder beklimmende bereikten wij eenen ruwen met houtgewas 
begroeiden rotstop, waar wij ons nachtleger opsloegen. Kort voor 
het ondergaan der zon verdween de mist en de Mauna Kea en Mauna 
Loa lagen voor ons; de eerste bijna tot aan zijnen voet in eenen 
wolkenmantel gehuld, de laatste stroomen vuurs uit zijne brandende 
fornuizen brakende. Gedurende den ganschen nacht staarden wij 
naar den vuurgloed en luisterden naar het ontzagwekkend gedruisch 
van den verschrikkelijken krater. 

Wij waren nu vier nachten onder weg geweest en op twintig 
mijlen afstands van den krater, met de lange, schitterende rivier 
van gesmolten lava aan onze linkerzijde, als eene streep van licht 



— 104 — 

afdalende aan de zijde des bergs, tot dat zij het bosch binnentrad. 
Wij verlieten onze legerplaats vroeg op den 27^'™, vast besloten, 
om , zoo mogelijk , nog dien dag de plaats der uitbarsting te be- 
reiken. De zuil van vuur en wolken tot baak nemende, en steeds 
de groote rivier van lava aan onze linkerzijde hebbende, gingen 
wij voorwaarts over eenen ruwen en bijna onbegaanbaren bodem. 
Des middags kwamen wij aan eene plaats, slechts met bloote lava- 
slakken overdekt, zoo onverdragelijk scherp en puntig, dat onze 
pakdragers er niet over konden gaan. Hier liet ik halt houden, 
en, de overigen achterlatende,!) gaf ik aan mijnen gids een extra 
paar sterke schoenen , mijnen overjas en deken , stak eenige beschuiten 
en gekookte eijeren in mijne zakken, nam mijn kompas en stok, 
en zeide tot Kekai: "Nu naar boven, en laat ons nog heden nacht 
ons warmen aan het gindsche vuur!" Zoo uitgerust stegen wij 
verder den berg op, over velden van lava van onbeschrijfelijke 
ruwheid, terwijl de vurige zuil in het volle gezigt stond, dan we- 
der daalden wij af in kloven en diepten, waaruit wij slechts lang- 
zaam op handen en voeten weder naar boven kropen. Maar weldra 
bevond ik dat mijn gids zelf een geleider behoefde. Hij was te 
langzaam. Ik ging hem dus vooruit, het aan hem overlatende om 
zoo goed hij kon mij te volgen. Ten half vier ure bereikte ik den 
vreesselijken krater, en stond alleen in het licht van zijn vuur. 
Het was een oogenblik vol onuitsprekelijke gewaarwordingen. Het 
scheen mij toe, als stond ik in de tegenwoordigheid en voor den 
brandenden troon van den eeuwigen God, en alsof, terwijl alle 
andere stemmen zwegen, alleen zijne stem sprak. Ik bevond mij 
10,000 voeten boven de zee, in eene uitgestrekte eenzaamheid, 
onbetreden door de voeten van menschen noch dieren; te midden 
van eene stilte door geen geluid van eenig levend wezen afgebro- 
ken, en omringd door tooneelen van de schrikkelijkste verwoesting. 
Hier stond ik, schier verblind door den ondragelijken lichtgloed, 
schier verdoofd door het geweldige gedruisch, schier versteend 



1) De heer W. was reeds vroeger teruggekeerd, uit zorg voor de in stad achter ge- 
blevenen. 



— 105 — 

door de aanschouwing van het vreesselijk tooneel. De hitte was 
zoo hevig, dat het niet mogelijk was den krater binnen veertig 
of vijftig ellen te naderen van den kant waar de wind af blies, 
en waarschijnlijk van den tegenovergestelden kant niet binnen de 
twee mijlen. 

De uitbarsting, gelijk boven gezegd is, begon op den top zelven 
van den berg; maar het schijnt dat de zijdelingsche drukking der 
in zijne ingewanden besloten lava zoo groot was, dat deze zich 
eenen weg baande op eene zwakke plaats van de zijde des bergs; 
terzelfder tijd echter spleten en scheuren vormende over den ge- 
heelen afstand van den top tot aan de eigenlijke plaats der uit- 
barsting. De berg werkte als een omgekeerde hevel; de gesmolten 
lava, tot eene hoogte van 2000 of 3000 voet boven den zijdeling- 
schen krater staande, en daarmede door onderaardsche kanalen 
verbonden, spoot door deze opening even als eene fontein, met 
eene kracht, waardoor de brandende massa's tot 400 of 500 voet 
hoog werden geworpen. De uitbarsting was begonnen in eene diepte 
in den berg, maar reeds had zich uit de uitgeworpen stoifen een 
wal gevormd van 200 voeten hoogte, welke de opening als een 
holle geknotte kegel omgaf. Deze kegel was ongeveer een halve 
mijl in omtrek aan zijnen voet, en de opening van den top zal 
omstreeks 300 voeten in middellijn bedragen. Ik naderde zoo nabij 
als ik de hitte verdragen kon, en stond te midden van de asch, 
de sintels, de slakken en puimsteen, die verre en in woeste wan- 
orde verspreid lagen. 

Uit de schrikkelijke keel van dezen kegel werden breede en 
zamenhangende stralen van roodgloeijende, somtijds witgloeijende 
lava uitgespoten met een gedruisch, dat schier oorverdoovend was, 
en eene kracht, die den berg dreigde vanéén te splijten. Somtijds 
schenen de geluiden onderaardsch te zijn, dof en helsch. Eerst 
een gebrom, een gesis of waarschuwend geblaas. Dan volgde eene 
geweldige ontploffing, als van volle lagen in eenen zeeslag, of 
van de snelle afvuring van het geschut , batterij na batterij , op 
het slagveld. Een andermaal geleek het geluid naar dat van eenige 
duizendtallen hevig aangeblazen fornuizen. Dan weder was het als een 



— 106 — 

ratelend tweegelederenvuur. Soms was het gelijk aan het bruischen van 
den oceaan tegen eenen rotsigen oever, en enkele malen aan het 
rollen van eenen verwijderden donder. De ontploffingen werden 
gehoord langs de kust bij Hilo. 

De uitbarstingen waren niet tusschenpoozend maar aanhoudend. 
De gesmolten lava steeg gestadig naar omhoog en daalde weder 
geheel op de wijze van het water in eene fontein. De kracht, welke 
deze vurige zuilen uit de opening dreef, deed en in millioenen 
deelen splijten van ongelijke grootte, waarvan sommige op hetzelfde 
oogenblik opstegen, andere nedervielen, eenige zijdelings schoten, 
andere sierlijke bogten beschreven. Elk deel verspreidde eenen 
lichtglans als Sirius, en alle soorten van meetkunstige figuren 
werden gevormd en weder vernietigd. Geene tong, geene pen, geen 
penseel kan de schoonheid, de grootschheid , de verschrikkelijke ver- 
hevenheid van het tooneel schilderen. Het kan alleen gevoeld worden. 

Het duurde meer dan een half uur na mijne aankomst aan den 
krater, eer mijn gids kwam opdagen. De avond begon te vallen, 
en ik had tegen de doordringende koude geene ^andere beschutting 
dan den overjas en de deken, welke hij met zich droeg. Reeds 
begon ik te vreezen, dat hij het voortzetten van den togt had 
opgegeven. Ik spande mijne oogen in om eiken rotstop op het pad, 
waarlangs ik den krater genaderd was, te bespieden. Ten laatste 
kwam zijne gedaante te voorschijn, langzaam zijnen kronkelenden 
weg vervolgende tusschen de zwarte en hobbelige massa's van lava; 
en zoo immer mijn hart van blijdschap opsprong, of eenen man 
lief had, of den Heer zegende, dan was het toen. Zijne handen 
omhoog heffende en zijnen mond openende als een krater, riep de 
oude held der bergen uit: '■'■Kapaianaha! KapaianaJia F (Wonder- 
baar! Wonderbaar!) '■'■KapaianaJia loa na Iimia ahe Akuair (Won- 
derbaar zijn de werken Gods ! !) 

Toen de nacht daalde, trokken wij terug tot op omstreeks een 
mijl van den krater, en namen eene stelling in waar wij een vol- 
komen overzigt van het geheele tooneel hadden. Hier hielden wij 
halt, niet voorwaar om te slapen, want dit was onmogelijk, maar 
om te waken, om te luisteren naar het ontzagwekkend geloei en 



— 107 — 

het oog gevestigd te houden op de wondervolle werkingen van dit 
groote fornuis van jehova. 

Gedurende den nacht overtrof het tooneel al de magt van be- 
schrijving. Geweldige zuilen van witgloeijende lava stegen gestadig 
naar boven in de meest verschillende vormen , van pilaren , pyra- 
miden , kegels , spits toeloopende torens , zich soms in meerdere kleine 
torens verdeelende, oostersche minarefs enz., terwijl de nederda- 
lende massa's als een cataract van vuur op den rand des kraters 
en van daar in zijne brandende holte terug of wel op de omlig- 
gende streek neder vielen. Eene wijde spleet in het laagste gedeelte 
van den kraterrand verschafte uitgang aan den gesmolten stroom, 
die aanhoudend uit deze opening vloeide en van daar langs den 
berg naar beneden voortrolde, naar schatting ongeveer tien mijlen 
in een uur. Wij konden dezen vurigen stroom met onze oogen 
volgen, tot dat hij zijne kronkelingen in het bosch verborg, eenen 
afstand van nagenoeg dertig mijlen. De stroom schitterde met 
groote pracht gedurende den nacht, en over zijnen geheel en loop 
hing als het ware een gordijn van licht. Maar het groote fornuis 
op den berg leverde verreweg het treffendst schouwspel op , dat 
onze aandacht schier alleen geboeid hield. Uur op uur zond het 
zijnen donder uit als de stemme des Almagtigen Gods, en gedu- 
rende den langen nacht belaadde het den dampkring met zijnen 
zwaveligen adem, wijd en zijd regens van vuur verspreidende, en 
eenen vreesselijken gloed werpende over den donkeren en woesten berg. 

Toen op den 28^'^° de dag aanbrak, daalden wij weder het be- 
zwaarlijke bergpad af, en nadat onze pakdragers zich bij ons ge- 
voegd hadden, bereikten wij, na eenen geforceerden marsch, nog 
voor het vallen van den avond de grenzen van het bosch. Dit was 
op Zaturdag, en hier bleven wij om op den dag des Heeren rust 
te houden. Des Maandags, snel voorttrekkende gedurende twaalf 
uren, bereikten wij Hilo weder, vonden allen wel, en gevoelden 
ons honderdvoudig beloond voor de bezwaren van onzen acht- 
daagschen togt." 

De berigten, door andere ooggetuigen gegeven, komen in de 



— 108 — 

hoofdpunten met deze beschrijving overeen, en bewijzen dat zij in 
geenen deele overdreven is. De heeren pulleb, en kinney,!) die 
op den 4'^^° Maart , derhalve zes dagen later , den krater bezochten , 
toen de uitbarsting nog met onverminderde hevigheid voortduurde, 
begrootten , op grond van waarnemingen en berekeningen , de hoogte 
der vurige fontein van vloeibare lava op 200 tot 800 voeten, 
zelden verminderende tot 300 voeten, terwijl haar middellijn 100 
tot 300, enkele malen zelfs 400 voeten bedroeg. De geheele hoe- 
veelheid lava , die op eens in de lucht werd geworpen , schatten zij 
op 200,000 tot 500,000 tonnen. De lengte van den lavastroom 
bedroeg dertig tot veertig mijlen , zijne breedte een vierde tot twee 
mijlen, terwijl hij op sommige plaatsen 200 tot 300 voet dik was. 
Gelukkig bereikte hij Hilo niet, maar hield op te vloeijen, toen 
hij tot op tien mijlen of bijna drie uren gaans de stad genaderd 
was. Den O*"^" Maart kwam de berg weder tot rust en eindigde 
het prachtige natuurverschijnsel, dat de bewoners twintig dagen 
lang met angstige bewondering vervuld had. 

Hg. 



1) American Journal, 1852. pag. 257 en 259. 



a^ 



HET BETOOVEREND VERMOGEN 



RATELSLANG. 



"vJok de natuurwetenschap heeft hare mythen en sagen, evenzeer 
als de geschiedenis; en terwijl het aan den geschiedkundige vaak 
gelukt de waarheid te herkennen, welke, hoe ook ingekleed en 
van vreemde bijvoegselen omgeven , aan eene mythe of sage ten 
grondslag ligt, evenzoo kunnen de bij het volk in omloop zijnde 
verhalen aangaande natuurverschijnselen , hoe vreemd en wonderbaar 
zij ook klinken mogen, toch eenige waarheid behelzen, en een 
bedachtzaam natuurkundige zal zulke verhalen niet zonder nadere 
toetsing van hunne geloofwaardigheid geheel in den wind slaan, 
alleen omdat zij nog niet passen in den kring onzer tegenwoordige 
kennis." 

Zoo lezen wij op blz. 172 van dit werk. Van dergelijke natuur- 
wetenschappelijke mythen en sagen bestaan er een overgroot aantal, 
en het behoort, mijns inziens, ook tot de taak, die het Album 
der Natuur te vervullen heeft, daaromtrent zulke inlichtingen te 
verschaffen , welke een naauwkeurig en onbevooroordeeld onderzoek 
aan de hand geeft, ten einde alzoo de lezers in staat te stellen 
om de kern van waarheid — zoo er die is — los te maken uit 
het omhulsel van verdichting, dat haar omgeeft. Op eene dier 
sagen wensch ik dan ook thans voor een oogenblik de aandacht 
te vestigen. 

Er bestaan een aantal verhalen betrekkelijk het vermogen , dat slan- 
gen, met name de ratelslang, bezitten zouden, om door haren blik kleine 
vogels , — en ook kleine zoogdieren , zooals muizen en kikvorschen , — 
zoo te betooveren , dat zij , als door eene hoogere magt gedrongen , haar 
regtstreeks in den opengesperden muil vliegen of loopen. De natuur- 
kenners hebben doorgaans met deze verhalen nimmer veel op gehad, 
en meestal de daarin aangevoerde feiten eenvoudig ontkend. De 
waarnemers namelijk zouden zich bedrogen hebben; zij zagen een 



— 110 — 

dier, door den schrik wegens de onverwachte nabijheid eener ratel- 
slang verlamd, of reeds vroeger door haar verwond, eene gemak- 
kelijke prooi van deze worden , en nu verbeeldden zij zich , dat zij 
het dier zich naar de slang toe zagen begeven, ofschoon het in 
waarheid de slang was, die zich naar het dier toe begaf. 

Indien een natuurwetenschappelijk feit bevestigd wordt door een 
aantal ooggetuigen, die men niet van opzettelijk bedrog verdenken 
kan, — indien het daarbij niet regtstreeks in strijd is met andere 
feiten, die wij op voldoende gronden verpligt zijn als waar en 
zeker te erkennen , — en indien het bij dit alles eene natuurlijke 
verklaring toelaat , — dan bezit men geen regt om dat feit te ont- 
kennen, maar is verpligt zijn oordeel op te schorten tot den tijd, 
wanneer naauwgezette en in wetenschappelijken zin gedane nasporin- 
gen hier zekerheid hebben kunnen verschaffen. Zoo is het, naar mij 
voorkomt, ook met het fascinerend vermogen der ratelslang gele- 
gen. Het getal verhalen dienaangaande is zeer groot, en ik moet 
erkennen dat ik moeijelijk aannemen kan, dat zoo vele waarnemers 
zich zoo schromelijk en zoo juist op dezelfde wijze zouden bedro- 
gen hebben, dat zij allen het toeschieten eener slang op hare prooi 
voor het toeschieten der prooi op haren vijand zouden hebben aan- 
gezien. Dit komt mij haast nog vreemder en ongeloofelijker voor, 
dan de genoemde verhalen, zoo als zij daar liggen; men zou zoo 
bijna genoodzaakt zijn te veronderstellen, dat het de waarnemers 
waren , die door de slang gefascineerd werden ! En daarbij is de 
zaak zelve, hoe vreemd ook, toch, wel beschouwd, zoo ongeloofelijk 
niet. Het is eene daadzaak , dat sommige menschen , die niet gewoon 
zijn zich op hoog gelegene plaatsen te bevinden, en dientengevolge 
bij het nederzien in eene groote diepte, een sterk gevoel van 
angst ondervinden, son^tijds een' aandrang ontwaren, om zich naar 
beneden te storten ; zij gevoelen , dat zij , indien zij langer in die 
vreesselijke diepte bleven staren, en indien geene borstwering of 
andere bescherming hen tegenhield en hen, bij hunne inwendige 
beklemming, toch eenig gevoel van veiligheid verleende, ontwijfel- 
baar naar beneden zouden moeten springen. Er bestaan voorbeelden , 
dat die neiging onwederstaanbaar en wezenlijk gevaarlijk is ge- 



— 111 — 

worden; er bestaan ook voorbeelden, waar zij werkelijk door de 
noodlottige daad gevolgd is. Zou nu niet bij een' vogel, die zich 
op het alleronverwachtst in de nabijheid van een' vijand bevindt, 
wien zijn instinkt hem als ten hoogste vreesselijk en gevaarlijk leert 
kennen, iets dergelijks kunnen omgaan, als bij eenen mensch, die 
door een' onwederstaanbaren aandrang gedreven, zich nederstort in 
dienzelfden afgrond, waarvoor hij met ijzing terugbeefde? Ik zie 
dus nog geene reden om de verhalen van zulk eene noodlottige be- 
toovering of fascinatie van dieren, die zich in de bijna onmiddelijke 
nabijheid eener ratelslang wisten , te verwerpen ; de slang echter heeft 
aan de daardoor teweeggebragte onwillekeurige daad geen meer aan- 
deel, dan de afgrond, waarin zich de verbijsterde mensch nederstort; 
er gaat geene betooverende kracht van haar uit, dan de vrees, 
die hare nabijheid opwekt; de betoovering zelve gaat geheel om 
binnen de hersenen van het dier, dat er het slagtoffer van is; zij 
is zuiver psychisch. 

Een paar voorbeelden der fascinatie, waarover ik spreek, mogen 
hier eene plaats vinden. 

De heer pohl, te Oppeln in Silesië, schrijft het volgende. "Den 
2][sten Januarij 1853 kocht mijne keukenmeid eenen meerval uit den 
Oder van ruim eene el lengte , die buitengewoon friscli en levendig 
was. Zijne naar verhouding groote mondopening en lange baard- 
draden vermaakten de kinderen , en om hun het beschouwen ge- 
makkelijker te maken, werd de meerval, die overigens, nog jong 
zijnde, slank was, en van boven gezien naar eene slang zweemde, 
in een grooten blikken schotel gelegd en water daarin gegoten , 
zoodat dit den visch slechts half bedekte en alzoo het geheele 
lange donkere gedeelte van den rug bloot lag. Het meisje nam 
daarna de kooi van een' kanarievogel van hare standplaats af, om 
het diertje eten te geven, en plaatste de kooi op de keukentafel 
digt bij den rand des schotels. Plotseling vernam ik een' klagenden 
toon van den vogel, zooals ik nog nooit gehoord had, en tegelijk 
riep mij de meid uit de kamer naar de keuken met de aanmerking, 
dat de kanarievogel stierf. Ik ijlde toe, doch overtuigde mij op 
het eerste gezigt van de oorzaak des verschijnsels. De vogel zat 



— 112 — 

op het stokje in de kooi, met den kop gerigt naar den meerval, 
den snavel half geopend , de oogen stijf en uitpuilend op het voor- 
werp zijner ontzetting gevestigd, den hals naar voren gestrekt, de 
vleugels half uitgespreid , in één woord van eene soort van starkramp 
overvallen. De oorzaak bleek de ontzetting te zijn over het onge- 
wone aanschouwen van een hem tot dus ver geheel vreemd dier, 
wiens slangachtige gedaante welligt in groote mate zijn afschuw 
opwekte. De toestand des vogels veranderde, toen ik nabij de kooi 
trad en hem schuw maakte." 

Dat het slangachtige van de gedaante des jongen meervals hier 
in aanmerking moet genomen worden, schijnt mij niet volstrekt 
noodig; de ongewone en vreemde aanblik is genoegzaam om de 
ontzetting des vogels te verklaren. Acht men echter dat hier een 
instinktmatige afschuw in het spel kwam , dan herinner ik aan hetgeen 
ik elders over de roof- en vraatzucht des meervals gezegd heb. i) 

De landhuishoudkundige julius troost uit Liebburg aan de 
Bodenzee, in het kanton Thurgau, meldt het volgende door hem 
waargenomen voorval, dat nog meer dan het voorgaande hier 
te huis behoort. "Op eene wandeling vernam ik plotseling 
een klagend geluid, gelijk ik nog nimmer vernomen had. Ik na- 
derde voorzigtig de plaats , van waar het geluid kwam , en zag 
eene ringslang 2) op den weg, met opgerigten kop en wijd open- 
gesperden muil, doch overigens geheel stil liggende. Twee tot drie 
schreden vóór haar sprong een kikvorsch, die het genoemde kla- 
gende geluid op eenen voor dat dier anders geheel ongewonen toon 
uitstiet, en, met kleine sprongen heen en weder, de slang gedurig nader 
kwam. Eindelijk schoot de slang met haar omhoog gerigt voorste 
gedeelte op den haar genoegzaam in den muil springenden vorsch 
toe, zonder zich overigens van hare plaats te bewegen. Landlieden 
uit den omtrek, aan wie ik deze waarneming mededeelde, ver- 
zekerden mij , dat ook zij die reeds vroeger gedaan hadden." 



1) Album der Natuur voor 1852, Hz. 212. 

2) Aldaar blz. 80. 

D. L. 



DE ANTHROPOMORPHEN. 



DOOR 



W. VROLIK. 



ÏJjT is eene groep van vierhandige zoogdieren, die, wegens over- 
eenkomst met den menscli in vorm en maaksel, den naam voeren 
van Ani/iropomorp/ien. Hiermede drukt men gelijkvormig maaksel 
met den mensch uit. Ging men welligt in de daaruit afgeleide 
verwantschap te verre? Is het meer dan scherts, zoo een anatomist 
hen de eersie neven van het menschelijk geslacht noemt? Kan men 
een hedendaagsch schrijver, wiens werk, hoewel met groote zaak- 
kennis prijkende, op meer dan één dwaalbegrip rust, geregtigd 
achten tot de stelling, dat het menschelijk geslacht zich uit dat 
der apen heeft ontwikkeld? Zijn deze apen te beschouwen als 
raenschen van hunne oorspronkelijke volmaaktheid ontaard, of moet 
men den mensch houden voor een meer veredelden vorm van eene 
dezer vierhandige diersoorten? — Eene menigte vragen voorwaar, 
aan wier beantwoording het niet ongepast is eenige bladzijden 
te wijden van dit zooveel gelezen en zoo algemeen verspreid Album 
der Natuur. — Ik wil daartoe de feiten alleen doen spreken , en zoo 
ik ten slotte mijn eigen gevoelen openbare, zal, zoo mij de gaaf 
van heldere en beknopte ontwikkeling geschonken wierd, dit, naar 
ik hoop, schier overbodig schijnen, vermits de juiste natuuraan- 
schouwing zelve reeds aan elk mijner lezers de overtuiging gaf, 
die met de mijne overeenstemt. 

Er zijn onder die groote rij van vierhandige zoogdieren, die aan 
de eene zijde den mensch met vrees, afschuw on walging vervullen, 
aan de andere zijne lachspieren aan den gang brengen en hem eene 
knorrige luim verjagen, drie vormen, welke het meest tot den 

7 



— 114 — 

menscli naderen, de Chlmpansé, de Ora-ncj-oetan en de Oibbons. 
Bij allen, hoewel niet in dezelfde mate, vertoont zich de toenade- 
ring tot den inenschelijken vorm in de gedaante en ook in het 
getal der tanden, in welving des schedels, geringe uitpuiling van 
het aangezigt, gewelfde borstkas, platten rug, gemis van staart en 
van eeltachtig achterdeel, platte nagels aan vingers en aan teenen, 
waarvan de toppen dezelfde lijnen vertoonen als bij den mensch , 
naakt aangezigt, bij bejaarde Orang-oetans met knevel en baard 
bedekt, ronde kin en gezwollen lippen, wenkbraauwen, oogleden 
en uitwendig oor, vooral bij den Cliimpansé, gesteld als in den 
mensch. Het ligchaam , minder behaard dan dat der overige apen, 
vertoont zelfs in de rigting der haien eenige toenadering tot den 
mensch, door de rigting naar boven van het hoofdhaar, en door 
hetgeen men aan den elleboog ziet plaats grijpen, alwaar het haar 
van den bovenarm zich naar beneden , en van den voorarm naar 
boven buigt. 

De Chwipansé {Trogloihjtes niger) is een inwoner der kusten van 
Guinea en Angola, vanwaar hij echter allengs meer naar de bin- 
nenlanden is verdrongen. Tot voor weinige jaren hield men hem 
voor den eenigsten Anthrojmnorphe in Afrika. Heden echter heeft 
men er eenen tweeden , hoewel dieper in het binnenland leeren 
kennen, — den Gorilla {T. Gorilla). — Hoogst opmerkelijk is 
het, dat men van dezen reusachtigen aap, wien de inboorlingen nu 
nog voor een mensch aanzien , reeds melding gemaakt vindt in 
eene inscriptie, welke de Carthaagsche admiraal hanno in den 
tempel van Saturnus heeft geplaatst, en welke van daar, bij de 
verwoesting van Carthago, door de Eomeinen werd overgenomen, 
en onlangs door de zorg van dureau de i-amalle is vertaald. 
Hanno spreekt van wilde menschen en van behaarde vrouwen , 
welke zijne tolken Gorillen noemden. Hij heeft ze vervolgd en 
getracht te vangen, maar de mans zijn hem ontsnapt, terwijl hij 
slechts drie vrouwen heeft kunnen meester worden, die zoo ge- 
weldig van zicli afbeten en sloegen, dat men haar heeft moeten 
dooden. Hanno bragt hare huiden naar Carthago, alwaar hij ze in 
den tempel van Juiio {Aslarlé) deed bewaren. — Dit geschiedde 



- 115 — 

510 jaren vóór chkistus, en de Gorilla, heden op nieuw ontdekt 
en beschreven, had eigentlijk reeds sedert 2,400 jaren bekend 
kunnen zijn. — In lateren tijd heeft men wel door overlevering 
van inlandschen oorsprong, of door reisbeschrijvingen er eenig 
berigt van ontvangen , maar deze verhalen schenen zoo opgesmukt 
en zoo fabelachtig, dat men den korten weg van het ongeloof te 
baat nam, waarin vooral cüvier voorging met de groote magt, 
zijnen naam geschonken. De eerste mededeeliiig, welke men na 
HANNO van den Gorilla vindt, is bij batïell, die in zijne reizen, 
geschied in den j are 1625, den Gorilla schijnt gekend te hebben. 
Hij geeft er den naam aan van Ponjo, en onderscheidt hem van 
eene kleinere soort, die hij Engeco heet, en welke de gewone 
Chimpansé {Troglodytes niger) is. Den naam van Ponjo leidt 
SAVAGE, een hedendaagsche protestantsche missionaris, af van 
Mpongwee^ een volk aan de boorden der Gabonrivier. Volgens anderen 
echter is JPongo eene verbastering van Bogzo ^ zijnde de naam, 
waaronder men zoowel den Chimpansé als den Mandril in Afrika 
kent. Van het woord Engeco of EngoJco zal de naam van Jocko 
moeten worden afgeleid, welke in een gedrogtelijk melodrama ge- 
durende korten tijd eene zekere tooneel vermaardheid verkreeg. 
Maar hoe dat zij , de Pongo , door^ battelt- beschreven , is een 
aap, die nagenoeg de lengte van den mensch heeft en met hem in 
ligchaamsgestalte overeenkomt. Terzelfden tijde ongeveer spreekt 
EiCHAiiD JOBSON, die ook de westkust van Afrika bezocht, van 
eenen aap, vijf voet lang, welke de Portugezen el Selvago (den 
wilden) en de Negers Quoja vorau noemen. — De la brosse , wiens 
reis naar de kust van Angola in den jare 1738 werd uitgegeven, 
beweert eene Negerin te Lowango gekend te hebben, die gedurende 
drie jaar bij deze dieren bleef, welke hij beschrijft als eene lengte 
hebbende van zes tot zeven voet. Hij maakt het eerst gebruik van 
den naam van Quimpeze of van Chimpansé, welken men later alge- 
meen aannam en toepaste op de kleinere meer bekende soort. 

Eene menigte gegevens is er derhalve voor de voorstelling van 
het bestaan eener groote aapsoort, tot den menschelijken vorm nade- 
rende, in de binnenlanden van het westelijk gedeelte van Afrika. 



— 116 — 

Hiermede stemmen de overleveringen der inlanders overeen. Zij 
duiden, onder den naam van Sammantam een dier aan, dat eene 
lengte van zeven voet zoude bereiken, en steviger en grooter zoude 
wezen dan de menscli. Deze Sammantam is voor de Negers, die 
heden de kust van Guinea bewonen, een fantastisch wezen, met nach- 
telijke verschijningen aan de oevers der rivieren om er te visschen, 
waartoe hij zijn lang hoofdhaar in plaats van vischlijn bezigt, 

In weerwil van al hetgeen het geschiedverhaal der reizigers aan- 
duidde, en de overleveringen der inboorlingen deden vermoeden, 
is men het bestaan eener tweede soort van Chimpansé in de binnen- 
landen der westkust van Afrika blijven ontkennen. Thans echter 
is daaromtrent alle twijfel weggenomen, en dat wel door den 
hierboven genoemden missionaris savage, die den 24^'™ April van 
het jaar 1847 van de rivier Gabon, in het westelijk gedeelte van 
Afrika, aan mijnen beroemden vriend owen schetsen overzond der 
schedels van eenen mannelijken en vrouwelijken Aap, dien bijvoor 
onderscheiden hield van den gewonen Chimpansé, maar waaromtrent 
hij vooraf zijne meening wilde inwinnen. 

Korten tijd daarna ontving owen, door bemiddeling van den 
Heer samuèl stutchbury uit Bristol, ten gevolge der ijverige 
medewerking van den zeekapitein george wagsïaff, drie schedels 
van den grooten Chimpansé, namelijk twee mannelijke en eenen 
vrouwelijken. Met zijne gewone scherpzinnige naauwkeurigheid ging 
hij aan het vergelijken, en binnen korten tijd hadden wij daaraan 
eene uitmuntende verhandeling te danken, waarin het bestaan eener 
tweede soort van Chimpansé buiten allen twijfel gesteld en daar- 
voor de naam van Troglodytes Gorilla savage ingevoerd werd. In 
1849 werden een schedel en een geraamte van dezelfde diersoort 
naar Parijs overgebragf door eenen heelmeester der Transche marine, 
en in 1851 kwamen aldaar een volwassen exemplaar en een jong, 
ingekuipt in bederfwerend vocht , en overgebragt door den Heer fran- 
QUET, doctor bij de marine en door den Heer penaud fregats- 
kapitein. Voordat ik de verbeterde kennis vermeld, door al deze 
bouwstoften verkregen , mag ik mij het genoegen niet ontzeggen , te 
wijzen op hetgeen de wetenschap ten deze alweder verschuldigd is 



— 117 — 

aan Fransche vlootvoogden en aan geneeskundigen onder hen die- 
nende. Met dankbaarheid zal men steeds de namen van eenen 
b'üryili.k , FREYCINET, DUPEEREY en van de als firma's schier bekende 
QUOY en GAiMAKD, LEssoN en GARNOT blijven noemen. Het doet^ 
goed te bemerken, dat, waar overigens de wetenschappelijke roem 
wel wat begint te tanen , de zeevarenden intusschen den ouden geest 
blijven behouden. Het is een waardig voorbeeld ter navolging. 

De waarnemingen van owen leeren , dat de schedel van den Gorilla 
onderscheiden is van dien van den Chimpansé, door meerdere grootte, 
sterker uitgedrukte kammen op de kruin en op het achterhoofd 
{Sagittale en lambdoidale kam), steviger jukbeensboog, minder uit- 
puilende kaken , minder ineengesmolten neusbeenderen , vorming van 
eenen rug daarop, meer of min overblijven der naden van de tus- 
schenkaakbeenderen , uitbreiding van hen tot eene plaat, welke zich 
boven waarts tusschen de neus- en de bovenkaakbeenderen voortzet, 
wijdere, meer opene neusgaten, meer vierkante oogkassen, meerdere 
tusschenruimte tusschen deze, plaatsing van het groot achterhoofdsgat 
meer naar boven, steviger tej^lachtige uitsteeksels, enz. Vooral vinden 
wij deze kenmerken uitgedrukt in eenen later door hem beschreven 
en afgebeelden schedel van eenen grooteren Gorilla van de rivier 
Danger. Zeer opmerkelijk is daarin de toenadering tot den mensch, 
in den betrekkelijk grooten omvang der bewaarplaats van de her- 
senen, in verhouding tot het aangezigt, in de bijna gescheiden en 
breede neusbeenderen, in den vorm der oogkassen, de mindere 
uitpuiling der kaken enz., maar vooral zal elk getrofien worden 
door de sterke ontwikkeling der kammen boven op- en aan het ach- 
terhoofd, waardoor eene dierlijkheid en een teruggang geopenbaard 
worden, welke dezen schedel weder verre van den menschelijken 
vorm verwijderen. Deze kammen bestaan uit vaste beenzelfstandig- 
heid. Hun doel is uitbreiding van oppervlakte en krachtvolle aan- 
hechting voor de spieren, waardoor de onderkaak tot fijnmaking 
van het voedsel bewogen wordt. 

In het geraamte van den Gorilla onderscheidt men eene borstkas , 
veel meer gewelfd dan die van den mensch, veel langere bovenste 
en veel kortere onderste ledenmaten. De lengte voorts der doorn- 



— 118 — 

wijze uitsteeksels van de halswervelen , de gelijkmatige kromming 
der ruggegraat, het lange en betrekkelijk smalle bekken , de schuinse 
geleding van den voet met den schenkel , de van de overige afstaande 
groote teen eindelijk leeren, dat de Gorilla ongeschikt is om op 
den vlakken grond den opgerigten stand en gang van den raensch 
aan te nemen, maar dat daarentegen eene klimmende beweging tot 
zijne levensbestemming behoort. 

Volgens de beschrijving van sa vage heeft de Gorilla, waaraan 
de inlanders den naam van Engé-ena geven , eene lengte van onge- 
veer vijf voet. Zijne schouders zijn ongemeen breed, en hij is met 
eene digte en grove vacht bedekt, welke in jongen leeftijd zwart is , en 
later grijs wordt. Aan de physionoraie wordt een eigenaardig karakter 
gegeven, gelijk ook uit de afbeelding blijkt, door de groote breedte 
en lengte van het aangezigt, het wegwijken van het bekkeneel, de 
groote oogen , den breeden , platten en aan den wortel flaauw ge- 
welfden neus, den uitpuilenden muil, de hier en daar met eenig grijs 
haar bedekte lippen, de zeer bewegelijke onderlip, welke bij ver- 
woedheid van het dier zich zeer kan^erlengen en alsdan op de 
kin hangt, de naakte en bruin gekleurde huid aan aangezigt en 
ooren. Met de kammen op den schedel stemt overeen een paar 
behaarde stroken boven op het hoofd, welke het dier naar willekeur 
zoodanig beweegt, dat hierdoor een woest, dierlijk aanzien wordt 
te weeg gebragt, hetwelk, voor geene beschrijving vatbaar, vooral 
als hij woedend is, de grootst mogelijke afschuw en schrik te weeg 
brengt. Voeg daarbij eenen korten, dikken en behaarden hals, ge- 
welfde borst en breede schouders, lange armen, die tot beneden de 
knieën reiken, met betrekkelijk korte voorarmen en groote handen , 
waarin de duimen veel dikker zijn dan de overige vingers. De buik 
is wi-jd en uitpuilend, en met dunner haar dan de rug bedekt; de 
onderste ledematen zijn gebogen en stevig. De staart en de eelt- 
plekken, aan zoo vele andere Vierhanders eigen, ontbreken. Zijn 
gang is volstrekt niet met den deftigen tred van den mensch ver- 
gelijkbaar. Hij rust, hoewel hij zich, even als de Chimpansé, voor 
korten tijd alleen op de achterpooten kan ophouden, in den regel 
met voorover gebogen ligchaam op de rugvlakte der gebogen vin- 



— 119 — 




VOLW 



ASSEN GORILLA naar Is. Geoffroy SI. Eilair^, 



— 120 — 

gers, die daardoor van eeltplekken voorzien zijn; vermoedelijk zal 
hij de voetzolen niet plat kunnen nederzetten , waardoor even als 
ook door het overwigt der voorpooten een waggelende gang moet 
worden teweeg gebragt. 

Meestal vindt men troepen dezer dieren bijeen, waarin de vrou- 
welijke menigvuldiger zijn dan de mannelijke, en die meestal door 
een mannelijk dier worden aangevoerd. Men zegt dat er dikwerf 
om deze heerschappij hevig gestreden wordt. Savage ontkent ten 
stelligste de dwaze verhalen van Negerinnen , die door deze dieren 
zouden zijn ontvoerd en in hun midden zouden hebben geleefd ; 
van Elephanten , welke zij met knuppels zullen verdrijven , enz. 
Hoewel in menig boekwerk overgenomen, blijken deze geschied- 
verhalen der reizigers slechts sprookjes te wezen, door de Negers 
aan ligtgeloovige kooplieden opgedischt. 

In plaats van woningen bouwen zij zich op boomtakken eene 
soort van nest, dat zij niet overdekken en dat hun slechts tot 
nachtrust dient. De inlanders drijven hierom den spot met hen , 
zeggende: dat zij wel dwaas zijn om een huis zonder dak te bou- 
wden , in eene landstreek , waar het zoo dikwerf regent. 

Deze dieren zijn zeer woest en strijdlustig. Zij ontvlugten den 
mensch niet, en zijn daarom zeer gevreesd door de inboorlingen, 
die hen nimmer aanvallen. Het gering aantal individu's, waarvan 
men zich meester konde maken, werd door Elephant-jagers gedood. 
Men verhaalt dat, als men eenen troep ontmoet, de mannelijke aan- 
voerder een gebrul uit, dat door het geheele woud wordt terug- 
gekaatst, ongeveer als een verlengd en schel klinkend hh — ah! 
kh—ah!, waarop de wijfjes en de jongen de vlugt nemen. Het 
mannelijk dier alleen overgebleven, nadert zijnen tegenstander met 
groote woede, terwijl het zijn geschreeuw met snelheid herhaalt. 
De jager wacht hem met aangelegd geweer af; zoo hij niet zeker 
van zijn schot is, laat hij het dier den loop vatten, en op het 
oogenblik dat hij dezen, gelijk gewoonlijk geschiedt, in den mond 
neemt, lost hij zijn schot. Weigert het geweer, dan is de loop 
spoedig tusschen de tanden van den aap verbrijzeld, en eindigt de 
strijd, die, men zoude schier zeggen, nu man tegen man. voortgaat , 



— 121 



noodlottig voor den weldra gewurgden jager. De Gorilla gebruikt 
daarbij meer zijne handen dan zijn gebit tot wapen. 

Het dooden van eenen Gorilla wordt voor eene daad van groote 
behendigheid en moed gehouden. Het verschaft den dader groote 
eer. Een slaaf der Mpongweers had na de jagt op eenen Elephant, 
welken hij gedood had, het geluk eerst eenen mannelijken, daarna 
eene vrouwelijke Gorilla te schieten. Deze daad, waarvan men geen 
tweede voorbeeld kende, werd als bovenmenschelijk beschouwd. 
Men gaf den slaaf onmiddellijk zijne vrijheid en riep hem tot vorst 
der jagers uit. Hoe de Gorilla zich in gevangen staat voordoet, 
weet men niet. In natuurstaat geeft hij weinig blijk van verstan- 
delijke vermogens. Hoewel zich gaarne bij het vuur warmende, dat 




f «fc* '/aki 




JONGE GORILLA naar Is. Geoffroy St. Hilaire. 



— 122 — 

Negers in het bosch overlieten , heeft hij geen begrip om het met 
nieuw ingeworpen hout aan te wakkeren en te onderhouden. Hij 
voedt zich met plantaardige zelfstandigheden, waarondermen vooral 
den stengel van Saccharum officinarutn, de vruchten van Elais Ouin- 
eensisi van Carica papaya en Musa sapientum moet noemen. 

Tot zooverre gaat onze kennis van den Gorilla. Zij is nog zeer 
onvolkomen; maar, zoo men overweegt, dat men nog voor een 
vijftal jaren het bestaan van dit zonderling wezen niet vermoedde , 
mag men niet ontkennen , dat zij reeds als vrij voldoende verdient 
beschouwd te worden. Het laat zich toch verwachten dat het 
volledig exemplaar, naar Parijs overgebragt, niet voor de weten- 
schap verloren zal gaan , en dat men veeleer mag hopen binnen 
korten tijd zijne geheele bewerktuiging ontvouwd te zullen zien. 
Opmerkelijk is het, dat in jeugdigen leeftijd de uitwendige over- 
eenkomst met den mensch veel meer is uitgedrukt dan naderhand. 
De vergelijking der afbeelding van eenen jongen Gorilla met die 
van den volwassenen geeft daarvan bewijs. 

Veel meer bekend is de Enché-eko of Ckimpansé , (eigenlijk Kim- 
pézèy , waarvan men eerst Qiiimpézé en later Chirnpanzé maakte) 
van wien men herhaaldelijk levende individu's hier en elders zag, 
en tot wiens ontleedkundige kennis meer dan één anatoraist, waar- 
onder ik ook mij zelven mag scharen, het zijne bijdroeg. Ik ont- 
leen aan de onlangs verschenen Escpilsses zoölogiques stir la cóte de 
Guinee, van den op hoogen leeftijd nog ijverigen Directeur van 
's Eijks Museum te Leiden , de beschrijving der uitwendige ge- 
daante van den Chimpansé, en vul deze aan met de afbeelding 
ontleend aan het titelblad mijner vroeger uitgegeven Récherches 
(Tmiatomie comparée sur Ie Chimpansé. Zij is eene kopij der velen 
mijner lezers bekende schilderij in den Zoölogischen tuin te Am- 
sterdam. Dat zij een zeer jong dier voorstelt, zal ik wel niet be- 
hoeven te zeggen. 

De kaken zijn gezwollen, uitpuilend, met tanden voorzien, die 
dezelfde gedaante hebben als die van den mensch, en bedekt met 
dunne, zeer gespletene, niet omgekrulde lippen. De neus is als het 
ware naar binnen getrokken en voorzien van sterk geopende eironde 



123 — 




JONGE CHiMPANSÉ naar W. Frolik. 

neusgaten, slechts door een dun middelschot gescheiden. De. lang- 
werpige oogleden, door een plat vak van elkander gescheiden, zijn 
voorzien van ooghaartjes en van weinig uitpuilende rondachtige 
wenkbraauwbogen. Aan het rondachtig hoofd vertoont zich een 
aanvankelijk gewelfd en later wegw^kend voorhoofd. De bolle kin 
is met een korten baard bedekt. Het naakte aangezigt is met haar 
omlijst, dat aan de wangen zich vrij dik voordoet, op de kruin 
schraal is en zich weder vrij digt vertoont aan het achterhoofd. 



— 124 — 

De groote, van het hoofd afstaande ooren zijn bijna geheel gelijk 
aan die van den mensch , met die uitzondering slechts, dat zij de 
oorlel missen. De bovenste ledematen hebben een zoo groot over- 
wigt in lengte, dat, als de Chimpansé regtop wil gaan, hij genood- 
zaakt wordt met voorover hellenden tronk te steunen op de rug- 
vlakte der handen, waardoor zijn gang alsdan eenige overeenkomst 
krijgt met die van eenen hoog bejaarden man, die, hoewel met 
eenige moeite voortstrompelende, echter nog een' deftigen tred wil 
aannemen. Vreemdsoortig wordt deze gang vooral, als hij met 
groote stappen wil voortgaan. De lange armen zijn van belangrijke 
spierkracht voorzien en met haar bedekt, dat op den bovenarm 
van beneden naar boven gerigt is. Eigenaardig zijn zijne lange 
handen, de gerekte en smalle handpalm, de naakte en lange vin- 
gers, waarvan de toppen met platte nagels bedekt zijn, en de korte 
achterwaarts gedrongen duim. Aan het acliterdeel ontbreken eelt- 
plekken zoowel als staart. De kort ineengedrongen onderste lede- 
maten hebben eenen voet, waarin de groote teen als een bewegelijke 
achterduim van de overige teenen afstaat en tot vastklemmen aan 
takken enz., kan gebezigd worden. De voetzool raakt den grond 
slechts door haren daartoe met eelt bedekten buitenrand. De huid 
is met spaarzaam, lang, golfswijs gebogen, zwart haar bedekt, dat 
alleen op den rug, de scliouders en de buitenvlakte der ledematen 
rijkelijk aanwezig is, en zich op de borst- en buikvlakte, als ook 
op de binnenzijde der ledematen, zeer schaars voordoet. A'^an de 
levenswijze van den Chimpansé in natuurstaat weten wij niets. 
De dieren, welke men in diergaarden had, waren allen zeer jong. 
Aan de verhalen, welke men elders van hunne verstandelijke ver- 
mogens gaf, kan met moeite eenig vertrouwen gehecht worden. 
Zij zijn zoo opgesmukt en met zooveel vooringenomenheid mede- 
gedeeld, dat men hierdoor alleen reeds zich ongenegen gevoelt er 
geloof aan te hechten. Grandpré , officier der Pransche marine, 
zegt eenen Chimpansé gezien te hebben, op het schip van eenen 
slavenhandelaar; men had hem, volgens zijn verhaal, geleerd den 
oven te stoken , waarvan hij den juisten graad van hitte goed 
wist te beoordeelen en alsdan den scheepsbakker ging waarschuwen; 



— 125 — 

hij hielp de matrozen in de manoeuvres en bezweek eindelijk door 
het verdriet over onverdiende straf! ! ! Buffon laat hem met deftig- 
heid de hand geven aan personen, die hem bezoeken, hun beleefdelijk 
uitgeleide doen, uit eigen aandrift zijn tafel dekken, thee schenken 
enz. Zoo ik tegenover dit alles mijne eigene ondervinding raadpleeg, 
moet ik bekennen, dat alle deze verhalen mij voorkomen aan groote 
overdrijving te lijden. Het verstand van den Chimpansé kwam mij 
geringer voor dan van den Orang-oetan, en ging niet veel hooger 
dan dat van een kind in zijne allereerste ontwikkeling. Eenmaal 
slechts merkte ik iets bij hem op, dat van meer dan gewone dierlijke 
geestvermogens scheen te getuigen. Op zekeren dag liet de heer 
WESTERMAN, aan wien de Zoölogische tuin in Amsterdam zoo veel 
verpligting heeft, in mijne tegenwoordigheid de luiken sluiten 
der kamer, waarin de Chimpansé zich bevond, met eene lat, die, 
in schuinsche rigting op den vloer steunende, aldaar met een 
spijker werd tegengehouden. Het dier, hierdoor gekweld, verlan- 
gende naar zijnen oppasser die hem van buiten toeriep, en verhin- 
derd in zijn nieuwsgierig uitzien naar buiten, begon met vruchte- 
loos aan het luik te trekken, bemerkte toen de hinderpaal, trachtte 
de lat naar zich toe te halen en ziende dat ook dit onmogelijk 
was, begaf het zich naar den spijker, poogde dezen er uit te 
breken, en toen dit niet konde geschieden, trok het eindelijk 
zegepralend in dwarse rigting de lat weg. — Hierin vertoonde zich 
voorzeker meer oordeel, dan men gewoonlijk bij dieren aantreft. 
Een hond zoude aan het luik zijn blijven krabben en bijten; een 
paard had het welligt stuk geslagen, maar geen hunner zoude het 
wezenlijk beletsel zijn gaan wegnemen. Het was intusschen geen 
grooter blijk van verstand dan men bij kinderen pleegt aan te 
treffen. Het tooneel dat nu volgde, vond evenzeer zijne verkla- 
ring in kinderlijke gemoedsaandoening en hartstogt. De oppasser, 
naar wien het dier in klagend geschreeuw herhaaldelijk verlangd 
had, die, op onzen last, hem door zich telkens te verwijderen 
en hem van verre te roepen, aanhoudend had gekweld, komt ein- 
delijk, na het openen van het luik, te voorschijn. De Chimpansé 
klimt op zijnen arm, maar in plaats van hem te liefkozen, zoo 



— 126 — 

als hij gewoonlijk deed, geeft hij hem links en regts eenen flinken 
klap in het gezigt, en loopt weg, zonder voor het oogenblik iets 
van hem te willen weten. Met vertrouwen daarentegen liet hij zich 
nu door eenen anderen er bij komenden oppasser, die hem vroeger 
verpleegde, aanhalen. Dit heeft ongetwijfeld veel van de handelin- 
gen van een stout kind, dat zijne kinderraeid boudeert, omdat het 
zijn' zin niet kreeg. — In velerlei andere opzigten boden zijne 
grillen en zijne pruilerij met die van een kind overeenkomst aan. 
Het zich werpen op den grond, schreeuwen en slaan, schijnbaar 
zich zelf bijten , zoodra men hem iets weigerde , waren toch alle 
streken , die de kinderkamer herinneren. Ook zijne nieuwsgierigheid 
en zijne zucht tot navolging zijn daarvan een bewijs. Diegene, die in 
den Jardin des Plantes te Parijs leefde, heeft men handschoenen 
zien aantrekken, het werken met den naald en het teekenen zien 
beproeven. De Chimpansé van Regentpark te Londen ontstal gaan- 
deweg aan eenen timmerman, die zijn hok repareerde, alle zijne 
werktuigen, om er in een hoek mede te gaan kloppen. 

De vraag is, of dit dier voor verdere ontwikkeling vatbaar mag 
heeten, en zoodoende kan opklimmen tot de geestvermogens van 
den mensch. Ik hoop haar later te beantwoorden , na ook de overige 
Anthropomorphen te hebben beschreven. 

De Orang-oetan {Simia satyrus) ligt nu aan de beurt. Hij is de 
meest bekende en volledigst onderzochte der Anthropomorphen , dank 
zij den ijver der Nederlandsche naturalisten in den ^"ongsten tijd. 
In jeugdigen leeftijd komt zijne uitwendige gedaante veel met die 
van den Chimpansé overeen. Later wijkt zij daarvan af. Aan het 
vooral bij jonge dieren sterk gewelfde hoofd is een sterk, uitpui- 
lend naakt aangezigt toegevoegd, dat bij bejaarde mannelijke dieren 
aan de wangen voorzien wordt van zonderling opgezwollen, vetach- 
tige zijkwabben, die somtijds eene lengte van vijf duim bereiken, 
bij eene dikte van een duim negen lijnen. Daarbij komen een 
baard en eene soort van knevel; een en ander maakt den volwassen 
mannelijken Orang-oetan tot een vrij wanstaltig wezen, waarvan 
het niet te verwonderen is, dat de beschouwing vreemdsoortigen 
indruk teweeg brengt op den min beschaafden mensch. Al deze bij- 



— 127 — 

voegsels ontbreken aan het aaugezigt der wijfjes. Hoogst opmerkelijk 
is het verschil in uitwendig aanzien tusschen het jonge en het vol- 
wassen dier. De beide afbeeldingen beide aan de verdienstelijke mono- 




JONOE ORANG-OETAN uaar Temminck. 

graphien van temminck ontleend, doen een zoo groot onderscheid 
opmerken, dat men werkelijk eenige moeite heeft , om zich te kunnen 
voorstellen, dat diegene, welke het jonge dier voorstelt , van dezelfde 
soort is als de volgende, een zeer bejaard mannetje afbeeldende. Niet 
minder merkwaardig is het , dat het jonge dier zeer veel overeen- 
komst met den mensch aanbiedt, welke bij het oudere ten eenenmale 
wegvalt. Het overwigt in lengte der bovenste ledematen is in den 
Orang-oetan nog veel grooter dj^n in den Chimpansé. Hierdoor 
wordt hij, bij den gang op den vlakken grond, genoodzaakt, zijnen 
romp sterk voorover te doen hellen , en zich te steunen op de rug- 
vlakte van de hand, die daartoe even als een vuist wordt omge- 
bogen. Hij beweegt zich alsdan ongeveer als iemand, die zich op krukken 
voortsleept. De handpalmen zijn nog veel langer en smaller dan 
bij den Chimpansé; de duim is zoo kort en zoo veel naar achteren 



— 128 




VOLWASSEN OEANG-OETAN Daar Temminck. 

verdrongen , dat hij slechts met krom gebogen vingers bereikbaar 
is ; de vingers zijn lang en smal , met platte nagels en met gebogen 
lijnen aan de toppen, even als bij den mensch. De gesteldheid 
der onderste ledematen is ongeveer als bij den Chimpansé, met dat 
onderscheid slechts, dat de voet door smalheid der voetzool, door 



— 129 — 

lengte der steeds gebogen teenen en door verder afstaan van den 
grooten teen zich nog meer van den menschelijken voet verwijdert, 
en dat de onderste ledematen betrekkelijk nog korter zijn. De 
nagel en het voorste lid ontbreken dikwerf aan den grooten teen , 
hetgeen het gevolg schijnt te M'ezen der afslijting welke hij , bij 
het beklimmen der boomen, door schuring tegen stam en takken 
ondervindt. Het gemis is, gelijk temminck zoo juist zegt, geen 
bewijs van soortelijk verschil, maar veeleer slechts eene toevallige 
verminking. De stand van den voet is als die van den door mis- 
vorming bij den mensch soms aanwezigen horrelvoet, dat is, rus- 
tende met den eeltachtigen buitenrand op den grond , waarbij de 
teenen in de voetzool gebogen, en de binnenrand opgewipt zijn. 
Dat deze rigting van den voet ook eene der oorzaken is van den 
zoo straks beschreven waggelenden gang, zal niet gezegd behoeven 
te worden. De beharing is als bij den Chimpansé, met dit onder- 
scheid echter dat de kleur rosachtig rood is. Bij bejaarden is het 
haar op den rug meestal vrij sterk gesleten, ten gevolge van het 
liggen daarop. Zijne huid is even als die van den mensch voor die 
eigenaardige zamentrekking en rimpeling vatbaar, welke men met 
den naam van kippenvel aanduidt. De grootste lengte, welke de 
mannelijke dieren bereiken, bedraagt nog geen viervoet. Het vader- 
land van den Orang-oetan is Borneo en Sumatra; er bestaat geen 
stellig bewijs, dat men hem ooit op het vaste land van Azië gezien 
heeft. Diegene, welke op Borneo leeft, is geenszins onderscheiden 
van de soort , welke op Sumatra voorkomt , en het laat zich tot heden 
niet vermoeden, dat er op Borneo meer dan eene soort zal zijn. 
Hij bewoont op beide eilanden lage, vlakke streken, bij voorkeur 
groote, moerasachtige bosschen van het zeestrand af tot verre in 
het binnenland. Hoe somberder de bosschen zijn, hoe liever hij er 
zich ophoudt. In het gebergte komt hij nooit voor. Schuw, wild, 
zwaarmoedig en rustig tevens, houdt hij zich verre van de ver- 
blijven der menschen verwijderd, en leeft hij meestal eenzaam in 
het geboomte, waarin hij zich op struiken een nest tot nachtverblijf 
bouwt, en zich bij strenge nachtkoude ook met Pandanus-bladen 
bedekt. Zoo men er kleine troepjes van twee of drie individu's 

8 



— 130 — 

bijeen van ontmoet, kan men zeker zijn, dat deze uit wijfjes be- 
staan, waarvan zich de zwangere echter altijd afzonderen, en met 
hare jongen alleen blijven. De jongen blijven zeer lang bij demoeder; 
zij draagt het jong tegen hare borst, aan wier behaard bekleedsel 
het zich vasthecht. Omtrent den duur der dragt is niets bekend. 
Tien tot vijftien jaren schijnen tot de volledige ontwikkeling ge- 
vorderd te worden. Deze trage voortgang duidt eenen meer ver- 
lengden leeftijd aan, dan aan vele andere dieren geschonken wordt. 
Volgens de opgave der Dajakkers , worden zij veertig tot vijftig 
jaren oud. Men heeft er gevbnden zoo bejaard, dat zij alle hunne 
tanden hadden verloren , en niet meer konden klimmen. 

De honger alleen schijnt den Orang-oetan tot beweging te nopen. 
Meestal blijven zij in hooge boomen zitten, omringd van de 
vruchten , waarmede zij zich voeden. Daarbij hurken zij echter niet 
neder, zooals de overige apen doen, hetgeen zeker in verband is 
met het gemis van eeltplekken aan het achterdeel. Hoewel van 
groote ligchaamskracht voorzien, gebruikt de Orang-oetan deze 
zelden tot verdediging, en schier nooit tot aanval. 

Bij vervolging neemt hij in den regel de vlugt, waarbij hij instinkt- 
matig de takken achter zich afbreekt; hetgeen welligt tot de fabel 
aanleiding gaf, dat hij zich met stokken verdedigt, en deze zijnen 
vijand toewerpt. Zeldzaam komt hij op den grorhi en alleen dan 
wanneer een ledig gegeten boom hem noodzaakt elders zijne gelief- 
koosde vruchten te zoeken. Zijne zintuigen zijn weinig ontwikkeld. 
Vreemde voorwerpen betast hij voornamelijk met zijne lippen ; tot 
drank vangt hij de regendruppels op met zijne verlengde en daartoe 
komvormig uitgeholde onderlip. Zijn gezigtsvermogen is zwak. Het 
gehoor is zijn volmaaktste zintuig. 

In gevangen staat heeft men bij herhaling jonge Orang-oetans 
kunnen waarnemen. Zij bieden dan verstandelijke vermogens aan 
hooger dan die van den Chimpansé. Deze bij voorbeeld had alhier 
in den Zoölogischen tuin, gelijk de Heer westerman mij deed 
opmerken, nooit verstand genoeg, om, gekweld door de koude van 
den vloer, tot zijne verwarming de deken te gebruiken, welke men 
hem had gegeven; de Orang-oetan daarentegen sleepte die deken 



— 131 — 

aanhoudend met zich mede', om haar of als eene mat te gebruiken , 
of er zich met zorg in te wikkelen. rREDEKlc cuviek verhaalt, 
dat de Orang-oetan van den JarcUn des Plantes eenen knoop wist 
los te maken, waardoor een touw, waaraan hij slingerde, was inge- 
kort, ten einde hem hierdoor het bereiken van den grendel eener 
deur te beletten. Hij had zulks eerst beproefd, door onder den 
knoop aan het touw te trekken; maar toen hij merkte, dat zijne 
ligchaamszwaarte daartegen een beletsel was , klom hij boven dien 
knoop, om hem aldus los te maken. Iets dergelijks heb ik ook 
opgemerkt bij een der Orang-oetans van den Zoölogischen tuin te 
Amsterdam. Men had eene openstaande deur vastgebonden met een 
touw dubbel toegeknoopt. Hetzij nu dat de luchtstroom, door deze 
deur heengaande, hem hinderde, het zij dat hij zich verveelde , hij 
wilde de deur sluiten ; toen hij in zijne poging daartoe bemerkte 
van welken aard de hindernis was , begon hij met eenen knoop los 
te maken , en voorts met de deur zoodanig te slingeren , dat ook 
de tweede knoop van zei ven losliet. Men verhaalt van een jongen 
Orang-oetan, die met eenen sleutel het slot van zijnen ketting 
opende, en, toen men hem dezen wegnam, dit met een stuk hout 
trachtte te doen. Men zegt dat hij zelfs eenmaal eene kram met 
een er onder geschoven spijker heeft pogen uit te trekken. 

Deze graad van intellectueele ontwikkeling schijnt hem echter 
slechts in jeugdigen leeftijd eigen te wezen, en hij blijft zelfs in 
lateren tijd daarop niet staan, maar schijnt veeleer terug te gaan. 
In het aanleeren van kunsten vertoont hij daarom ook geene grootere 
vaardigheid dan de Elephant, het paard, de hond enz. Het drinken 
toch uit een glas , het eten van een bord met lepel en vork staan 
in vele opzigten gelijk met de kunstverrigtingen van Elephant en 
paard, onder den naam van gastronomen in de eeneof andere cirque 
bekend. En wat meer zegt, leest men het verhaal dat s. muller 
gaf van eenen ouden mannelijken Orang-oetan, vier voet lang, wel- 
ken hij op Borneo zelf meer dan eene maand lang in leven hield, 
dan komt men tot de overtuiging, dat werkelijk de verstandelijke 
vermogens van den Orang-oetan door leeftijd afnemen. Dit volwas- 
sen dier toch bleef wild , ongenaakbaar , valsch en boosaardig. Hoe- 



— 132 — 

wel met ontzettende spierkracht voorzien, heeft hij deze nooit beproefd , 
om zich uit zijne gevangenis te verlossen. Van bedachtzaam overleg gaf 
hij alleen bij het vervullen zijner ligchaamsbehoeften blijk, of ook, als 
hij met zijne hand eenen slag wilde toebrengen ; voor het overige bleef 
hij den geheel en dag in zwaarmoedige, ingedrukte houding zitten, zon- 
der eenige de minste levendigheid of zucht tot navolging te vertoonen. 

Ten slotte heb ik tot de Anthropomorphen de langarmige apen 
of Gibbons te brengen. Door hunne lange armen komen zij met 
den Orang-oetan overeen , door hun eeltachtig achterdeel naderen zij 
tot de Cercopitheken , Bavianen enz. , waarvan zij zich onderscheiden 
door het gemis van staarten en wangzakken. Zij zijn veel kleiner ên 
zwakker dieren dan de Gorilla, de Chimpansé, de Orang-oetan, en 
bewonen het meest verwijderd gedeelte van Indië en van den Indi- 
schen Archipel , alwaar de Siamang [Hylobates syndactylus) op Suma- 
tra, en de overige soorten op Sumatra, Java en Borneo voorkomen. 

Onder hen behoort in de eerste plaats melding gemaakt te 
worden van den Siamang, vermits hij meer nog dan de overigen 
den mensch nabij komt, althans in ligchaamsbouw. Men vindt er 
op Sumatra groote troepen van, aangevoerd door een opperhoofd, 
dat door de Maleijers voor onkwetsbaar wordt gehouden. Bij het 
op- on ondergaan der zon hellen zij een vervaarlijk geschreeuw 
aan, maar het overige gedeelte van den dag hoort men hen niet. 
Hunne bewegingen zijn langzaam en log, zonder groote vastheid 
bij hunne sprongen. Op den grond is hun gang als die van een 
grijsaard, die snel op krukken wil loopen. Dit is het gevolg van 
hunne lange armen, waarvan de vingers, gelijk uit de afbeelding blijkt, 
den grond raken. Hoewel gezellige dieren zijnde , die steeds in vrij 
groote troepen leven, schijnen zij voor elkander weinig gehechtheid 
te hebben. Zooveel althans is zeker, dat, als een uit de troep ge- 
wond wordt, de overigen hem laten liggen, zonder er zich over 
te bekommeren. Voor hunne jongen echter leggen zij groote zorg 
en liefde aan den dag. — "Het is, zegt duvaucel, een vreemd 
schouwspel om deze wijfjes hare jongen naar de rivier te zien 
dragen , alwaar zij ze , in weerwil van hun tegenspartelen , wasschen , 
afvegen , in de zon droogen , en aan hunne zindelijkheid eenen 



— 133 




siAMANG naar F. Cuvier 

tijd en zorg mjden, welke menig menschenkind hun zou kunnen 
öemjden. De Siamangs zijn zeer waakzaam en hebben een scherp 
gehoor zoodat zij zich bij het minste gedruisch op de vlugt be- 
geven. In den gevangen ataat schijnen zij voor eenige opvoeding 



— 134 — 

vatbaar. Eaffles heet hen mak en handelbaar, en george bennet, 
die eenen Siamang tot reisgenoot had, noemt dezen slim, levendig 
en voor gehechtheid vatbaar. 

De overige Gibbons bewonen de bergachtige streken van den 
Indischen Archipel, en blijven aldaar binnen de grenzen der vijgen- 
bosschen , in kleine troepen op bergruggen en minder steile hellingen. 
Bij het minste gedruisch ijlen zij den berg af en verdwijnen in 
de donkere valleijen, alwaar zij zich op de kroonen van hoog ge- 
stamde boomen ophouden, welke zij schier nooit verlaten, maar 
waaruit zij zich van den een naar den anderen tak, door middel 
hunner lange armen, met eene snelheid slingeren, die de vlugt 
van eenen vogel herinnert. Zelden grijpen zij daarbij mis. Op den 
grond daarentegen is hunne beweging een waggelend springen, dat 
alleen op de achterpooten geschiedt, waarbij zij zich, gelijk ik 
lierhaaldelijk den JFouwou {Eylobates leuciscus) zag doen , met de lange 
voorpooten in evenwigt houden. 

Tot zoo verre gaat mijn kort en snel overzigt der natuurlijke 
geschiedenis van de Anthropomorphen. Zal ik echter mijn doel 
bereiken, dan behoor ik er enkele bijzonderheden omtrent het 
maaksel dezer dieren aan toe te voegen, omdat wij geleidelijk tot 
de beantwoording komen der vragen, aan het hoofd van dit betoog 
gesteld. Ik zal daarin kort en duidelijk trachten te zijn; want ik 
gevoel dat ik het geduld diergenen mijner lezers moet sparen, die 
in de ontleedtafel en in al hetgeen daarop ten toon wordt gesteld, 
geen behagen scheppen. Hen, die dieper daarin wenschen door te 
dringen, ver wij ze ik tot hetgeen ik elders te boek stelde, i) 

In den schedel der Anthropomorphen zijn ongetwijfeld de volgende 
punten van toenadering tot den mensch op te merken: gewelfd en 
ruim bekkeneel en weinig uitpuilend aangezigt, vooral in den Go- 
rilla en in den Siamang; enkelvoudig voorhoofdsbeen , groot ach- 
terhoofdsgat meer naar boven geplaatst, vooral in den Gorilla; 
rondachtige kin, vooral in den Siamang; breede met hunnen voor- 
rand vrij staande en bij enkele gedeeltelijk dubbele neusbeenderen. 



1) W. Vrolik, Het Leven en het Maaksel der dieren, Deell, Amsterdam, 1853. 



— 135 — 

van boven gewelfd in den Gorilla; niet zeer hoog kroonwijze uit- 
steeksel der onderkaak , waarvan de hoek, vooral bij den Siamang, 
meer tot den regthoek nadert. 

Opmerkelijk is het, dat deze punten van overeenkomst met den 
mensch in jeugdigen leeftijd sterker spreken dan naderhand, gelijk 
vooral in den Orang-oetan blijkt door de ontwikkeling der kammen , 
waaraan de slaapspieren gehecht zijn , en door het schijnbaar minder 
overwigt van het bekkeneel als uitwerksel van het meer uitgroeijen 
der kaken. De schedel verdierlijkt zich derhalve, als ware het door 
leeftijd, hetgeen ik intusschen hierboven evenzeer van den alge- 
meenen ligchaamsbouw en van de werkzaamheden van den geest 
opteekende. Daarbij komt, dat, om de beteekenis van den schedel 
goed te beoordeelen, men de betrekkelijke verhouding van de 
bekkeneelsholte of van de bewaarplaats der hersenen tot het aan- 
gezigt vooral in rekening moet brengen. — In zijne jongste ver- 
handeling heeft owEN zulks tot juiste voorstelling gebragt door 
loodregte doorsneden af te beelden van den schedel van den Gorilla, van 
den Orang-oetan en van den mensch. — Uit hunne vergelijking blijkt , 
dat de Gorilla, bij wien overigens de inhoudsruimte des bekkeneels 
het grootst is van alle Anthropomorphen , daarin echter verre bij den 
mensch achterstaat, al neemt men ook een minder volkomen mensch, 
gelijk OWEN met den schedel van een Papou deed , tot voorwerp 
van vergelijking. Tot cijfers teruggebragt, volgens metingen van 
wiJMAN, is gebleken, dat de ruimte-inhoud des schedels van den 
volwassen mannelijken Gorilla nog niet de helft bedraagt van den 
gemiddelden inhoud des bekkeneels bij Negers, Hottentotten en 
Australiërs. Daar men hieruit tot den omvang der hersenen kan 
besluiten, is dit eene hoogst gewigtige opmerking, om het groote 
verschil daarin tusschen den meest volmaakten aap en den minst 
volkomen mensch , als ware het , met de voorwerpen zelve in de 
hand aan te wijzen. Niet minder belangrijk is het, dat, zoo men 
de doorsneden van de schedels van een zeer jongen en van een 
zeer ouden Orang-oetan naast elkander stelt, en ze met elkander 
vergelijkt, de bekkeneelsholte van het jonge dier het in betrek- 
keiijken zin wint van die des anderen. Het blijkt hieruit, dat de 



— 136 — 




GERAAMTK VAN DEN SIAMANG, naar W. VroUIc. 

hersenkas met de daarin geplaatste hersenen , als voorwaardelijke 
oorzaak der geestvermogens, reeds vroeg eenen zekeren omvang 
bereikt hebben en later slechts weinig meer groeijen, terwijl het 
overige ligchaam daarentegen eene aanmerkelijke vermeerdering in 



— 137 — 

■wasdom erlangt. Dat dit zamenstemt met den teruggang zoowel in 
ligchaamsvorm als in geestvermogens, hierboven aangestipt, zal ik 
wel niet behoeven te doen opmerken. 

Beschouwen wij nu het overige geraamte. In de gesteldheid van 
den tronk nadert vooral de Siamang tot het geraamte van den mensch. 
De oprijzende uitsteeksels der boven vlakten van de ligchamen der 
halswervelen , de rigting benedenwaarts der doornwijze uitsteeksels 
van den vierden tot den negenden rugwervel, het getal van vijf 
lendenwervelen , hunne toenemende stevigheid en breedte beneden- 
of achterwaarts, de gedaante van hunne dwarse en doornwijze uit- 
steeksels, het ware heiligbeen, en de geheel naar den mensch gelij- 
kende gesteldheid der darmbeenderen maken, dat de wervelkolom 
van den Siamang het meest tot die van den mensch nadert. Gelijke 
toenadering openbaart zich in het borstbeen, dat, even als bij den 
mensch, uit handvat, zwaard en zwaardwijs uitsteeksel bestaat. 
Het is echter breeder dan bij den mensch en zijn ligchaam bestaat uit 
twee symmetrische helften. Tot verduidelijking stel ik het geraamte 
van den Siamang voor , waardoor met een oogopslag zelfs den minge- 
oefenden de overeenkomst met het menschelijk geraamte kan blijken. 

In den tronk van den Chimpansé en in dien van den Orang-oetan 
vertoont zich reeds een zeer merkwaardige teruggang, welke zich 
al duidelijker en in regelmatige afdaling openbaart bij de overige apen 
der oude wereld tot aan de Bavianen toe, wier geraamte geheel in 
dat der vleeschetende zoogdieren overgaat. Ik mag daaromtrent niet 
breedvoerig zijn, en terwijl ik verwijze tot de ontwikkeling dezer 
stelling, in alle hare bijzonderheden, elders door mij geboekt, ver- 
genoeg ik mij met de opgave van een paar hoofdpunten, die ge- 
makkelijk door elk gevolgd kunnen worden. In den Chimpansé blijft 
alleen het handvat van het borstbeen van den mensch over; al zijne 
overige deelen zijn op zich zelve staande segmenten. In den Orang- 
oetan zijn die segmenten in twee symmetrische helften gescheiden. 
Bij al de overige apen ontbreekt zelfs het handvat en bestaat het 
borstbeen, even als bij zoo vele andere zoogdieren, uit even zoo 
vele afzonderlijke stukken, als er ware ribben zijn. 

In het beengestel der ledematen vertoont zich bij al de apen de 



— 138 — 

algemeene grondvorm van den mensch. In de bovenste ledematen 
zijn de punten van overeenkomst als ware het over de verschillende 
soorten van Anthropomorphen verspreid ; b. y. in de rigting van het 
ravenbekswijze uitsteeksel des schouderblads komen de Chimpansé 
en de Gibbons hoofdzakelijk met den mensch overeen ; in den Orang- 
oetan daarentegen , waarvan het schouderblad weder meer met dat 
van den mensch is te vergelijken, is het ravenbekswijze uitsteeksel 
naar beneden gebogen , ongeveer zoo als men het bij alle zoogdieren 
met een sleutelbeen terugvindt; in den Orang-oetan, in de Gibbons, 
in al de overige apen vindt men een negende been in den handwortel, 
dat in den Chimpansé, even als in den mensch ontbreekt; delengte 
daarentegen van de middelhand {metacarpus) en hare smalheid, de 
lengte van de vingerleden, de kortheid van den duim en zijne plaatsing 
achterwaarts zijn, zoowel bij den Chimpansé als bij den Orang-oetan, 
bijzonderheden, waardoor zij zich van den mensch onderscheiden, 
terwijl al weder in den Siamang de hand meer tot die van den 
mensch nadert, vermits de duim, door zijne plaatsing, meer tegen- 
stelbaar is en uit zwaardere leden bestaat en de middelhandsbeen- 
deren in lengte afnemen, van den wijsvinger tot aan den pink. 
Aldus zoude men, door de zamenvoeging van den handwortel van 
den Chimpansé met de middelhand en de vingerleden van den 
Siamang, nagenoeg den vorm krijgen der menschelijke hand. 

Zoo als de hand bij al deze Anthropomorphen, maar vooral bij 
den Orang-oetan gesteld is, wordt zij niet meer dan werktuig van 
beweging, geheel achterstaande bij de voortreffelijkheid der men- 
schelijke hand, als uitvoerende magt zijner geestvermogens, of zoo 
als de Grieksche wijsgeer haar noemde, als werktuig der werktuigen. 

Van de achterste ledematen teeken ik in de eerste plaats de merk- 
waardige bijzonderheid op, dat de ronde band aan het hoofd van 
het dijbeen ontbreekt bij den Orang-oetan , maar bij den Chimpansé 
en bij al de overige apen aanwezig is. In de zamenstelling van den 
voetwortel is eene inrigting, welke geheel den misvormden horrelvoet 
van den mensch herinnert. Deze gesteldheid maakt den voet zeer 
geschikt, om als werktuig tot klimmen te dienen. Tot hetzelfde doel 
dient ook de groote bewegelijkheid van den achterduim, waardoor 



— 139 — 

de Chimpansé en vooral de Orang-oetan eene groote vaardigheid 
krijgen in het grijpen met de achterhand. 

In den Siamang en in de overige Gibbons komt de voet meer met 
dien van den mensch overeen, dan zulks bij den Chimpansé en bij 
den Orang-oetan plaats heeft. Het hielbeen is zeer stevig , en de 
achterduim is, even als de groote teen bij den mensch , de zwaarste van 
allen. In de overige ware apen , zoowel van de oude als van de nieuwe 
wereld , verliest de achterhand geheel hare overeenkomst met den men- 
schelijken voet. De voetwortel is lang en smal en de groote teen krijgt 
meer en meer de gedaante van een' achterduim , welke van de overige 
teenen verwijderd is, en hierdoor aan den voet die overeenkomst met de 
hand geeft, waaruit de naam van vierhandige zoogdieren ontstond. 

Wat de spieren betreft, zal ik slechts een paar bijzonderheden 
opgeven, meer uitsluitend aan het spierstelsel der Anthropomorphen 
eigen, en de geringere punten van verschil onvermeld laten. In de 
breede rugspier openbaart zich eene belangrijke toenadering tot het- 
geen bij andere zoogdieren plaats heeft, door eenen bundel, welke 
er benedenwaarts door afgegeven wordt , en die zich aan het elleboog- 
uitsteeksel vasthecht. Deze afwijking van den menschelijken vorm 
moet waarschijnlijk in verband gebragt worden met de kracht, welke 
deze spier bij het klimmen uitoefent. De strekspier van den wijs- 
vinger is minder gescheiden dan bij den mensch. Deze opmerking, 
door mij omtrent den Chimpansé geboekt, is onlangs door den 
eerwaardigen duvernoy bij den Gorilla bevestigd. Zij is belangrijk. 
Immers, gelijk ik in 1841 schreef, brengt dit gemis van gescheiden 
strekspier van den wijsvinger te weeg, dat door den Chimpansé met 
dezen vinger niet die bewegingen kunnen geschieden, met welke de 
mensch gewoon is aanwijzingen te doen, of oplettendheid of stil- 
zwijgen aan te bevelen. Deze bewegingen toch zijn uitvloeisels der 
hoogere geestvermogens van den mensch, en gelijk voor weinige 
dagen (5 Dec. 1853) door den grijsaard gezegd werd, in wien men 
met zooveel genoegen den vertegenwoordiger der oude Fransche 
anatomische school vereert, is dit een der meest belangrijke voorbeelden 
der wijzigingen , welke de verschillende gedeelten van een en dezelfden 
grondvorm, naar gelang van de behoeften des levens, ondergaan. 



— 140 — 

De lange buigspier van den grooten teen of van den achterduim 
is niet tot dezen beperkt, maar geeft ook pezen af voor de overige 
teenen. Zij vereenigt derhalve hare werking met die van de lange 
buigspier der vier teenen. De spieren van de voetzool zijn meer 
gescheiden dan in den mensch , en toonen aldaar meer op zich zelve 
staande bundels, waardoor ook de afzonderlijke bewegingen der 
teenen en vooral van den achterduim menigvuldiger worden. Eene 
allermerkwaardigste bijzonderheid is verder de scheiding der voorste 
scheenbeenspier in twee bundels , waarvan de eene als scheenbeenspier 
schijnt te werken , terwijl de andere lange afvoerder is van den grooten 
teen. Ik vond deze gesteldheid in al de door mij onderzochte apen 
der oude wereld. Zij is gemakkelijk in verband te brengen met de 
behoefte aan meer bewegelijkheid van den achterduim der apen, 
welke zich daarin, alsook in zijne rigting, van den grooten teen 
des menschen onderscheidt. 

Voor de hersenen zal ik mij bepalen tot het eenvoudig opgeven 
der uitkomsten van de ontleding, door tiedeman, door schröder 
VAN DER KOLK en door mij bewerkstelligd. Wilde ik in meerdere 
bijzonderheden het verschil uiteenzetten, dan wierd ik ongetwijfeld 
voor de lezers van het Album onverstaanbaar. Ik vergenoeg mij dus 
met te zeggen, dat de hersenen van den Chimpansé en van den 
Orang-oetan onderscheiden zijn van die van den mensch: 10. door 
minder groote hersenmassa in verhouding tot het ligchaam ; 20. min- 
dere verlenging der halfronden van de groote hersenen achterwaarts; 
30. grootere zenuwen, in verhouding tot den omvang der hersenen 
en kortere reukzenuwen ; 40. betrekkelijk meerdere grootte der kleine 
hersenen, welke bij alle lagere dieren een bepaald overwigt krijgen, 
hetgeen voorzeker in verband is met de wijze, waarop zij het beheer 
houden over verrigtingen , meer zuiver ligchamelijk, terwijl de half- 
ronden der groote hersenen meer in bepaalde verhouding staan tot 
de geestvermogens; 50. minder diepe groeve tusschen de voorste en 
middelste hersenkwab, naar sylvius haren naam voerende, welke 
hierdoor de reeks van kronkels, waaraan reu. den naam van eiland 
gaf, niet kan insluiten; 60. mindere uitpuiling van de middelste of 
slaapbeens-hersenkwab ; 70. mindere welving van den vezelboog, die 



— 141 ~ 

uit de kleine hersenen voortkomt en zich over het verlengd merg 
heenslaat, de brug van vakolius heetende; 80. versmalling der voorste 
hersenkwabben, die hierdoor een' meer driehoekigen vorm krijgen; 
90 geringer aantal kronkels , symmetrie der kronkels van den tweeden 
rang, met geringer diepte der sleuven; schier volslagen gemis der 
kronkels van den derden rang, en hierdoor mindere hoogte der 
halfronden van de groote hersenen ; 100. korter eeltachtig ligchaam. 

Deze bewijzen van mindere volmaaktheid zijn in de hersenen van 
den Chimpansé meer dan in die van den Orang-oetan uitgedrukt. 
In den Orang-oetan toch verlengen zich de halfronden der groote 
hersenen meer achterwaarts, waardoor de kleine hersenen minder 
onbedekt liggen ; is de kronkel , welke over het eeltachtig ligchaam 
heengaat, minder schraal; is het eeltachtig ligchaam zwaarder, gaat 
het verder naar achteren , en buigt zich zijn achterrrand {splenium) 
achterwaarts om; zijn er duidelijker kronkels van den derden rang, 
waardoor ook de halfronden der groote hersenen hooger worden, en 
zijn de kleine hersenen betrekkelijk kleiner. 

In het zenuwstelsel , in de zintuigen en in het hart zijn geene 
noemenswaardige punten van verschil met den mensch op te geven. 
Alleen is het opmerkelijk, hoewel geheel in verband met hetgeen 
omtrent het overig maaksel gezegd is, dat in den Chimpansé en 
somtijds ook in den Orang-oetan de vaatstammen, welke uit den 
boog der aorta voortkomen , zich geheel zoo als bij den mensch voor- 
doen, terwijl zich in al de overige Vierhanders eene gesteldheid vertoont, 
welke met die der vleeschetende dieren overeenkomt, namelijk een 
regter stam , die zich in drieën splitst , en eene enkelvoudige linker 
ondersleutelbeensslagader. Ten opzigte der zintuigen verdient slechts 
opgegeven te worden, dat de apen de eenige dieren zijn, welke 
met den mensch het bezit eener gele vlek aan het netvlies van 
het oog gemeen hebben. Eene merkwaardige bijzonderheid in het 
maaksel der apen van de oude wereld en dus ook der Anthropo- 
morphen is gelegen in de zonderlinge luchtzakken, welke, hoewel 
op verschillende wijze, met het strottenhoofd in gemeenschap staan. 
Zij zijn bewaarplaatsen van lucht, bij mannelijke dieren grooter dan 
bij vrouwelijke. Bij toenemende leeftijd zetten zij zich ouder de sleu- 



— 142 — 

telbeen deren tot in de keelholte voort, en gaan zij aldaar over in eene 
menigte van vingerwij ze verlengingen tusschen de spieren. Camper" zag 
daarin bij deze apen eene mechanische hindernis voor het spreken. 
Moeijelijk intusschen is het te beseiïen , hoe zij den aap het spraakver- 
mogen, zoo het hem door zijne intellectueele vermogens werd gegund, 
zouden kunnen ontnemen. Is het gemis van spraak bij hem niet 
even als bij alle andere dieren veeleer te verklaren uit het minder 
volkomen verstand? Dat men toch dieren wel klanken kan leeren 
uiten, maar geen van hen daarom leert spreken, wordt door vele 
vogels aangetoond, en dat er tusschen de beschaving van het volk 
en zijne taal een wezenlijk verband bestaat, is even zoo zeker, als 
dat er tusschen de vermogens van den geest en de spraak bij elk 
individu een onverbreekbare zamenhang is. Hoe vele idioten zijn 
er niet, die nooit meer dan een paar klanken leeren uiten. Zoude 
daarom ook lordat wel zoo ver van de waarheid verwijderd zijn , waar 
hij zegt : Les animaux ne parlent pas , parceqiCils n'ont rien a dire ? 

In den spijsverteringstoestel vindt men hoofdzakelijk een maaksel 
aan dat van den mensch gelijk. Aan den blinden darm van den 
Chimpansé en van den Orang-oetan vindt men een wormwijs 
verlengsel, dat, hoewel zeer verkleind, ook in de Gibbons voor- 
komt, maar in al de overige apen ontbreekt. Dat het ook aan den 
mensch eigen is , veroorloof ik mij als algemeen bekend te vooronder- 
stellen. In de urinwegen en geslachtsdeelen is geen wezenlijk punt van 
verschil bij de Antropomorphen met den mensch te vermelden. 

Hiermede sluit ik mijn kort en oppervlakkig overzigt van het 
maaksel der Anthropomorphen. Zoo de lezers van het Album het 
geduld hebben gehad het met mij te doorloopen, zullen zij daaruit 
gereedelijk het besluit hebben afgeleid, dat er op de overeenkomst 
tusschen het maaksel van den mensch en van de zoogenaamde 
Anthropomorphen zeer veel valt af te dingen, en dat het wel den 
dichter, maar geenszins den naturalist vrij staat uit te roepen: 

Simia quam similis tuTpissima hestia nolis! 
(Aap, walglijk dier, toe zeer zijt ge ons gelijk!) 

Ennius. 

Hoogst opmerkelijk is het, hoe de vermeende en uit oppervlak- 



— 143 — 

kige beschouwing afgeleide overeenkomst met den mensch, aan de 
beide uiterste grenzen der menschelijke maatschappij tot overeen- 
stemmende gevolgtrekkingen voeren. Ondervraagt men de Negers 
van de kust van Guinea, dan blijkt hunne eenstemmige overtuiging, 
dat de Gorilla en de Chimpansé hunne ontaarde natuurgenooten zijn. 
Diegene onder hen , wien grootere beschaving eigen is , zullen dit 
niet ten volle toegeven, maar, aan de zielsverliuizing hechtende, 
zeggen, dat in den Enge-eho of Chimpansé de ziel is gevaren van 
een kustbewoner, die minder woest en verstandiger is, in den 
Hnge-ena of Gorilla de ziel van een wilden bewoner der bosschen. 
De meerderheid echter is er van overtuigd dat zij ware menschen zijn , 
en wat de Engelsche missionarissen daartegen aanvoeren is vruch- 
teloos. Deze meening belet de Negers echter niet hen te vangen, 
te dooden en te eten. De Daj akkers op Borneo koesteren dezelfde 
overtuiging omtrent den Orang-oetan. Volgens hen neemt hij slechts 
den schijn aan van stompzinnigheid en van gemis van spraak, 
opdat men hem niet tot werken dwinge. Zijn Maleische naam duidt 
dit zelfs aan. Deze toch is eene zamenvoeging van Orang mensch, 
en van oe^«» bosch of wildernis , derhalve Orang-oetan, boschmensch, 
niet zoo als dikwerf geschreven wordt, Orang-outang , dat schulde- 
naar beteekent. Dit denkbeeld om er een natuurgenoot in te zien, 
belet intusschen de Dajakkers niet, om den Orang-oetan met ver- 
giftigde pijlen te schieten en zijn vleesch als voedsel te gebruiken. 
Dat dergelijke meening bij minder beschaafde volken ontstaat , kan 
geen verwondering baren; maar vreemd is het, dat men in de 
wetenschap steun voor haar zocht, en dat meer dan één wijsgeer 
eene bijna gelijkvormige stelling opperde en trachtte te verdedigen. 
Algemeen bekend is de wetenschappelijke strijd, welke in den 
aanvang dezer eeuw daarover tusschen twee onzer geleerden ont- 
stond, en die een ander, als dichter en wijsgeer tevens gekend en 
gevierd, deed zeggen, dat het hem niet volkomen helder was, of 
men de apen verdoemde menschen moest heeten , maar dat hij wel vele 

menschen hende, die v e apen loaren. — Eene bijna gelijke strekking 

iieeft de anecdote omtrent bkookes, die toen hij in zijn natuurlijk 
stelsel den mensch in de klasse der apen geplaatst had , van den prins 



— 144 — 

van Wales daarover vrij een hevig verwijt had te verduren , en eindelijk 
wrevelig geworden antwoordde: 'Uwe Hoogheid heeft gelijk; ik geef 
mij gewonnen en om U genoegen te geven , zal ik mijne schikking 
veranderen, en voortaan den aap bij de menschen plaatsen." — 
Het vraagpunt heeft derhalve zijne belagchelijke zijde, en kan tot pun- 
tige opvatting voeren , maar het levert ook gevolgtrekkingen van meer 
ernstigen aard, tegen wier strekking het pligt is met de kracht op te 
komen , welke het volle bewustzijn der waarheid schenkt. Eene over- 
levering, wier oorsprong op onjuiste wijze in den Talmud gezocht 
wordt, doet de apen als halve menschen beschouwen, door den Schepper 
op den avond voor den Sabbath onvoltooid gelaten. Hoewel op andere 
wijze en volgens andere gronden, is een hedendaagsch schrijver niet 
verre verwijderd van het denkbeeld , dat het menschelijk geslacht zich 
uit dat der apen ontwikkelde. Dit is slechts een schakel in den 
kunstig door hem gesmeden ketting, waarin hij veel zaakkennis en 
eene magt van geleerdheid misbruikt, om er den valschen grondslag 
door te krijgen eener wetenschappelijke stelling, die het geheele 
scheppingsverhaal schijnt te doen instorten , en ons de overtuiging 
opdringt, dait er geen oorspronkelijk geschapen vormen zijn, maar 
dat al, wat wij nu rondom ons en in verre landen als schepselen 
kennen, eigentlijk slechts het uitwerksel is van den overgang van 
den eenen vorm in den anderen , of, zoo men het anders wil uitge- 
drukt zien, eene sedert eeuwen voortgaande ontwikkeling. Ik ben 
in het hierboven aangehaald werk tegen deze stelling opgekomen 
en meen haar grondig wederlegd te hebben. Eene herhaling van 
hetgeen aldaar geboekt staat, ware hier ongepast. Voor het ©ogen- 
blik toch heb ik mij slechts te bepalen tot de vraag , of men door 
de wetenschap geregtigd is den oorsprong van het menschelijk ge- 
slacht af te leiden uit eenige aapsoort. Ik aarzel geenszins met 
opentlijk in alle opregtheid en volgens mijn innigst bewustzijn te 
verklaren, dat de wetenschap geenen den minsten grond voor eene 
dergelijke stelling toelaat. De menschen , evenzeer als de apen, staan — 
de bewerktuiging van beide bewijst zulks — in hunne oorspronke- 
lijke wording op zich zelven. Aan beiden werd eene verschillende 
bestemming gegeven. De apen vinden hunne woonplaats beperkt 



— 145 — 

binnen de onmetelijke bosschen van Indië, Afrika of Amerika, 
den mensch is de aarde tot verblijf geschonken, zonder eenige de 
minste plaatselijke beperking. In de apen zijn de gedaante zoowel als 
het maaksel des ligchaams als ware het gebonden aan deze binnen bos- 
schen begrensde streek; men denke, om zich hiervan te overtui- 
gen, slechts aan hetgeen hier boven gezegd werd omtrent hunne 
lange armen, verlengde vingers, rigting van voet, luchtzakken aan 
het strottehoofd enz.; dit alles immers rigt zich naar de bestem- 
ming eens diers, dat als boombewoner aanhoudend moet klimmen. 
Den mensch daarentegen maakt zijne ligchamelijke zamenstelling 
tot wereldbewoner. Aan de Anthropomorphen zijn, in jeugdigen 
leeftijd, geestvermogens eigen, welke die van den mensch in kin- 
derlijken leeftijd evenaren , maar later teruggaan en als dan niet 
hooger gesteld zijn dan die van eenig ander dier. Den mensch 
daarentegen en der menschheid wordt het voorregt geschonken 
een er trapsgewijze volmaking en veredeling. Hoe diep ook gevallen, 
blijft de mensch steeds zedelijk waarde behouden en voor verede- 
ling vatbaar; de Gorilla, de Chimpancé, de Orang-oetan, de Gib- 
bons , met hoeveel zorg ook opgevoed , zullen het niet verder brengen 
dan eenig ander gedresseerd dier, ja wat meer zegt, zij zullen, 
gelijk de geschiedenis van alle apen in gevangen staat leert , terug- 
gaan, kwaadaardig ontembaar, gevaarlijk worden. 

In dergelijken teruggang vertoonen deze dieren juist het tegen- 
overgestelde van hetgeen men gewoonlijk bij den mensch opmerkt, 
bij wien men toch in den regel eenen met den leeftijd voortgaande 
ontwikkeling van geestvermogens kan aannemen. En zoo wij ten 
slotte de verschillende punten van ligchamelijke overeenkomst met 
den mensch in overweging nemen, zoo als zij hierboven werden 
uiteen gezet, dan treffen wij deze niet bepaaldelijk bij ééne soort, 
maar daarentegen bij vele, hoewel in verschillende ligchaamsdeelen , 
aan, en worden wij zelfs genoodzaakt ons niet tot de Antropo- 
morphen te bepalen , maar ook nog lager geplaatste apen uit Zuid- 
Amerika te doen optreden. In uitdrukking immers van aangezigt, 
nadert de Jodenaap {Pithecia israelita) en de Ouistiti {Hapalejacchus) 
het meest tot den mensch; in algemeenen ligchaamsbouw komt de 



— 146 — 

Gorilla het digst bij hem ; in vorm des schedels is de overeenkomst 
bij de Ouistiti het grootst; in hersenen weder staat de Orang-oetan 
het hoogst, de Ouistiti daartegen het laagst; in beengestel wint 
het de Siamang. Met één woord de punten van overeenkomst zijn 
zoodanig verdeeld, dat, wilde men het beeld van den mensch uit 
den vorm der apen zamenstelien, men daartoe de elementen uit 
meer dan eene soort zoude moeten zamenbrengen. 

Eene dergelijke vergelijking geeft ons het volle regt,om aan den 
mensch zijnen rang in de schepping te blijven toekennen. Over- 
eenkomst met een enkel onderdeel van den vorm en van het maaksel 
hem eigen, mogen bij de eene aapsoort in de hersenen, bij eene andere 
in de uitdrukking des gelaats of in den vorm des schedels , bij eene 
derde in den handwortel, bij eene vierde in de wervelkolom, het 
bekken en het borstbeen gevonden worden; maar nergens vindt 
men al deze punten van toenadering in een en hetzelfde dier 
bijeen; nergens derhalve eene onmiddelijke opklimming tot den 
mensch. In den algemeenen grondvorm moge zich eenige overeen- 
komst vertoonen, de wijze echter, waarop deze zich openbaart, is 
voldoende om ons de overtuiging te geven, dat de meening omtrent 
den oorsprong van het menschelijk geslacht uit dat der apen, even 
onzinnig als onhoudbaar is , en dat zelfs geen Neger en geen Hot- 
tentot daartoe als tusschenvorm kunnen worden aangenomen. Mag 
het mij gelukt zijn , ook anderen in deze innige overtuiging te doen 
deelen, dan zal ik mij verheugen aan de beslissing van een vraag- 
punt, zoo gewigtig, en zoo naauw met geloof en christenzin ver- 
knocht, wetenschappelijk kennis dienstbaaar gemaakt te hebben. 
Kon, hetgeen bijeen gebragt, strekken om valsche toepassing der 
wetenschap te verbannen, en daarvoor ware ia de plaatste stellen, 
dan zal ik op den laatsten dag van een zoo snel vervlogen jaar 
gaarne die zulks aangaat met de woorden van scht,eiden toeroepen : 

"Fragt nur richtig , so bleibt die Naturwissenschaft keine Antwort 
schuldig." 

Amsterdam, 31 December 1853. 



HET SLUIMERENDE LEVEN. 



DOOR 



P. HAKTING. 



-L/even en Dood! Ziedaar woorden, welke twee oogenschijnlijk ge- 
heel verschillende, ja, lijnregt tegengestelde begrippen uitdrukken. 
Overal elders in de natuur treffen wij zachte overgangen aan; de 
grenzen, welke ons beperkt bevattingsvermogen ons noodzaakt te 
trekken, ten einde het geheel te kunnen overzien, blijken telkens 
onzeker en onbepaald te zijn, en de oude spreuk: "de natuur 
maakt geene sprongen" wordt meer en meer bevestigd, naar gelang 
onze kennis aan haar zich uitbreidt; maar tusschen leven en dood 
schijnt eene wijd gapende kloof te bestaan, te dieper en onover- 
komelijker, naarmate wij ons eene helderder voorstelling vormen 
van datgene wat eigenlijk leven is. 

Leven ! wie denkt bij dat woord niet aan verandering , ontwik- 
keling, uit- en inwendige beweging, voortspruitende uit de zamen- 
werking van verschillende deelen of werktuigen tot één gemeen- 
schappelijk doel: de groei en de instandhouding van het individu, 
of de voortplanting der soort? 

Dood ! wekt dit woord niet aanstonds de denkbeelden op van 
rust, van onveranderlijkheid, of, waar verandering plaats grijpt, 
van bewegingen zonder eenheid van zamenwerking , zonder doel 
tot instandhouding, maar veeleer tot verbreking van het verband 
dat tusschen de deelen bestaat, die het voorwerp zamenstellen ? 

Eeeds het gewone spraakgebruik getuigt het. Leven is vaak van 
gelijke beteekenis met beweging, drukte, afwisseling. Dood is het 

9 



— 148 — 

symbool van stilte, van onbewegelijkheid, van eenen zich steeds 
gelijk blijvenden toestand. 

Dringen wij dieper door in den eigenlijken aard van het leven, 
sporen wij de verschijnselen na, waardoor het zich openbaart, dan 
zien wij inderdaad die eerste opvatting telkens bewaarheid. Ook 
daar, waar aan den oppervlakkigen blik zich geene bewegingen in 
het levend voorwerp te kennen geven, daar leert het onderzoek, 
dat zij werkelijk bestaan , dat er eene aanhoudende wisseling van 
stoffen plaats grijpt, nieuwe opgenomen, oude en verbruikte ver- 
wijderd worden, ja dat', zoodra die gestadige wisseling en beweging 
ophouden, binnen weinige oogenblikken tijds het leven is uitge- 
bluscht en de dood er voor in plaats treedt. Bij alle dieren, van 
de hoogsten tot de laagsten, wordt het uit de opgenomen spijzen 
bereide voedingsvocht, het bloed, op eene meer of min geregelde 
wijze door het ligchaam rondgevoerd; het omspoelt de weefsels, 
staat daaraan eenige deelen af, en neemt er weder andere uit op; 
het wordt in aanraking gebragt met de dampkringslucht , hetzij 
in den gasvorm of in water opgelost, en ook daardoor heeft eene 
voor het leven volstrekt noodige wisseling van bestanddeelen plaats. 
In bijzondere werktuigen, in het algemeen met den naam van 
klieren bestempeld, de speekselklieren, de lever, de nieren enz., 
worden uit het bloed verschillende stoffen afgescheiden , die hetzij 
voor bepaalde verrigtingen nuttig, of voor het bewerktuigde wezen 
schadelijk zijn , en in het laatste geval naar buiten worden gevoerd. 
Het duidelijkst echter springt de beweging als kenmerk van het 
leven in het oog, wanneer wij het tijdperk der ontwikkeling gade 
slaan. Een enkel mikroskopisch klein blaasje, ziedaar het eerste 
begin zoowel van de reusachtige bewoners der bosschen en van den 
oceaan, als van menig slechts door het vergrootglas waarneembaar 
diertje. Dat blaasje was de eerste werkplaats, waarin de verande- 
ringen, de bewegingen, de stofwisselingen eenen aanvang namen, 
waarvan wij in het volwassen dier, met zijne talrijke organen uit 
zeer verschillende weefsels gevormd, de eindelijke uitkomst zien. 
Wil men een voorbeeld van zeer snelle ontwikkeling? Ik noem de 
zijdewormen. In 43 dagen, dat is van het tijdstip, waarop hij het 



— 149 — 

ei verlaat, tot aan dat, waarop hij zich inspint, neemt zulk een 
zijdeworm 8000 malen in gewigt toe. i) 

De planten leeren hetzelfde. Wel is waar zijn zij en hare 
deelen meerendeels alleen beweegbaar door uitwendige oorzaken , 
maar in haar binnenste grijpt eene niet minder krachtige beweging 
en wisseling van stofien plaats , dan bij de dieren. Ook de kolossen 
der keerkringswouden hebben hunnen eersten oorsprong uit een 
voor het bloote oog geheel onzigtbaar blaasje, eene enkele cel ge- 
nomen , en in snelheid van groei , dat is derhalve met andere 
woorden, in de kracht dier innerlijke beweging, waarvan de vor- 
ming van nieuwe weefsels het gevolg is, worden de dieren door 
de planten zelfs nog overtrofien. Enkele voorbeelden mogen hier- 
van ten bewijze strekken. Dr. walijch zag in den plantentuin te 
Calcutta eenen bamboesstengel in den tijd van 30 dagen 8 el en 
6 palm in lengte toenemen, dat is gemiddeld dagelijks 2 palmen 
9 duim of meer dan een Rh. voet. Niet minder merkwaardig is 
het volgende geval, mij medegedeeld door den heer Dr. persille 
uit eenen brief van den heer w. Vermeulen, officier van ge- 
zondheid bij de marine. Toen deze in 1851 in denzelfden plan- 
tentuin te Calcutta was, maakte Dr. falconer, directeur van 
den tuin, hem opmerkzaam op eenen boom, ChicJcrassia tabularis, 
uit de familie der Cedrelaceën. Deze boom was in 1843 , derhalve 
acht jaren vroeger, van Malabar derwaarts gebragt als eene loot 
van de dikte eener pennenschacht , en had toen eene hoogte bereikt 
van 40 Eng. voeten (ruim 12 ellen), terwijl zijn omtrek, 3 voet boven 
den grond, 6% Eng. voet (bijna 2 el) bedroeg. Nog verscheidene andere 
voorbeelden van den verbazend snellen groei der gewassen, waar 
zij door de zon der keerkringsgewesten gekoesterd worden, zouden 
kunnen worden aangevoerd, doch liever noem ik nog een paar 
inlandsche planten, ten bewijze dat ook hier gedurende de zomer- 
maanden de groeikracht zeer aanzienlijk is. Bryonia alba, de 
Heggerank , ook wel wilde Wijnrank geheeten , en Humulus Lupulns , 



1) Zie hierover HiNTERBERGEE in de /SïfewM^'it^eWc^^. der kais. Akad.der Wiss. 1853. 
Bd. XI, pag 450. 



— 150 — 

de Hop, kunnen beide in den loop eens zomers stengels vormen 
van 7—8 ellen lengte. Van den 17^«n tot den IS'^^-» Junij 1843, 
derhalve in 24 uren tijds, zag ik eenen stengel der eerstgenoemde 
plant 191 strepen, en van de laatstgenoemde 179 strepen langer 
geworden. Twee dagen vroeger had ik des avonds tusschen 6 en 7 
uren, op het tijdstip dat de groei des hopstengels het sterkst was, 
de mate zijner verlenging alle 5 minuten opgeteekeud; herhaaldelijk 
bedroeg deze niet minder dan 3,5 streep in deze geringe tijdruimte, 
zoodat men in den letterlijken zin kan zeggen, dat men den 
stengel kon zien groeijen, want de puntige eindknop steeg allengs 
naar boven, ongeveer met dezelfde snelheid als de minuutwijzer 
van een klein horologie zich langs het wijzerbord beweegt. 

Vragen wij nu : waarin bestaat eigenlijk de groei der planten ? 
waardoor wordt die verlenging en die vergrooting in omvang te 
weeg gebragt ? — dan is het antwoord gereed. Uit den omgevenden 
dampkring dringen gasvormige, uit den bodera, waarin zij wortelt, 
in water opgeloste stoffen de plant binnen, en aanhoudend worden 
daaruit die bestanddeelen opgenomen, welke geschikt zijn tot vor- 
ming van nieuwe cellen binnen in de reeds bestaande, die zich 
tevens daarbij uitzetten , dat is , grooter worden. Om den lezer 
eenig denkbeeld te geven van de snelheid, waarmede deze vorming 
van nieuwe cellen geschiedt, moge het volgende dienen. Eene 
eenvoudige berekening, waarvan ik u echter de bijzonderheden spaar, 1) 
leerde, dat de opperhuid van eenen stengel van PJii/lolacca decandra , 
die eene lengte bezat van 0,444 el, uit omstreeks 40 millioenen 
cellen bestond. Blijkens gedane waarnemingen, had, bij matig 
gunstig weder, een stengel dezer plant elf dagen noodig om deze 
lengte te bereiken , waaruit derhalve volgt, dat dagelijks 3,600,000 
cellen in de opperhuid alleen gevormd worden, d. i. 2500 in elke 
minuut; een getal, dat nog minstens zes malen grooter zoude 
worden, indien wij er ook de celvorming in de overige lagen, 
die zulk eenen stengel zamenstellen , bijvoegden. 



1) Zij wordt gpvonden iu mijn ojjstel : Ooer de ontwikkeling der elementaire weef- 
sels , gedurende den groei van den éénjarigen dicotyledonischen stengel. Tijdschrift 
voor Nat. Geschiedenis en Physiologie. Dl. XI , blü. 229. 



— 151 — 

Nog het snelst welligt is de groei der planten , die de familie der 
paddenstoelen {Ftmgi) zamenstellen. Weinige uren zijn soms voldoende 
om eene zoodanige plant van tamelijken omvang haren geheelen was- 
dom te doen verkrijgen. De daartoe behoorende Bovista gigantea vormt 
gemiddeld elke minuut ongeveer 20,000 cellen, en ward zag eenen 
P/iallus foetidus in 35 minuten, 76 strepen hooger worden, terwijl 
hij binnen lya uur zijne volle hoogte van 101 strepen bereikt had. 

Omzetting, verwerking, wisseling van stollen, vorming van nieuwe 
weefsels, instandhouding der reeds bestaande, en dat alles vergezeld 
van die bewegingen, welke vereischt worden om stoffen af- en aan 
te voeren, ziedaar derhalve de verschijnselen waardoor zich het leven 
openbaart. Neem de plant uit den bodem, waaruit zij hare sappen 
opzuigt, en gij ontneemt haar eene der hoofdvoorwaarden van haar 
bestaan, zij verwelkt weldra en sterft. Belet het dier de ademhaling, 
zijn bloedsomloop houdt op, en binnen weinige oogenblikken heeft 
het leven plaats gemaakt voor den dood, voor den toestand, waarin 
alle vorming van nieuwe weefsels, alle stofwisseling, die de instand- 
houding van het individu ten doel heeft, heeft opgehouden, en 
waarin integendeel de ontbinding aanvangt, het verbreken van het 
vroegere verband waardoor tot dusver de verschillende bestand- 
deelen van het ligchaam te zamen vereenigd werden gehouden. 

Inderdaad, indien men aldus leven en dood tegen elkander 
overstelt, dan komt men tot het straks genoemde besluit, dat een 
diepe onoverkomelijke kloof beide vaneen scheidt, dat beiden in 
aard en wezen geheel verschillend zijn , dat het eene den anderen 
noodzakelijk buitensluit, met andere woorden: dat er eene scherpe 
afscheiding bestaat tusschen de levende en de doode natuur, zoodat 
men alles wat bestaat hetzij tot de eene, hetzij tot de andere kan 
brengen. Het zal ons echter blijken, dat, indien wij niet op enkele 
gevallen maar op de natuur in haren geheelen omvang het oog 
vestigen, dit besluit als voorbarig moet worden aangemerkt. 



Leven is werkzaamheid , maar de mate dier werkzaamheid kan ver- 
schillen. Zagen wij haar zoo even in al hare kracht, thans moeten wij 



— 152 — 

den blik vestigen op zulke gevallen , waar die werkzaamheid zeer ver- 
minderd is, ja eindelijk geheel opgehouden heeft , zonder dat daarom 
nog gezegd kan worden, dat de dood daarvan het gevolg is. 

Het is algemeen bekend, dat zeer vele dieren een gedeelte van hun 
leven in eenen toestand doorbrengen , welke het best bij eenen zeer 
diepen slaap kan worden vergeleken. Gewoonlijk noemt men dien 
toestand "winterslaap ;" eene benaming, die echter slechts juist is ten 
opzigte van de in onze en nog koudere luchtstreken wonende dieren , 
want ook in de heete luchtstreek komt zij voor, en dan juist ten tijde 
van de grootste warmte, gepaard aan groote droogte , zoodat men er 
dan den naam van "zomerslaap" op kan toepassen. Opmerkelijk is 
het, en getuigende voor de heerlijke en doeltreffende orde welke in 
de gansche natuur heerscht, dat zoowel hier als ginds die toestand 
zamentreft met het tijdperk, waarop het voedsel voor die dieren 
ontbreekt, zoodat zij en hunne geheele soort weldra spoorloos van 
de aarde verdwenen zouden zijn , indien hunne levensverrigtingen en 
daarmede hunne behoefte aan spijs niet tijdelijk bijna geheel ophielden. 

Schier in alle klassen van dieren komen winter- of zomerslapers 
voor, het talrijkst onder de insekten, die bijna allen, hetzij als 
masker, of als pop, of als volkomen insekt, een gedeelte van hun 
bestaan in dien staat van schijnbare levenloosheid doorbrengen, 
om, zoodra de lentezon deze streken van den aardbol weder be- 
straalt, of, tusschen de keerkringen, zoodra de weldadige regen 
nederdaalt, uit hunne schuilplaatsen te voorschijn te komen en 
deel te nemen aan de algemeene herleving der natuur. Ook van 
vele spinnen en weekdieren , bepaaldelijk van de verschillende soorten 
onzer huisjesslakken weet men, dat zij den winter slapende door- 
brengen. Van de hoogere klassen , namelijk die der gewervelde 
dieren, zijn alleen de vogels daaraan niet onderworpen. Bekend is 
het, dat de meeste vogels van de eene plaats naar de andere ver- 
huizen, waar zij het voedsel vinden, dat voor hun levensonderhoud, 
en den warmtegraad, die voor hunne bijzondere bewerktuiging 
noodig is. Bij hen bestaat derhalve de behoefte aan eenen winter- 
slaap niet. Gebeurt het echter door het een of ander toeval, dat 
enkele achterblijven, dan zijn er onder hen die ook daarin kunnen 



— 153 — 

vervallen. Zoo althans kan men verklaren, wat door vele schrijvers 
van zwaluwen vermeld wordt, die men van tijd tot tijd des winters 
in den modder of in het water gevonden heeft , en die geheel schijn- 
dood waren, maar in de warmte gebragt weder tot het leven terug- 
keerden; iets dat tot het sprookje heeft aanleiding gegeven, alsof 
de zwaluwen opzettelijk in den modder kruipen om daarin te over- 
winteren, terwijl zij integendeel tot de ware trekvogels behooren, 
die zich gedurende den winter naar zuidelijker streken begeven. 

Ook van vele visschen is het bekend, dat zij den winter slapende 
doorbrengen. De karpers woelen daartoe den bodem van het water 
om en leggen zich in den aldus gemaakten kuil over elkander te 
zamen; de grondelingen kruipen onder steenen; de meesten, b. v. de 
alen, verbergen zich in het zand of slijk. Bij de in onze streken 
levende kruipende dieren is de winterslaap algemeen. Bekend is het, 
dat de kikvorschen gewoonlijk op het laatst van October of het 
begin van November zich in den modder der stilstaande wateren 
verschuilen, om eerst de volgende lente weder met hun gekwaak 
te begroeten. Andere, zoo als de padden, de adders, brengen dien 
tijd in de aarde, onder steenen of in holle boomen door. In de 
tropische gewesten beantwoordt hieraan de zomerslaap van vele slan- 
gen, schildpadden en krokodillen. Yon humboldt verhaalt het 
volgende zonderlinge geval, hem medegedeeld door eenen bewoner 
van Zuid-Amerika, bij wien hij zijnen intrek had genomen. Deze 
sliep eens des nachts in zijne hut op eene bank, toen hij vroeg in 
den morgenstond door hevige stooten en geweldig gedruisch gewekt 
werd. Aardbrokken werden tot in het midden van het vertrek ge- 
worpen, toen op eens een jonge krokodil van onder de legerstede 
te voorschijn kwam en in allerijl naar de rivier ontvlugtte. De bodem, 
waarop de hut nieuwlings gebouwd was, bestond uit verdroogd slijk, 
en de plek bevond zich in de nabijheid van een meertje, waardoor 
het omringende land gedurende een deel des jaars werd overstroomd, 
en waarschijnlijk had zich het dier, tijdens de bodem onder water 
stond, in het slijk aldaar begraven. Dit geval is nog leerzaam 
in een ander opzigt. Dikwijls toch worden de geraamten van den 
Ichtyosaurus en van andere reusachtige kruipende dieren, die in 



— 154 — 

vroegere geologische tijdperken de aarde bewoond hebben, in eenen 
schier ongeschonden toestand gevonden binnen in rotsgesteenten, 
terwijl daarentegen die van zoogdieren slechts zelden in hun geheel 
worden aangetroö'en. Men mag hieruit met de meeste waarschijnlijk- 
heid besluiten, dat ook reeds de voorwereldlijke kruipende dieren 
een gedeelte van hun leven in het slijk bedolven doorbragten en 
daar hun leven eindigden , hetzij dat zij stierven van ziekten of van 
ouderdom, of dat, tijdens hunnen slaap, de plek, waar zij begraven 
lagen, het tooneel werd van eene dier vele omwentelingen, waarvan 
onze aarde de getuige was. 

Onder de zoogdieren zijn er mede verscheidene, die eenen win- 
terslaap hebben. Van de inlandsche soorten behooren daartoe inzon- 
derheid de egel en de vledermuis; de eekhoorn heeft ook eenen 
winterslaap, doch veel minder volkomen dan de beide eerstgenoemde 
dieren. Verders: de noordelijk Azië en oostelijk Europa bewonende 
hamster, de vooral in de bergachtige streken van midden-Europa, 
Noord-Azie en Noord- Amerika levende marmot, de in het zuiden 
van Europa voorkomende relmuis, die in het Duitsch den betee- 
kenisvollen naam van "Siebenschliifer" draagt, de hazelmuis en 
verscheidene andere soorten van datzelfde geslacht [Blyoxus). De 
vraag , of de beeren eenen winterslaap hebben , is door onderscheidene 
schrijvers verschillend beantwoord; door de meeste nieuweren wordt 
dit echter ontkend. Ofschoon deze ontkenning nu op goede gronden 
schijnt te rusten, voor zoo verre zij de beeren betreft, die in midden- 
Europa voorkomen , zoo volgt echter uit eene mededeeling van 
I.YELL, 1) dat de beeren in Noord-Amerika werkelijk den winter 
slapende doorbrengen, terwijl ook uit het volgende, mij verhaald 
door den heer bonsdorff, hoogleeraar te Helsingfors in Einland, 
blijkt, dat daar te lande en derhalve ook wel in de overige hooge 
noordelijke streken van ons werelddeel , de beeren gedurende eenige 
maanden in den toestand van winterslaap verkeeren. Wanneer een 
Einsche boer in de nabijheid van een bosch des winters in de sneeuw 
het spoor van een' beer ontwaart, dan loopt hij het bosch om, ten 



1) A seeond visit 1o the TJnited staies of NorOi- America. London, 1850, Vol. I, p. 67. 



— 155 — 

einde te zien of het spoor er ook op eene andere plaats weder uitkomt. 
Is dit niet het geval, dan besluit hij daaruit, dat de beer in het 
bosch zijn winterleger heeft , en nu loopt hij in groote kringen , die 
hij allengs al kleiner en kleiner maakt, in het bosch rond, zoolang 
totdat hij eindelijk op den slapenden beer stuit. Hij doodt hem echter 
gewoonlijk dan niet, maar begeeft zich naar eenen koopman, met 
wien hij den prijs bepaalt , waarvoor hij dezen over eenige weken of 
maanden de beerenhuid leveren zal. Men ziet derhalve dat in Pin- 
land het spreekwoord van "het verkoopen der huid voordat de, beer 
geschoten is" geenen figuurlijken, maar eenen letterlijken zin heeft, 
en geenszins de beteekenis, welke wij er gewoonlijk, aan hechten. 

Het getal der in de heete luchtstreek levende zoogdieren, waarvan 
het met zekerheid bekend is, dat zij gedurende het drooge jaarge- 
tijde slapen, dat is, eenen zomerslaap hebben, is veel geringer. Vol- 
gens ADANsoN verslapen de egels aan den Senegal de drie warmste 
zomermaanden. Hetzelfde wordt verhaald van den Tenrec {Centetes 
ecaudatus) , die op Madagascar te huis behoort, terwijl ook het Vo- 
gelbekdier vermoedelijk tot de zomerslapers moet gerekend worden. 

Van meer belang, dan een volledig overzigt van alle dieren, die 
hetzij eenen winter- of eenen zomerslaap hebben , is voor ons bepaald 
doel eene beschouwing van de verschijnselen, welke met dien slaap 
gepaard gaan. Zeer vele natuuronderzoekers hebben die verschijnselen 
tot het voorwerp van eene gezette studie gemaakt, l) Zie hier in korte 
trekken de voornaamste der door hen daarbij verkregene uitkomsten. 

De duur en vastheid van den winterslaap is eenigzins verschillend , 
doch bij zeer vele der bovengenoemde dieren', b. v. bij den egel, de 
marmot, de relmuis en anderen duurt hij vier, vijf, zes maanden on- 
afgebroken voort. Op de hooge gebergten in Savoije zouden de mar- 
motten zelfs minstens tien maanden van het jaar slapende doorbrengen. 

Algemeen heeft men bevonden, dat tijdens den winterslaap de adem- 
haling zeer verminderd is, ja dikwijls geheel ophoudt. Niet alleen 



1) Men vindt hen aangehaald in het uitvoerige werk van h. c. l. barkow. Der 
Winterschlaf nach seinen Erscheinungen im Thierreich , Berlin 1846, waarmede men 
vergelijken kan het artikel Hiiernation , in todd's Cyclopaedia of Anatomy and Phtj- 
siology, door marshall hall. , 



— 156 — 

nam men bij egels, bij vledermuizen , bij marmotten in dien toe- 
stand geen spoor van adembewegingen waar, maar men bragt hen 
in klokken gevuld met koolzuurgas, met stikstofgas, met water- 
stofgas, waarin zij vele uren lang vertoefden, zonder er eenig nadeel 
van te ondervinden , terwijl dezelfde dieren in den wakenden toestand 
daarin dadelijk stierven (spallanzani , saissy, makshat-l hall, 
czermak). Ook eene luchtverdunning tot een tiende werd door 
eenen slapenden egel zonder schade verdragen (czermak). Zoo ook 
kunnen zij eenen geruimen tijd onder water vertoeven, zonder te 
verdrinken (saissy , barkow). Uit een en ander blijkt, dat de adem- 
haling in den volkomenen winterslaap zoozeer verminderd is, dat 
men haar voor nagenoeg opgehouden kan verklaren. Bij de geringste 
uitwendige beweging, alsook door de warmte der hand, waarmede 
men de dieren aanvat, begint zij echter aanstonds weder, en zelfs 
mag men het als zeker stellen, dat deze verrigting, ofschoon zeer 
verminderd, toch niet volkomen stilstaat gedurende den geheelen duur 
van den winterslaap; want, ofschoon de proeven van marshall hall 
geleerd hebben , dat in sommige gevallen slapende vledermuizen, in 
eenen daarvoor geschikten toestel, gedurende verscheidene uren geen 
spoor van zuurstof hadden opgenomen, noch koolzuur afgescheiden, 
zoo vond hij toch in andere, dat er eenige zuurstof verbruikt was, 
hoewel in uiterst geringe hoeveelheid, eenmaal b. v. in zestig uren 
zooveel als in den wakenden toestand in een half uur. Ook regnault 
en REIZET 1) vonden bij hunne zeer naauwkeurige proeven over de 
ademhaling, dat marmotten in den toestand van winterslaap nog 
zuurstof uit de hen omgevende lucht opnemen, ofschoon niet meer 
dan Vso van hetgeen diezelfde dieren in den wakenden staat ver- 
bruikten. Bovendien vonden de genoemde waarnemers, dat door 
deze dieren niet alleen zuurstof, maar, hetgeen zeer de opmerking 
verdient, ook eene geringe hoeveelheid stikstof opgenomen werd. 
Met deze vermindering der ademhaling gaat een ander verschijnsel 
gepaard, hetwelk daarvan het noodzakelijk gevolg is. De dierlijke 
warmte, welke bij zoogdieren en vogels hoofdzakelijk door de op- 



1) Anmlei de Chim. et de Phys. 1849, 3e Ser., T. XXVI, p. 435. 



— 157 — 

neming van zuurstof uit de lucht in het bloed ontstaat , gaat allengs 
geheel verloren, met andere woorden, zoogdieren in den toestand 
van winterslaap worden koudbloedige dieren. De uitkomsten van 
talrijke onderzoekingen op dit punt, bij marmotten, relmuizen, ha- 
zelmuizen , vledermuizen in het werk gesteld , stemmen allen daarin 
overeen , dat , wanneer de winterslaap diep en vast is , de warmte 
der inwendige ligchaamsdeelen of van het bloed met de temperatuur 
der omgevende lucht nagenoeg gelijken tred houdt, met haar stijgt 
en daalt, en dat zij zelfs tot het vriespunt, ja nog iets daaronder 
dalen kan, zonder dat het dier ophoudt te leven (saissy, keeve, 

MARSHALL HALL, BERGER, JENNER , BARKOW). Echter is groote koudc 

voor den winterslaap niet gunstig, en opzettelijk genomen proeven 
bij zeer lage temperatuur hebben geleerd, dat dan de dieren uit 
hunnen slaap worden opgewekt, doch doorgaans met het gevolg, 
dat zij eenigen tijd later sterven. Ook zoeken de dieren zich in den 
natuurstaat daarvoor te behoeden door het verblijf in onderaardsche 
holen, waarin zij bovendien plantaardige stollen vergaderen; of zij 
vereenigen zich, gelijk de vledermuizen, gezellig te zamen, waar- 
door al mede de invloed der al te groote koude gematigd wordt. 

Opmerkelijk is het, dat, terwijl de ademhaling, gelijk wij zagen, 
nagenoeg geheel ophoudt, de omloop van het bloed daarentegen 
voortduurt, wel met mindere snelheid en kracht, doch zoo, dat 
de beweging zelfs in de van het hart ver verwijderde haarvaten nog 
blijft bestaan. Marshall hall zag dit in de vlieghuid van eene vle- 
dermuis. Dit herinnert trouwens geheel aan den invloed van ether 
en chloroform, waardoor mede de ademhaling tijdelijk geheel tot stil- 
stand kan worden gebragt, terwijl de bloedsomloop aanhoudt, en, even 
als in dit geval , is ook het bloed der winterslapers geheel aderlijk 
geworden , en bezit bovendien eene geringere neiging tot stremming. 

Wat de spijsvertering aanbelangt, zoo houdt deze in den toestand 
van volkomen winterslaap geheel op, en hetzelfde geldt van alle 
afscheidingen , die daarmede gepaard gaan of er het gevolg van zijn 
(hunter, BARK.OW). Worden de dieren echter door de eene of andere 
oorzaak wakker, waarbij zich de ademhaling herstelt, dan gevoelen 
zij behoefte tot eten , en de spijsvertering vangt dan ook weder aan. 



— 158 — 

Uit dit beknopt overzigt van de voornaamste verschijnselen, welke 
de winterslaap bij de dieren oplevert, blijkt, dat de levenswerkzaam- 
heid in dien toestand tot eenen zeer lagen trap gedaald, maar 
geenszins geheel vernietigd is. Ook heeft werkelijk nog bij hen eenige 
stofwisseling plaats. Het bewijs daarvoor wordt geleverd door hunne 
verandering in gewigt. Zeer opmerkelijk is het, dat deze verandering 
niet enkel in verlies bestaat. Sacc, hoogleeraar te Neufchatel, heeft 
talrijke wegingen in het werk gesteld van marmotten in den toestand 
van winterslaap , en daarbij bevonden , dat zij , wel is waar , over het 
geheel allengs in gewigt afnamen, maar toch ook, dat van tijd tot 
tijd hun gewigt wederom iets toenam, en wel juist dan wanneer de 
slaap het diepst was. l) De proeven van regnault en reizet hebben 
de oorzaak daarvan leeren kennen. Zij bevonden namelijk, dat de 
slapende marmotten somwijlen merkelijk meer zuurstof uit de lucht 
opnamen, dan zij koolstofzuur uitademden, en daar op geenen anderen 
weg stofien uit hun ligchaam verwijderd werden, zoo moest noodza- 
kelijk hun gewigt eenigzins vermeerderen. Let men echter op den 
geheelen duur van den winterslaap, dan heeft er verlies van stof 
plaats, en wel inzonderheid verdwijnt een groot deel van het vroeger 
rijkelijk aanwezige vet (sAissY, MANGILI, berger, monro, barkow). 
Waarschijnlijk mag men aannemen, dat dit verlies niet alleen door 
de longen, maar ook door de huid geschiedt. 

De geringheid der stofwisseling verklaart echter hoe het komt, 
dat deze dieren in eenen schier aan schijndood grenzenden toestand 
kunnen blijven, zonder voedsel tot zich te nemen en nagenoeg 
zonder adem te halen. Reeds zagen Avij, dat die toestand bij zoog- 
dieren maanden lang duren kan ; bij dieren uit andere klassen heeft 
men dit nog veel langer waargenomen. Het is geenszins eene zeld- 
zaamheid, dat sommige poppen van vlinders, nadat zich de rupsen 
in den herfst verpopt hebben, niet in den volgenden zomer, maar 
eerst een jaar later uitkomen, ja keaumur 2) bewaarde op eene 
zoodanige wijze eenige poppen in eenen ijskelder gedurende ver- 
scheidene jaren, zonder dat zij de gewone gedaanteverwisseling 

1) Ann. de Chim. et de Pkys. 1849, T. XXVI, p. 429. 

3 Mémoires pottr servir a VJnstoire des insectes, T. II,' part. I, p. 23. 



— 159 — 

ondergingen noch stierven. Ook onder de weekdieren zijn er, die 
zeer lang in eenen schijndooden staat kunnen verkeeren. Vooral is 
dit meermalen waargenomen van verschillende soorten van huisjes- 
slakken. GouGH 1) dreef door drooge warmte eenige gewone tuin- 
slakken {Helix hortensis en Helix zonaria) in hunne schelpen terug , 
die zij met dunne vliezen sloten. Zoo bewaarde hij er eene niet 
minder dan drie jaren lang, die, in water gebragt, weder tot het 
leven terugkeerde. Nog onlangs deelde gaskoin 2) eene dergelijke 
waarneming mede, die in een zeker opzigt nog merkwaardiger is. 
Hij had van eenen koopman eenige exemplaren gekocht van de in 
Afrika levende Helix lactea. Deze schelpdieren hadden toebehoord 
aan twee kooplieden, bij wie zij gedurende ruim vier jaren droog 
en in het stof gelegen hadden. Desniettegenstaande ontwaakte er 
een, toen hij de schelpen ter reiniging in het water had gebragt. 
Het dier bleef niet alleen voortleven, terwijl hij het voedde met 
komkommer- en koolbladeren , maar na eenige maanden kreeg het 
een dertigtal jongen. Dezelfde deelt nog verscheidene andere voor- 
beelden mede van sluimerend leven bij verschillende weekdieren. 
Het opmerkelijkst is dat van eene Australische zoetwatermossel (Unio), 
gevangen den 29 Januarij 1849 en in eene lade droog bewaard gedu- 
rende 231 dagen; toen werd zij in water gedompeld en herleefde weder. 
Toen deze Unio te Southampton aankwam , 498 dagen nadat zij uit 
het moeras gehaald was , werd zij op nieuw in water gelegd , waar 
zij wederom hare kleppen opende en tot het leven terugkeerde. 

Zagen wij in de tot hiertoe aangevoerde gevallen, hoe het dierlijk 
leven nog kan blijven voortbestaan, al zijn dan ook de verrigtingen, 
die er mede gepaard gaan, bijna tot stilstand gekomen, hetzelfde 
geldt ook van het plantenleven. Ook hier wordt de toestand van 
werkdadigheid afgewisseld door eenen toestand van rust. Ook de 
planten in de gematigde en koude»luchtstreken hebben eenen win- 
terslaap even als vele dieren, terwijl het drooge jaargetijde in vele 
der landen tusschen de keerkringen voor de plantenwereld aldaar 
het tijdperk van den zomerslaap is. Gelijk bij ons te lande, na het 

1) Zie REEVE, J)?. Essai/ on Üie Torpidify of Animals , London 1809, p. 87. 

2) Ann. and Magaz. of Nat. Hisf., Junij 1852, p, 498. 



— 160 — 

eindigen van den winter , de koesterende lentezon het geheele plan- 
tenrijk tot een nieuw leven roept, zoo heeft de eerste regenbui 
hetzelfde gevolg in de drooge vlakten of savannen in Zuid-Amerika. 
Somtijds echter gebeurt het, gelijk in de sertao's van Brazilië, 
dat de drooge tijd jaren lang duurt, en toch ontwaken de Catinga- 
bosschen uit hunnen schijnbaren dood, zoodra de regen valt. Ook 
de in dezelfde streken groeijende Cacteën kunnen zeer lang aan de 
droogte wederstand bieden, ja geheel uit de aarde verwijderd lang 
bewaard blijven, zonder het vermogen tot herleving te verliezen. 
Zelf zag ik , hoe een lid van de tot deze familie behoorende Opuntia 
Tuna, dat gedurende zeven jaren in eene warme kas in den hortus 
te Franeker aan een touw was opgehangen, en schijnbaar bijna geheel 
verdroogd was, in eenen pot met aarde geplaatst, weldra nieuwe 
worteltjes verkreeg en eenigen tijd later een nieuw lid vormde. 

Men zoade echter zoowel in deze gevallen, alsook bij de meeste 
planten gedurende den winter kunnen betwijfelen of wel alle levens- 
werkzaamheid is uitgedoofd. Zoolang er nog eenige sappen in de 
planten bevat zijn, en aan de oppervlakte eenige, zij het dan ook 
nog zoo geringe uitdamping plaats heeft, bestaat er eene beweging 
van stofien, en zelfs gedurende strenge winters vindt men de tem- 
peratuur van het inwendige der boomen steeds een weinig hooger 
dan die der omringende lucht, iets dat verklaard wordt eensdeels 
door het slechte warmtegeleidend vermogen van het hout, anderdeels 
doordien de wortels werkelijk doordringen tot in den niet bevroren 
bodem. Geleznoff 1) heeft dan ook door talrijke wegingen bewezen , 
dat zelfs gedurende de strenge winterkoude te Moscou de knoppen 
zeer merkbaar in gewigt toenemen. Zoolang de sappen niet bevroren 
zijn, mag men derhalve, even als bij de in winterslaap verkeerende 
dieren nog eenige stofwisseling ook in de planten aannemen. 

Men heeft dikwijls beweerd dat bevriezing voor het plantenleven 
altijd doodelijk is. Nu is het wel is waar niet te ontkennen, dat 
dit voor het meerendeel der planten waar is, doch de graad van 
koude, welken eene plant zonder schade verduren kan, is zeer ver- 

1) Bulletin de la Société imp. des Natural. de Moscou, 1853 No. III, Bot. 
Zeit. 1853, p. 25. 



— 161 — 

schillend voor de onderscheidene soorten. De planten der keerkrings- 
gewesten sterven hier te lande reeds bij eenen warmtegraad , waarbii 
onze inlandsche gewassen welig groeijen. Dat er echter planten en 
zelfs hoog bewerktuigde planten zijn, wier sappen volkomen tot ijs 
kunnen stollen, zonder de vatbaarheid te verliezen, om later bij 
ontdooijing weder te herleven, hebben de reeds voor vele jaren door 
den Breslauschen hoogleeraar göppert i) in het werk gestelde on- 
derzoekingen bewezen, welke door die van verscheidene andere, 
laatstelijk door die van den Noord-Amerikaanschen hoogleeraar 
LE CONTÉ , 2) bcvestigd zijn. Deze omgaf nog met den boom zamen- 
hangende takken van Samhucus canadensis , van Pinus Taeda, van 
eenen AilantJms, met koudmakende mengsels , welke eene temperatuur 
hadden van 0° — 6° Pahr. Na eenig verblijf hierin bleek het hem, 
dat dunne doorsneden , van zulke takken genomen , tot in de binnenste 
deelen met ijs gevuld waren, en desniettegenstaande liepen derge- 
lijke takken in het voorjaar weder uit en maakten nieuwe loten. 
Reeds vroeger had boyle , op het gezag van kapitein james , mede- 
gedeeld, dat op het eiland Charlestown in de Hudsonsbaai de boomen 
door vuur ontdooid moesten worden, alvorens te kunnen worden 
omgehakt , en le conté voegt hier bij , dat hij van houthakkers 
uit Maine en Nieuw-Hampshire vernomen heeft, dat aldaar bij 
strenge koude het sap van vele boomen zóó bevriest, dat het moeijelijk 
is er met een' bijl in te houwen. Nog een zeer sprekend voorbeeld 
van het vermogen , hetwelk sommige boomen bezitten om aan de koude 
weerstand te bieden, is het volgende. Volgens ekmann is de bodem 
in den omtrek van Yakutsk in Siberië op 62° N. Br. , blijkens eene 
aldaar verrigte putboring, bevroren tot op eene diepte van 400 voeten; 
de gemiddelde jaarlijksche temperatuur der lucht is 14<°,5 Pahr. ; 
des winters is er het kwikzilver gedurende twee, soms drie maanden, 
bevroren, en de thermometer daalt altijd tot —58° P., dat is 90° 
onder het vriespunt. Eenmaal (21 Jan. 1838) zag men er hem zelfs 
op — 76° F. Slechts vier maanden lang vriest het niet, en de ge- 
middelde temperaturen van Junij, Julij en Augustus zijn 56°,8, 

1) Veler die Wdrme-Entwichelung in den Fflanzen, deren Gefrieren ,(iic. Breslaa 1830. 

2) American Journal of Sciences 1853, p. 84. « 



— 162 — 

65°,8 en 61°,3, terwijl de grootste warmte soms tot 77° Y. bedraagt. 
In dezen korten, schoon betrekkelijk warmen zomer, ontdooit de bo- 
dem nimmer dieper dan tot op drie voet, en desniettegenstaande vindt 
men aan de oostzijde der stad groote Larix-bosschen , waarvan men 
het ter naauwernood betwijfelen kan , of zoowel de geheele stam als 
de op eeuwigdurend ijs rustende wortels, moeten des winters, der- 
halve het grootste gedeelte des jaars, door en door bevrozen zijn. 

Uit deze feiten volgt ontegenzeggelijk, dat het plantenleven tot 
volkomen stilstand kan geraken, zonder dat daarom nog gezegd 
kan worden dat zulke planten dood zijn. Zoodra toch alle de sappen 
in eene vaste ijsmassa veranderd zijn, houdt ook noodzakelijk alle 
beweging op. Inderdaad is vloeibaarheid van een gedeelte der lig- 
chaamsdeelen een volstrekt vereischte voor alle stofwisseling. Een 
organisme, alleen uit vaste weefsels en stoffen zamengesteld, zonder 
eene bemiddelende vloeistof, welke stoffen in opgelosten toestand bevat, 
waaruit nieuwe weefsels kunnen ontstaan , en waardoor tevens de 
onderscheidene deelen van het geheel onderling in verband worden 
gebragt, zulk een organisme kan op deze planeet, naar de kennis die 
•wij van de haar bewonende organische wezens hebben, onmogelijk leven. 
Leven veronderstelt beweging, beweging veronderstelt vloeibaarheid. 

Behalve door bevriezing, kunnen de planten hare vloeibare sappen 
ook verliezen door uitdrooging , waarbij derhalve het vocht zelf ver- 
dwijnt en alleen de vroeger daarin opgeloste vaste bestanddeelen 
achterblijven. Een treffend voorbeeld hiervan leveren de zaden der 
planten. Hier werd een sluimerend leven gedurende eenige maanden 
gevorderd, zouden de zaden kunnen beantwoorden aan hunne be- 
stemming, de instandhouding en voortplanting der soort. Van alle 
deelen , welke eene plant zamenstellen , bevatten dan ook de rijpe zaad- 
korrels de geringste hoeveelheid water, en deze hoeveelheid vermindert 
later nog, gelijk ieder weet, nadat zich de zaadkorrels van de plant 
hebben afgescheiden. In iederen tuin is het opzettelijk droogen van 
verschillende zaden een der jaarlijks terugkeerende bezigheden. Elke 
zaadkorrel nu bevat eene kiem, en deze kiem is eigenlijk reeds een 
klein plantje, waaraan men de hoofdorganen der volwassen plant, 
hoewel in niet ontwikkelden vorm, kan herkennen. De kieming van 



— 163 — 

eenen zaadkorrel bestaat daarin, dat die ontwikkeling aanvangt, met 
andere woorden, dat de kiem of het jeugdige plantje begint te 
groeijen, waarbij het zich aanvankelijk voedt uit de tevens in den 
zaadkorrel bevatte voedingsstoffen. De eerste voorwaarde daartoe is 
echter de tegenwoordigheid van water, ter oplossing van de reeds 
aanwezige oplosbare zelfstandigheden en tot te weeg brenging van 
die omzettingen , waardoor vroeger onoplosbare stoffen , gelijk b. v. 
het in de meeste zaden overvloedig voorkomende zetmeel, oplosbaar 
worden gemaakt. Waar het water ontbreekt, blijven die veranderingen 
uit, zonder dat daarom de zaden nog hun kiemvermogen verliezen. 
De ervaring heeft nu geleerd, dat dit kiemvermogen , dit sluimerend 
leven der zaden, zeer lang kan bewaard blijven. De zaden van het 
kruidje roer mij niet {Ilimosa pudica) behouden dit vermogen 60 
jaren lang, volgens anderen meer dan eene Qeuw, mits zij op eene zeer 
drooge plaats bewaard worden. Snijboonen uit het herbarium van 
TOTjRNEroRT ontkiemden nog eene eeuw na zijnen dood. De Hoog- 
leeraar PRiEs te Upsala zag eene Hieracium-soort ontkiemen , welks 
zaden mede gedurende eene halve eeuw in een herbarium waren 
bewaard. Behalve deze goed waargenomen en stellig uitgemaakte 
feiten, zijn er nog eenige andere, waaruit blijken zoude, dat bij 
sommige zaden onder gunstige omstandigheden dit kiemvermogen 
nog veel langer kan blijven bestaan, doch welker juistheid door 
sommigen nog steeds betwijfeld wordt. Zoo vond men in 1834 in 
eenen zeer ouden graf heuvel (tumulus) bij Maidencastle in Engeland 
eene zekere hoeveelheid zaadkorrels , bevat in de buikholte van een 
menschelijk geraamte. Deze korrels, door lindley gezaaid, ont- 
kiemden en gaven framboosplanten. In Frankrijk werden in het graf 
van eenen diaken, gestorven omstreeks het jaar 500, zaden van 
rosmarijn en chamille gevonden, die door croizeï werden gezaaid 
en ontkiemden. Bij de opening van eenige oude gallische graven 
in eene gemeente van het departement der Dordogne, die naar alle 
waarschijnlijkheid uit de eerste eeuwen onzer jaartelling afkomstig 
waren, vond men onder de plek, waar het hoofd van den afgestor- 
venen gerust had, een klein gat geheel met zaadkorrels gevuld, die 
<^ezaaid zijnde kiemden, en, zoo als de daaruit voortgekomen planten 
" "^ - 10 



— 164 — 

toonden , die van Heliotropium europaeum , van de gewone koorn- 
bloem {Centaur ea Cyanus) en van eene soort van klaver (waar- 
schijnlijk Trïfol'mm jiliforme) waren. Hetzelfde deden maïskorrels, 
gevonden in de graven der Inka's. In de vergadering der Duitsche 
natuuronderzoekers in 1834 berigtte Graaf v. sternberg , dat hij tar- 
wekorrels, gevonden bij Egyptische mummiën, tot ontkieming had 
gebragt, en in 1844 werd in eene Egyptische sarkophaag in het 
Britsch Museum een pak gevonden, bevattende zaadkorrels van tarwe, 
erwten en wikken, waarvan die der beide eerste soorten kiemden, 
die der laatste niet. Nog verscheidene andere dergelijke voorbeelden 
zouden kunnen worden bijgebragt , 1) doch de reeds aangevoerde zijn 
voor ons doel voldoende. Mogten er al tegen de zekerheid der laatst- 
genoemde feiten eenige min of meer gegronde bedenkingen kunnen 
worden in het midden gebragt , welke wij hier echter kortheidshalve 
voorbij gaan, zoo mag men het toch als zeker stellen, dat sommige 
zaden het vermogen tot ontkieming onder begunstigende omstandig- 
heden gedurende zeer vele, welligt honderde jaren behouden kunnen, 
en er is inderdaad niets ongerijmds in de mogelijkheid aan te nemen, 
dat in een land als Egypte , waar regen eene bijna ongehoorde zaak 
en de lucht uiterst droog is, deze duur van het kiemvermogen tot 
duizende jaren, ja tot eenen bijna onbepaalden tijd kan verlengd worden. 
In het voorbijgaan zij hier opgemerkt , dat dit vermogen van vele 
zaden om gedurende een lang tijdsverloop hun kiemvermogen te 
bewaren, rekenschap geeft van een verschijnsel, dat men meermalen 
in de gelegenheid is op te merken. Bij het omspitten van eenen 
bodem, die lang braak heeft gelegen, gebeurt het namelijk niet 
zelden, dat daarop min of meer talrijke planten te voorschijn komen , 
somtijds behoorende tot geheel andere soorten dan die, welke daar 
of in den omtrek groeiden. Girardin deelt een dergelijk voorbeeld 
mede van eenen bodem, die gedurende 242 jaren met puin bedekt 
had gelegen, dat weggeruimd werd bij het leggen der fundamenten 
voor een gevangenhuis te Rouen, en volgens cleghorn neemt men 



1) Men zie hierover girardin. Sur la germination de quelqties graines antiqties in 
Journ. de Fharm. et de CJdm. 1849 Jan., p. 46, en het verslag van henslow in de 
vergadering der Briüish Associaiion van 1851. 



— 165 — 

na den brand of de ontginning van de overoude bosschen in Indie 
altijd op die plekken het ontstaan van planten waar, welke tot 
dusver aldaar geheel onbekend waren. 

Dat niet enkel zaden, maar zelfs geheele planten in den gedroogden 
toestand levensvatbaar blijven, bewijzen de in herbarien bewaarde 
mossen, waaronder er zijn die na vele jaren wederom herleven en 
voortg-roeijen, wanneer zij in water gebragt worden, i) Van één 
plantje eindelijk , namelijk van de ook in andere opzigten merkwaar- 
dige Clilamydococcus pluvialis heeft de waarneming geleerd , dat eene 
tijdelijke geheele uitdrooging vereischt wordt om het op nieuw tot 
voortteling geschikt te maken , en braun 2) bevond , dat exemplaren, 
welke zeven jaren in zijn herbarium bewaard waren, na drie dagen 
in water gelegen te hebben, de soort wederom voortplantten. 

Het zijn echter geenszins alleen planten , bij welke een volkomen 
stilstand van het leven kan plaats grijpen, ook de dieren leveren 
ons hiervan voorbeelden. 

Wat in de eerste plaats de vraag betreft: of dieren door en door 
bevriezen kunnen en later weder herleven, zoo is het niet te ont- 
kennen, dat sommige der daaromtrent medegedeelde feiten eenigen 
twijfel overlaten. Wel is waar heeft men meermalen dieren gevonden, 
besloten in eene vaste ijsmassa, of in de opene lucht blootgesteld 
aan eene temperatuur verre onder het vriespunt, doch het is bekend, 
dat een waterig vocht, gelijk het bloed en de overige dierlijke 
vochten, eenige graden beneden het vriespunt kan afkoelen, zonder 
tot ijs te stollen, mits het volkomen in rust zij. Ik zelf heb meer- 
malen kikvorschen en visschen (vorens en baarzen), des winters in 
een glas met water bewaard, dat geheel en al bevroor, zoodat de 
dieren onbewegelijk in het ijs vastzaten, bij langzame ontdooijing 
zien herleven, zonder dat ik daarom zoude wagen te beweren, dat 
deze dieren zelve bevroren zijn geweest. 

Intusschen zijn er onder de volgende waargenomen gevallen eenige, 
waarbij men inderdaad bezwaarlijk eene volkomene bevriezing kan in 
twijfel trekken. 

1) Botan. Zeiiung 1851, p. 924. 

2) Bie Verjüngung der Natur , Berliu 1S51, p. 225. 



— 16G — 

Pallas 1) zag in het ijs der gedurende een groot gedeelte des 
jaars tot op den bodem toegevroren meren van Siberië eene soort 
van karpers {Ci/pr'mus corassias), die na ontdooijing weder herleef- 
den. Pkanklin ^) vermeldt hetzelfde van visschen in het ijs der 
poolzeeën ; die, welke met een net uit de diepte werden gehaald, 
bevroren aanstonds en werden zoo hard , dat zij zich met bijlslagen 
lieten splijten, waarbij bleek, dat de ingewanden eene enkele 
ijsklomp vormden. Desniettegenstaande gaven deze geheel bevroren 
visschen weder teekenen van leven , wanneer zij bij het vuur gebragt 
werden , ja een roode karper [Calostomus Lessuerii) , die 36 uren lang 
aldus stijf bevroren was geweest, keerde geheel tot het leven terug. 
Heaune 3) vond op zijne reis in de Noordpoolstreken kikvorschen, 
die zoo door en door bevroren waren , dat hunne pooten de broosheid 
van pijpensteelen hadden, en desniettegenstaande hunne natuurlijke 
bewegingen terug erlangden , na aan eene zachte warmte te zijn 
blootgesteld. Men zoude nog kunnen betwijfelen of deze waarneming , 
medegedeeld door eenen zeevaarder, boven alle bedenking verheven 
is, doch voor eenigen tijd deelde een uitmuntend natuuronderzoeker, 
de heer dumekii, 4), aan de Pransche Akademie eenige onderzoekingen 
mede, welke hem tot het besluit hebben geleid, dtit kikvorschen 
volkomen bevriezen kunnen zonder daaronder te bezwijken. Hij 
bragt namelijk kikvorschen in eene ruimte, omgeven door een koud- 
makend mengsel , zoodat de temperatuur van de lucht in die ruimte 
slechts 12° C. (10° P.) bedroeg. Een thermometer, in den endeldarm 
van de kikvorschen geplaatst, teeken de — 1° C. (ongeveer 30° E.). Bij 
opening van eenen der kikvorschen bleek, dat alle de ingewanden en 
vochten volkomen bevroren waren. Desniettegenstaande kwamen de ove- 
rige bij eene zeer langzame ontdooijing allengs geheel tot het leven terug. 

Talrijke waarnemingen zijn er ook van insekten en andere on- 
gewervelde dieren, die, na geheele bevriezing, hunne levens werkzaam- 



1) RUDOLPHI, Fhjsiologie , p. 176. 2) ïroeiep's Notiz. 1825, Bd. V. 

3) Journey from Frince JFalis Fort, Hudsons hay, io the Northern Ocean, London 
1795, p. 397. 

4) Comptes rendus XXXIV, p. 887; uitvoeriger iu de Aim. des se. nat. 1852, 
T. XVIII, p. 5. 



— 167 — 

heid weder erlangden. Listek vermeldt dit van rupsen , die zoo 
bevroren waren , dat zij , op glas geworpen , als steenen klonken , 
terwijl STICKNEY 1) hetzelfde zag van eenige maskers van Tlpula 
oleracea. Bonnet kwam tot gelijke uitkomst met de pop van eenen 
witjesvlinder {Pieris irassicae), welke bij eene koude van 0° P. tot 
een ijsklompje was geworden, en waaruit later toch een vlinder te 
voorschijn kwam. Dergelijke waarnemingen zijn door stubek, 2) van 
bladluizen {Ap/ds Bianthi), door ratzeburg 3) en jaenisch van 
eene keversoort [Bostrichus typograpJiicus) medegedeeld. Spaij.anzani 
bevond, dat de blootstelling aan eene koude van — 38° of zelfs 
— 56° F. de vruchtbaarheid van zijdewormeijeren niet vernietigde, 
evenmin als eene koude van — 40° die der eijeren van eene slak. De 
volgende proef is op de reis van Sir james ross genomen. Dertig 
maskers van Laria Rossii werden in eene doos geplaatst en gedurende 
drie maanden aan de winterkoude van de poolstreek blootgesteld. 
Toen zij daarna in de kajuit gebragt werden, keerden allen tot het 
leven terug en kropen rond. Zij werden op nieuw naar buiten gebragt 
in eenen dampkring van — 40° en bevroren oogenblikkelijk. Eene 
week later herleefden er in de kajuit drie en twintig. Deze werden 
wederom in de koude gebragt en, na nog eens gedurende eene week 
bevroren te zijn geweest, kwamen er elf tot het leven terug. Voor 
eene vierde maal bevroren herleefden er nog twee. 

Uit deze verschillende waarnemingen , al is dan ook niet bij allen 
het feitelijk bewijs geleverd eener volkom ene bevriezing van de 
inwendige deelen en der daarin bevatte vochten , mag men toch 
het besluit opmaken, dat er dieren zijn, wier levenswerkzaamheid 
door bevriezing geheel en al tot stilstand kan worden gebragt, 
zonder dat zij daarom nog het vermogen verloren hebben om tot 
het leven terug te keeren. Hetzelfde nu kan, even als bij planten, 
ook bij sommige dieren door verdrooging worden te weeg gebragt. 
Het spreekt echter bijna van zelf, dat dit slechts kan plaats grij- 



1) KiRBY and spence, An Introduction to Entomologij , etc. Vol, II, Lett. XXVI 

2) Barkow I. c. p. 129 uit germae's Magazin , Bd. I, H. 2. 
^) Forst-Insecten , Th. I, p. 148. 



— 168 — 

pen bij zeer kleine dieren, waar die verdrooging binnen een zeer 
kort tijdsbestek kan geschieden. 

De eerste waarneming van dien aard werd den St'en September 
1701 door onzen landgenoot leeuwenhoek gedaan i). Hij bevond 
dat raderdiertjes in het slijk eener dakgoot geheel konden ver- 
droogen en later bij bevochtiging zich weder als vroeger begonnen 
te bewegen. Hij bewaarde zulk slijk vijf maanden lang op een 
stuk papier in zijne kamer en nam hetzelfde waar. Na leeuwenhoek 
is dit feit van de wederherleving der raderdieren door vele 
natuuronderzoekers niet alleen bevestigd geworden, maar men heeft 
nog verscheidene andere kleine dieren ontdekt, die hetzelfde ver- 
mogen bezitten. De voornaamste daaronder zijn de kleine aaltjes 
[Anguillula ehr. Rhabditis duj) , die in bedorven azijn , zuur ge- 
worden stijfselpap, in meel en elders worden aangetroflen , en de 
zonderling gevormde zoogenaamde "kleine waterbeeren," of Tardigra- 
den , waarvan verschillende soorten zoowel in het slijk der dak- 
gooten als tusschen mossen op de daken en in slootwater voorko- 
men. Onder hen, die zich het meest beijverd hebben om daarom- 
trent naauwkeurige onderzoekingen in het werk te stellen, moet 
vooral sPALLANZANi 2) genoemd worden, en men kan zich, na het 
lezen van het verslag zijner zorgvuldige proeven en waarnemingen , 
niet genoeg verwonderen , dat later ehkenberg 3) daaraan alle 
gezag ontzegd en de geheele zaak stoutweg geloochend heeft. Het 
was daarom een nuttige arbeid, toen voor eenige jaren doyèee ■*) 
haar aan een hernieuwd onderzoek onderwierp, waarvan de uitkomst 
de volkomenste bevestiging opleverde van het herlevingsvermogen 
der bovengenoemde dieren, terwijl ik, indien het noodig ware. 



1) Zie zijne 144ste Missive, geschreven aan den IFelEd. Hoog-Mogende Heere Mr. 
HENDRIK VAN BLETSWIJK, in het Sevende vervolg der brieven enz. U. 400. Uit zijne 
beschrijving blijkt met de grootste waarschijnlijkheid , dat de door hem waargenomen 
raderdieren Rotifer vulgaris eur. waren. 

2) Opusc. di fis. anim. 1776 T. II, p. 181. 

3) I)ie Infusionsthierchen , Leipzig 183S, p. 493. Mcq vindt hier ook de volledige 
literatuur tot op dien tijd toe. 

*) Ann. der Sc. natur. 1843. T. XVIII, p. 5. 



— 169 — 

hier nog gewag zoude kunnen maken van eigene onderzoekingen, 
welke mij mede daarvan ten volle overtuigd hebben. 

De onderzoekingen van doyère nu hebben geleerd, dat deze 
diertjes , — welke geenszins tot de laagst georganiseerde behooren , 
maar daarentegen een vrij zamengesteld maaksel bezitten , en voor- 
zien zijn van een groot aantal verschillende organen voor de onder- 
scheidene levensverrigtingen , — door drooging boven zwavelzuur , 
en in het luchtledige op de meest volkomene wijze van alle vochten 
beroofd, toch later door bevochtiging weder tot het leven terug 
keeren, ofschoon daartoe dikwijls verscheidene uren, ja somtijds 
een of twee dagen vereischt worden. In den volkomen droogen 
toestand kunnen deze wezens zelfs worden blootgesteld aan eene 
luchtwarmte van 257° Fahr. , dat is ver boven die van kokend 
water, zonder daardoor het vermogen tot herleving te verliezen. 

Daar nu dezelfde dieren in den vochtigen toestand geene hoogere 
temperatuur kunnen verdragen dan van 120°, waarbij zij sterven, 
zoo is het duidelijk', dat die wederstand aan den invloed eener zoo 
hooge luchtwarmte alleen kan verklaard worden door de geheele 
afwezigheid van water, waardoor de eiwitachtige stollen in hunne 
ligchamen verhinderd worden te stremmen. Inderdaad kan het nu 
ook minder verwondering wekken, dat zulke diertjes, hoewel hun 
gewone levensduur slechts weinige dagen of weken bedraagt, een- 
maal goed gedroogd zijnde, gedurende vele jaren onveranderd kunnen 
blijven, om vervolgens in water geplaatst weder te ontwaken en 
een nieuw leven te beginnen. Zoo b. v. zag schultze raderdiertjes, 
die vóór vier jaren gedroogd waren, weder herleven, en baker 
vermeldt dit zelfs van aaltjes, die hem zeven en twintig jaren 
vroeger door needham waren ter hand gesteld. 



Na al het medegedeelde kan er derhalve wel geen twijfel meer 
bestaan, aangaande de onjuistheid der voorstelling, alsof leven 
en dood door eene onoverkomelijk diepe kloof van elkander gescheiden 
zouden zijn. Werpen wij eenen terugblik op het tot hiertoe behandelde. 

Wij zagen dan, hoe tijdens den winterslaap alle levensverrigtingen 



— 170 — 

verminderd zijn , sommige geheel stilstaan , en dat juist dien 
ten gevolge liet leven kan gerekt worden , zonder dat liet lig- 
chaam den gewonen toevoer van spijs en drank erlangt. Zulk 
een toestand is slechts eene vertraging van het leven , vergelijk- 
baar bij den toestand van eenen vuurhaard, waarin kolen liggen te 
smeulen onder eene groote hoeveelheid asch, waardoor de toetreding 
der dampkringslucht belemmerd wordt. Alle de voorwaarden tot 
het leven blijven bij de winterslapers bestaan , en zoodra zij uit 
den slaap ontwaken, herstelt zich ook de ademhaling weder, en 
te gelijker tijd doet zich de behoefte aan spijs gevoelen, even 
als men op den vuurhaard brandstof moet werpen, wanneer 
de asch opgeruimd en aan de lucht toegang verschaft is tot de 
vroeger smeulende maar nu weldra verglimmende kolen. Ook bij 
den mensch komen toestanden voor, welke aan die der wintersla- 
pers herinneren. Ieder weet, dat gedurende vele ziekten de behoefte 
aan spijs zeer verminderd is, ofschoon eene geheele onthouding 
van spijs nimmer lang kan duren , en de verhalen van menschen , 
die jaren lang zonder spijs geleefd hebben, veilig tot de sprookjes 
kunnen gebragt worden, waarvan de beruchte engeltje van der vlies 
nog onlangs het bewijs geleverd heeft. Ook de schijndood, welke 
echter veel zeldzamer voorkomt dan men wel eens gelooft, kan met 
eenen zeer diepen winterslaap vergeleken worden. In Indië zouden 
er Fakirs zijn, die zich door oefening het vermogen hebben eigen 
gemaakt om, na een of tot twee maanden in een geheel gesloten 
graf begraven te zijn geweest, later weder te herleven i). Een der- 
gelijk geval van willekeurigen schijndood, dat echter slechts een 
half uur duurde, wordt verhaald van eenen Engelschen kolonel 2). 
Eindelijk voeg ik hier nog bij , dat een mijner vrienden mij mede- 
deelde, dat in een* zeker gedeelte van ons vaderland de hoereneen 
groot gedeelte van hunnen tijd des winters slapende doorbrengen, omdat 



1) Dergelijke gevallen zijn medegedeeld in froriep's Neue Notizen Bd. I, No. 15 
en Bd. IV No. 2. Het zal echter ter naauwernood Lehoeven gezegd te worden, dat 
die gevallen nog zeer eene nadere bevestiging, gegrond op een^ naauwkcurig onderzoek 
van ten volle geloofwaardige getuigen vereischon, om geheel geloof te verdienen. 

•) Revue BrUtannique 1850 I , p. 543. 



- 171 — 

zij bij ondervinding weten , dat zij dan minder voedsel noodig hebben. 
Geheel anders is het echter gelegen met de later besproken ge- 
vallen: die van geheel bevrozen of verdroogde organische wezens, 
planten en dieren. Hier blijven, wel is waar, nog eenige der voor- 
waarden tot het leven, namelijk het maaksel der vaste deelen en 
de eigenaardige scheikundige menging der stoffen , voortbestaan , 
maar eene andere hoofdvoorwaarde tot uiting van het leven , de 
vloeibaarheid van een gedeelte dier stoffen, ontbreekt. Juist hierin 
ligt echter de oorzaak van de onveranderlijkheid dezer wezens in dien 
toestand. Het is hetzelfde als wanneer gij een kristal van zwavel- 
zure magnesia (engelsch zout) met een kristal van koolzure soda 
in een glas werpt. Zij zullen er nevens elkander blijven liggen, 
zonder dat het eene ligchaam eenigen invloed op het andere uit- 
oefent; maar breng water in het glas, en dadelijk zullen de beide 
zouten elkander wederkeerig ontleden, onder vorming van zwa- 
velzure soda, die zich oplost, en van koolzure magnesia, die als een 
wit poeder achterblijft. Iets dergelijks nu geschiedt ook in de orga- 
nische ligchamen; de daarin voorhanden stoffen oefenen op elkan- 
der voortdurend eenen scheikundigen invloed uit, welke onmisbaar 
is voor het leven; maak dien ouderlingen invloed onmogelijk door 
onttrekking van het water, en de bestaande stoffen blijven in elkan- 
ders tegenwoordigheid , even onveranderd als de kristallen der twee 
zoo even genoemde zouten. Tevens echter verklaart het zich nu 
waarom de dood niet daarvan het onmiddellijk gevolg is. Voor 
alle organische wezens is hij de noodzakelijke eindpaal, maar dien 
zij in den regel eerst bereiken , nadat er bij hen eene bepaalde reeks 
van vorm- en stof veranderingen heeft plaats gegrepen. Vorm- en 
stofverandering gaan ook voort, wanneer de dood is ingetreden, en 
daartoe is vloeibaarheid van een deel der stof evenzeer een ver- 
eischte als voor den geregelden gang der levensverschijnselen. Maar 
breek die levensverrigtingen plotseling af, doch zoo, dat de vorm, 
dat is het geheele maaksel der organen, en tevens de scheikundige za- 
menstelling onveranderd zijn , en door den aard der omstandigheden 
noodwendig onveranderd blijven moeten , — en zoodra de vroegere 
toestand hersteld is, zal het leven zijnen vroegeren loop hervatten , 



— 172 — 

dat is, de vorm- eii stofveranderingen, welke er het wezen van uit- 
maken, zullen weder aanvangen op het punt, waar zij tijdelijk zijn 
afgebroken. Men kan derhalve eenen zaadkorrel, die honderde jaren 
zijn kiemvermogen bewaart, een raderdiertje, dat jaren lang op 
een glasplaatje verdroogd ligt, noch levend, noch dood noemen. 
Het zijn alleen organische wezens, die onder zekere daartoe noodige 
voorwaarden, levend kunnen worden, met andere woorden zij zijn 
levensvatbaar. Hoe lang die levensvatbaarheid duren kan , is eene 
zaak, die alleen door de ervaring kan worden uitgemaakt, maar 
niets is er tot nog toe dat ons verhindert aan te nemen , dat zij 
ouder gunstige omstandigheden, bepaaldelijk bij geheele afwezigheid 
van vocht in de omgevende lucht, tot eenen geheel onbepaalden 
tijd zoude kunnen verlengd worden. Anders is het echter gelegen 
met zulke organische wezens, wier sappen vloeibaar zijn en blijven, 
gelijk tijdens den winterslaap. Wel zagen wij, dat ook daarvan 
enkele goed waargenomen feiten bekend zijn , waarin het leven nog 
na verscheidene jaren bleef voortbestaan; doch daar alles, wat wij 
van de verschijnselen van het dierlijk leven weten, ons noopt, om 
hier slechts eene vertraging, maar geen volslagen stilstand der verrigtin- 
gen aan te nemen, zoo is daarmede noodzakelijk eene beperking 
van den levensduur verbonden. En toch worden er gevallen ver- 
haald, die, indien zij werkelijk waar zijn, tot een tegengesteld 
besluit zouden leiden, althans tot het aannemen van eenen levens- 
duur, welke schier met eenen geheel onbeperkten gelijk mag ge- 
steld worden. Wij moeten hier echter het veld der zuivere ervaring 
en dat der stellige kennis verlaten, om ons op eenen veel minder 
vasten bodem te begeven. Ook de natuurwetenschap heeft hare 
mythen en sagen, evenzeer als de geschiedenis; en terwijl het aan 
den geschiedkundigeti vaak gelukt de waarheid te herkennen, welke, 
hoe ook ingekleed en van vreemde bijvoegselen omgeven, aan eene 
mythe of sage ten grondslag ligt, evenzoo kunnen de bij het volk 
in omloop zijnde verhalen aangaande natuurverschijnselen , hoe vreemd 
en wonderbaar zij ook klinken mogen, toch eenige waarheid behel- 
zen, en een bedachtzaam natuurkundige zal zulke verhalen niet 
zonder nadere toetsing van hunne geloofwaardigheid geheel in den 



— 173 — 

wind slaan , alleen omdat zij nog niet passen in den kring onzer 
tegenwoordige kennis. Hij herinnert zich hierbij hoe het weinig 
meer dan eene halve eeuw geleden is, sedert chladni bewees, dat 
het vallen van steenen uit de lucht, hetwelk men tot dusver voor 
een volkssprookje gehouden had, inderdaad eene waarheid is, en 
dat vóór nog slechts weinige jaren boutigny toonde, hoe een 
ander volkssprookje, dat een mensch namelijk zonder letsel zijne 
handen in gesmolten lood en zelfs in gloeijend gesmolten ijzer kan 
steken, werkelijk door de ervaring bevestigd wordt. 

Ik bedoel hier thans de verhalen aangaande padden, die gevonden 
zouden zijn niet alleen binnen in het hout van boomen , maar zelfs 
in vaste rotsgesteenten. Indien de zekerheid van een verschijnsel 
gelijken tred hield met het aantal van gevallen, waarin het gezegd 
wordt te zijn waargenomen, dan zoude men bezwaarlijk meer kunnen 
twijfelen aan de waarheid van het voorkomen van nog levende 
padden op zulke plaatsen. 

Sedert agkicola vóór meer dan twee eeuwen, namelijk in 1546, 
in zijn werk De anhnaUbus subterraneis het eerst een voorbeeld 
opteekende van eene levende pad, gevonden in eenen molensteen te 
Toulouse, tot aan het geval dat voor bijna drie jaren de Fransche 
Akademie 1) in beweging bragt, vindt men dergelijke feiten in groot 
aantal door verschillende schrijvers vermeld. 3) Doch zulke feiten 
mogen niet enkel geteld, maar zij moeten vooral gewogen worden. 
Hier, zoo ergens, is de toets eener scherpe kritiek noodig, en wendt 
men deze aan , dan bevindt men dat verreweg de meeste dier ge- 

\) Comptes rendtts, 21 Juillet 1851, T. XXXIII, p. 60. 

2) AcMer het rapport der door de Akademie benoemde commissie (z. Compt. rendus, 
XXXIII, p. 112) vindt men eene lijst van een dertigtal schrijvers over dit onderwerp. De 
meeste van deze gevallen zijn reeds verzameld doorcuETTAKD in zijne Mémoires 1783, 
ï. IV, p. 615 — 684. C. DUMERIL heeft in ziyae Erpétologie générale 1841, T. VIII, 
p. 172, een overzigt der meesten gegeven. In de VUgezochie Verhandelingen enz. Dl. VIII, 
in 17G3 te Amsterdam bij houttuijn verschenen , komt op hl. 506 eene vertaling voor 
getiteld : Berigt wegens een levende pad , welke men in Gothland bij Burswik in vaste 
en digte steenen, bij de acht ellen diep in eene steengroeve gevonden heeft, door 
Dr. JOHAN piKL overgenomen uit de Abhandlungen der Königl. Schwed. Acad. 1741 , 
p. 285. Deze verhandeling is vergezeld van eene plaat, voorstellende de pad zoo als zij 
in de steengroeve gevonden werd. 



— 174 — 

vallen daaraan geenen wederstand kunnen bieden. Nagenoeg altijd 
is het enkel de getuigenis van werklieden , van houthakkers , 
steenhouwers, mijnwerkers enz., waarop het geheele verhaal berust; 
en, indien men ook al opzettelijk bedrog wil buitensluiten, dan is 
het toch te zeer bekend hoe groot de overhelling tot het geloof aan 
wonderbare ongehoorde zaken bij vele dezer lieden is, om die ge- 
tuigenis te beschouwen als afkomstig van personen , die onbevoor- 
oordeeld genoeg waren om tot eene juiste waarneming in staat te 
zijn. Ook schijnt het, alsof in sommige dier gevallen, althans in 
Frankrijk, de dubbele beteekenis van het woord crapand aanleiding 
heeft gegeven tot eene verwarring van naam. Het woord crapaud 
zoude namelijk bij de steenhouwers aldaar ook eenvoudig eene holte 
in eenen steen aanduiden, welke bij het doorklieven te voorschijn 
komt, en waardoor de fraaiheid en bij gevolg de waarde van den 
steen verminderd wordt i), op eene dergelijke wijze derhalve als onze 
houtkoopers en timmerlieden gewoon zijn den naam van "paardenhoe- 
ven" en van "uilenveeren" aan zekere gebreken in het hout te geven. 
Doch zelfs indien men alle die gevallen uitzondert, waar hetzij 
naamsverwarring of zelfmisleiding aanleiding tot het sprookje kunnen 
gegeven hebben , zoo is het toch niet te ontkennen , dat er nog 
enkele overblijven, welke hierdoor niet alleen te verklaren zijn. Het 
opmerkelijkst is in dit opzigt wel het reeds genoemde onlangs aan 
de Fransche Akademie medegedeelde, en hetwelk door eene com- 
missie, bestaande uit de H. H. elie de beaumont , ploukens, milne 
EDWARDs en DUMEKII. op de plaats zelve onderzocht is. Bij het 
boren van eenen put in de nabijheid van Blois was op de diepte van 
20 ellen onder den grond een keisteen gevonden, welke, door een 
der werklieden in twee stukken geslagen, bleek eene levende pad te 
bevatten, aldaar besloten in eene holte, nagenoeg juist beantwoor- 
dende aan den omvang van het dier. Het zoude ons te ver leiden 
indien wij hier alle de bijzonderheden van het door de commissie 
in het werk gestelde onderzoek wilden vermelden. Genoeg zij het 
hier aan te stippen, dat zij, op de plaats gekomen zijnde, de nog 
levende pad (behoorende tot eene in Frankrijk zeer gemeeue ook 

1) Zie hierover vallot in de Rcoue Brittannique 1849, I, p. 747. 



— 175 



hier te lande voorkomende soort, Bufo vindis) m de holte van 
den steen gezien hebben , dat zij te vergeefs naar eenig spoor hebben 
gezocht van eene spleet of opening die daarin vroeger kon bestaan 
hebben, dat de holte van binnen met kalksteen bekleed was, en — 
hetgeen inzonderheid opmerking 'verdient — dat ter plaatse, waar 
de kop met den binnenwand van dien kalksteen in aanraking was 
geweest, een indruk van dit deel in den steen zigtbaar was. 

Heeft hier desniettegenstaande een opzettelijk bedrog plaats ge- 
had? De mogelijkheid daarvan kan niet worden geloochend, of- 
schoon het uit het geheele verslag der commissie blijkt, dat zij dit 
niet aanneemt, maar integendeel het er voor houdt, dat de steen 
met de levende pad daarin op gemelde diepte gevonden is. 

Gesteld nu dat er werkelijk zulke gevallen voorkomen , dan ont- 
staat de vraag: hoe lang kan zulk een dier in dien opgesloten 
toestand verkeerd hebben? Waar zij binnen in boomen gevonden 
zijn, kan het aantal der jaarringen om de plaats heen, waar het 
dier zich ophoudt, deze vraag beantwoorden. Eichakd bradley, 
de beroemde sterrekundige , is eenmaal ooggetuige geweest , dat men 
eene pad vond in het midden of het zoogenaamde hart van eenen 
dikken eikenboom. Seigne vermeldt er een, die, te oordeelen naar 
de dikte der omgevende houtlagen , 80 tot 100 jaren daarin gevangen 
was geweest. Dat nu padden in opene spleten of holten van boomen 
kruipen, om daar haren gewonen winterslaap te houden, is niets 
vreemds. Evenzeer bestaat de mogelijkheid, dat zij er later door 
een of ander toeval in moeten achterblijven, en dat dan de nieuwe 
hout- en bastlagen eindigen met het dier geheel te overdekken, 
gelijk JESSE 1) dit werkelijk eenmaal gezien heeft aan eenen moer- 
bezieboom , waarin eene pad , ter plaatse waar de boom zich in twee 
groote takken splitste, door de reeds over haar heengegroeide bast 
zoo vast besloten zat, dat zij er niet meer uit kon komen, en er 
eindelijk geheel door opgesloten werd. 

Doch zelfs al toegegeven, dat in zulke gevallen werkelijk de win- 
terslaap, die gewoonlijk slechts eenige maanden duurt, kan verlengd 
worden tot den tijd die noodig is voor de vorming van een tachtig- 

1) Revue brittannique 1849, T. I, p. 633. 



— 176 — 

of honderdtal jaarringen, dan is de sprong nog verbazend groot, 
om daaruit te besluiten tot de mogelijkheid van het bestaan van 
levende padden in rotsgesteenten , waarvan de duur niet met jaren, 
maar met duizendtallen van jaren, ja met duizendtallen van eeuwen 
gemeten wordt. Zoo b. v. zoude men in eene steenkolenmijn te 
Penydouan in Zuid-Wallis op eene diepte van 105 voeten zulk een 
dier in de kolenblende gevonden hebben! i) Inderdaad het is te 
begrijpen , hoe ieder , die slechts eenige voorstelling heeft van de verba- 
zend lange tijdruimte, welke het steenkolentijdperk van het onze scheidt, 
zulk eene bewering, zonder omwegen, onder de fabelen rangschikt. 
Maar toch — de meeste mythen en sagen hebben, gelijk wij reeds 
opmerkten, eenige waarheid tot grondslag, en gewigtig is in elk 
geval de beantwoording der vraag: hoe lang kunnen padden, binnen 
eene vaste steenmassa besloten, haar sluimerend leven voortzetten? 
Eeeds voorlang hebben de natuurkundigen dit ook ingezien, en 
proeven in het werk gesteld om tot de oplossing van dit vraagstuk 
te geraken. In 1770 werd bij het afbreken van eenen muur te Raincy 
eene levende pad gevonden binnen in gips of pleister , welke daarin 
omstreeks 40 jaren zoude bevat geweest zijn. Hérissanï, lid der 
Pransche Akademie, ontving dit dier van den Hertog van Orleans, 
en sloot daarop een aantal padden in gips op, waarvan er verscheidene 
meer dan achttien maanden geleefd hebben. ~) Dergelijke proeven 
zijn later met gelijk gevolg herhaald door w. edwards. 3) Buckland 
sloot mede een aantal dezer dieren in zandsteen en in eenen poreuzen 
kalksteen op, en begroef hen verders in zijnen tuin. Na verloop 
van ruim een jaar werden zij opgegraven en bleek het, dat de in 
zandsteen beslotene dood en verrot , die in kalksteen nog levend doch 
zeer vermagerd waren , waaruit hij besluit dat zij niet lang meer 
zouden geleefd hebben. 4) Het volgende feit bewijst echter dat padden, 
op eene dergelijke wijze in gips besloten, veel langer in het leven 
kunnen blijven. Bij gelegenheid der zoo even vermelde vondst van 



1) Vermeld in goeppekt's bekroonde prijsverhandeling over de steenkolenvorming , 
in Naimirk. Verhand. van de Holl. Maats, der Wetens, te Haarlem, 2e Verz. 184S. p. 99. 

2) GuETTARD, Mémoires, T. IV p. G15. 3) Influence des agents pliysiques, p. 13. 
*) Revue iriitannigue 1849, I. p. 635. 



— 177 — 

eene pad in eenen keisteen te Blois deelde de Hoogleeraar séguin, 
correspondent der Transche Akademie , aan haar mede , dat hij eenige 
jaren vroeger een aantal padden in gips had opgesloten. Na een 
tijdsbestek, waarvan hij den duur niet juist meer vermogt op te 
geven, maar dat minstens vijf of zes, mogelijk zelfs tien jaren be- 
dragen had, vond hij nog een dezer dieren levend. Zoodra de gips 
verbroken was sprong de pad uit hare naauwe gevangenis en hernam 
hare gewone bewegingen , alsof er niets gebeurd ware. 1) 

De uitkomst dezer laatste proefneming is voorzeker hoogst 
merkwaardig, terwijl zij tevens aanmoedigt tot het herhalen van 
dergelijke proeven, ten einde te beslissen of het ook mogelijk is het 
leven van padden in gips nog langer te rekken, dan het reeds aan 
SEGUIN gelukt was. Het is om die reden, dat ik op den 10 Augus- 
tus en den 4 October 1852 in tegenwoordigheid en met hulp 
van eenige mijner vrienden , allen mannen wier naam alleen een 
voldoende waarborg is voor de juistheid en zekerheid van het waar- 
genomene, een getal van 40 padden in gips besloten heb, sommige 
in spanen doozen, andere in potten en glazen, terwijl bij eenige der 
laatsten bovendien de oppervlakte van de gips bedekt werd met eene 
laag van was en terpenthijnolie, ten einde allen toegang der lucht 
af te sluiten , en aldus uit te maken , in hoe verre deze al dan niet 
gunstig werkt op het in stand houden van het leven der dieren. 
De op het laatstgenoemde tijdstip begraven padden, ten getale van 
negen, verkeerden in den toestand van winterslaap; de vroeger begra- 
vene natuurlijk niet. Alle deze doozen , potten en glazen zijn voorzien 
van de zegels van twee der tegenwoordig geweest zijnde personen , 
en vervolgens geplaatst in eene gesloten kist in eenen kelder, waar 
de luchtwarmte winter en zomer tamelijk gelijk blijft. Den 27 Ja- 
nuarij van dit jaar (1854) werden er drie geopend, en de dieren 
dood bevonden. Er is toen besloten, ook de overigen te openen, 
gelijk dan ook geschied is op den 9 Maart j. 1. in tegenwoordigheid 
derzelfde heeren, die ook de begrafenis hadden bijgewoond. Daar- 
bij is gebleken, dat alle de padden dood waren, en zelfs droegen 



1) Comptes rendus , XXXIII, p. 30Ü. 



— 178 — 

de overblijfselen van nagenoeg allen de blijken, dat zij reeds voor zeer 
langen tijd dood waren geweest. 

De uitkomst dezer proef stemt derhalve niet overeen met hetgeen 
de bovengenoemden bij gelijksoortige proeven gevonden hebben. Doch 
het zoude voorzeker hoogst onjuist zijn uit deze hier verkregen ontken- 
nende uitkomst het stellige besluit af te leiden, dat padden in zulk eenen 
opgesloten toestand nimmer lang leven kunnen. Het spreekt namelijk 
van zelf, dat daartoe zekere gunstige, ten deele welligt nog onbekende 
voorwaarden vereischt worden, van welker vervulling het welslagen der 
proef noodzakelijk afhangt. 

Hoe het zij, zeker is het dat wij alleen op dien weg , den weg van zui- 
vere onvervalschte ervaring, hopen kunnen de duisternis te verdrijven, 
waarin het vraagstuk, dat ons hier bezig hield, nog steeds gehuld is. 
Slechts hij, die eene oppervlakkige kennis van de natuur en hare ver- 
schijnselen heeft, is spoedig geneigd, om alles voor ongerijmd en onmo- 
gelijk te verklaren, wat aandruischt tegen hetgeen hij gewoon is als 
onveranderlijke, onomstootelijke natuurwetten te beschouwen; doch 
hij , die eenen dieperen blik heeft geslagen in de ons omringende 
schepping, die weet hoe betrekkelijk gering onze kennis nog is in 
verhouding tot het groote geheel dat te kennen valt, die bekend 
is met de geschiedenis der natuurwetenschappen en daaruit geleerd 
heeft, hoe veranderlijk het begrip der zoogenaamde natuurwetten is, 
omdat deze noodzakelijk slechts de slotsom uitdrukken der op dat 
tijdstip verkregen ervaring, — hij aarzelt langer, alvorens de waarheid 
van eene zaak , hoe vreemd en zonderling ook , voor onmogelijk 
te verklaren en haar bepaald te verwerpen. Even ver verwijderd 
van ligtgeloovigheid , die tot bijgeloof leidt, als van het ongeloof, 
dat voortvloeit uit eene te hooge schatting van eigen kennis, is 
hij, wel is waar, overtuigd, dat de natuur volgens vaste wetten be- 
heerscht wordt, doch, terwijl hij streeft om deze nader en nader 
te leeren kennen, vergeet hij daarbij nimmer zijne eigene beperkt- 
heid en zwakheid , noch de grootheid en de almagt des Wetgevers. 



NOG IETS OVER DE MIEREN 



ZUID-AMERIKA. 



G. M. E. VEE HUELL. 



JdLet was de episode uit liet reisverhaal van den beroemden ge- 
leerden R. sCHOMBUKGK, Waarin hij beschrijft, hoe hij in een 
woud van Britsch-Guiana een digten , dikken drom van mieren 
ontmoette,!) die mij eenige bijzonderheden omtrent eene soort van 
mieren, voorkomende in hetzelfde werelddeel, en wel in Brazilië, 
voor den geest terugvoerde. 

Nu bijna eene halve eeuw geleden , bragt ik ongeveer drie jaren 
als krijgsgevangen te St. Salvador, in de Baai van Allerheiligen 
op de kust van Brazilië door. 2) Vreemd en trefi'end was de indruk, 
dien de heerlijke natuur en alles wat mij omringde op mijn jeugdig 
gemoed maakten, en deze wekten met klimmenden ijver de aange- 
boren zucht naar vermeerdering der kennis van de natuur en mijne 
liefhebberij voor de teekenkunst op. Treiï'ende natuurtafereelen , voor- 
werpen uit het dieren- en plantenrijk, trachtte ik, zoo goed mogelijk, 
af te beelden. Zoo werd dan ook mijne belangstelling opgewekt door 
eene soort van mieren, die, onder den naam van Formiga de Manioc, 
in deze gewesten eene wezenlijke landplaag is. Van dit insekt ver- 
vaardigde ik afbeeldingen naar de natuur. In de figuur stelt a eene 
vrouwelijke, h eene mannelijke mier voor; beiden zijn rood-bruin 
van kleur, de groote knijpers zijn glimmend zwart, van eene 



1) Zie Album der Natuur voor 1854, bladz. 92. 

2) In mijne Eerste zeereize omstandig beschreven. 

11 



— 180 — 



harde horenachtige zelfstandigheid. Het schijnt, dat in den buiten- 
gewoon groeten kop van het dier al de spieren zich vereenigen, 




om aan dat wapen eene geduchte kracht te geven, waartegen geen 
bladsteel of stengej bestand is. — De pooten, vooral bij de man- 
nelijke, zijn vrij lang, naar evenredigheid van het kleine en slanke 
ligchaam, zoodat zij zich hoog op kunnen rigten bij het torschen 
harer prooi, meestal uit boom- en plantenbladeren bestaande. Zij 
loopen zeer snel. Het wijfje is minder sterk van gebit, trager in 
hare bewegingen en zweeft met eene logge ritselende vlugt, ge- 
durende een zeker tijdvak van het jaar, overal, in vrij groote 
menigte, door het lage struikgewas en over de vlakten rond; en 



- 181 — 

daar iedere wijfjesmier de moeder wordt van een' geheelen zwerm , 
verwonderde het mij , die menigte van wijfjes in aanmerking nemende, 
dat deze mierensoort niet meer verwoestingen aanrigt, iets dat ook 
voorzeker het geval zoude zijn , indien de altoos zorgende natuur niet 
steeds het evenwigt trachtte te herstellen, door vele vogelsoorten 
op deze insekten bij voorkeur te doen azen , en er eene groote me- 
nigte van te laten verslinden , zooals ik meermalen heb waargenomen. 
ScHOMBURGK noemt zijne mieren "trekmieren" {Wander-ameisen) 
en de twaalf tot zestien voet breede bruine streep, door den 
voorttrekken den zwerm gevormd, duidt de kleur van het insekt 
aan, overeenkomende met die van onze mier, althans indien het 
verschil tusschen de wijze van trekken niet aan twee verschil- 
lende soorten moet doen denken. De Formiga de w.anioc trekt, 
voor zoover mij bewust is, nimmer in massa, maar deze dieren volgen 
en kruisen elkander loopende, af en aan, in eene smalle rij van 
en naar hunne holen , als onze gewone mieren. Vallen deze vernielende 
insekten den een of anderen boom of een plantsoen aan , zij ver- 
laten het niet, dan nadat al het gebladerte is afofeknaasd en wei^- 
gevoerd. Dikwijls sloeg ik met belangstelling hunne ijverige werk- 
zaamheden gade, en het was der moeite waard om te zien, hoe zij 
geheele vrij groote boombladeren op verschillende wijzen weten 
voort te torschen ; zij slepen ten dien einde het blad langs den grond 
achter zich voort, of het met de sterke knijpers aan den kant opgevat 
hebbende, zoodat het naar achteren gerigt overeind blijft staan, rennen 
zij er vlug op hooge pooten mede voort. Gaat de togt over eene vlakte, 
en worden zij nu en dan door eene windvlaag overvallen, dan is de 
geringe zwaarte van de mier niet bij magte om tegenstand te bieden 
aan het veel windvang hebbende blad; het insekt wordt nu al tui- 
melende, holder'de bolder, door den wind weggevoerd ; doch bij ieder 
oogenblik van kalmte het blad weder oprigtende en bij verheffing van 
wind op nieuw gestoord , wordt het evenwel daardoor niet ontmoedigd , 
maar houdt in den kamp vol , en verlaat de prooi niet , tot dat eindelijk 
eene stilte van langeren duur , of ook wel een andere stand , dien het 
blad toevallig bij de Avorsteling verkregen heeft, het veroorlooft om 
dadelijk zonder aarzelen de rigting naar het algeineene trekpad in te 



— 182 — 

slaan; en ik zag tot mijne verwondering, dat verscheidene op diezelfde 
wijze afgedwaalde mieren, hoewel de afstand vrij groot en gras en andere 
planten tusschen beiden hinderpalen schenen te zijn, toch allen den reg- 
ten weg wisten terug te vinden. Ik meen te hebben opgemerkt, dat zij 
gedurende den nacht het ijverigste en bedrijvigste schijnen te zijn ; 
doorgaans ontbladeren zij in eenen nacht een' boom of verwoesten 
een geheel plantsoen. De Maniocvelden zijn het meest aan hare 
roofzucht blootgesteld, en de schade, die zij aan dat voor deze 
gewesten zoo nuttig gewas toebrengen, heeft aanleiding gegeven 
om haar naar deze plant te noemen. Het volgende kan tot een 
staaltje dienen van den spoed, waarmede dezeroofinsekten te werk gaan. 

Inwonende bij wijlen mijnen vriend en toenmaligen bevelhebber 
den kapitein ter zee kreekef, , op een klein buitenverblijf met een' 
tamelijk grooten tuin , nabij de stad St. Salvador gelegen , erlangde 
deze mijn vriend van een Engelsch handelaar eene vrij aanzienlijke 
hoeveelheid aardappelen , met het doel om te beproeven of dit gewas 
in deze gewesten zou kunnen tieren. Na een kort verloop van 
tijd schoten zij in weelderigen groei op en beloofden veel, Ik had 
uit mijne slaapkamer, bijna onder het venster, het volle gezigt op 
ons plantsoen, dat ik voor zonsondergang, omstreeks zes uren, nog 
bezocht en in goeden welstand verlaten had , toen ik omstreeks elf uren 
mij ter ruste willende begeven, toevallig naar buiten ziende, bij het 
schemerende sterrelicht ontwaarde, dat de hoog opgeschoten planten 
verdwenen waren. Ik gaf er mijnen bevelhebber kennis van, en wij 
verkeerden in het denkbeeld, dat een of ander kwaadwillige die 
verwoesting had aangerigt. Bij nader onderzoek bleek het echter, dat 
de Forniigas de inanioc ^ in dien tusschentijd, alles naar hun roof hol 
hadden gesleept en nog bezig waren met de kleinste sprankjes weg 
te voeren. Bij het aanbreken van den dag was er geen spoor van 
het heirleger roovers te ontdekken. 

Heeft de scherpziende natuuronderzoeker niet dikwijls met ver- 
bazing zekere geheimzinnige onverklaarbare eigenschappen, zelfs 
bij de nietigste insekten waargenomen, die aan zekere, alleen dat 
schepsel eigene zintuigen doen denken, welke het geschikt maken om 
in allen deele aan deszelfs bestemming als een schakel van de on- 



— 183 — 

eindige keten, die al het gescliaj^ene aan elkander verbindt, te 
voldoen , en welke zintuigen gewoonlijk onder de algemeene bena- 
ming van "instinct" worden inede begrepen ? Dat ook de Formiga 
de manioc met zulk een instinct, eene natuurdrift, of hoe men het 
noemen wil , begaafd is , daartoe kan het volgende ten bewijze strekken. 

Op zekeren avond, dat ik met mijnen vriend en lotgenoot, den 
heer J. c. baud, in onze kleine woning van de Praija of beneden- 
stad te St. Salvador, gerust te zamen aan de oevers van de baai 
zat, vernamen wij, zonder er bijzonder acht op te slaan, een 
geritsel in den hoek van het vertrek , waar een blikken trommel met 
onzen voorraad maniocmeel stond. Op eens deed een gevoelige 
kneep in een' mijner voeten mij opspringen, en nu ontdekten wij 
QQmgQ Formig as de manioc , heen en weer kruipende over den steenen 
vloer, alsof zij veldontdekkers waren van een talrijk leger, ijverig 
bezig ons maniocmeel uit den trommel , die met een kier open 
stond, in eene geregelde processie naar eene opening in den grond 
tusschen de vloersteenen, korreltje voor korreltje te transporteren. 
Wij oordeelden het niet raadzaam de lange, digt op één gedrongene, 
bruine, wemelende rij te storen, uit vrees dat zij zich zouden 
verspreiden en wrekende ons aanvallen. Wij bewoonden het beneden-, 
de eigenaar het bovenhuis, en wij besloten zijnen raad in te winnen, 
hoe ons van die ongenoode gasten te ontdoen. Spoedig trad hij 
binnen , gevolgd door een paar negers , ieder met een bundel drooge 
palm- of cocosbladeren ; hij zelf droeg een pot met heet gemaakte 
teer; op zijn bevel werden de bladeren in brand gestoken, terwijl 
gelijktijdig de gloeijende teer in het hol werd gestort; in één 
oogenblik was de orde onder de mieren verbroken; zij ontkwamen 
het echter niet, daar de negers de vlammen langs den vloer zwaaijende 
allen verschroeiden; tegen de teer konden de zich in den grond 
bevindende mieren niet opklauteren. Wij bedankten onzen huisheer 
voor de genomene moeite, en bragten nog eenigen tijd door met 
het dooden der enkele nog overfireblevenen. 

Het is opmerkingswaardig, hoe die mieren, daar onze woning van 
achteren bijna tegen den steilen bergrug, en voor aan den smallen 
strandweg uitkwam , door den grond hebben moeten heenwerken , om 



— 184 — 

juist ter plaatse van een afgebroken lioek van een der vloersteenen 
zich eenen doortogt te banen. Hoe zijn zij gewaar geworden dat 
er een door hen geliefkoosd voedsel in een vertrek, en bovendien 
in een trommel aanwezig was? Doet dit niet aan een hun eigen 
zintuig denken ? 

Heeft men op het noordelijk halfrond met schadelijke insekten , 
b. V. meikevers, rupsen enz. te kampen, en alle mogelijke middelen 
bedacht om die plagen te keer te gaan , zoo zijn de inboorlingen der 
keerkringsgewesten er insgelijks op uit, om de verwoestingen, die deze 
mieren aanrigten , te stuiten. Ontwaart men eenen zwerm Formigas de 
manioc, en is de opening van den onderaardschen gang opgespoord , 
die naar hunne citade voert , — zoo als de voorraadschuur en broei- 
plaats tevens, een aantal voeten diep in den grond, genoemd wordt, — 
dan delft men de monding van het hol dieper en wijder uit, plaatster 
vervolgens twee gewone dakpannen tegen elkander in, en stampt 
er de aarde omheen aan ; tusschen die pannen wordt zwavel steeds 
brandende gehouden en aangevuld, terwijl negerslaven elkander 
gedurende eenen geheelen dag aflossen, om door middel van een 
blaasbalg het vuur steeds te onderhouden; de zwaveldamp dringt 
derhalve al dieper en dieper door, en bereikt eindelijk den bodem 
of citade, waardoor het geheele gebroedsel verstikt. Ook worden 
nu en dan een aantal slaven aan het Averk gesteld , om eene citade 
op te graven , en alzoo eenen geheelen zwerm in eens en voor goed 
te vernietigen. 

Men verhaalde mij , dat eene zoodanige citade van vrij grooten 
omvang is en gevuld met boombladeren, en dat men er eijeren [of 
poppen ?] in vindt die langwerpig en wit van kleur zijn. 



HET GEWIGT VAN DEN AARDBOL. 



D. GROTHE. 



"JLs het gewigt des aardbols te bepalen ? Wie heeft ooit de aarde 
op eene weegschaal gelegd ? Ik voor inij houd het voor onmogelijk 
zulk een moeijelijk vraagstuk op te lossen." Zoo zal waarschijnlijk 
meer dan een lezer van het Album der Natuur spreken, vooral 
hij, die in de natuur- en werktuigkunde geene grondige kundig- 
heden heeft kunnen verzamelen. Echter is het met dit onder- 
werp als met vele anderen. Vertelt gij aan eenen onkundigen, 
dat men den afstand der zon van de aarde vrij naauwkeurig op 
20% millioenen geographische mijlen of ruim 26 millioen uren 
gaans heeft berekend, dan zal hij u ronduit verklaren, dat zoo- 
danige berekeningen niet uit te voeren zijn. Eene zonsverduistering 
te berekenen en de plaatsen op de aarde aan te wijzen, waarop bij 
dit verschijnsel de schaduw der maan moet vallen , is inderdaad 
een niet gemakkelijk vraagstuk, en voor allen, die geen begrip 
hebben van de verbazende magt der wiskundige wetenschappen , 
schijnbaar onoplosbaar. En toch heeft de ondervinding voor twee 
jaren ons weder moeten overtuigen , dat de sterrekundigen deze 
berekening met eene groote juistheid weten uit te voeren. Nog 
een zeer merkwaardig voorbeeld. De Eransche sterrekundige i.ever- 
RIEE, besloot uit zekere, naauwelijks waarneembare verschijnselen 
der planeet Uranus, dat er nog dieper in de oneindige ruimte, 
en wel op meer dan 600 millioen uren gaans van de zon, eene 
tot dusverre onbekend gebleven planeet moest bestaan. Hij bere- 
kende deze verschijnselen, en bepaalde op den verbazend grooten 
afstand van 1000 millioenen uren de kleine plek aan den hemel, 
waar men op eenen zekeren tijd met goede verrekijkers de planeet 
moest kunnen zien. En dat die berekening nagenoeg geheel juist 



■ — 186 — 

was bleek, want leverrier deelde zijne uitkomsten mede aan den 
sterrekundige gali,e te Berlijn, en op den avond van denzelfden 
dag was het onbekende hemelligchaam reeds gevonden. 

Deze voorbeelden kunnen bewijzen, tot welke verbazende hoogte 
de geest van den mensch zich kan 'ontwikkelen , indien men, door 
goed onderwijs voorbereid, zijne studiën met ijver voortzet en dan 
met standvastigheid en volharding een gesteld doel tracht te be- 
reiken. Doch niet alleen de plek aan den hemel, waar de nieuwe 
planeet zich moest bevinden, werd door die berekening aangewezen; 
ook haar gewigt volgde onmiddellijk daaruit. Wie zal zich thans 
nog verwonderen , wanneer beweerd wordt , dat het gewigt des 
aardbols berekend en betrekkelijk vrij naauwkeurig berekend is? 
Ook is de wijze hoe dit geschiedt geenszins zeer ingewikkeld en 
moeijelijk te begrijpen ; integendeel , ze is zoo eenvoudig dat een ieder 
er zich gemakkelijk mede kan bekend maken. Wij hebben daarom 
ook gemeend, dat dit onderwerp bij vele lezers belangstelling 
zoude opwekken, en zullen dus trachten, op de volgende blad- 
zijden zoo eenvoudig mogelijk de wijze der bepaling van het gewigt 
des aardbols te ontvouwen. 

Alvorens wij echter daarmede aanvangen , moeten wij eerst op 
een zeer eenvoudig natuurverschijnsel opmerkzaam maken, dat wel 
algemeen bekend is, maar toch zelden met oplettendheid wordt 
gade geslagen. Dit verschijnsel bestaat in het streven van alle 
ligchamen , zonder uitzondering, om zich naar elkander toe te be- 
wegen; een bewijs dat zij, zoo als men dit doorgaans uitdrukt, 
elkander aantrekken. Dat alle ligchamen door onzen aardbol aan- 
getrokken worden, bemerken wij ieder oogenblik, want juist deze 
aantrekking doet ze zich naar de aarde toe bewegen , zoodra zij daarin 
niet verhinderd worden ; juist deze aantrekking maakt ze zwaar. Om 
echter de aantrekking zigtbaar te maken , die twee kleine ligchamen , 
welke op eenigen afstand van elkaar geplaatst zijn , op elkander 
uitoefenen, dit is niet gemakkelijk en vereischt fijne en naauw- 
keurige werktuigen. Maar zoodanige proeven zijn eigenlijk overtollig. 
Ziet gij niet de waterdeeltjes der droppels zamenhangen; insge- 
lijks de droppels zelve aan de boomtakken en bladen .? Neemt 



— 187 — 

gij niet waar, dat uwe hand nat wordt als gij ze in het water 
dompelt? Stijgt niet de thee in een stuk suiker, de inkt in de 
pen, de olie in de lampenkousen op? En waarom dat? Omdat deze 
vloeistoffen door de ligchamen waarmede zij in aanraking zijn 
gebragt, aangetrokken worden. Maar de natuurkundigen, die 
hunne wetenschap op eenen vasten grondslag moeten opbouwen , 
hebben zich met zoodanige proeven niet kunnen vergenoegen , en 
derhalve met de fijnste en best bewerkte toestellen , onder inacht- 
neming der grootste zorg en naauwkeurigheid , nog andere proeven 
dienaangaande gedaan, en daarbij steeds de stelling bewaarheid ge- 
vonden, dat alle ligchamen elkander aantrehhen. 

Bij de genoemde naauwkeurige proeven heeft men echter nog 
meer opgemerkt. In de eerste plaats vertoonde zich de aantrek- 
kende werking des te grooter, naar gelang het aantrekkende lig- 
chaam een grooter gewigt bezat, zoodat dus een bol van twee 
ponden ook juist eene tweemaal zoo groote aantrekking uitoefende 
als eene andere bol vaneen pond. De stof, waaruit het aantrekkend 
ligchaam bestaat, heeft daarbij hoegenaamd geen invloed, en twee 
bollen van hetzelfde gewigt, de eene van lood, de andere van ijzer, 
hebben in dit opzigt gelijke werking. Deze door de ervaring vast- 
gestelde wet drukken wij op de volgende wijze in woorden uit: 

De aantrekking sJcr achten van twee ligchamen op gelijke afstanden 
van het aangetrokken ligcJiaam staan in dezelfde verhouding [in 
regte reden) als hunne gewigten. 

Ten tweede zag men de aantrekkingskracht verminderen , wanneer 
men het aantrekkend ligchaam verwijderde, zoo als ook moest 
verwacht worden ; want altijd zal de invloed, van welken aard ook, 
dien het eene op het andere uitoefent, met de vermeerdering van 
den afstand minder worden. Men zoude nu wel vermeenen, dat 
op den dubbelen afstand de aantrekkingskracht tweemaal kleiner, 
dus de helft, en op den drie- en viervoudigen afstand, slechts een 
derde en een vierde gedeelte van de vroegere, op den enkelen af- 
stand bestaande aantrekkingskracht moest zijn. Maar uit de proeven 
is dit niet gebleken; men moest veeleer daaruit besluiten, dat de 
aantrekkende werking met de vermeerdering van den afstand eene 



— 188 — 

betrekkelijk grootere vermindering ondergaat, daar op den dubbelen , 
drie- en viervoudigen afstand de aantrekkingskracht niet meer 
bedraagt dan ^/4, ^/g, Vig van de vroegere; en deze getallen zijn 
de tweede magten of vierkanten van ^/g, V3, ^4 die wij hadden 
verwacht. Deze verhouding was ook reeds veel vroeger, door den 
vermaarden Engelschen wiskundige i. newton, uit verschijnselen 
aan den sterrenhemel afgeleid. Deze tweede wet luidt derhalve: 

De aantrekkingskracht eeiis ligcJiaams op een ander vermindert 
in reden als de tweede magt des af stands vermeerdert. 

Thans zijn wij uitgerust, om tot de oplossing van het gestelde 
vraagstuk te kunnen overgaan. Wij houden ons nu overtuigd , dat 
een looden bol of elk ander willekeurig ligchaam op de oppervlakte 
der aarde , waar ook gelegen , aangetrokken wordt , en wel van alle 
deelen der aarde, echter niet van allen even sterk. Ten gevolge 
dezer aantrekkingskracht van alle deelen der aarde, valt de looden 
bol naar den grond, indien men hem niet ondersteunt, of hij 
drukt op een ander ligchaam , waarop hij rust , dat is te zeggen , 
hij bezit een gewigt, of hij spant eene koord of draad wanneer hij 
daaraan is opgehangen. Op de laatste wijze verkrijgt men het zoo- 
genaamde schietloody een schijnbaar nietig maar zeer gewigtig 
werktuigje, hetwelk op de gemakkelijkste wijze ons de lijn aan- 
wijst, waarin de aantrekkingskracht der aarde werkt en de lig- 
charaen trachten te vallen. Deze rigting is loodregt op de horizontale 
of waterpasse vlakte, die voor elke plaats door den spiegel eener 
rustende vloeistof wordt aangewezen , en , in zoover als de aarde 
als bolvormig mag beschouwd worden, gaat de lijn, door den 
draad van het schietlood bepaald, verlengd zijnde, door het mid- 
delpunt der aarde. Eene zeer onbeduidende afwijking heeft plaats 
op alle plaatsen tu^chen den evenaar en de polen, uithoofde dat 
de aarde aan de polen afgeplat is en tevens omwentelt. 

Eene soortgelijke afwijking van de loodlijn moet ook plaats 
hebben, wanneer in de nabijheid van het schietlood, bezijden de 
loodlijn, aan den eenen kant meer aantrekkende stofdeelen zijn 
opgehoopt, die eene wijziging der gezamenlijke aantrekkingskracht 
moeten teweeg brengen. Onderstellen wij namelijk, dat in eene 



189 ~ 



vlakke streek, ver van bergen en andere verheven voorwerpen, een 
schietlood vrij naar beneden hangt, dan zal de draad regthoekig, 
dat is , loodregt zijn op den horizon , of ten naastenbij in de rig- 
ting naar het middelpunt der aarde. Wat zoude er nu gebeuren, 
indien er op eens eene aanzienlijke bergmassa in deze streek, niet 
te ver van het schietlood verwijderd, uit den grond oprees, zoo 
als zulks in vulkanische landen somtijds werkelijk geschiedt? Uit 
de straks genoemde wetten der aantrekkingskracht volgt noodwen- 
dig , dat de bol van het schietlood meer of min in de rigting naar 
dezen berg toe zich zoude bewegen, en wel des te meer, naar 
gelang dat de berg meer weegt of de afstand minder wordt. Door 
deze beweging des bols naar den berg toe, komt echter het koord 
waaraan de bol hangt, uit de loodregte rigting, met andere woorden, 
het hangt niet meer loodregt, maar schuinshellende naar den opge- 
rezen berg. En juist hetzelfde verschijnsel moet zich voordoen, 
wanneer men opzettelijke proeven doet met een schietlood, in de 
nabijheid van reeds bestaande bergkegels. Men zal daarvan nog een 
duidelijker denkbeeld verkrijgen door de beschouwing der bijge- 
voegde figuur, waarin a b een 
gedeelte der oppervlakte van de 




bolvormige aarde voorstelt, op 
hetwelk een meer of minder 
aanzienlijke berg c rust. Be- 
stond die berg niet, was dus 
de wrond effen in de rigting der kromme vlakte a h , dan zouden 
schietlooden , in de punten rZen e opgehangen, de loodregte rigting 
aannemen en de draden zouden verlengd in het middelpunt der 
aarde elkander ontmoeten. Maar door de inwerking van den berg 



m. 



c moet het schietlood in d eene rigting verkrijgen zoo als d 
terwijl het in e geplaatste die van de lijn en aanneemt. Wij ver- 
meenen , dat dit duidelijk genoeg is , om geene verdere toelichting 
te behoeven. Zien wij nu, of men in staat is, deze afwijking te 
bepalen en of men daardoor tot die uitkomst kan geraken, welke 

men verlangt. 

Veronderstellen wij een zoo klein gedeelte van den aardbodem, 



— 190 




ó '?//^ 




dat het als een plat vlak kan beschouwd worden , zoo als AB in 

figuur 2 , dan zijn de rig- 
.-•'■" tingen van het schietlood 

..-''" in den e beiden loodregt 

,.-■' op dit vlak en derhalve 

.-••'' onderling evenwijdig. Ne- 

..-'' f". men wij aan , dat in de 

.. ■' punten d en e twee ver- 

rekijkers zijn geplaatst 
en beiden gerigt op eene 
en dezelfde vaste ster, 
dan zal wegens den ver- 
bazende afstand der vaste 
^^^^^^^i^^^^^^^^^^^^^^^^^i ster , ook de as van den 
eenen verrekijker evenwijdig moeten zijn met de as van den ande- 
ren kijker, of de lijn d s evenwijdig aan e t. Hieruit volgt nu , dat het 
schietlood in de beide plaatsen met de verrekijkers twee hoeken x 
en y vormt, die onderling gelijk zijn. Deze gelijkheid heeft ech- 
ter niet meer plaats, indien de oppervlakte A S te groot is, om 
nog als een plat vlak te kunnen worden aangezien. Het verschil 
dat bestaat, laat zich intusschen uit den afstand ^^ e en den straal 
des aardbols gemakkelijk berekenen. 

Nemen wij thans het eenvoudigste geval aan, dat is, dat de 
hoeken xy gelijk zijn, en verbeelden wij ons vervolgens, dat er 
tusschen de beide kijkers in d en e de berg c der figaur 1 geplaatst 
wordt. Het schietlood in d verkrijgt dan de rigting dm en dat 
in e de rigting en. Men zal aanstonds zien, dat dan de hoek x 
grooter en de hoek y kleiner moet worden. Bevindt zich bovendien 
de berg juist in het* midden van d en e, dan zullen ook de beide 
afwijkingen van de loodlijnen gelijk zijn, en deze afwijking zal 
klaarblijkelijk gelijk zijn aan het halve verschil der beide hoeken, 
die nu door de draden der schietlooden met de as van de verre- 
kijkers gevormd worden. 

Dit is de manier, om na te gaan, of er eene afwijking van het 
schietlood in de nabijheid van enkele bergtoppen bestaat en hoe- 



— 191 — 

veel die bedraagt. Zij is het eerst in toepassing gebragt door den 
Engelschen sterrekundige maskelyne, die daaromtrent proeven 
deed in de nabijheid van den bergketen Shehallien in Schotland, 
een gebergte , dat zich van het westen naar het oosten uitbreidt , 
zoo dat hij, om de afwijking waar te nemen, zijne toestellen ten 
noorden en ten zuiden moest opstellen. 

Nadat door zoodanige proeven de schuinsche rigting van het 
schietlood bewezen is , moet verder onderzocht worden , waardoor 
die is voortgebragt. Uit de bovengenoemde grondwetten volgt, 
dat alle enkele deelen , waaruit de berg bestaat , daartoe mede- 
werken ; maar daar toch de bol van het schietlood niet aan de 
werking van elk deeltje in het bijzonder kan voldoen, zoo zal er 
een punt in den berg bestaan, dat als de plaatsvervanger van alle 
overige kan gelden , en in welks rigting de bol zich dan moet be- 
wegen. Dit punt is het middelpunt, of beter, het zwaartepunt van 
den geheelen berg. Wanneer men dan door naauwkeurige opme- 
tingen van den berg deszelfs inhoud heeft bepaald, dan zal men, 
onder inachtneming van den aard en het soortelijke gewigt der 
rotssoorten, waaruit de berg is zamengesteld, eensdeels dit zwaarte- 
punt en anderdeels ook het eigenlijke gewigt in willekeurige een- 
heden, b. V. Nederlandsche ponden, kunnen uitdrukken. Door deze, 
wel is waar vrij omslagtige en moeijelijke bepalingen, leert men 
dus de hoegrootheid kennen zoowel van den afstand van het aan- 
trekkende zwaartepunt tot aan het schietlood, als van het gewigt 
van het aantrekkende ligchaam of den berg, welke beide gegevens 
noodig zijn ter bepaling van de hoegrootheid der aantrekkings- 
kracht, die de berg uitoefent. 

^- Maar daarenboven is nog iets te bepalen, 
en dit is ook het laatste. Hangt het schiet- 
lood in het punt cl fig. 3 , en is het alleen 
onderworpen aan de zwaartekracht der aarde , 
dan zoude het de loodregte rigting ^^ aan- 
nemen. Bezat de aarde geene aantrekkings- 
^ kracht, en was de bol van het werktuig 

slechts onderhevig aan de aantrekking des 



cl, o 



— 192 — 

bergs, dan moest de draad in de rigting naar het zwaartepunt 
van den berg, nagenoeg horizontaal, dus in de lijn di komen, 
wanneer de berg aan de regterzijde van de figuur ondersteld wordt 
te zijn. Door de vereenigde werking beider krachten, neemt de draad 
de schuinsche rigting dl aan. Uit de eerste wetten der werktuig- 
kunde volgt, dat, indien men de lijn hl evenwijdig aan de lijn 
di trekt, de verhouding der lijnen dh en hl ook de verhouding 
der beide straks genoemde krachten uitdrukt. Deze verhouding 
van hl tot dJi wordt echter zeer gemakkelijk uit den afwijkings- 
hoek h d l berekend, die door de boven opgestelde handelwijze 
gevonden is. Wij maken hieruit op, dat de aantrekkingskracht 
des bergs zich verhoudt tot de geheele zwaartekracht als de bekende 
lijnen hl en dh. Maar beide krachten staan nog tot elkander in 
de zamengestelde reden van, ten eerste, het gewigt des bergs tot 
het gewigt der aarde ; en ten tweede omgekeerd , als de afstand 
van het zwaartepunt des bergs en de afstand van het middelpunt 
der aarde tot aan het schietlood. In deze eenvoudige evenredig- 
heid , welker oplossing op een gemakkelijk vraagstuk des regels 
van drieën nederkomt , is alles gegeven , behalve het gewigt der 
aarde, hetgeen daaruit wordt gevonden. 

Deelen wij ten slotte nog mede, wat de uitkomsten zijn geweest 
van deze moeijelijke proeven, gedaan door maskelyne in de jaren 
van 1774 tot 1776. Alle omstandigheden naauwkeurig in aanmer- 
king genomen, in welker bijzonderheden wij hier niet willen treden, 
berekende men uit de verkregen uitkomsten , dat de geheele aarde 
gemiddeld 1,8 maal zwaarder moest zijn, dan een even groote in- 
houd van de rotsmassa, waaruit de berg bestaat. Wij zullen dit 
noir trachten duideliiker te maken. Het is bekend dat een kubieke 
palm of eeiie kan 'zuiver water een gewigt heeft van één Neder- 
landsch pond. De rotsen van den Shehallien bestaan uit eene massa 
van gedeeltelijk basalt- en syenietachtige, gedeeltelijk kalkachtige 
gesteenten, wier soortelijk gewigt tusschen 2% en 3 aangenomen 
kan worden, zoodat een kubieke palm daarvan een gewigt heeft 
van 2% tot 3 ponden. Van de geheele aarde zoude iutusschen, 
volgens de proeven en berekeningen , elke kubieke palm nog 1,8 maal 



— 193 — 

zwaarder moeten zijn, dat is, elke kubieke palm zoude gemiddeld 
een gewigt hebben van 4,95 tot 5,4 ponden, en hieruit zoude het 
soortelijk gewigt der aarde gemiddeld ten naastenbij 5 moeten zijn. 
Later heeft men door de inrigting van zeer naauwkeurige toe- 
stellen, waarbij in de plaats van een berg andere kleine ligchamen 
worden gebezigd, om de hoegrootheid der daardoor teweeg gebragte 
afwijkingen te meten, deze waarnemingen veel eenvoudiger en 
zekerder gemaakt. Eene uitvoerige beschrijving dier toestellen zoude 
liier echter misplaatst zijn. Ook willen wij hier nog ter loops ge- 
wagen van eene andere handelwijze, namelijk die, om door slinger- 
proeven het soortelijk gewigt of de digtheid der aarde te bepalen. 
Men zal ligtelijk begrijpen, dat, indien de schommelingen des 
slino'ers worden voortgebragt door de zwaartekracht der aarde, de 
snelheid dier schommelingen moet vermeerderen, indien men den 
slinger plaatst op een verheven, vrij sterk aantrekkend ligchaam , 
b. V. op den top van eenen bergkegel, eene der Egyptische pira- 
miden enz.; waarbij in aanmerking moet worden genomen, dat men 
gelijktijdig eene vermindering der snelheid zal hebben , omdat men ver- 
der van het middelpunt der aarde verwijderd is. Wij geven hier alleen 
de uitkomsten die men op de genoemde beide wegen heeft verkregen. 
De proeven, die carlini op den Mont Cenis in de Savooische 
Alpen met den slinger heeft genomen , leverden voor de aarde een 
soortelijk gewigt van 4,39. De Engelschman cavendish liet aan 
eene Coulorabsche wringingsbalans een klein ligchaam onder den 
invloed van eenen zwaren bol schommelen en berekende daaruit 
het soortelijke gewigt 5,48. Eene reeks van meer dan 2000 proeven 
met zeer verschillende stoffen en met denzelfden toestel door bailï 
voor omtrent 20 jaren gedaan, heeft daarentegen 5,67 opgeleverd. 
Welk van deze getallen van 4,39 tot 5,67 het naast met de waar- 
heid overeenkomt, is nog niet te beslissen; maar men ziet, de 
grens is nog al vrij naauw. Nemen wij het gemiddelde of het getal 
5, dan weegt elke kubieke el der aarde 5000 Nederlandsche 
ponden, derhalve, daar de omtrek 40 millioenen ellen is, de ge- 
heeleaarde niet minder dan 5 401600 000000 000000 000000 Neder- 
landsche ponden. 



IETS OVER HET AANKWEEKEN VAN ORCHIDEEN. 



Op den berg Roraima, in Zuid- Amerika, Engelsch Guyana, 
ontmoet men op bepaalde hoogten en vooral in de nabijheid der 
daar gevonden watervallen den verhevensten plantengroei, dien 
men zich denken kan. Men leeft daar in een botanisch El Dorado. 
Op eene hoogte van 6000 voeten boven de zee, op 5° 9' Noorder- 
breedte 60° 57' Westerlengte, vindt men de heerlijkste en eigen- 
aardigste Elora dezer luchtstreek. Onder allerlei planten vormen 
boeijen vooral de liefelijkste soorten van Orchideën het oog, waar 
henen men zich in zijne verrukking ook wenden moge. Men aanschouwt 
er onder talrijke Epidendren , Maxillariën en Odontoglossen , de 
zeldzaamste soorten van Diothonea, Oncidium^ Zygopetalum , maar 
vooral van Sohralia. Zij, de Sohraliën, zijn het prachtigste sieraad 
dezer berghoogte, waarop zij woekeren in weligen overvloed, 
ongehoord, ja, fabelachtig te noemen voor den bloemenkweeker 
der noordelijke landen. Overal waar zich in de spleten of inhammen 
der rotsblokken slechts een weinig humus had opgehoopt, of waar 
de zandsteeulagen slechts een weinig bouwbare aarde opleverden, 
zag men haar opschieten in ranken van 8 tot 10 voet hoog, met 
bloemen zoo groot als de leliën onzer tuinen. 

De oorzaak, waarom deze schoone plant zoo zelden bloeit in onze 
Orchideënbroeikasten, is waarschijnlijk hierin gelegen, dat men ze 
gewoonlijk op een te hooge temperatuur houdt. Tusschen 52° en 69° 
E., als uiterste termijnen, bloeijen hier in Guyana, op de Roraima, 
de Sobralién zoo welig als men dit nergens te zien krijgt. De 
warmte van het water in de nabijheid, uit de stortbeek, is er 
ook niet hoog; zij teekende van 55° tot 58° E. De klagten overliet 
spaarzame bloeijen der Orchideën zouden voorzeker verminderen, wan- 
neer men niet slechts alle soorten dezer familie aan denzelfden warm- 
tegraad blootstelde, maar daarbij ook de voor ieder van haar geëigende 
temperatuur en vochtigheid bestudeerde (r. schombukgk, Reisen in 
Brit. Guiatia, i. d. Jahren 184-0 — 1844, Leipzig 1848, II Theil. 
S. 266.) 

Dr. V.H. 



DE ZAKKIJKERS VAN MOLTENI 

TE PARIJS, 

ALS HULPMIDDELEN VOOR EENE MEER NAAUWKEÜRIGE BESCHOUWING 

DER HEMELLICHTEN , 

BESCHREVEN EN AANBEVOLEN DOOR 

P. KAISEK. 



-tiet is eene overoude, maar niettemiu valsche, meening, dat de 
hemel zijne schatten voor allen verborgen houdt, die niet in de 
gelegenheid waren om zich met moeijelijke en veelomvattende voor- 
bereidende kundigheden, en daarenboven met groote en kostbare 
hulpmiddelen toe te rusten. Ik heb, naar mijn vermogen en niet 
zonder goeden uitslag, deze meening bestreden, door met de daad 
aan te toonen, dat de belangrijkste uitkomsten, die de onderzoe- 
kingen der sterrekundigen hebben opgeleverd, ook voor het alge- 
meen toegankelijk zijn, door den gang dier onderzoekingen ook 
den in de wiskunde onbedrevenen aan te wijzen, en den oninge- 
wijden omtrent het wezen en den toestand der sterrekunde in te 
lichten. Was ik in sommige dier pogingen, met meer of minder 
gelukkige gevolgen, door anderen voorgegaan, vóór mij had men 
steeds eene van de belangrijkste wenschen, die de beminnaar van den 
hemel kan koesteren, ten eenenmale uit het oog verloren. Men had 
zich beijverd om het algemeen een denkbeeld van de ware toedragt 
en de grondoorzaken van de verschijnselen des hemels te geven, 
men had zeer talrijke merkwaardige voorwerpen des hemels uitvoe- 
rig beschreven en die beschrijving door afbeeldingen trachten op 
te klaren, maar ter naauwernood eenige pogingen aangewend, om 
den hemel zelven voor het algemeen toegankelijk te maken , en hen , 

12 



— 196 ~ 

die er behagen in scheppen de merkwaardigste voorwerpen en ver- 
schijnselen des hemels met eigene oogen gade te slaan, den weg 
aan te wijzen, die hen naar dit doel kan leiden. Voor de belangen 
derzulken wenschende te zorgen, heb ik, in mijne Beschrijving en 
Afbeelding van den Sterrenhemel , niet alleen een groot aantal be- 
langrijke voorwerpen beschreven en afgebeeld, maar, in het hemel- 
plein aan dat werk toegevoegd , een hulpmiddel aangeboden , door 
hetwelk iedereen wordt in staat gesteld , om , met eene geringe oefe- 
ning, vele dier voorwerpen zelf aan den hemel op te sporen en te 
vinden. Terwijl de bijzonderheden, welke sommige dier voorwerpen 
ter waarneming aanbieden , zich het best met het ongewapend oog 
laten gadeslaan , en andere voorwerpen van den hemel niet zonder 
behulp van eenen kijker in hun eigenlijk wezen kunnen worden 
waargenomen , heb ik het ook aan geene inlichtingen laten ontbre- 
ken, omtrent de hulpmiddelen, die men voor eene meer naauwkeu- 
rige beschouwing van de hemellichten kan wenschen of behoeven. 
Ik heb de inrigting der kijkers in zoo ver verklaard , als mij noodig 
scheen om iedereen tot hun doelmatig gebruik in staat te stellen, 
het vermogen der kijkers van verschillende prijzen aangewezen, en 
de werkplaatsen vermeld , aan welke thans de voortrefi'elijkste werk- 
tuigen van dien aard verkrijgbaar zijn. Mijne inlichtingen hebben 
zoo velen opgewekt om zich den hemel te ontsluiten , dat nu ver- 
moedelijk in geen rijk van Europa zoo vele kijkers van een aanzien- 
lijk vermogen worden gevonden , als in ons kleine Nederland, en het 
is mij eene bron van groote vreugde, dat vele mijner landgenooten 
in eene gemeenzaamheid met de kunstgewrochten der schepping een 
genoegen hebben gevonden, ver verheven boven dat, hetwelk de ver- 
achter van de natuur in ledigheid of in het kaartspel vinden kan. 
In de eerste uitgave mijner Beschrijving en Afheelding van den 
SterrenhewM , die in het jaar 1845 verschenen is, heb ik hun, die 
geene vrij belangrijke uitgaven behoeven te ontzien, vooral eenen 
kijker uit het Optisch Instituut te Münclien aanbevolen, die, zon- 
der voet, hier te lande op ruim honderd guldens komt te staan. 
Het minst kostbare kijkertje, dat ik destijds voor de beschouwing 
der hemellichten durfde aanbevelen, was een zakkijker uit München , 



— 197 — 

die hier te lande, zonder voet of sterrekundige oogbuis, voor den 
prijs van veertig guldens kan worden verkregen. Ik had herhaalde- 
lijk kleine kijkers van andere werkplaatsen onderzocht, maar tel- 
kens bevonden, dat zij, hoezeer gewoonlijk slechts weinig minder 
kostbaar, zeer aanmerkelijk in vermogen voor die uit München 
moesten onderdoen, en bij de gedachte, dat de genoemde zakkijker 
uit München nog met eene sterrekundige oogbuis en een voetje 
moest worden toegerust, om voor de beschouwing der hemellichten 
bruikbaar te zijn, was ik geenszins ingenomen met den prijs van 
het minste der hulpmiddelen voor eene meer naauwkeurige beschou- 
wing der hemellichten, dat ik meende te kunnen aanbevelen. 

In de nieuwe uitgave van mijne Beschrijving en Afbeelding van 
den Sterrenhemel, welke in het begin des vorigen jaars in het licht 
verschenen is, heb ik melding gemaakt van eene soort van zakkij- 
kers, die onvergelijkelijk minder kostbaar zijn dan die uit München, 
en boven deze, voor de beschouwing der hemellichten, de voorkeur 
verdienen. Kort te voren waren mij eenige dier kijkers ter bezig- 
tiging toegezonden door den heer p. j. kipp, Apothecar te Delft, 
die een magazijn van optische werktuigen heeft, en toen reeds, 
hier te lande, een groot aantal dier kijkers had verkocht. ,Zij waren 
herkomstig van eene fabriek, toebehoorende aan de heeren Gebr. 
MOLïENi te Parijs, wier naam ik toen nog nimmer had hooren 
noemen, en, gelijk mij gebleken is, ook later zelfs bij de sterrekundi- 
gen te Parijs niet bekend was. Die kijkers waren aanmerkelijk grooter 
en hadden een schoouer uiterlijk voorkomen dan de zakkijkers uit 
München, die bij den Heer kipp op 40 guldens komen te staan, en 
werden door hem voor den prijs van 14 guldens afgeleverd. Alleen 
om dien ongelooflijk lagen prijs had ik deze kijkers aanvankelijk de 
moeite van een ernstig onderzoek niet waardig gekeurd; maar toen 
ik eenmaal tot dat onderzoek was overgegaan, verrastte het mij 
niet weinig, dat zij, ook in vermogen, de evengeuoemde kijkers 
uit München zeer merkbaar overtrofien. Bij de nieuwe uitgave van 
mijne Beschrijving en Afbeelding van den Sterrenhemel heb ik, 
omtrent de kijkers van molteni, de inlichtingen gegeven, die ik 
toen geven kon, en daar zij beloofden algemeene sleutels tot de 



— 198 — 

geheimen van den hemel te zullen worden, had men redenen om 
te verwachten, dat ik mijn toenmalig kort en onvolledig be- 
rigt weldra door een meer uitvoerig zoude doen opvolgen. In- 
derdaad bestonden ook bij mij onderscheidene drangredenen , om 
aan die vermoedelijke verwachting te beantwoorden. De geschikt- 
heid der zakkijkers van molteni voor het doel, dat ik beoogde, 
was, duidelijker nog dan te voren, gebleken, nadat ik meer dan 
zestig van die stukken, ten behoeve van mijne wetenschappelijke 
vrienden, had onderzocht. Voor de toevoegselen , 'welke die kijkers 
behoeven, om voor de beschouwing der hemellichten bruikbaar te 
zijn, had ik eenvoudige middelen bedacht, die verdienden te 
worden bekend gemaakt. Er zijn zeer vele kijkers van molteni 
door ons vaderland verspreid , wier bezitters vermoedelijk gaarne 
zullen vernemen, hoe zij die stukken voor de beschouwing der 
hemellichten kunnen aanwenden, en, door deze onkostbare werk- 
tuigen meer algemeen bekend te maken , zoude ik ongetwijfeld ook 
de kennis van den hemel bevorderen. Boven dit alles was het mij 
maar al te duidelijk gebleken, dat velen, die eenen kijker bezit- 
ten, naauwelijks weten hoe zij dien gebruiken moeten, en veel uit- 
voeriger inlichtingen behoeven, dan die ik in mijn werk de Ster- 
renhemel gegeven heb; en, door "eene uitvoerige beschrijving der 
kijkers van molteni, zoude men de teregt wij zingen ontvangen, 
waardoor alle nog bestaande moeijelijkheden konden worden uit den 
weg geruimd. Om al de genoemde redenen heb ik reeds voorlang 
het voornemen opgevat, om over de zakkijkers van molteni, als 
hulpmiddelen voor eene meer naauwkeurige beschouwing der hemel- 
lichten, in een afzonderlijk opstel opzettelijk te handelen. Ik be- 
stemde dat opstel voor het Album der NaUmr, in de, zekerlijk 
niet ongegronde, veronderstelling, dat liet daar de meeste belang- 
stellende lezers zoude vinden. Eeeds voor meer dan een half jaar 
heb ik met het schrijven van zulk een opstel eenen aanvang ge- 
maakt, maar ik zag mij verpligt het geheel ter zijde te leggen, 
omdat eene omstandigheid had plaats gegrepen, die mij vreezen 
deed, dat iets anders, dan hetgeen door mij werd beschreven en 
aanbevolen, aan de bestellers zoude worden afgeleverd. 



— 199 — 

De zakkijkers van molteni kunnen, zoodanig als zij worden 
afgeleverd, evenmin als die uit het Optisch Instituut te München 
of andere fabrieken, voor de beschouwing der hemellichten worden 
aangewend. Zij zijn uitsluitend 'bestemd voor de beschouwing van 
aardsche voorwerpen, en zijn daarom met oogbuizen toegerust, wier 
vergrootiiig veel te gering is om de waarneming van merkwaardige 
bijzonderheden bij de hemellichten toe te laten. Zij worden zonder 
voeten afgeleverd, terwijl het onmogelijk is, door die werktuigen 
met eenige naauwkeurigheid de hemellichten te beschouwen, zoo 
zij niet op voeten rusten, door welke zij in eiken willekeurigeu 
stand kunnen worden vastgezet en zachtkens verplaatst, naar de 
schijnbare beweging van het hemellicht, dat men beschouwen wil. 
De grootere kijkers, voor sterrekundig gebruik bestemd, worden 
daarom met voeten en sterk vergrootende zoogenaamde sterrekun- 
dige oogbuizen toegerust , maar de invloed van die toevoegsels laat 
zich, maar al te zeer, aan hunne prijzen bemerken. Plössl te 
Weenen schijnt, onder alle vervaardigers van optische werktuigen, 
de eenige te zijn, die begrepen heeft, dat ook zakkijkers met vrucht 
voor de beschouwing van hemellichten kunnen worden aangewend. 
In zijne prijscourant zijn ook sterrekundige oogbuizen en voeten 
voor zakkijkers opgenomen, en zijn zijne sterrekundige oogbuizen 
voortreffelijk en tevens niet zeer kostbaar, de door hem uitgedachte 
voeten voor zakkijkers zijn duur, en daarbij nog voor hun doel 
volstrekt onbruikbaar. Ik heb voeten voor zakkijkers bedacht, 
voor hun doel zeer geschikt, die door eiken schrijnwerker voor 
eenen onbeduidenden prijs vervaardigd kunnen worden; maar ik 
moest bovendien voor sterrekundige oogbuizen zorgen , zoo ik wilde, 
dat de kijkers van molteni aan de beschouwing van hemellichten 
werden dienstbaar gemaakt. Het is natuurlijk, dat ik die oogbui- 
zen, in de eerste plaats, van molteni zelven begeerde, maar er 
verliep een zeer geruime tijd voor dat aan deze mijne begeerte werd 
voldaan, en wel, zoo als mij dat nader is gebleken, alleenlijk dewijl 
MOLTENI volstrekt niet kon begrijpen, dat wij, hier te lande, zoo- 
genaamde zakkijkers naar de hemellichten wilden rigten. Dat onge- 
loof was te verontschuldigen bij eenen man, wonende in de stad,. 



— 200 — 

die zich op de bespiegelende ontdekking van de planeet Neptu- 
nus verliief, en waar men aan het onvermogen van de reusachtige 
kijkers, die men aldaar bezat, de omstandigheid toeschreef, dat de 
werkdadige ontdekking dier planeet elders heeft plaats gevonden. 
Had echter een der Heeren molteni, of een der sterrekundigen 
van het observatorium te Parijs, in het hoofd gekregen, om met 
eenen dier zakkijkers, welke hier te lande voor lé guldens worden 
verkocht, de plek van den hemel te begluren, door leverrier als 
de schuilplaats van zijne nog onontdekte planeet aangewezen , en 
de sterren , die zich aldaar vertoonden , bij de bestaande sterrekaar- 
ten te vergelijken, zoo had hun de werkdadige ontdekking der 
planeet niet kunnen ontgaan, want het vermogen van zulk eenen 
kijker is veel meer dan toereikend, om haar met groote duidelijk- 
heid te verraden. Eindelijk werd eene bezending oogbuizen van 
MOLTENI ontvangen, die juist op hunne zakkijkers pasten, die door 
mij werden onderzocht en goedgekeurd, en door den Heer kipp 
voor den prijs van 5 guldens 50 centen , werden afgeleverd. Die 
voorraad was spoedig uitgeput. Er werd om eene nieuwe bezending 
van oogbuizen geschreven, maar, door eene toevallige omstandigheid, 
ontdekte ik, dat de nieuw toegezondene oogbuizen eene vergrooting 
hadden, slechts half zoo groot als door mij was voorgeschreven. 
Omdat die oogbuizen voor mijn doel geene waarde hadden, werden 
er andere uit München ontboden. Deze betoonden zich volstrekt 
niet beter dan de vroegere van moi.teni , en kwamen , bij den Heer 
KIPP, op 13 guldens te staan. In weerwil van haren hoogen prijs, 
waren ook deze oogbuizen in een' zeer korten tijd afgezet, zoodat 
spoedig een aantal nieuwe oogbuizen uit München werd ontboden , 
maar ook van deze bleek het mij , dat zij geene waarde hadden , 
wijl hare vergrooting slechts half zoo groot was als die wezen moest. 
Het waren deze teleurstellingen, die mij aanleiding gaven om mij 
aan alle verdere bemoeijing met de zakkijkers van moi,ïeni te ont- 
trekken. Ik heb die bemoeijing nu weder opgevat, eensdeels omdat 
ik die stukken als eene belangrijke aanwinst voor onze beminnaars 
der sterrekunde blijf beschouwen, anderdeels, omdat men nu minder 
gevaar loopt oogbuizen te ontvangen, die, wegens hare te geringe 



— 201 — 

vergrooting, voor haar doel oubruikbaar ziju, en ten derde, omdat 
ik een eenvoudig middel kan aanwijzen, waardoor ieder wordt in 
staat gesteld, de vergrooting van de oogbuis, die hij ontvangen 
heeft, met eene toereikende juistheid te beoordeelen. 

In mijne Beschrijving en Afbeelding van den Sterrenhemel (uit- 
gave van het jaar 1853, van bladz. 627 tot bladz. G43) heb ik, met 
uitvoerigheid en op eene algemeen verstaanbare wijze, over het 
zamenstel der kijkers gehandeld. Ik kan het aldaar meegedeelde 
hier niet in zijn geheel teruggeven, maar, om verstaan te worden 
bij hetgeen ik nu omtrent het doelmatig gebruik der kijkers van 
MOLTENi, en van kijkers in het algemeen, te zeggen heb, ben ik 
verpligt de hoofdpunten daaruit kortelijk aan te stippen. Het grootste 
glas van den kijker, dat men altijd aan een der uiteinden van de 
buis geplaatst vindt, en dat altijd naar het voorwerp wordt toege- 
keerd hetwelk men beschouwen wil, wordt het voonoerpglas des 
kijkers genoemd. De lichtstralen, die, van een ver verwijderd punt 
uitgaande, op het voorwerpglas invallen, worden, door dat glas, 
zoodanig gebroken, dat zij zich, aan zijne andere zijde, binnen de 
buis des kijkers, weder in één punt vereenigen. Ieder der punten, 
die een verwijderd voorwerp zamenstellen, heeft alzoo een hereeni- 
gingspunt zijner straleu aan de andere zijde van het glas, en die 
hereenigingspunten vormen met elkander een beeld van het voor- 
werp, dat, met betrekking tot het voorwerp zelf, het onderst boven 
staat. Het voorwerpglas wordt uit twee glazen zamengesteld, eens- 
deels om de kleurschifting op te heflen, die de breking van licht- 
stralen vergezelt, anderdeels om het bezwaar te verminderen, uit 
de omstandigheid voortvloeijende, dat de stralen, op een glas met 
kogel vormige oppervlakken invallende, zich niet volmaakt in één 
punt kunnen hereenigen. Het beeld van het voorwerp wordt op 
eenen afstand van het glas gevormd, die niet alleen van de natuur 
van het glas en den vorm zijner oppervlakken , maar ook van den 
afstand van het voorwerp afhangt. Is het voorwerp oneindig ver 
verwijderd, zoodat zijne stralen evenwijdig aan elkander op het 
glas invallen, zoo is de afstand van het beeld tot het glas het 
kortst, en dan wordt hij de voorname hrandpmitsaf stand van het 



— 202 — 

glas genoemd. Is het voorwerp nader bij, zoo zal het zijn beeld 
op een' grooteren afstand van het glas, dan den voornamen brand- 
puntsafstand, teekenen. Tusschen den brandpuntsafstand, bij ver 
verwijderde aardsche voorwerpen en bij hemellichten , bestaat geen 
merkbaar verschil, maar zijn de voorwerpen naderbij geplaatst, zoo 
kunnen zij hun beeld op een' zeer merkbaar grooteren afstand van het 
voorwerpglas teekenen. De oogbuis is niet anders dan een zamen- 
gesteld mikroskoop, of een zamengesteld vergrootglas, door het- 
welk men het beeld, door het voorwerpglas gevormd, beziet, en 
dat uit meer dan een glas bestaat, om dezelfde redenen, als waarom 
het voorwerpglas uit twee glazen zamengesteld wordt. Door een 
mikroskoop of vergrootglas ziet men een voorwerp niet scherp ge- 
teekend, ten zij het zeer naauwkeurig op een' bepaalden afstand 
van dat voorwerp verwijderd is, en zoo moet dus ook de oogbuis, 
zeer naauwkeurig, op een' bepaalden afstand van het beeld, dat 
men wil beschouwen, verwijderd zijn. Die afstand hangt echter 
ook van het oog des waarnemers af. Een bijziend oog vordert dat 
de oogbuis digter bij het beeld worde ingeschoven, een verziend 
oog, dat zij verder worde uitgehaald, en aan het naauwkeurig 
stellen van de oogbuis , hetwelk eenige oefening vordert , is zeer 
veel gelegen. De oogbuizen, voor de beschouwing van aardsche 
voorwerpen bestemd, bevatten vier glazen. Twee van die glazen, 
het digtst bij het voorwerpglas geplaatst, dienen tot niets anders, 
dan om het omgekeerde beeld, door het voorwerpglas gevormd, 
no°" eens om te keeren en alzoo regtstandig te maken , en dit tweede 
regtstandige beeld wordt, door de beide andere glazen, als door 
een zamengesteld vergrootglas, beschouwd. Naarmate de glazen in 
de oogbuis boller zijn, zal de kijker meer vergrooten, maar als 
men de vergrooting overdrijft, weigert de kijker zijne diensten. 
Naarmate de vergrooting van eenen kijker sterker is, ziet men de 
voorwerpen minder licht en helder, en bij aardsche voorwerpen, 
die gewoonlijk zeer weinig verlicht zijn , kan men , met goed ge- 
volg, alleen zwakke vergrootingen gebruiken. Zeer vele hemellich- 
ten zijn helder genoeg om het lichtverlies, aan sterke vergrootingeu 
verbonden, te kunnen lijden, en, bij de aanwending van sterke 



— 203 — 

vergrootiugen , kunnen zij talrijke bijzonderheden ten duidelijkste 
openbaren , die bij geringe vergrootingen geheel en al verborgen 
blijven. Bij de beschouwing van hemellichten is het volstrekt onver- 
schillig, of zij regt overeinde, dan wel het onderste boven worden 
gezien , en daar de twee glazen der oogbuis , die bij aardsche voor- 
werpen alleen dienen om het omgekeerde beeld des voorwerps weder 
regt te maken , altijd de helderheid en zuiverheid van het voorwerp 
dat men beschouwt, benadeelen, worden zij bij hemellichten niet 
gebruikt. Bij hemellichten gebruikt men eene oogbuis, die alleen 
twee glazen bevat , als een zamengesteld vergrootglas , waardoor het 
omgekeerde beeld zich omgekeerd blijft vertoonen, en dat de voor- 
werpen zoo veel malen vergroot, als de grootte en de voortrefie- 
lijkheid van het voorwerpglas toelaat. Hierbij kan men veel verder 
gaan dan bij aardsche voorwerpen, maar toch ook bepaalde grenzen 
niet overschrijden, zonder dat men aan de zuiverheid van het voor- 
werp meer verliest, dan men, door eene sterkere vergrooting, kan 
winnen. 

Ten einde de zwarigheden uit den weg te ruimen, die velen bij 
het gebruik van eenen kijker hebben ontmoet, zal ik nu de zak- 
kijkers van MOLTENi met de noodige juistheid beschrijven. Die be- 
schrijving kan ook gelden voor zakkijkers van andere fabrieken 
herkomstig, omdat die stukken gewoonlijk op nagenoeg dezelfde 
wijze worden ingerigt. Bij molteni kan men zakkijkers van zeer 
onderscheidene grootten verkrijgen , maar de kleine zijn , voor de 
beschouwing van hemellichten , te onvermogend , en de grootere 
kijkers van molteni zijn, hoezeer niet altijd verwerpelijk, minder 
voortreft'elijk , naarmate zij grooter zijn, zoo als ik dit reeds voor 
een jaar heb medegedeeld. [Beschr. en A/h. van den Sterrenhemel, 
1853, bladz. 670). Het zijn meer bepaaldelijk de zakkijkers van 
MOLTENI, die door hen "kijkers met eene opening van 19 lijnen" 
worden genoemd, en die bij den Heer kipp te Delft voor 14 gul- 
dens verkrijgbaar zijn, welke, om hunne lage prijzen en hooge voor- 
treffelijkheid, door mij worden aanbevolen. Het ligchaam dier kijkers 
bestaat uit vijf in elkander schuivende koperen buizen. Zij hebben 
niet allen volkomen dezelfde afmetingen , doch , zijn al die buizen 



— 204 — 

geheel ingeschoven , zoo heeft de kijker eene lengte van nagenoeg 
2 palmen 6 duimen , en zijn al die buizen zoo ver mogelijk uitge- 
haald, zoo wordt zijne lengte nagenoeg 8 palmen 3 duimen. Bij 
het beschouwen van ver verwijderde aardsche voorwerpen, moet de 
dunste buis, die de oogglazen bevat, gedeeltelijk worden ingescho- 
ven , en dan verkrijgt de kijker eene lengte van 7 palmen 8 dui- 
men. De dikste buis , die het voorwerpglas bevat , en bij het gebruik 
van den kijker, het verst van het oog wordt verwijderd, heeft 
eene middellijn van 4 duim 8 strepen, en de dunste, die de oog- 
glazen bevat, heeft eene middellijn van 2 duim 6 strepen. De 
middellijn van het voorwerpglas, verminderd met het gedeelte dat 
bedekt wordt door den ring waarin het gevat is, dat is, de vrije ope- 
ning van den kijker, bedraagt, op zeer weinig na, 4 Ned. duimen 
en alzoo iets minder dan 18 Parijsche lijnen. De volgende figuur 1 



? r 



iii 



■v4---è- 



-I 
1 



stelt den kijker zoodanig voor, als hij bij het beschouwen van ver 
verwijderde aardsche voorwerpen moet zijn uitgeschoven, en, onder 
de afbeelding van het ligchaam des kijkers, zijn de juiste plaatsen 
aangewezen , die daarbij door de glazen worden ingenomen. Alle 
buizen des kijkers zijn uit koper vervaardigd, maar het gedeelte 
van (l tot e is met palissanderhout bekleed. Aan dat gedeelte moet 
men den kijker bij voorkeur aanvatten , omdat de koperen deelen 
des kijkers, door het aanvatten met de handen, spoedig hun schoon 
voorkomen verliezen. De deelen van a tot i, van c tot d en van 
e tot ƒ, over welke geene buizen behoeven heen te glijden , zijn 
vernist. De overige deelen, van h tot c en van f tot i, zijn 



— ac5 — 

niet met vernis overtogen , daar zij, in andere buizen schuivende, 
dit onmiddellijk zouden verliezen. Aan de afscheiding van twee bui- 
zen , die in elkander schuiven , bij b, ƒ", g, en h, ziet men voor- 
uitstekende gekartelde randen, welke de uiteinden zijn van korte 
voor het oog verborgene buisjes, die in de dikste van beide buizen , 
tusschen welke zij geplaatst zijn, worden ingeschroefd , en met 
eene bepaalde veerkracht de dunnere buizen vasthouden, welke 
eigenlijk alleen in deze korte buisjes glijden. Bij die gekartelde 
randen kan men ieder van die korte buisjes afschroeven, en dan 
van de langere buizen afscheiden , die zij omvatten. Daardoor wordt 
de kijker in zoo vele buizen verdeeld, als waaruit hij bestaat en 
die verdeeling is zoo dikwijls noodig, als men de glazen of de 
buizen heeft schoon te maken. De voorste buis ai, die door het 
deksel, bij a, wordt gesloten, glijdt over de buis, binnen welke 
het voorwerpglas is ingeschroefd. Is die buis zoo diep mogelijk 
ingeschoven , zoodat de randen b en c met elkander overeenkomen , 
zoo komt de buitenste oppervlakte van het voorwerpglas nagenoeg 
met haren rand bij a overeen. Is die buis, gelijk de figuur het 
voorstelt, uitgehaald, zoo reikt zij over het voorwerpglas heen. 
Die buis heet bestemd te zijn om het zijdelingsche licht af te 
sluiten , dat op het voorwerpglas zoude kunnen vallen , maar zij 
bewijst weinig diensten, om welke reden zij ook bij de zakkijkers 
uit München en bij die van plössl niet voorkomt. Het is zonder- 
ling dat MOLTENi deze vrij nuttelooze buis aan zijne kijkers heeft 
toegevoegd, zonder zich over de aanmerkelijke vermeerdering van 
den arbeid, die zij veroorzaakt, te bekommeren, terwijl hij eene 
kleinigheid heeft nagelaten, door wier verwaarloozing zijne kijkers, 
in sommige opzigten , geheel bedorven worden. Wanneer men met 
eenen kijker van molïeni naar aardsche voorwerpen ziet, terwijl 
een helder daglicht op het voorwerpglas invalt, dan ziet men die 
voorwerpen als in eenen dikken mist, terwijl een onverdraaglijk 
valsch licht liet geheele veld des kijkers vervult. Beschouwt men 
dan diezelfde voorwerpen door eenen kijker uit München, zoo ver- 
toonen zij zich in eene heerlijke zuiverheid en scherpte, terwijl men 
niets van dien mist gewaar wordt ; en wist men niet dat dit gebrek 



— 206 — 

der kijkers van molteni door eene onbeduidende kleinigheid kan 
verholpen worden , zoo zoude men gelooven , dat zij , in vergelijking 
van die uit München, het oprapen niet waardig zijn. Dat valsche 
licht in de kijkers van molteni is niets anders dan eene terug- 
kaatsing van het daglicht, op de binnenwanden van de buizen des 
kijkers. Men kan die terugkaatsing niet genoeg weren , door de buizen 
van binnen zwart temaken, maar het hinderlijke licht wordt geheel 
afgesloten en de terugkaatsing onmogelijk gemaakt, door eenvou- 
diglijk aan het uiteinde van de buis gh, dat binnen de buis fg 
verborgen is, een schermpje, met eene ronde opening, te brengen. 
Men kan een houten ringetje laten draaijen met eene opening van 
14 Ned. strepen, juist zoo groot als door de hiernevensstaande 

figuur 2 wordt aangewezen. Maakt men dit, 
met wat lijm, gom of lak, aan het uiteinde der 
buis g h vast, zoodat aan de randen geen 
licht kan doordringen, zoo houdt de mist en 
het valsche licht op, en men zal aan den kij- 
ker van MOLTENI boven dien uit München de 
voorkeur geven. Zoodanig een schermpje kan 
men ligtelijk zelf, van een stukje karton of bordpapier , vervaardi- 
gen en aan het uiteinde der buis ^^ bevestigen. De zwarigheid , hoe 
groot zij schijnen moge, is zoo ligt te verhelpen , dat deHeerKipp, 
zonder verhooging van den prijs, al de kijkers, die hij in het vervolg 
heeft af te leveren , met zulk een schermpje of blindingtje zoude 
kunnen toerusten. Er waren echter reeds vele kijkers van molteni 
in ons land verspreid, voor dat ik die leerde kennen, en ook alle 
latere zijn zonder zulk een schermpje afgeleverd. De bezitters van 
die stukken zullen zekerlijk met belangstelling eene eenvoudige 
handgreep leeren *kennen , door welke zij , in een oogenblik , een 
schijnbaar groot gebrek van die stukken kunnen verhelpen, dat 
hen vermoedelijk , in sommige gevallen , gruwelijk geërgerd zal hebben. 
In fig. 1 wordt, door de gestippelde lijn l ra, de plaats in de 
buis des kijkers aangewezen, waar het beeld van zeer ver verwij- 
derde voorwerpen door het voorwerpglas gevormd wordt. Dat 
beeld wordt door de aardsche oogbuis, als door een zameugesteld 




— 207 — 

mikroskoop, beschouwd. Men kan zich ligtelijk overtuigen, dat 
de aardsche oogbuis niet anders dan een zamengesteld mikroskoop 
is , zoo men haar bij den rand h afschroeft , en door haar willekeurige 
voorwerpen , b. v. letters in een boek , beschouwt. Om die letters 
duidelijk te zien, moet men haar op eenen afstand van 17 Ned. 
strepen verwijderen van de platte buiten-opper vlakte van het glas 
«, dat aan het uiterste einde van de buis is geplaatst, en men 
ziet dan die letters zeer scherp en zuiver, omtrent 10 malen ver- 
groot, het onderst boven staan. Die vergrooting is voor den kijker 
geschikt, maar te gering om de oogbuis als mikroskoop wezenlijke 
diensten te doen bewijzen. De oogbuis moet nu, bij de beschou- 
wing van voorwerpen door den kijker, natuurlijkerwijze ook zoo- 
danig gesteld worden, dat de platte oppervlakte van het glas n 
17 Ned. strepen verwijderd zij van de lijn Im^va. welke het beeld 
wordt gevormd. Even als de letters op het papier, moet dat beeld 
worden omgekeerd, en het wordt regtstandig, daar het in zich zelf 
reeds omgekeerd was. De glazen « en o, die in een afzonderlijk 
buisje zijn geplaatst, dat zich aan het eene uiteinde der oogbuis 
laat uitschroeven , dienen alleen om het omgekeerde beeld , bij l m, 
regtstandig te maken. De glazen p en q maken te zamen een za- 
mengesteld vergrootglas uit, waardoor het tweede beeld beschouwd 
wordt. Deze glazen zijn in een bijzonder buisje gevat, dat zich 
laat uitschuiven , als men den oogdop , bij i, van de geheele ooo-- 
buis heeft afgeschroefd. 

De zakkijkers van molteni die ik beschreven heb, geven, met 
hunne aardsche oogbuizen , eene vergrooting van omtrent 25 malen. 
De vergrooting van eenen kijker drukt uit, hoe veel malen hij de 
lengte- afmetingen der voorwerpen grooter vertoont, dan die met 
het ongewapend oog worden waargenomen. Door eenen kijker die 
25 malen vergroot, ziet men alzoo b. v. de middellijn der maan 
25 malen grooter dan met het ongewapend oog, en dus hare op- 
pervlakte 25 maal 25 malen, dat is, 625 malen grooter. De ver- 
grooting, die MOLTENi aan zijne zakkijkers heeft gegeven , is voorde 
beschouwing van ver verwijderde aardsche voorwerpen zeergeschikt, 
vooral als men daarbij den kijker los in de hand moet houden. 



— 208 — 

maar die vergrooting is veel te gering, als men bijzonderheden bij 
de zon, de maan, de planeten en de dubbele sterren wil waarnemen. 
Wegens de voortrefi'elijkheid van hun voorwerpglas, worden de 
zakkijkers van molteni met eene vergrootiiig van 60 malen ook 
volstrekt niet overladen. Wil men den invloed van eene sterkere 
vergrooting, op het waarnemen van bijzonderheden, door eene proeve 
bevestigd zien , zoo kan ik eene aanvoeren , door welke men tevens 
in de gelegenheid wordt gesteld, eenen kijker, dien men mogt be- 
zitten, ligtelijk bij eenen der zakkijkers van molteni te vergelijken. 
In den zomer van het verledene jaar heb ik eens, in de opene 
lucht en in de schaduw, een nummer van het Handelsblad aan 
eenen tuinmuur bevestigd, en, op eenen afstand van 55 Ned. ellen 
eenen der zakkijkers van molïeni opgesteld. Met eene sterrekun- 
dige oogbuis, van molteni herkomstig, door welke de kijker eens 
vergrooting van 50 malen verkreeg, lieten zich, op dien afstand, 
ook de kleinste letters van het Handelsblad &&mgQxm?iieoi[\.ic\]i&xtw, 
en het Handelsblad kon zonder zwarigheid gelezen worden, ah 
men den kijker op eenen afstand van 45 Ned.« ellen bragt. Met de 
aardsche oogbuis, die eene vergrooting gaf van 25 malen, was het 
op dien afstand volstrekt onmogelijk de letters van het Handelsblad 
te ontcijferen, en om dit met de aardsche oogbuis mogelijk te maken , 
moest men den kijker tot op eenen afstand van 22 Ned. ellen tot het 
Handelsblad doen naderen. Daar men sterke vergrootingen uitslui- 
tend bij de beschouwing van hemellichten behoeft, bedient men zich 
daarbij, om de reeds vermelde redenen , van sterrekundige oogbuizen , 
die slechts twee glazen bevatten , en door welke het omgekeerde beeld, 
door het voorwerpglas gevormd , niet andermaal wordt omgekeerd. 
Die sterrekundige oogbuizen hebben verschillende inrigtingen , naar 
het doel van den kijker, bij welken zij gebruikt worden. Is de 
kijker niet tot meten bestemd, of maakt hij geen deel van een 
meetwerktuig uit, zoodat het enkel zien zijn hoofddoel is, dan 
gebruikt men gewoonlijk eene oogbuis met twee glazen, tusschen 
welke het beeld, door het voorwerpglas gevormd, komt te vallen. 
Ook die oogbuizen hebben verschillende inrigtingen, en daar men 
haar naauwkeurig moet kennen, om haar goed te kunnen gebruiken. 



— 209 — 



oordeel ik het noodig ten minste ééne derzelve met uitvoerigheid 
af te beelden en te beschrijven. Ik kies daartoe de oogbuizen , zoo 
als zij door molïeni, en de meeste der overige Fransche kunste- 
naars, geleverd worden, en door welke ook de overige genoeg 



zullen worden toegelicht. 




J 



11 





Tig. 3 stelt eene doorsnede voor van 
eene sterfekundige oogbuis, zoo als die 
door MOLÏENI aan zijne zakkijkers wordt 
toegevoegd, in hare natuurlijke grootte. 
De oogbuis bestaat uit acht afzonderlijke 
deelen, die zich van elkander laten af- 
scheiden, en van welke ieder op zichzelf 
in 1'ig. 4 is voorgesteld. Wanneer men 
de stukken , wier doorsnede in Fig 4 is 
gegeven, in de orde waarin zij op elkander 
volgen, in elkander schroeft of schuift, 
maken zij de oogbuis uit, zooals die in 
Kg. 3 wordt afgebeeld, en uit de on- 
derlinge vergelijking van beide figuren 
zal men ligtelijk kunnen afleiden, hoe 
de bijzondere deelen der oogbuis in elkander passen, hoe zij uit 
elkander genomen en weder ineen gevoegd kunnen worden. De 



— 210 — 

vrij zware zwart gemaakte metalen ring g hih draagt alle deelen 
van de oogbuis. Aan de buitenzijde van dien ring ziet men schroef- 
draden , die door eenen vooruitstekenden gekartelden rand zijn afge- 
broken. Met het onderdeel dier schroefdraden, bij ik^ wordt de 
oogbuis aan den kijker geschroefd, en het bovendeel, bij g h, dient 
alleen om den oogdop met het zonneglas ab voor de oogbuis te 
kunnen bevestigen. Die oogdop wordt natuurlijkerwijze dan alleen 
gebruikt, als men de zon door den kijker wil beschouwen , en wordt, 
bij de beschouwing van andere voorwerpen, afgeschroefd. Het dopje, 
e f, een der beide oogglazen bevattende, wordt geschroefd in het 
oogdopje e cl, en dit, met het genoemd glas, van boven in den 
binnenwand van den ring ghiTc. Het schotje Im^ met zijne ronde 
opening in het midden, wordt geschoven in het buisje ?ïo, en dit 
wordt daarna aan het ondereinde van den ring gJiik, in zijn bin- 
nenwand aangeschroefd. Het schotje l m moet op zulk een' afstand 
van het glas, in e f, verwijderd worden, dat de randen van zijne 
opening, door dat glas gezien, zich scherp en zuiver vertoonen , 
d. i. de bovenzijde van dat schotje moet met het brandpunt van 
dat glas overeenkomen. Het dopje ;? g', dat het tweede oogglas bevat, 
wordt aan het boveneinde van het buisje r s ingeschroefd , en dit buisje 
wordt , met dat glas , in het buisje no geschoven. Door dat het buisje 
rs, in het buisje «o, niet vastgeschroefd maar geschoven wordt, 
kan men de glazen, bij «_/" en j5^, op verschillende afstanden van 
elkander brengen, maar als men dien afstand verandert, verandert 
men ook de vergrooting des kijkers. De glazen zullen echter niet 
bij alle willekeurige afstanden even zuivere beelden vertoonen, en 
is het schotje lm o^ zijn' behoorlijken afstand van het glas bij e f 
gebragt, dan zullen de glazen omtrent op hunnen meest gunstigen 
afstand geplaatst' wezen, als de bovenrand van het dopje jt?^ met 
den onderrand van het schotje lm 'va. aanraking komt, zoo als het 
in fig. 3 is voorgesteld. Om de glazen en het schotje op hunnen 
behoorlijken onderlingen afstand te stellen, zal men het best op de 
volgende wijze te werk gaan. Men stelle de deelen der oogbuis in 
elkander, maar zoodanig dat het schotje Zm en het glas f q^ zeker- 
lijk te ver van het glas e f verwijderd zijn. Nu ziet men, door 



— 211 — 

het glas !?ƒ, naar den rand van het schotje, en schuift daarbij 
zeer zacht het buisje rs, met het glas pq, in, dat dan ook het 
schotje lm zal voortstuwen. Men houdt met het inschuiven op, 
zoodra men de randen van de opening in het schotje, door het 
glas ef, zuiver en scherp ziet, en dan zal alles in zijn behoorlijken 
stand zijn gebragt. De opening in het schotje l7n bepaalt de 
grootte van het gezigtsveld des kijkers, d, i. de grootte van het 
vak des hemels, dat men door den kijker gelijktijdig kan overzien. 
Naarmate die opening grooter is, is ook het gezigtsveld van den 
kijker grooter, maar, wegens de onvermijdelijke gebreken der oog- 
glazen, kan men alleen over een zeer klein gezigtsveld volkomen 
zuivere beelden verkrijgen, en moet men, in het algemeen, de voor- 
werpen zoo digt mogelijk bij het midden van het gezigtsveld brengen 
om die zoo scherp te zien als de kijker hen vertoonen kan. Molteni 
maakt bij zijne kijkers de opening in het schotje lm, en daardoor 
het gezigtsveld, overdreven klein, en, wordt daardoor het gedeelte 
van het gezigtsveld bedekt, dat in zekeren zin toch niet bruikbaar 
is, aan de andere zijde wordt het daardoor ook hoogst moeijelijk 
gemaakt, een hemellicht in het veld des kijkers te brengen. Om 
dit te verligten moet men het veld zoo groot mogelijk maken, en 
heeft men het hemellicht eenmaal in het veld des kijkers, zoo kan 
men het ligtelijk, door den kijker te bewegen, in het midden van 
het veld brengen, om het zoo scherp mogelijk te zien. De middel- 
lijn van de opening in het schotje bedroeg oorspronkelijk slechts 
2% Wed. strepen. Ik heb die opening tot op eene middellijn van 
5 Ned. strepen opgehoord. Daardoor verkreeg de kijker, bij eene 
vergrooting van 50 malen, een gezigtsveld van 42 minuten , zonder 
dat de voorwerpen, aan de randen van het veld, onzuiverder wer- 
den, dan bij eene oogbuis uit München, die bij dezelfde vergrooting, 
een gezigtsveld van 36 minuten had. Ik moet het ophoren van de 
opening, tot op eene middellijn van 5 strepen, zoo het niet reeds 
door MOLTENI is geschied , iedereen aanbevelen , die zich het gebruik 
van zijnen kijker aanmerkelijk wil verligten. Bij gebrek van een' 
zoogenoemden vijf kanten boor, kan men zich daartoe van eenen 
spijker bedienen. 

13 



— 212 — 

Wil men de sterrekundige oogbuis gebruiken, dan moet de 
aardsche oogbuis, bij den gekartelden rand h fig. 1, worden afge- 
schroefd, en in de plaats van deze wordt de sterrekundige oogbuis, 
bij h, aan de buis (j Ti aangeschroefd. De buis gli moet dan nog 
zeer ver worden ingesclioven , want het glas pq van fig. 4 komt 
nog tusschen het voorwerpglas en de plaats van het beeld, in fig. 1 
door de lijnen lm aangewezen. Door dat glas wordt de brandpunts- 
afstand van het voorwerpglas verkort, zoodat het glas eyvan fig. 4 
bijna volkomen met de lijn lm van fig. 1 zamenvalt. Het is van 
het uiterste gewigt dat de sterrekundige oogbuis, zoo volkomen 
mogelijk, op haren juisten afstand van het voorwerpglas geplaatst 
worde, daar de minste fout in haren stand de hemellichten een 
onzuiver voorkomen geeft. Om de oogbuis zoo scherp mogelijk te 
stellen , moet men de schroef i Je van den ring g h i k fig. 4 , welke 
bij h, in het uiteinde der buis gk fig. 1 past, slechts halverwege 
inschroeven. Dan schuift men de buis g h zoo ver in of uit , dat 
men het voorwerp zoo scherp ziet, als dit, heen en weder schuivende, 
en zonder veel tijd op te offeren, gelukken wil. Nu zal aan den 
juisten stand van de oogbuis nog iets ontbreken, dat men schui- 
vende niet kan aanvullen, hoe voorzigtig men dit volbrenge, maar 
men kan nu de buis zeer zacht voor en achterwaarts verplaatsen , 
door haar, bij den gekartelden rand van den ring g h i h fig. 4, 
om te draaijen, waardoor zij bij ik zacht wordt in en uitgeschroefd. 
Bedient men zich van de schroef ik om de oogbuis scherp te 
stellen , zoo zal men eene groote moeijelijkheid in het doelmatig 
gebruik van den kijker overwinnen. Na een weinig heen en weder 
draaijen zal men spoedig den stand van de oogbuis gevonden heb- 
ben, waarop men de vaste sterren zoo klein mogelijk, en de overige 
hemellicliten zoo fecherp mogelijk ziet. Men zal wel doen met op 
de buis gk een teeken te maken, aanwijzende tot op welke diepte 
zij bij het gebruik van de sterrekundige oogbuis moet worden 
ingeschoven , en zoo men niet spoedig kan slagen in zijne poging, 
om dien stand door een hcmellicht te vinden, zich daartoe voor- 
loopig van een ver verwijderd aardsch voorwerp kunnen bedienen. 
Men vergete echter niet, dat verschillende waarnemers , naar de natuur 



— 213 — 

van hunne oogen, verschillende standen van de oogbuis vorderen, 
en dat zelfs dezelfde waarnemer dien zal moeten wijzigen, naar 
gelang van het meer of minder helder licht van het voorwerp dat 
hij beschouwt. Zoo dikwijls als men door den kijker ziet, moet 
men voor het scherp stellen van de oogbuis zorg dragen. 

De sterrekundige oogbuizen, die aan Duitsche fabrieken worden 
afgeleverd, verschillen van die van molïeni alleen daardoor, dat 
de glazen , die zij bevatten , niet op verschillende afstanden van 
elkander kunnen worden gebragt, maar, op hunnen meest gunsti- 
gen onderlingen afstand, onmiddellijk aan de uiteinden van hetzelfde 
buisje worden vastgeschroefd. De verstelbaarheid der glazen is voor 
sterrekundigen van weinig beteekenis en voor niet sterrekundigen 
meer lastig dan aangenaam, en molteni maakt het zich, door de 
zamengestelde inrigting zijner oogbuizen, moeijelijker dan het be- 
hoefde. De nevensstaande fig. 5 geeft eene doorsnede van eene 

sterrekundige oogbuis uit München , voor 
eenen zakkijker van MoiiTENi bestemd, in hare 
natuurlijke grootte. Van onderen ziet men 
de uitwendige schroefdraden , met welke de 
oogbuis aan het einde h van de buis g 7i des 
kijkers fig. 1 , wordt aangeschroefd. Men 
ziet hoe de beide glazen van de oogbuis, aan de uiteinden van 
hetzelfde buisje, bevestigd worden. Het kleinere bovenste glas, dat 
het digtst bij het oog komt, wordt door een oogdopje gedekt, dat 
aan den buitenwand van het buisje wordt aangeschroefd. Bij het 
beschouwen van de zon wordt dat dopje door een ander, met een 
zonneglas, vervangen. Het schotje of diaphragma, met de ronde 
opening, die het veld des kijkers bepaalt, laat zich binnen het 
buisje heen en weder schuiven en moet weder zoo gesteld worden , 
dat de randen van zijne opening, door het eerste glas, scherj) wor- 
den gezien. Het gebruik van eene oogbuis uit München , komt 
wijders met dat van eene van molteni overeen. Het is zonderling 
dat wanneer dat kleine stuk te München afzonderlijk geleverd 
wordt, het op omtrent denzelfden prijs als de geheele kijker van 
MOLTENI komt te staan. Daar de oogbuizen uit München vol- 




— 214 — 

strekt niet beter zijn, kan ik haar, om haren prijs, niemand aan- 
bevelen, die zich eene van moi.teni verschaffen kan. 

De sterrekundige oogbuis van eenen kijker dient eigenlijk tot 
niets anders, dan om het beeld, door het voorwerpglas gevormd, 
vergroot te vertoonen. Zij zoude dus ook slechts een enkel ver- 
grootglas behoeven te bevatten, indien dit volkomen ware. Wegens 
de kleurschifting, die de breking altijd vergezelt, ziet men echter 
de voorwerpen, door een sterk vergrootend glas, met valsche ge- 
kleurde randen, en die randen zijn bovendien onzuiver, omdat een 
glas met kogelvormige oppervlakken de lichtstralen, die van één 
punt uitgaan, niet weder volkomen in één punt kan hereenigen. 
Men gebruikt een zamenstel van twee glazen, om, door het een 
de gebreken van het ander te verefienen , en het iö geen ligt vraag- 
stuk te bepalen, welken vorm, welke grootte en welken afstand 
men aan die glazen geven moet, opdat de genoemde vereflening 
zoo volkomen mogelijk zij. Bij de meest gebruikelijke sterrekun- 
dige oogbuizen heeft men glazen, die aan de eene zijde bol en 
aan de andere zijde plat zijn, terwijl de platte zijde naar het oog 
wordt toegekeerd. Het glas, dat het digtst bij het oog is geplaatst, 
heeft eenen brandpuntsafstand drie malen kleiner dan die van het 
ander, en de afstand van beide glazen is twee malen zoo groot, 
als de brandpuntsafstand van het eerstgenoemde. Het beeld, dat 
men beschouwt, valt in het midden tusschen beide glazen, die uit 
dezelfde glassoort (kroonglas) zijn vervaardigd, en bij welke de 
kleurschifting grootendeels daardoor wordt opgeheven , dat de licht- 
stralen elkander, tusschen de glazen, overkruisen. Deze oogbuizen 
zijn echter nog ver van volkomen, zoo als dit maar al te duidelijk 
blijkt, uit de omstandigheid, dat de voorwerpen, door eenen kijker 
met zulk eene oogbuis gezien, hunne scherpte verliezen, als zij 
van het midden van het gezigtsveld naar zijne randen worden 
overgebragt. Nog minder volkomen zijn de oogbuizen, bij welke 
het beeld niet tusschen de beide- glazen valt, zoo als men gedwon- 
gen is die bij de sterrekundige meetwerktuigen te gebruiken, en 
daarom heeft men ook pogingen aangewend, om de sterrekundige 
oogbuizen , even als de voorwerpglazen , door eene vereeniging van 



— 215 — 

verschillende glassoorten, te volmaken. Duwb te Berlijn en kellner 
te Wetzlar hebben achromatische sterrekundige oogbuizen vervaar- 
digd, bij welke de voorwerpen, over de volle uitgestrektheid van 
een aanzienlijk gezigtsveld, dezelfde scherpte behouden; maar hoe- 
zeer die oogbuizen aan de sterrekunde belangrijke diensten kunnen 
bewijzen, zijn zij te kostbaar om eenen beminnaar dier wetenschap , 
die slechts een' kleinen kijker bezit, te kunnen worden aanbevolen. 
{Sterrenhemel, deel II, tweede druk, bladz. 664). Onlangs heeft 
HENSOLBT te Coburg aangekondigd, dat hij eene nieuwe soort van 
sterrekundige oogbuizen heeft uitgevonden , door hem in navolging 
van KELLNEK, ortJwscopiscJie genoemd, die even voortrefielijk als 
die van kellner moesten zijn, en door hem voor een' zeer matigen 
prijs konden worden afgeleverd. De Heer kipp heeft mij een paar 
dier oogbuizen bezorgd, welke bij hem, met een zonneglas, op 7 
guldens komen te staan. Deze oogbuizen hebben een veel grooter 
gezigtveld dan die uit München, of van molteni, en over degeheele 
uitgestrektheid van dat gezigtsveld behouden de voorwerpen omtrent 
dezelfde scherpte, maar die scherpte is iets minder dan die, met 
welke de evengenoemde oogbuizen de voorwerpen in het midden 
van het gezigtsveld vertoonen. Aan het gebruik der oogbuizen van 
HENsoLDï is wijders, even als aan dat der oogbuizen van kellner, 
een belangrijk bezwaar verbonden. Het tweede glas is namelijk 
bijna volkomen in het brandpunt van het eerste geplaatst, ten 
gevolge waarvan het minste stofje of onzuiverhei dj e op het tweede 
glas, met eene zeer lastige duidelijkheid, door het eerste glas ge- 
zien wordt. Het is bijna niet mogelijk de glazen der oogbuis vol- 
maakt rein te houden , en het is hoogst onaangenaam , bij het 
beschouwen der vlakken op de zon of op de maan , nevens die , nog 
eene menigte andere te zien, die door den kijker zelven worden 
aangevoerd. 

Bij de gewone sterrekundige oogbuizen , zoo als die uit München 
en die van molteni, zal een klein stofje op een der glazen geene 
hinderlijke vertooning in het gezigtsveld maken ,. maar toch moet 
men volstrektelijk zorgen, dat die glazen zoo zuiver mogelijk blij- 
ven. Zoo dikwijls als zich op die glazen de minste onreinheid 



— 216 — 

openbaart, moeten zij worden uitééngenomen en schoon geveegd. 
Dit geschiedt het best met een stukje droog en fijn afgedragen 
linnen, en heeft dat linnen kleine pluisjes of stofjes nagelaten, 
zoo kan men die, met een volkomenen droog en schoon penseel, 
verwijderen. Ook het voorwerpglas moet, zoo dikwijls het de minste 
onreinheid vertoont, op dezelfde wijze gereinigd worden. Door den 
tijd nestelt zich veelal eenig vocht of andere onreinheid tusschen 
de twee glazen , die het voorwerpglas zamenstellen , en het is een 
groot bezwaar tegen de zakkijkers uit München , dat de twee glazen, 
die het voorwerpglas zamenstellen , zoodanig in den ring die hen 
omvat zijn vastgemaakt, dat zij niet uiteen genomen en dus ook 
jiimmer inwendig gereinigd kunnen worden. Bij de zakkijkers van 
MOLTENi is dit het geval niet. Als men den ring, die het voor- 
werpglas bevat, van de buis des kijkers heeft afgeschroefd , ziet 
men aan zijne achterzijde nog een' gekartelden rand, behoorende 
tot een' inwendigen ring, die met schroefdraden in den buitensten 
ring grijpt, en de glazen in dezen vasthoudt. Schroeft men dien 
inwendigen ring af, dan kan men beide glazen uitligten, en aan 
hunne binnenzijde reinigen. Die reiniging moet echter niet veel- 
vuldiger worden herhaald dan volstrekt noodig is, en bij het weder 
ineenzetten der glazen, moet men vooral zorg dragen, dat zij vol- 
komen hunne vroegere plaatsing in den ring herkrijgen. 

Ik zoude het volstrekt overbodig achten opzettelijk te vermelden, 
dat men, ook met den besten kijker, door glasruiten heen, geene 
hemellickten kan beschouwen, zonder deze geheel misvormd te zien, 
ware het mij niet gebleken , dat die vermelding voor sommigen 
noodzakelijk kan wezen. Ook kan men nimmer, met een goed ge- 
volg, de hemellichten voor een geopend venster van een verwarmd 
vertrek, beschouwen, daar een verschil tusschen de warmte binnen 
en buiten het vertrek luchtstroomen veroorzaakt, die de hemellichten 
eene sterke golvende beweging doen schijnen aan te nemen. Men 
zal het best doen zich met den kijker in de opene lucht te bege- 
ven, en, in geen geval kan men eenen kijker bij den warmen 
haard gebruiken. 

De ruimte, binnen welke dit opstel beperkt moet blijven, laat 



— 217 — 

mij niet toe te handelen over de wijze, waarop de vergrooting van 
eenen kijker naauwkeurig bepaald kan worden, maar ik mag toch 
niet nalaten eene eenvoudige handgreep te vermelden, door welke 
men die vergrooting, althans redelijk naauwkeurig, bepalen kan. 
Men trekke op eenen muur, op eene schutting, of op eene lange lat, 
een zestigtal korte breede strepen, die, zoo naauwkeurig mogelijk, 
even ver van elkander verwijderd zijn. Op eenen afstand van die 
strepen, zoo groot dat men haar met het bloote oog nog duidelijk 
van elkander kan onderscheiden, stelle men den kijker op. Nu be- 
schouwt men die strepen met het eene oog door den kijker, en 
tevens, onmiddellijk met het andere oog, langs den kijker. Men 
ziet alzoo het vergroote beeld van die strepen door den kijker, 
en tevens die strepen zelve, met het ongewapend oog, zonder dat 
het een het ander hindert. Nu telle men, hoevele der tusschen- 
ruimten tusschen twee op elkander volgende strepen , met het bloote 
oog gezien, bedekt worden door eene enkele dier tusschenruimten 
zoo als deze zich door den kijker vertoont, en dit getal geeft de 
vergrooting van den kijker. Heeft men geene gelegenheid om 
zich eene verdeeling te maken, die, op een' grooteu afstand van 
den kijker voor het bloote oog zigtbaar is , zoo kan men zich , 
evenwel niet zonder iets van de naauwkeurigheid op te ofieren , 
van dakpannen of van steenen in denzelfden muur bedienen. Men 
zal zich op die wijze althans iigtelijk kunnen overtuigen, of de 
sterrekundige • oogbuis, aan eenen zakkijker van molteni toege- 
voegd, al of niet de vereischte vergrooting van ten minste vijftig 
malen heeft. De sterrekundige oogbuis moet ten minste twee ma- 
len zoo veel vergrooten, als de aardsche, en men zal Iigtelijk 
kunnen beoordeelen of dit zoo is, door de uitgestrektheid, welke 
Hetzelfde voorwerp aanneemt als het door den kijker met de eene 
en met de andere oogbuis beschouwd wordt, te vergelijken bij de 
voorwerpen, die tevens met het andere oog onmiddellijk worden 
waargenomen. 

Een kijker die 50 of 60 malen vergroot, kan, zonder voet, voor 
de beschouwing van hemellichten niet gebruikt worden. De gewone 
metalen voeten voor kijkers zijn zeer kostbaar, en, voor zoo ver 



— 218 — 



mij bekend is, heeft niemand er zich op toegelegd minder kostbare 
voeten voor zakkijkers te vervaardigen, buiten pi.össl te Weenen. 
Plössl vat den kijker, door schroefdraden, in een' koperen ring, 
aan welken een beugel is bevestigd, die uit twee stukken bestaat, 
welke zich door een scharnier om elkander laten bewegen,^ en die 
in eene houtschroef uitloopt. Die houtschroef grijpt in het boven- 
einde van een' houten drievoet. De kijker verkrijgt zijne vertikale 
beweging door den beugel, om het scharnier, om te buigen en zijne 
horizontale beweging alleen door de houtschroef te draaijen in 
de opening, in welke zij grijpt. Deze voetjes zouden op omtrent 
twee malen zoo veel als de geheele kijker van molteni komen te 
staan, en zij zijn volstrekt onbruikbaar, eensdeels omdat de bewe- 
wino-en des kijkers, vooral om de houtschroef, alleen met horten 
en stooten kunnen plaats hebben, anderdeels omdat de kijker, op 
die voetjes, in eene onophoudelijke trillende beweging is. Een voet 
voor eenen kijker moet, zal hij bruikbaar zijn, aan verschillende 
eischen voldoen. De kijker moet zich, op dien voet , naar alle punten 

van den hemel laten rigten en blij- 
ven staan , in den stand , waarin hij 
geplaatst wordt; hij moet zich ligt 
en zacht laten bewegen, om een 
hemellicht in zijne beweging te 
volgen, en hij mag op zijnen voet 
noch trillen, noch waggelen. Aan 
al die eischen voldoet een houten 
voetje, door mij bedacht en in 
fiff. 6 afgebeeld. Aan een houten 
blokje a zijn drie sehuinsche voe- 
ten bevestigd, die onmiddellijk op 
eene tafel komen te rusten. Het 
geheel heeft eene hoogte van juist 
eene halve Ned. el. Boven op het 
blokje a zijn twee klossen vastge- 
maakt, tusschen welke eene hou- 
ten lat h h \% geplaatst, die eene 




— 219 — 

lengte heeft van omtrent BV2 Ned. palmen. In de bovenzijde van 
die lat is eene breede, spits toeloopende, gleuf gemaakt, in welke 
de kijker wordt gelegd, die, aan beide uiteinden van die lat 
stevig wordt vastgebonden. Met die lat verkrijgt de kijker zijne 
op- en nedergaande, d. i. zijne verticale beweging. Door ieder 
van beide klossen, op het blokje a bevestigd, loopt eene houtschroef, 
wier uiteinde in eene ronde punt is afgevijld. Tusschen de twee 
punten van die houtschroeven wordt de lat b b genepen , welke 
zich , om die punten , met groote gemakkelijkheid en zuiver- 
heid laat bewegen, zonder dat tusschen de lat en de punten, om 
welke zij zich beweegt, eenige speling bestaat, die den kijker zoude 
doen waggelen. Ontstaat er tusschen die punten en het hout , door 
slijting, eenige speelruimte, zoo kan men die in een oogenblik 
wegnemen, door slechts de houtschroeven, die met hunne draden 
in de klossen grijpen, een weinig aan te zetten, iets waartoe men, 
zoo men geenen schroevendraaijer heeft, een mes of een stuk geld 
gebruiken kan. Men moet den kijker in zulk eenen stand op de 
lat bevestigen, dat het geheel om de punten der houtschroeven 
nagenoeg in evenwigt is, en, bij het gebruik van de sterrekundige 
oogbuis , zoodanig als dit door fig. 6 wordt aangewezen. Het spreekt 
van zelf dat de kijker, met de lat, niet in eiken willekeurigen stand 
zal blijven staan, zonder dat hij door eene wrijving daartoe wordt 
gedwongen. Om die wrijving te verkrijgen , is aan de lat b b van 
onderen een houten boogje bevestigd, loopende door eene opening 
in het blokje a, zonder met dit blokje zelf in aanraking te komen. 
Aan het blokje a is, ter wederzijde van het houten boogje, een 
omgebogen stukje staalplaat bevestigd, dat, met eene ligte veer- 
kracht, tegen het houten boogje drukt. Het boogje, dat met den 
kijker en de lat b b bewogen wordt, wordt daarbij bestendig tusschen 
de genoemde veertjes genepen, die den kijker met eene toereikende 
kracht vasthouden , in den stand waarin hij gesteld wordt, en toch, 
vooral dan wanneer men het boogje met een weinig vet besmeert, 
zijne vrije beweging niet beletten. De kijker verkrijgt zijne hori- 
zontale beweging alleenlijk door het geheele voetje om te draaijen, 
op de tafel waarop het rust. Dit gaat ligter dan men, zonder het 



220 — 



beproefd te hebben, vermoeden zoude, en, na een weinig oefening, 
zal het gebruik van zulk een voetje, meer dan dat van onvergelij- 
kelijk kostbaarder metalen voeten, behagen. Heeft men in de lat 
hb eene spits toeloopende gleuf gemaakt, zoo moet de kijker daarin 
altijd volkomen sluiten. Ouder het dunnere gedeelte van den kijker 
kan men een paar stukjes hout brengen, om hem, als de gleuf 
overal even wijd is, niet scheef op de lat te bevestigen. Het best 
is dat de kijker alleen aan twee plaatsen op de lat steunt, en juist 
aan die plaatsen moet men de banden aanleggen, zoo men de buis 
des kijkers, door het vastbinden, niet krom wil trekken. Zulke 
voetjes zijn door den schrijnwerker a. l. trap te Leiden, reeds in 
menigte, voor den prijs van 2 guldens 50 cents gemaakt. Zij kunnen, 
naar -de hier gegevene afbeelding, voor dien prijs, ook door eiken 
anderen schrijnwerker gemaakt worden, en zij worden , op verlangen , 
ook door den Heer kipp te Delft geleverd. 

Als men een hemellicht bij zijne gestadige beweging gedurende 
eenigen tijd naauwkeurig in het midden van het veld des kijkers 

wil houden, om het zoo scherp 
mogelijk waar te nemen, is het 
zekerlijk aangenamer dat men 
den kijker, door middel van 
schroeven, eene fijne en zachte 
beweging kan geven , dan dat 
men dien, onmiddellijk met de 
hand, en altijd in meerdere of 
mindere mate bij rukken , ver- 
zetten moet. Men is gewoon al- 
leen aan de groote kijkers voeten 
met schroef beweging te geven, 
en die voeteii op een en zeer 
hoogen prijs te stellen, maar 
ook het gebruik van een' klei- 
nen kijker kan, door eene 
schroef beweging , zeer aanmer- 
kelijk worden verligt en ver- 




— 221 — 

aangenaamd. Ik heb mij daarom beijverd, voor onze beminnaren 
der sterrekunde, een eenvoudig en onkostbaar voetje te bedenken, 
waarop een zakkijker, door middel van schroeven, fijn en zacht 
kan worden bewogen. Ik vermeen in die poging wel geslaagd te 
zijn, en wil daarom ook niet nalaten hier eene beschrijving en 
afbeelding van zulk een voetje met schroef beweging te geven. 
Het is in de nevenstaande fig. 7 voorgesteld. Het onderstel komt 
overeen met dat van het voetje zonder schroef beweging, in fig. 6 
afgebeeld , maar in de plaats van de lat h i fig. 6 , komt een plankje 
a fig. 7, dat, op dezelfde wijze tusschen de punten van twee hout- 
schroeven wordt genepen, loopende door klossen, die aan het blokje 
a fig. 6 bevestigd zijn. De lat b h van fig. 7 , overeenstemmende 
met die van fig. 6, en onmiddellijk den kijker dragende, is boven 
het plankje a gebragt, en wel zoodanig dat zij, met betrekking 
tot dat plankje, verschillende standen kan aannemen. Op het plankje 
«, iets hooger dan de houtschroeven tusschen welke het genepen 
wordt, rust een houten schijfje. Door eene opening in het midden 
van dat schijfje loopt eene houtschroef , grijpende in het plankje «, 
en om welke zich het schijfje laat omdraaijen. Tusschen den kop 
van die houtschroef en het schijfje is een stalen veertje, waardoor 
het schijfje tegen het plankje a wordt aangedrukt, zoodat zijne 
beweging, zonder waggelen of speling, plaats heeft. Ter wederzijde 
van het schijfje en loodregt daarop is een latje tegen het schijfje 
vastgemaakt, en in ieder van die latjes grijpt eene houtschroef, in 
eene punt uitloopende, en tusschen die twee punten wordt de lat 
h 1) geklemd. In de figuur ziet men een der twee kleine latjes c , 
tusschen welke de grootere, die den kijker draagt, gevat wordt. 
Dé lat h b laat zich nu , om de punten van de houtschroeven in 
de kleine latjes, op en neder, en met het schijfje, waaraan die 
latjes bevestigd zijn, heen en weder bewegen, terwijl het plankje a 
onveranderlijk denzelfden stand behoudt. Door het plankjes, nabij 
het oogeinde des kijkers, loopt eene koperen schroef, op wier boven- 
uiteinde de lat b b komt te rusten. Nevens die schroef is , aan de 
linkerzijde van het planije a, en loodregt daarop, een latje d be- 
vestigd. Door dat latje d loopt eene andere koperen schroef, tegen 



— 222 — 

wier uiteinde de linkerzijde van de lat h h komt te rusten. Aan 
het boveneinde van het plankje a zijn twee gaten gemaakt, die de 
omgebogene einden van twee stukken staaldraad opnemen. Die 
stukken staaldraad , of stalen veeren , loopen , van die gaten , tus- 
schen het houten schijfje en de lat hh door, en eindigen onderde 
lat ö 5 , in de nabijheid der beide koperen schroeven. Daar loopen 
zij door kleine metalen oogen , van onderen aan de lat h b bevestigd. 
De eene dier stalen veeren drukt het oogeinde van de lat h h naar 
beneden, zoodat hij daar, met eene zekere kracht, op het uiteinde 
der schroef, die door het plankje loopt, moet rusten. De andere 
dier stalen veeren drukt het oogeinde van de lat h b van de reg- 
ter naar de linkerzijde, tegen het uiteinde der schroef, grijpende 
in het latje/?; en tot die zijdelingsche drukking wordt hij, door 
eene in het plankje a geslagene stift , gedwongen. Nu is het klaar 
dat de kijker eene zachte op en nedergaande beweging zal verkrij- 
gen , indien men aan de schroef draait, die door het plankje a 
loopt, en eene zachte heen en weder gaande beweging, zoo men 
aan de schroef draait, loopende door het latje d. De grovere bewe- 
ging, door welke men den kijker aanvankelijk ten naaste bij in zijn' 
behoorlijken stand moet stellen, wordt door eene omdraaijing van 
den geheelen voet en het verzetten van het plankje a gegeven. Is 
de kijker, door die grovere beweging, nagenoeg in zijn behoorlijken 
stand gebragt , zoo kan hij , door de schroeven , naauwkeurig gesteld 
worden en verder, gedurende een' geruimen tijd, naar de verplaat- 
sing van het hemellicht dat men beschouwt, ligt en zacht worden 
bewogen. De schroeven, door welke de kijker bewogen wordt, grijpen 
eenvoudiglijk in hout, maar dit is geen bezwaar, daar men , in een 
stevig hout, zeer goede schroefdraden kan maken, zoo men slechts 
de metalen schroeven, na die met een weinig vet te hebben besmeerd, 
door eene niet te wijde opening in het hout henen draait. Vreest 
men dat de opening in het hout, door slijten, te wijd zal worden, 
zoo kan men dit bezwaar op eene eenvoudige wijze voorkomen. 
Men zaagt eene gleuf in het latje, door de opening heen, die de 
schroef moet bevatten. Aan het begin van die gleuf, en dwars 
door die gleuf heen, brengt men eene houtschroef door het latje. 



— 223 — 

Wordt die houtschroef aangezet, zoo vernaauwt men de gleuf, en 
daarmede de opening, die de schroef bevat. Op die wijze kan men 
de wijdte van de opening regelen, en zorg dragen, dat de schroeven 
zich gemakkelijk genoeg bewegen, zonder hare diensten te weige- 
ren. De stalen veeren kunnen elk oogenblik worden uitgeligt. Spannen 
zij te veel of te weinig, zoo behoeven zij slechts een weinig ver- 
bogen te worden, om hare behoorlijke spankracht aan te nemen. 
Zulke houten voetjes, met schroef beweging, als ik hier boven heb 
beschreven en afgebeeld, zijn, door den schrijnwerker a. i. tkap 
te Leiden, voor mij en anderen, voor den prijs van 6 guldens 50 
cents vervaardigd. 

Ik ben den bezitters van eenen kijker nog eene raadgeving schul- 
dig, die op het ligchaam dier werktuigen betrekking heeft. De in 
elkander schuivende buizen van eenen kijker kunnen niet met vernis 
worden overtogen, omdat dit onmiddellijk zoude worden afo-esleten, 
maar daardoor kunnen zij ook naauwelijks met de handen worden 
aangeraakt, zonder dat dit blijvende vlakken nalaat. Men moet 
daarom de aanraking van de niet verniste deelen des kijkers, met 
de handen, zoo veel mogelijk vermijden, en, zoo men dit bij het 
gebruik des kijkers niet vermijden kan, dien niet wegleggen, zon- 
der vooraf de buizen met een droog linnen lapje goed af te veo-en. 
In weerwil van die voorzorg zullen echter, bij een veelvuldio- "•e- 
bruik van den kijker, de niet verniste buizen allengs meer met 
vlakken worden overtogen , en ten laatste zich niet dan met "-eweld 
in elkander willen laten schuiven. Eer het zoo ver gekomen is, 
moet men de buizen des kijkers reinigen. Daartoe moeten zij wor- 
den uiteengeschroefd, en de niet verniste deelen van de verniste 
geheel worden afgescheiden. De verniste deelen worden alleen met 
een lapje en een weinig olie schoon geveegd. De niet verniste, met 
roestvlakken overtogene, buizen des kijkers moeten worden afge- 
schuurd. Dit geschiedt het best door een linnen lapje met olie en 
tripoli, waarmede men zoo lang heen en weder wrijft, tot dat alle 
roestvlakken zijn verdwenen. Dan veegt men de olie en tripoli 
zorgvuldig van de buizen af, en schuurt of polijst nog eens, met 
een droog lapje en tripoli, over, waarna de buizen weder zoo blin- 



— 224 — 

kend zijn geworden, als toen zij de fabriek verlieten. Bij gebrek 
aan tripoli kan men zicli ook van hertshoorn, of zeer fijnen geziften 
blaauwen steen bedienen. 

Een zakkijker van molteni, met eene sterrekundige oogbuis en 
een voetje zonder schroef beweging , komt op 22 guldens te staan, 
en die prijs wordt tot 26 guldens verhoogd, zoo men een voetje 
met schroef beweging begeert. Zekerlijk is nimmer een zoo goedkoop 
werktuig voor de beschouwing der heraellichten aanbevolen, en men 
zal daarom die aanbeveling geregtvaardigd willen zien, door eene 
vermelding van hetgeen zulk een kijker van mot^teni vermag. Ik 
behoef het niet te verbloemen, dat een zakkijker van molteni in 
vermogen moet onderdoen voor de kijkers uit München, op den 
Pulkowa en te Cambridge in de Vereenigde Staten, die vijftig 
duizend guldens hebben gekost, voor den kijker van cauchoix te 
Cambridge in Engeland, die waarschijnlijk nog meer heeft gekost, 
en voor den teleskoop van Lord rosse, die misschien eene uitgave 
van eene halve millioen guldens heeft gevorderd , — en ik wil zelfs 
gaarne erkennen, dat zijn vermogen veel minder is dan dat van 
eenen kijker uit München, die met eenen voet, op omtrent 200 
guldens komt te staan en dien ik allen, wie de uitgave van die 
som niet bezwaart, ver boven eenen zakkijker van molteni blijf 
aanbevelen. Ook zonder mijne verklaring zal men echter besefl'en , 
dat, wat het vermogen der zakkijkers van molteni moge wezen, 
die werktuigen meer bij de hemellichten moeten openbaren , dan 
het ongewapend oog onderscheiden kan , en of dat meerdere 22 of 
26 guldens waardig is , kan niet door mij voor allen worden beslist, 
daar de een betrekkelijk veel en de ander volstrekt niets voor eene 
meer naauwkeurige kennis der natuur ten beste heeft. Ieder kan 
voor zich zelven beslissen, indien hij ten naastebij bekend wordt 
gemaakt, met hetgeen men, door eenen zakkijker van molteni, 
meer dan met het ongewapend oog, kan onderscheiden. Ik heb 
reeds in m\]n& Beschrijving en Afbeelding van den Sterrenhemel 
(tweede druk, bladz. 660) medegedeeld, wat men aan den hemel 
kan onderscheiden, door eenen zakkijker uit München, die met 
eene oogbuis van daar, zonder voet, op 53 guldens komt te staan; 



— 225 — 

en ik zoude mij hier kunnen bepalen bij de herhaling van hetgeen 
ik reeds vroeger lieb gezegd, dat de hier beschrevene zakkijkers 
van MOLTENi de evengenoemde uit München merkbaar overtreffen. 
Ik wil echter nog kortelij k aanstippen , wat , door mij en anderen , 
door eenen zakkijker met eene sterrekundige oogbuis van molteni, 
aan den hemel is gezien. In den zomer van het verledene jaar 
heb ik mij dikwijls met de beschouwing van de zon, door zulk 
eenen kijker, vermaakt, en zag dan, zoo dikwijls als zij aanwezig 
waren, niet slechts de zonnevlakken , maar ook de zonnefakkelen , 
die zoo veel moeijelijker waar te nemen zijn, in eene trefiende 
schoonheid. Hetzelfde kan gezegd worden van de bergen en dalen , 
de eigenaardige tinten en lichtstrepen op de maan , als die bij ge- 
paste schijngestalten der maan beschouwd worden. De schijngestalten 
van Mercurius en Venus laten zich door zulk eenen kijker zeer 
schoon waarnemen. In den zomer van het verledene jaar kon ik, 
door zulk eenen kijker, niet slechts de strepen op de schijf der pla- 
neet Jupiter, maar zelfs oneflenheden in die strepen zeer duidelijk 
onderscheiden. Het is klaar, dat de wachters van die planeet zich 
door zulk eenen kijker als heldere sterren moeten vertoonen. Onder 
gunstige omstandigheden vertoont hij den heldersten wachter van 
Saturnus zeer duidelijk, en, laat hij niet toe den ring van die pla- 
neet in al zijne bijzonderheden te bespieden, den ring zelven laat 
hij zeer ligt erkennen. Uranus en Neptunus vertoonen zich door 
zulk eenen kijker als heldere sterren , en hij doet al de sterren , ook 
die tusschen de negende en tiende grootte, duidelijk onderscheiden, 
die op het kaartje zijn aangewezen, dat ik gewoon ben aan mijn Ster- 
rehundlg jaarloek toe te voegen , om daardoor het opsporen der pla- 
neet Neptunus te verligten. Ik heb, met zulk eenen kijker, de fijne 
dubbele sterren £ en N". 5 in het sterrebeeld de Lier duidelijk ont- 
bonden gezien, hoezeer de eene uit sterren bestaat, die naauwelijks 
meer en de andere uit sterren die nog minder dan drie secunden 
van elkander verwijderd zijn. Ook de heldere nevelvlekken , zoo 
als die in Orion en in Andromeda, worden trefiende verschijnselen, 
als zij door zulk eenen kijker worden waargenomen. Onze zakkij- 
kers van MOLTENI zijn zekerlijk niet te vergelijken bij kijkers die 



— 226 — 

honderden en duizenden guldens kosten , maar uit het aangevoerde 
blijkt genoeg, dat hetgeen zij bij de hemellichten openbaren, ook 
niet te vergelijken is, bij hetgeen het ongewapend oog ons daar- 
omtrent vertoonen kan. De zakkijkers van moi,teni mogen ons 
niet verder dan tot het voorportaal des hemels kunnen brengen, 
het is reeds zeer veel, dat zij ons daar den toegang verleenen. Hij 
die gaarne dieper zoude willen doordringen, maar wiens middelen 
den aankoop van een meer vermogend werktuig niet gedoogen , 
verheuge zich daarover, dat hij met zoo weinig zoo veel vermag, 
en trooste zich met het bewustzijn, dat het binnenste van het hei- 
ligdom , waar wij allen zoo gaarne zouden willen binnensluipen, 
toch voor den rijksten man der aarde gesloten blijft. 

NASCHRIFT. 

Het uitzigt, dat aan de fabriek der gebr. molteni te Parijs weder, even 
als aanvankelijk, sterrekundige oogbuizen van eene toereikende vergroo- 
ting zouden worden afgeleverd, heeft mij tot de uitgave van dit opstel 
doen besluiten. Reeds was het der redactie van liet Album der Natuur itx 
plaatsing aangeboden, en reeds was zijne verschijning aangekondigd, 
toen ik 24 nieuwe kijkers van molïeni, met even zoo vele sterrekundige 
oogbuizen, en een aantal sterrekundige oogbuizenvan hensoldt, van 
den Heer kipp, ter bezigtiging ontving. De toegezondene kijkers waren 
even voortreffelijk als de vroegere, maar de sterrekundige oogbuizen van 
MOLTENi, die nu werkelijk de vereischte vergrooting hadden, bevatteden 
glazen, wier grootte en brandpuntsafstanden niet voldeden aan het 
voorschrift, bladz. 214 vermeld, ten gevolge waarvan zij alleen over 
een zeer klein gezigtsveld zuivere beelden konden geven. Ik heb den 
heer kipp aangeraden al die oogbuizen terug te zenden, met het berigt, 
dat zij door mij waren afgekeurd. Zij zijn hieraan te kennen , dat het 
eerste glas kleiner is dan het glas in e/, fig. 4, terwijl het tweede glas 
grooter is dan het glas in jiq., zoodat het tweede glas veel te groot is 
met betrekking tot het eerste. De dood van eenen der gebr. molteni 
schijnt hunne fabriek achteruit gezet te hebben, en zoolang als zij niet 
tot de vorige hoogte zal zijn teruggekeerd, zal men het best doen, zoo 
men tot de oogbuizen van hensoldt zijne toevlugt neemt. 



GROOTE UITWERKSELEN 

VAN 

ZEER KLEINE BEWEGINGEN. 

DOOR 

P. VAN DEE BUKG. 



Xudien wij de verschijnselen, die zich dagelijks in de natuur voor 
onze oogen opdoen, met opmerkzaamheid gadeslaan, dan is zeker 
de onafgebrokene afwisseling, waarmede zij gestadig optreden, wel 
geschikt, om die opmerkzaamheid levendig te houden. Nergens vin- 
den wij rust, nergens volstrekte bewegingloosheid. Tallooze veran- 
deringen grijpen, gedurende een' enkelen dag, plaats in den toestand 
van den dampkring of de luchtmassa, die onze aarde omringt; die 
aarde zelve voert ons met eene onbegrijpelijke snelheid voortdurend 
naar andere oorden der hemelruimte, en legt ons te gelijk, door 
hare draaijing om zich zelve, verschillende deelen dier ruimte ter 
beschouwing bloot; een aantal andere bollen zien wij met die aarde 
eene gelijksoortige beweging maken; en hoewel het ons nog niet 
gegeven is te weten, wat er in de verst afgelegene deelen des uit- 
spansels met de overige hemelligchamen , ten aanzien dier beweging 
geschiedt, wij mogen uit de gedane waarnemingen als vrij zeker 
aannemen, dat ook deze aan eene geregelde plaatsverandering zijn 
onderworpen. En waar zouden wij beginnen, waar eindigen, zoo wij 
den lezer het oog naar beneden wilden doen slaan op den bodem, 
die hem draagt , en doen opmerken , wat daar in plant en dier en 
in de aardkorst zelve, voor zoo verre ons dit bekend is, voorvalt? 
Ons eigen ligchaam treedt vooral met kracht als getuige op voor 
de waarheid der stelling: niets is er te midden van al het geschapene, 
dat in volstrekte rust verkeert ! — Zijn wij heden dezelfde, die wij gis- 
teren , wat zeg ik, die wij eene enkele seconde geleden waren? 

14 



— 228 — 

Maar komen er in liet opgesomde hoofdzakelijk slechts bewegin- 
gen voor, die als van zelve in het oog vallen, hoe menigvuldig 
zijn de veranderingen , — want deze toch zijn onafscheidelijk aan be- 
weging verbonden , — die door den minder opmerkzame in het geheel 
niet worden waargenomen. Het zal genoeg zijn, in dat opzigt alleen 
te wijzen op de beweging, die, onder den invloed der dagelijks terug- 
keerende zonnewarmte, in de ons omringende onbewerktuigde stoffen 
plaats grijpt. Met het toenemen der warmte zetten alle stoffen zich 
uit; zij moeten onder haren invloed eene grootere ruimte innemen; 
terwijl hare vermindering eene ineenkrimping veroorzaakt. Groeit 
derhalve de warmte des daags aan, zoo verwijderen de stofdeeltjes, 
waaruit de ligchamen bestaan , zich verder van elkander , en naar 
gelang de warmte afneemt , sluiten zich die deelen weder digter aan- 
een. Ook in dat opzigt dus : — eeuwigdurende beweging. Het is dui- 
delijk, dat wij hier de verandering in den toestand van de vochtigheid 
der lucht geenszins buitensluiten ; wat ook deze voor zich zelve op de 
ligchamen vermag, behoeft zeker naauwelijks te worden aangewezen. 

Evenwel ook die altijd voortdurende beurtelingsche verwijdering 
en toenadering der kleinste deelen van eene stof, onder den invloed der 
warmte, 13 weder veelal groot genoeg, om, zoo er de opmerkzaamheid 
op gevestigd wordt, en de daartoe noodige hulpmiddelen worden aange- 
wend, deze beweging met het oog te kunnen waarnemen; — maar 
ziet, er zijn bewegingen, die in het geheel niet zuiver waar- 
neembaar zijn; wier bestaan men tot nog toe alleen mag vooronder- 
stellen ; doch welk bestaan uit zulk eene groote menigte waarneem- 
bare verschijnselen wordt bewezen, dat men het inderdaad niet kan 
loochenen. 

Wij hebben het plan gevormd, om met deze soort van bewegingen 
den lezer eenige oogenblikken bezig te houden , en willen ze hier 
als werkelijk voorvallende aannemen. 

De bewegingen, die wij op het oog hebben, zijn bekend onder 
den naam van golvingen, sUngeriugen of tnll'mgen. Hare beschouwing 
behoort tot de aangenaamste en uitlokkendste onderwerpen der na- 
tuurkunde. Mogten deze regelen iets bijdragen, om den lezer dit 
met ons te doen instemmen. 



— 229 — 

Met het woord schommeling of slingering duiden wij elke geregeld 
heen en weder gaande beweging aan. Hang een' bal aan een dun 
koord op, breng hem, door hem op zijde te trekken, uit zijn' toestand 
van rust, laat hem vervolgens los, en hij begint te slingeren. De 
bal bereikt onder dit slingeren, ter wederzijde van de plaats, die 
hij bij zijne rust innam, eene zekere hoogte; den weg, dien hij 
tusschen die beide, even ver van het rustpunt gelegene, hoogste 
punten aflegt, noemt men de lengte der slingering oï sUngerwijdie; 
den tijd, dien hij er toe gebruikt, slingertijd. 

Span tusschen twee vaste punten een touw of snaar; vat het 
midden der snaar tusschen de beide vingers, trek haar daarna uit 
de regte lijn , die men zich verbeelden kan tusschen de twee hecht- 
punten der snaar aanwezig te zijn , laat haar vervolgens los , en 
zij maakt nu eene met den bal gelijksoortige beweging, zij slin- 
gert. In dit geval zegt men ook wel, de snaar trilt., en dit voor- 
beeld zal voldoende zijn, om op te helderen, waarom de slingerin- 
gen ook wel trillingen genoemd worden. Den laatsten naam kent 
men er bij uitnemendheid aan toe, wanneer de slingeringen zeer 
snel op elkander volgen, en de verst van elkander gelegene punten, 
die het slingerende ligchaam bereikt, digt bij elkander liggen, 
zooals wij dit ook bij de snaar konden opmerken. 

Steekt men eene naald in eene plank, buigt men haar vervol- 
gens over, en laat men haar dan plotseling los, zoo slingert of 
trilt zij op eene dergelijke wijze als de snaar en de heen en we- 
der bewegende bal. 

Legt men op eene efiene wateroppervlakte een stukje hout of 
kurk, en werpt men op een' afstand daarvan een voorwerp in het 
water, zoo ziet men het op het water drijvende ligte ligchaam ge- 
stadig op- en nederdobberen. De waterdeelen zijn nu in slingering 
of golving; zij blijven genoegzaam op dezelfde plaats op- en ne- 
derwaarts schommelen, en dit verschijnsel heldert weder op, waarom 
de slingeringen ook wel golven worden genoemd. Dat er dergelijke 
golven in elk ander vocht of in elke druipbare vloeistof kunnen 
worden opgewekt, zal wel aan geene bedenking onderworpen zijn. 
Het meest volkomen en het fraaist vertoonen zich die golven in 



— 230 — 

kwikzilver, waarin men enkele druppels van dit metaal van zekere 
hoogte laat nedervallen. Doet men dit op twee verschillende plaat- 
sen te gelijk, zoo merkt men twee stelsels van golven op, die ge- 
regeld door elkander heengaan ; daar waar het laagste punt of een 
golfdal van het eene stelsel zamentreft met een hoogste punt of 
een' golf berg van het andere, vernietigen zij elkanders werking; 
maar daarna gaan zij weder geregeld door elkander heen en zetten 
hunne beweging voort. 

De voorbeelden van slingering, trilling en golving, die daar 
onder de aandacht zijn gebragt, hadden betrekking tot de vaste 
stoffen en de druipbare ligchamen ; maar ook in de lucht of in den 
aardschen dampkring bestaan dergelijke golven, is onophoudelijk 
een heen en weder slingeren of golven der luchtdeeltjes merk- 
baar. Wij stemmen toe, dat men deze beweging niet zoo tastbaar 
door de zintuigen kan waarnemen , als bij de trillende snaar of het 
golvende water; maar wij zijn niet te min in staat, om de uit- 
werking, die de luchtgolven op vaste ligchamen uitoefenen, aan 
te toonen, en alzoo haar bestaan tot zekerheid te brengen. 

Eene luchtgolving in het groot, en in hare meest schrikbarende 
uitwerking, brengt het springen van eene groote hoeveelheid bus- 
kruid te weeg. Zoodra de massa kruid ontvlamt, wordt eene groote 
hoeveelheid zijner bestanddeelen luchtvormig; de omringende datnp- 
kringslucht wordt door die plotselinge uitzetting met eene onge- 
loofelijke kracht, rondom de plaats der ontbranding, weggestooten ; 
de voortgedrevene luchtdeelen dringen daardoor andere naastgele- 
gene weder voort, en bijgevolg digter tegen de naburige. Er ont- 
staat derhalve op de plaats der ontploffing eene sterke luchtver- 
dunning ; rondom, op een' afstand van deze , eene sterke luchtverdik- 
Mng ; na een zeer kort tijdstip treden de weggestooten luchtdeelen, 
door de veerkracht der lucht, met eene groote snelheid weder op 
hare vorige plaats, en veroorzaken daardoor achter zich eeiie lucht- 
verdunning, want de aangrenzende volgen die beweging niet onmid- 
dellijk. Dit verklaart, waarom de glazen vensterruiten der in de na- 
bijheid van de ontploffing liggende gebouwen , door de weggestoote- 
ne lucht naar linnen , door de terugkeerende naar hiilen stuk slaan. 



— 331 — 

Terwijl de verwijdering en terugkeering der luchtdeelen digt bij 
de plaats van den knal geschiedde, hebben de verder afgelegene 
luchtzoomen op elkander de ontvangene zamendrukking overge- 
plant; eerst later dan de boven aangewezene kon dus de terug- 
keer tot den toestand van rust, en de daaraan verbondene lucht- 
verdunning, volgen. Even als eene watergolf, door het werpen van 
een ligchaam op de oppervlakte, of door eene andere oorzaak ont- 
staan, zich al verderen verder kringvormig over de wateroppervlakte 
verspreidt, zoo ook breiden zich de gezegde verdikkingen, en de door 
de spoedige terugkeering ontstane verdunningen der lucht, voort- 
durend verder uit. In de lucht evenwel geschieden die bewegingen 
in alle mogelijke rigtingen, als in bolvormige kogelschalen. Men 
vatte dit echter zoo op , dat het heen en weder slingeren der lucht- 
deelen geschiedt aan alle zijden en in alle rigtingen , naar de geluids- 
bron toe en er van af, dus in regte lijnen , die men van de geluidsbron 
af naar al de plaatsen in de ruimte trekken kan , en welke lijnen be- 
kend zijn onder den naam van geluiclsstralen; en even als de wa- 
tergolven zwakker worden, naar mate zij zich verder van den oor- 
sprong der beweging bevinden , worden ook de bolvormige lucht- 
golven gestadig zwakker, naar gelang de afstand zich vergroot of 
de kogelvormige ruimte, die zij insluiten, zich verbreedt. 

Overal waar het oor door de luchtgolven getroffen wordt, ver- 
neemt men ook den knal; en hoe ver de uitbreiding kan plaats 
grijpen, bewijst de omstandigheid, dat men in 1793, te Maintz, 
eene kanonnade op 44 uren afstands hoorde , op Helgoland in 1809 
eene andere op 47 uren afstands, en het beschieten der citadel 
van Antwerpen in 1832, door het reuzenmortier, 106 uren ver in 
het Ertsgebergte vernam. 

Wat hier bij de beschrevene ontploffing in het groot geschiedde, 
gebeurt ook bij de vroeger tot voorbeeld gekozene trillende snaar. 
De luchtgolven mogen dan niet zoo kolossaal zijn als zij door de 
ontvlamming van het buskruid werden, zij zijn niet te min aan- 
wezig. De snaar toch, uit den toestand van rust gebragt en plot- 
seling losgelaten zijnde, drijft de luchtdeelen voor zich uit, en 
perst ze digter op elkander; achter haar ontstaat eene luchtver- 



— 232 — 

dunning, dewijl de luchtdeelen haar niet onmiddellijk volgen, of 
de ledige plaats, door hare snelle beweging ontstaan, niet onver- 
wijld aanvullen. Ook deze luchtverdunningen en verdikkingen 
worden in bolvormige zoomen, of onder de gedaante van kogel- 
schalen, voortgeplant. Er gebeurt echter iets bij deze beweging, 
dat bij het ontploffende buskruid het geval niet was. De snaar 
houdt namelijk, ten gevolge harer veerkracht, eenigen tijd de ver- 
kregene beweging aan; want eenmaal op de regte lijn, waarin zij 
vroeger bij hare rust lag, aangekomen zijnde, overschrijdt zij deze 
door den aandrang, dien zij bekomen heeft, toen men haar losliet, 
na men haar met kracht uit den toestand van rust gerukt, en dus 
iets langer gemaakt had. De luchtverdigtingen en verdunningen 
houden dan ook eenigen tijd aan; er ontstaat een voortdurend heen 
en weder slingeren, een golven der lucht. Ook in zulk een ge- 
val vernemen wij , als de trillingen snel genoeg zijn , zoowel als bij 
het buskruid, de voortbrenging der luchtgolven; doch nu niet on- 
der den vorm van een' knal, maar onder dien van een' toon. Zulk 
eene gestadige, gelijkmatige en snelle golving is namelijk een eigen- 
aardig vereischte tot het voortbrengen van toonen. Daar er van de 
trillende snaar aanhoudend slingeringen of luchtgolvingen uitgaan , 
die zich steeds verder uitbreiden, bereiken deze eindelijk het oor, 
en doen een daarin aanwezig zeer dun, ligt bewegelijk vlies, het 
trommelvlies genaamd, medeslingeren; deze trillende beweging breidt 
zich uit over de gehoorzenuwen en van daar naar de hersenen. De 
alzoo opgewekte regelmatige werkzaamheid der zenuwen veroor- 
zaakt ons eene aangename gewaarwording; op welke wijze dit 
juist geschiedt, ligt nog geheel in het duister, en zal welligt 
nimmer aan den menschelijken geest geopenbaard worden. — 
Genoeg — wij worjlen de trillingen gewaar, en zeggen een' toon 
te hooren. 

"Wij telden onder de voorwaarden tot het voortbrengen van een' 
toon ook die, dat de slingeringen zeer snel moeten geschieden. 
Zijn de trillingen langzaam, gelijk bij een' slingerenden bal, of 
een zeer lang gespannen koord, den verneemt men het geluid niet. 
Eene eenvoudige proefneming kan deze waarheid bevestigen. 



— 233 — 

Het zal wel aan geene bedenking onderworpen zijn, dat de ont- 
stane luchtgolven , tot de voortschrijding naar plaatsen, die op 
een' afstand van de geluidsbron liggen, tijd noodig liebben. Ge- 
durende eene seconde, heeft de eerst "ontstane golf reeds tot op 330 
ellen afstands hare verkregene beweging aan de andere luchtdeelen 
overgebragt. Men drukt deze waarheid aldus uit: het geluid legt 
in elke seconde een' weg van 330 ellen af. Daarom zien wij op een 
grooten afstand den bijl of hamer van den arbeider vroeger neder- 
vallen, en ontdekken het vuur van het losbrandend geschut of het 
licht van den bliksemstraal eerder, dan wij den slag, den knal of 
den donder hooren. De luchtgolven hadden namelijk tijd noodig, 
om van den hamer, van het k^non of van de onweerswolk zich 
tot ons oor over te planten. Het oog werd er door het licht vroe- 
ger van onderrigt, dan het oor door het geluid. Wij zullen aan- 
stonds daarvan de reden ontwikkelen. 

Misschien bestaat er bij enkelen onzer lezers of lezeressen nog 
eenige twijfel, ten aanzien van het al of niet aanwezig zijn der 
geluidsgolven. Mogt dit het geval zijn, men legge dan eene viool, 
die met eene forte-piano gelijk gestemd is, in de nabijheid van 
deze laatste, zette de piano open, en doe er een toon sterk op 
aanslaan, die ook door een der vier vioolsnaren, in haren natuurlij- 
ken, vrijen toestand, bij bestrijking gegeven wordt. Spoedig zal men 
de overtuiging erlangen, dat de met dien toon overeenkomende 
vioolsnaar insgelijks toon geeft, en derhalve raedetrilt. Zoo het ge- 
hoor ons daarvan niet overtuigen wil, dan kan het onsgezigt, zoo 
men slechts op het midden der snaar, wier toon met de aangeslagene 
overeenkomt, een zeer smal, V vormig toegevouwen reepje papier 
hangt; het papieren ruitertje zal in beweging geraken, zoodra de 
piano den vereischten toon doet hooren. 

De medetrilling geschiedde op de volgende wijze. De eerste lucht- 
golf, door de trilling der aangeslagene snaar ontstaan, stiet tegen 
de stil liggende vioolsnaar; deze verkreeg daardoor eene zeer zwakke 
buiging; zij slingerde nu gelijktijdig met de pianosnaar, door eene 
kleine ruimte, heen en weder; de tweede golf, die de laatstgenoemde 
snaar bij eene volgende slingering voortbragt, werd op nieuw op 



— 234, — 

de andere snaar overgeleid, en de eerst verkregene beweging van 
deze daardoor versterkt; vervolgens zette zich dit spel bij herhaling 
al verder voort, en eindelijk bewoog zich de vioolsnaar sterk genoeg, 
om ook toon te geven. Het is waar, de andere snaren der viool 
liggen bij de voortgebragte luchtgolven ook niet in rust, zij trillen 
ook mede, maar hare trillingen worden gedurig door de nieuw aan- 
komende golven gestoord. De snaren toch, tot het voortbrengen 
van verschillende toonen bestemd, maken allen trillingen van eene 
bepaalde snelheid, sclieppen ieder voor zich luchtgolven van eene 
bepaalde lengte. De aangeslagene snaar raag eene met haar niet har- 
moniërende in beweging stellen, die beweging blijft niet met haar 
gelijkmatig, de aankomende luchtgolven werken er onregelmatig op 
in , de slingeringen kunnen niet ordelijk optreden , de snaai kan 
geen toon voortbrengen. 

Het is waarlijk of er, sta ons deze vergelijking toe, tusschen 
de harmoniërende toonen eene soort van sympathie bestaat, even 
als tusschen menschen, wier gelijk gestemde zielen elkanders ge- 
dachten en gewaarwordingen ondersteunen en voeden. 

Wij spraken boven van eene regelmatige werkzaamheid, die een 
toon in de gehoorzenuwen opwekt, en als oorzaak daarvan gaven 
wij op de regelmatige trillingen, waarin het gehoor- of trommelvlies 
door de luchtgolven, bij den toon behoorende, gebragt wordt. Het 
denkbeeld, dat ons tot het uiten dier vooronderstelling bragt,komt 
ons inderdaad te bekoorlijk voor, om het hier niet in de hoofd- 
trekken ter neder te stellen. 

Men neme eene niet te dikke metalen of glazen plaat, vierkant, 
rond, of in den vorm van een' regelmatigen driehoek. Elke zijde 
of de middelliju dier platen kan 3 tot o palmen lang zijn. Meu 
bore in het midden der plaat eene kleine opening, en zette haar, 
door middel eener schroef, op eene dunne spil, die door de opening 
reikt, vast, zoodat de plaat overal vrij ligt, behalve in het midden. 
Indien er nu een weinig fijn zand op de plaat wordt gestrooid, en 
vervolgens een vioolstrijkstok, in eene op de plaat loodregte rig- 
ting langs haren rand wordt gestreken , zoo zal zij een' toon geven ; 
is nu die toon vol en rond, en derhalve zijne hoogte goed kenbaar, 



— 235 — 

zoo zal het zand van de trillende deelen der plaat opspringen , zich 
van die plaatsen verwijderen, en op die punten ophoopen, welke in 
rust zijn of niet trillen; hierdoor ontstaan nu, als door een' toover- 
slag, de regel inatigste en fraaiste figuren, waarbij het oog met het 
meeste welgevallen verwijlt. Voor denzelfden toon zijn die figuren 
altijd dezelfde; men noemt ze Tdanhfiguren. Is het voortgebragte 
geluid onzuiver, scherp of krassend, dan springt het zand verward 
op, schikt zich niet regelmatig, maar onbestemd, zonder be- 
paalde vormen voort te brengen. Ware de plaat zeer veerkrachtig, 
en werd er in hare nabijheid door een muzijkinstrument een toon 
voortgebragt , die ook door haar te bestrijken kon verkregen worden, 
zij zoude dan, even als wij dit bij de gelijk gestemde snaren de- 
den opmerken, medegetrild, en het zand zich tot eene regelmatige 
figuur gerangschikt hebben. Is nu waarlijk de onderstelling te ge- 
waagd, wanneer wij aannemen, dat het gehoorvlies door de geregelde 
toonen in eene met de plaat overeenkomstige trilling wordt gebragt, 
zoodat de trillende of bevende deelen zeer regelmatig zijn verdeeld , 
en er daardoor een' zekere vorm aan onze gewaarwording M'ordt 
gegeven, een vorm, die bij hare stoft'elijke voorstelling het oog zou 
streelen ? Het onderwerp verkrijgt in dat opzigt een' onuitputtelijken 
rijkdom, en eene onweerstaanbare aantrekkelijkheid; maar wij kun- 
nen er hier niet verder in doordringen, want wij hebben nog 
andere zaken te behandelen. 

Bedriegen wij ons niet, dan verlangt de lezer eene nadere uit- 
eenzetting van de gebezigde uitdrukkingen : bij iederen toon behoort 
eene luchtgolving van eene bepaalde lengte, en verschillende toon- 
gevende snaren maken elk een verschillend aantal slingeringen in 
eene bepaalde tijdruimte. Wij zullen dit verlangen eenigzins trach- 
ten te bevredigen, maar de plaats, door dit stuk in te nemen, 
dwingt ons zeer kort te zijn. Deze kortheid zal ons derhalve slechts 
uitkomsten doen vermelden, en verpligten om, tegen onze gewoonte 
aan, de hulpmiddelen stilzwijgend voorbij te gaan, die tot deze 
uitkomsten hebben geleid. 

Door de lengte eener luchtgolf verstaan wij den afstand, die er 
is, tusschen de eene luchtverdikking of luchtverdunning en de 



— 236 — 

eerste, die op deze volgt; en door den duur eener golf den tijd, 
dien elk luchtdeeltje noodig heeft, om ééne slingering heen en weder 
te maken ; even als men onder de lengte eener watergolf den afstand 
bedoelt, die er ligt, tusschen het hoogste punt van een' golf berg, 
en dat van den daaropvolgenden, of den afstand tusschen twee naast 
elkander liggende golfdalen. 

Het is verder een bekend verschijnsel, dat lange snaren lager 
toonen geven dan korte; en hieruit vloeit van zelve voort, dat, daar 
lange snaren wijdere en langzamere slingeringen maken dan sna- 
ren van mindere lengte, ook de luchtgolven bij de eerste langer 
zullen zijn en minder snel elkander opvolgen, dan bij de laatste. 
De verspreiding van deze golven, en dus van lage en hooge toonen, 
geschiedt niet te min door de lucht met eene gelijke snelheid. De 
laagste toon, dien ons oor kan waarnemen, brengt 7 tot 8 slinge- 
ringen in elke seconde voort; de hoogste maakt er in die tijdruimte 
24000. Zoo ontstaat nu iedere andere toon door een verschillend, 
maar toch vast bepaald aantal slingeringen in elke seconde. Het 
menschelijk oor bezit alzoo de bewonderenswaardige vatbaarheid , 
om de toonen te kunnen opvangen, die door 7 tot 24000 slinge- 
ringen in ééne seconde worden voortgebragt ; en wie zegt ons , dat 
er buiten deze grenzen niet nog meer hoorbare toonen liggen? Zouden 
niet de kleinste insecten door geluiden elkander kunnen verstaan, 
die nog veel grooter getal trillingen vorderen , maar die te zwak 
zijn, om door ons gehoorwerktuig te kunnen worden waargenomen? 
Wij zullen straks gelegenheid verkrijgen, om in het oog der men- 
schen eene vatbaarlieid te bewonderen , die zich tot de waarneming 
van nog oneindig snellere slingeringen dan de genoemde uitstrekt. 

Aan de menschelijke stem is het vermogen geschonken, om door 
middel van twee dunne vliezen , die in het strottenhoofd tegen over 
elkander liggen, toonen voort te brengen, van 300 tot ruim 2000 
trillingen in de seconde. Dat de daardoor ontstane toonen alle ge- 
luiden in liefelijkheid kunnen overtrefl'en, is overbekend. 

De lengte van de geluidsgolf, bij den laagsten toon behoorende, 
dien men in de muzijk aanwendt, bedraagt 20 ned. el, en de zoo 
even vermelde hoogste toon , wiens voortbrenging 24000 trillingen 



— 237 — 

in elke seconde vordert, veroorzaakt luchtgolven van nog geen an- 
derhalve ned. duim lengte. Deze laatste toon wordt echter in de 
inuzijk niet gebruikt. 

Zijn de trillingen van twee of meer snaren zoodanig, dat zij, 
hoe ongelijk van lengte zijnde, geregeld om de 2, 3 of 4 trillingen 
zamenvallen, dat is naar dezelfde zijde overbuigen , waardoor dan 
ook de bij haar behoorende luchtverdikkingen of verdunningen gelijk- 
tijdig plaats hebben, en elkanders werking versterken, zoo streelen 
dezetoonen, gezamentlijk voortgebragt wordende, het oor nog meer 
dan enkele toonen. Wij noemen ze harmoniërend. Blijft dat zamen- 
treffen der golven in tegendeel te lang uit, valt dat bij voorbeeld 
eerst om de 8 of 9 voor, dan vormen die toonen dissonanten; zij 
doen ons onaangenaam aan, en daar, waar ons gehoor, door kunst- 
grepen van den componist, door de niet zamenklinkende toonen of 
dissonanten als het ware wordt heen gesleurd, ontwaren wij altijd 
gebrek aan eenheid, iets, dat ons gevoel niet bevredigt. 

Het behandelde heeft aangetoond dat, dewijl er nimmer eene vol- 
strekte stilte om ons heen heerscht, er derhalve door de geheele 
ons omringende natuur eene onafgebrokene trilling in onze gehoor- 
werktuigen, en hierdoor eene gestadige werkzaamheid in het zenuw- 
stelsel, voortgebragt wordt, al zijn dan ook die trillingen dikwerf 
te zwak, om in ons tot bewustheid gebragt te worden. Wij her- 
halen het, ook hier bestaat er dus nimmer rust. In het nachtelijk 
uur is, evenmin als op den dag, alle geluid volstrekt afwezig. 
Zoowel bij nacht als bij dag verhoogen de geluiden de werkzaamheid 
der zenuwen van den wakenden mensch; en dat zij tevens in eene 
hooge mate het vermogen bezitten, om den soms sluimerenden geest, 
die in de zenuwen zoowel de uitvoersters van zijn' wil, als de oor- 
zaak zijner eigene gewaarwordingen en voorstellingen vindt, tot 
opgewektheid te stemmen, zal zeker ieder bij ondervinding bekend zijn. 

Wij zullen thans de beschouwing der luchtgolven, en met haar 
het gebied der toonen , verlaten , om ons nog eenige oogenblikken 
met eene andere soort van trillingen of golven bezig te houden. 
Wij treden hierbij op het gebied der vooronderstellingen; maar 
alles, wat wij met de zinnen in het hier bedoelde opzigt mogen 



- 238 — 

waarnemen, is zoo geheel in overeenstemming met die onderstel- 
lingen, bevestigt met zulk eene kracht die meeningen, dat het ons 
zeker niet euvel zal geduid worden , zoo wij die vooronderstellin- 
gen als werkelijk bewezene waarheden voordragen. 

In de gansche wereldruimte bevindt zich eene zeer dunne, veer- 
krachtige stof, zoo dun en ligt, dat de aarde haar niet zooals alle 
andere ligchamen schijnt aan te trekken ; eene stof derhalve zonder 
waarneembare zwaarte , waarbij de lucht in vergelijking dus een zeer 
zwaar en digt ligchaam is. Die stof vult de geheele onmetelijke ruimte 
van het heelal aan, zoowel de ruimte, die de millioenen hemelbol- 
len van elkander en van onzen aardbol scheidt, als de reeds met 
stof gevulde plaatsen; zoodat zij dus ook binnen in de lig- 
chamen zelven, tusschen al hunne kleinste deelen in, eene plaats 
inneemt. Die stof noemen wij aether. Van hare dun- en ligt- 
heid zal men zich eenig denkbeeld kunnen vormen , zoo wij we- 
ten, dat de hemelbollen, welke als te midden van den aether zwem- 
men, gedurende hunnen omloop om andere hemellichten , volstrekt 
niet in hunne beweging worden belemmerd, en men alleen meent 
zulk eene belemmering of tegenstand in de omwenteling om de zon 
van de ligtste hemelligchamen, namelijk der kometen, bespeurd te 
hebben, waardoor hun omloopstijd eenigermate verkort is. 

De aether is , even als de lucht , veerkrachtig ; ook in hem ontstaan 
onophoudelijk golven; ook hij is dus aan afwisselende verdikkin- 
gen en verdunningen onderworpen; ook in hem heerscht eeuwig- 
durende beweging. Het zijn geeue geluidgevende snaren of muzijk- 
instrumenten , die hem in golving brengen, daartoe schijnen geheel 
andere omstandigheden vereischt te worden. Elk ligchaam, dat wij 
het vermogen toekennen , om licht van zich te doen uitgaan , zet 
den aether in trilling. Waarschijnlijk zijn de deelen van zulk een 
ligchaam zelven in trillende beweging. De aethergolven planten 
zich van dit bewegende ligchaam met eene snelheid voort, die on- 
vergelijkelijk veel grooter is dan die bij het geluid. Het licht of de 
aethergolf toch, legt ongeveer 53000 uren gaans in elke seconde 
af Het doorloopt dus in eene seconde 7 malen den omtrek der 
aarde. Daarom kwam het licht van het brandende kruid en van 



— 239 — 

den bliksemstraal, in de vroeger aangehaalde voorbeelden, als 
oogenbUMelijk tot ons, en het geluid eerst later. 

Behalve in snelheid zijn de aethergolven van die der lucht vooral 
in le7igte en duur onderscheiden. De slingeringen van de aetherdee- 
len grijpen namelijk plaats loodregt op de lichtstralen, dat is in 
riftingen, die de lijnen loodregt kruisen, welke men zich, van de 
lichtbron af, in alle mogelijke rigtingen kan verbeelden getrokken 
te zijn. Eene licht- aethergolf heeft ongeveer de lengte van nog 
geen 6 tienduizendste deelen eener streep; door deze ruimte slin- 
gert dus het aetherdeeltje, en maakt in eene seconde ten naasten bij 
430 billioenen trillingen of heen- en wedergangen. In eene lengte- 
nitgebreidheid, gelijk aan de dikte van gewoon postpapier, kunnen 
er dus gelijktijdig 150 aethergolven plaats grijpen. Met zulk eene 
vatbaarheid heeft de Schepper den menschelijken geest toegerust, 
dat het hem mogelijk is geweest, om die ondenkbaar kleine be- 
wegingen of korte tijddeelen te meten. Het is zoo, wij eindige, 
gebrekkige wezens kunnen de volmaaktheden van den Schepper in 
het geschapene niet volkomen inzien, maar zooveel is zeker, dat 
bovenstaande beschouwingen tot het bestaan eener wijsheid doen 
besluiten, die ons gemoed tot vereering en aanbidding stemt. 

De zoo even genoemde onbegrijpelijke snelheid van het licht heeft 
betrekking op zijne voortplanting in de aetherdeelen zelven , zoo 
als die de wereldruimte vullen. De aether , in de vaste en druipbare 
vloeistoffen aanwezig, plant het licht minder snel voort. In water 
en glas bij voorbeeld ondervindt het licht eenige vertraging. Men 
moet al weder daarin de vindingrijkheid van den mensch bewon- 
deren, dat het hem heeft mogen gelukken, om bij zulk eene ver- 
bazende snelheid, het verschil in den tijd te meten, dien het licht 
noodig heeft, om gelijke, en wel slechts eenige ellen lange afstan- 
den in lucht en water of glas af te leggen. 

De snelheid van het licht geeft een middel aan de hand, om 
den minkundigen zich een flaauw denkbeeld te doen vormen van 
den grooten afstand, die de heraelligchamen van onze aarde af- 
scheidt. Immers het licht, dat van de maan af in ééne seconde, en 
van de zon in 8 min. en 13 sec. onze aarde bereikt, lieeft van 



— 240 — 

de naastbij gelegene vaste ster daartoe vierdehalf jaar noodig. De 
vaste sterren zouden dus verschijnselen kunnen opleveren, die ons 
eerst na jaren door het licht werden verkondigd. 

Wanneer er op de boven beschrevene wijze aethergolven, en daar- 
door lichtverschijnselen , zijn opgewekt , worden deze golven , even 
als bij het geluid is aangegeven, voortdurend verder voortgeplant; 
zij bereiken eindelijk het oog, en doen het, in het achterste ge- 
deelte daarvan liggende netvlies medetrillen , terwijl de gezigts- 
zenuwen waarschijnlijk die aandoening op gelijksoortige wijze naar 
de hersenen overvoeren, als bij het gehoorvlies ten aanzien van de 
luchtgolven is vermeld. Ten einde zulke onbegrijpelijk kleine be- 
wegingen in ons tot bewustheid te brengen, is het oog veel za- 
mengestelder bewerktuigd dan het oor. Is het zintuig des gehoors 
in fijnheid verre boven den smaak verheven, veel fijner dan het 
gehoor is de bewerktuiging van het gezigt. Het volgende zal tot 
bevestiging daarvan kunnen dienen. 

Indien een donker ligchaam, dat is een, dat uit zich zelven geen 
licht geeft, anders gezegd, dat den aether niet onmiddelijk in bewe- 
ging kan brengen, door de aethergolven, die het lichtgevend ligchaam 
heeft doen ontstaan, wordt bereikt, kaatst dit donkere voorwerp 
de aethertrillingen in alle rigtingen , van al de deelen zijner opper- 
vlakte terug; daardoor is het, alsof het nu zelf lichtgevend is ge- 
worden; een treffend voorbeeld hiervan vinden wij in de maan, 
die met het van de zon ontvangene licht onze aarde bestraalt. In- 
dien nu de aethergolven , die van de oppervlakte van het vroeger 
donkere ligchaam worden teruggekaatst, toegang tot het oog ver- 
krijgen, wordt er achter in het oog, op het netvlies, een afbeeldsel 
van het verlichte ligchaam gevormd, zoo naauwkeurig en juist, dat 
geene menschelijke 'hand immer de vaardigheid zal bereiken, om 
die teekeuing in de verte zelfs na te volgen. Eene geheele landstreek, 
die wij overzien, wordt door het licht, dat al hare deelen afzenden, 
tot in de kleinste bijzonderheden op het netvlies geteekend, even 
als door eeue bolle lens of een vergrootglas, dat op een' bepaalden 
afstand van een' niet sterk verlichten witten muur of een blad wit 
papier wordt gehouden , de goed verlichte voorwerpen op die witte 



— 241 — 

vlakken worden afgebeeld. In het oog wordt derhalve ook als het ware 
aan de waarneming een zekere vorm gegeven , die in onzen' geest een' 
rijkdom van denkbeelden , eene werkzaamheid opwekt , die weder 
verre verheven is boven die van het gehoor. 

De aethergolven hebben, zoo min als die der lucht, altijd dezelfde 
lengte; niet te min worden zij, gelijk onderscheidene toonen, met 
gelijke snelheid tot ons gevoerd. Zagen wij, dat een verschil in 
de lengte der luchtgolven ook een verschil in de waarneming, door 
ons gehoorwerktuig verkregen, veroorzaakte, met andere woorden, 
ontstonden daardoor onderscheidene toonen , iets dergelijks heeft er 
plaats bij het licht. Zijn de aethertrillingen verschillend in lengte, 
dan is ook de indruk, welken het oog er door ontvangt, verschil- 
lend; dien indruk geven wij te kennen, door het noemen van zekere 
hleur. De kleuren vervangen derhalve hier de plaats van de too- 
nen. Elke kleur heeft haar eigen stelsel van aethergolven. Bij rood 
licht zijn zij het langste, en herhalen zich dus in ééne seconde het 
minste aantal malen. Het rood is alzoo de laagste lichttoon , dien het 
oog waarneemt; dan volgt in snelheid het oranje, en zoo achtereen- 
volgend het ^ee^, «^roe??, blaauw y donherhlaauw en violet. De laatst- 
genoemde kleur maakt bijna tweemaal zooveel trillingen in elke 
seconde als het rood. Zij kan den hoogsten lichttoon voorstellen. 

Wij herkennen in deze zeven kleuren die, welke ons zoo vaak 
bij het beschouwen van den regenboog in verrukking brengen. Drie 
hoofdkleuren trekken in die reeks bijzonder onze aandacht, en wel 
het rood, geel en blaauw. Immers men bemerkt in de bovenstaande 
rij, dat oranje door vereeniging van rood en geel, groen door geel 
en blaauw wordt voortgebragt , en dat bij de beide in de reeks 
laatstgenoemde kleuren het blaauw de boventoon heeft. Het gewone 
zonnelicht bevat de zeven genoemde kleuren altijd vereenigd in zich. 
Het gelukte den grooten natuurkundigen newton het eerst, om het 
witte licht in al die enkelvoudige kleuren te scheiden. De licht- 
aethergolven dragen dus de vatbaarheid met zich, om de ligchamen, 
die ons omringen, die verscheidenheid van kleuren te geven, wier 
waarneming onzen geest zoo vaak levendig houdt en zooveel bij- 
draagt, om ons het verblijf op aarde aangenaam te maken. 



^ 242 — 

De vraag zweeft den lezer waarschijnlijk op de lippen: maar 
■waarom zien wij de ligchamen dan niet allen wit, indien zij door 
het zonnelicht worden bestraald? De natuurou derzoeker antwoordt, 
omdat de ligchamen, die wij gekleurd zien, het vermogen bezitten , 
om een deel der zeven kleuren op te slorpen, als het ware in zich 
op te nemen, én een ander deel terug te kaatsen. Dat teruggekaatste 
licht bepaalt de kleur der stof. Roode stoffen zenden dus die kleu- 
ren van het witte licht, dat zij ontvangen, af, waarin het rood 
den boventoon voert; de stralen, waarin het geel en blaauw voor- 
komen, slorpt die stof op, of houdt die in zich besloten. Zoo is het 
met al de overige kleuren gesteld. Wit levert dus een geheel, eene 



's 



zekere volheid van kleuren; witte ligchamen zenden dus al de ge- 
kleurde stralen vereenigd van zich af; zwarte slorpen alle kleuren 
op; zwart is dus een gemis van alle kleur. Yan daar welligt, dat 
eene ons van alle zijden omringende, zwarte kleur, bij voorbeeld 
eene vorstelijke rouwzaal, ons tot somberheid stemt, en het onge- 
kleurde gewone licht ons gemoed meer verlevendigt. 

Maar er is nog iets bij het geluid of de luchtgolven behandeld, 
dat wij gevoegelijk op de aethertrillingen kunnen overdragen. Wij 
spraken vroeger van harmoniërende toonen , en van den aangenamen 
indruk, dien zij op ons te weeg brengen. Er zijn inderdaad ook 
harmoniërende lichttoonen; — vergun ons nogmaals het gebruik van 
dat woord. Er zijn namelijk sommige kleuren, Avier bij elkander 
plaatsing ons bevredigt, ons genoegen doet, terwijl andere in ons 
iets onvoldaans opwekken. Plaats bijvoorbeeld rood bij groen, of 
geel bij violet, of blaauw bij oranje, wij zullen daarbij geene de 
minste onaangename gewaarwording verkrijgen. Leg daar en tegen 
geel of groen bij blaauw, of rood bij oranje, het zal ons niet be- 
vredigen. De rozenknop zijn rood kruintje uit het groene buiten- 
bekleedsel dringende, wordt, zoowel als het viooltje, welks bladen 
met gele en violette kleuren zijn uitgedoscht, bij voorkeur gekozen 
door de schoone, die haar bloemenmandje wil aanvullen. Merkt het 
op, hoe lang zij bij het kiezen der kleuren, voor eenig vrouwelijk 
handwerk benoodigd, in beraad staat, en telkens de naast elkander 
seleirene kleuren met de woorden : "dat kleurt niet ," door andere 



— 243 — 

vervangt. Inderdaad die eenvoudige uitdrukking "dat kleurt niet" 
heeft een' diepen zin. Er moet dan toch iets in ons zijn, dat die 
onvoldaanheid te weeg brengt. Ja, dat iets bezitten wij, zonder er 
zelf van bewust te zijn. Verklaren kunnen wij de zaak niet, want 
er ligt over de werkzaamheid der gezigtszenuwen , zoowel als over 
die van al de zenuwen der zintuigen, nog een digte sluijer; wij 
wagen liet niet dien op te hefïen. Zeer opmerkelijk is het intusschen, 
dat die kleuren, welker bijeenvoeging ons genoegen doet, doorgaans 
gezamentlijk wit maken. Daarom noemt de natuurkundige de ver- 
melde harmoniërende kleuren elkanders aanvuUings- kleuren ; hiertoe 
behooren derhalve rood en groen, geel en violet, blaauw en oranje, enz. 
De vereeniging dezer kleuren, paar aan paar, vormt bij allen wit. 
Niet dat wij zeggen willen, dat eene roode en groene verwstof, 
met elkander vermengd, wit zullen opleveren; want verwstoffen zijn 
geene kleuren, in den zin, waarin wij deze tot hiertoe hebben op- 
gevat; zij verschaffen het oog slechts eene aandoening van die kleur 
der lichtstralen, welke zij terug kaatsen; maar onze meening is, 
dat de gelijktijdige waarneming dier kleuren door het oog ons de 
gewaarwording geeft, die wij bij wit licht verkrijgen. — Om dit 
door eene eenvoudige proefneming bevestigd te zien , zoo legge men 
een oranje en een blaauw stuk vensterglas op elkander, en zie ge- 
lijktrfdig door beide glazen heen naar een wit, sterk verlicht voor- 
werp. Men zal ras gewaar worden, dat het ligchaam de witte kleur 
heeft behouden, terwijl het die oogenblikkelijk schijnt te verliezen, 
indien men het slechts door een der beide glazen waarneemt. Het- 
zelfde geschiedt, wanneer er een donkerrood glas door een donker- 
groen wordt bedekt. 

Wij hebben gezegd , dat verwstoffen , in eenen natuurkundigen 
zin, geene eigentlijke kleuren zijn. Om den lezer te doen zien, 
hoe onbegrip] pelijk veel schooner en zuiverder het witte zonnelicht 
de verschillende kleuren, elk op zich zelve, kan scheppen, veel 
schooner en sterker nog, dan wij ze in den regenboog mogen be- 
wonderen, omdat deze te ver van ons verwijderd is, om de kleur 
krachtig te doen uitkomen, oneindig veel reiner en sterker ook, 
dan de kunst immer vermag ze aan ons te geven , zouden wij over 

15 



— 244 — 

de polarisatie des lichts hebben te spreken, een onderwerp, dat 
hier bezwaarlijk eene plaats kan vinden, hoe geschikt het ook zijn 
moge, om onzen smaak en ons schoonheidsgevoel te streelen en te 
veredelen. Liever willen wij nog eenige weinige andere belangrijke 
zaken behandelen, die meer onder ieders bereik liggen. 

Eene enkele maal is er in den loop van onze redenering van het 
woord lichtstraal gebruik gemaakt. Onder dezen naam verstaat raen 
elke regte lijn, die, van een lichtend punt uitgaande, loodregt op 
de kogelvlakken getrokken wordt, welke als het ware, volgens de 
vroeger ge^evene bepaling, door de voortschrijdende aethergolven 
rondom het lichtende punt worden gevormd. Indien zulk een lich- 
tend punt eene vlakte verlicht, kan raen uit het eerstgenoemde 
naar alle plaatsen van het vlak een oneindig aantal lichtstralen 
trekken , die gezamentlijk eenen lichtkegel of zoogenaamden stralen- 
kegel vormen. Is die vlakte gepolijst of zeer glad en effen, dan 
kaatst zij de aethergolven in dier voege terug, dat de teruggekaat- 
ste of gespiegelde stralen allen hare wederzij dsche stelling behou- 
den, zoodat het oog, dat ze opvangt, er eveneens door wordt aan- 
gedaan, alsof zij van een lichtend punt kwamen, dat even zoo ver 
achter het spiegelend vlak ligt, als het werkelijk lichtgevend punt 
er voor geplaatst is. Weet men nu niets van die veranderde rigting, 
zoo meent men het lichtend punt werkelijk achter den spiegel te 
zien, en daar wij nu alle deelen van een verlicht voorwerp als 
lichtgevende punten kunnen beschouwen , dewijl zij ook aethergolven 
van zich afzenden, zoo ligt daarin de reden opgesloten, waarom 
wij alle, voor een' spiegel aanwezige, voorwerpen er achter meenen 
waar te nemen. Het zal niet noodig zijn , de voordeelen op te 
sommen, die de mensch door deze eigenschap des lichts reeds ver- 
kregen heeft. Maar die voordeelen zijn niet te vergelijken bij het 
nut en genoegen, dat een ander lichtverschijnsel heeft aangebragt, 
en voortdurend aanbrengen zal. 

Neem twee horologieglazen , zooveel mogelijk zoodanig gebo- 
gen, dat men ze kan beschouwen als buitenste kleine schijven te 
zijn , van eenen bolvormigen glazen kogel ; leg ze met de randen 
op elkander, zoo dat de bolle zijden van beiden naar buiten zijn 



— 245 — 

gekeerd; verbeeld u, dat de er tusschenliggende ruimte geheel niet 
glas is aangevuld ; zoo hebt gij een glazen ligchaam voor u , dat iii 
de natuurkunde bekend is onder den naam van verzamellens , manv 
in het dagelijksch leven onder dien van brand- of vergrootglas of 
loupe. Wend een van de oppervlakken van dat glas naar de onbe- 
wolkte zon, gij zult aan de andere zijde, op zekeren afstand achter de 
lens, een lichtend plekje zien ontstaan; hier heeft men , door tusschen- 
komst van het glas, al de aethergolven of de lichtstralen weten te ver- 
eenigen , die zijne opervlakte treflen ; de trillingen versterken daar 
elkander; er is een zonnebeeldje gevormd. De lichtstralen zijn door 
de vertraging, die de aethergolven in het glas hebben ondervonden, 
van hunnen oorspronkelijken weg afgebragt , zij zijn ^eèrö/^e», zegt de 
natuurkundige. Ligt er een voorwerp digt bij de lens , en vangt een 
oog aan de andere zijde van het glas de gebrokene lichtstralen op, zoo 
schijnen zij van punten te komen, die veel verder uit elkander lig- 
gen dan in het ligchaam zelf. Eene behoorlijke vereeniging van zulke 
vergrootglazen legt ons de meest verhevene wonderen in de schep- 
ping bloot, wonderen, waarbij de geest in verrukking geraakt en 
wordt opgevoerd tot dat Wezen , dat ondenkbaar groot blijft ook in 
het voor ons onbegrijpelijk kleine. Zal het noodig zijn in dat op- 
zigt. te wijzen op het belangrijke stuk van den hoogleeraar har- 
ïiNG, waarmede hij dezen jaargang van dit Album geopend heeft? 
Die vergrootglazen zijn het, welke ook over de eigenschappen der 
aethergolven zelven een groot licht hebben verspreid , die de wer- 
king van het gezigtszintuig hebben opgehelderd, en een krachtig 
middel zullen blijven uitmaken om, zoowel van nabij als van verre, 
tot zelfs in de oneindige hemelruimte , meer en meer den glans 
der goddelijke magt en wijsheid schitterend te doen opgaan. 

Hoeveel overeenkomst er is tusschen de lucht- en aethergolveu 
bewijst de omstandigheid, dat het onlangs een' natuuronderzoeker 
is gelukt, om door middel eener lens ook de geluidsgolven in één 
punt door breking zamen te voeren, en elkander te doen verster- 
ken. Verbeeld u, dat de horologieglazen, met behoud van den 
gebogen vorm, vervangen worden door groote, dunne vliezen van 
collodion , en de ruimte daar tusschen opgevuld met eene luchtsoort , 



— 246 — 

veel zwaarder dan dampkringslucht, en gij hebt de inrigting eener lens 
van lucht. De geluiden, aan de eene zijde der lens voortgebragt , 
werden , even als de zonnestralen door de glazen lens , aan de andere 
zijde in één punt zamengebragt en dus aanmerkelijk versterkt. 

Bij de vermelding van het vermogen , dat de verzamellens bezit , 
om de lichtstralen in één punt te vereenigen , zijn wij opzettelijk 
over een daarmede gepaard gaand verschijnsel heen gestapt, welks 
nadere overweging het doel , waarmede wij dit stuk schreven , ge- 
wis nog zekerder zou doen bereiken, dan wij ons vleijen, dat het 
reeds tot hiertoe het geval is geweest. Wij maakten den lezer na- 
melijk niet opmerkzaam op de warmte, die er in het vereenigings- 
punt van de lichtstralen der zon ontwikkeld wordt, en waaraan 
het glas den naam van brandglas heeft ontleend. Daar het gevoe- 
len thans meer en meer veld wint, dat licht niets anders is dan 
zigtbare warmte, zoo zou zich hier een ruim veld voor onze be- 
schouwingen openen, en de daarbij te maken opmerkingen zouden 
zeker , hoe kort ook zamengedrongen , nog verre de hier boven- 
staande redeneringen in uitgebreidheid overtreflen. Meent niet, dat 
wij daardoor gevaar zouden loopen , om eenigzins van ons onder- 
werp af te dwalen, want er zijn inderdaad zoo veel punten van 
overeenkomst tusschen de licht- en warmte- verschijnselen , dat wij 
wel tot het gevoelen moeten overhellen , dat ook de warmte uit de 
trillingen of golvingen van den aether behoort te worden verklaard. 
Alzoo zoude ook dit levendmakend beginsel in de natuur aan 
deze zeer kleine bewegingen zijn' oorsprong verschuldigd zijn. 

Hoewel men thans nog niet zoo verre is gevorderd , om alle 
warmteverschijnselen uit deze onderstelling te verklaren , willen wij 
toch in eenige korte trekken, weinige, maar evenwel treilende, 
punten van overeenkomst aan onze lezers doen kennen. 

Zeker is het, dat licht over het algemeen met warmte gepaard gaat. 
Een onnoemelijk tal van verschijnselen, dagelijks onder onze oogen 
voorvallende, bevestigt zulks. Er doet zich intusschen ook warmte 
kennen, diiar waar geen licht aanwezig is. Breekt men bijvoorbeeld 
de van een enkel punt der zon voortkomende, of liever een' zeer 
dunnen bundel lichtstralen, door middel van een driekantig lang- 



— 247 — 

werpig stuk glas, prisma genaamd, zoo doet zich het aanwezen 
van warmtestralen nog kennen buiten de zevenkleurige streep, die 
men daardoor verkrijgt, en wel buiten de roode kleur; zoodat 
men de vooronderstelling heeft geuit, dat de warmte door grootere gol- 
ven dan die des lichts in den aether wordt opgewekt. Andere ge- 
leerden nemen aan , dat de aether zelve de zoogenaamde warmtestof 
is; zoodat dan licht- en warmtestralen dezelfde zouden zijn, maar 
dat hun lichtend of verwarmend vermogen van de stof, waarop zij 
vallen , zoude afhangen. 

Ook warmtestralen zijn breekbaar, ook zij dringen door sommi- 
ge stoffen heen , terwijl zij door andere bijna geheel worden opge- 
slorpt. Iets dergelijks gebeurt bij het licht. Helder wit spiegelglas 
laat het licht bijna geheel en al door, maar zuigt toch een deel 
daarvan pp; vandaar dat de voorwerpen, in een' spiegel waarge- 
nomen, nooit zoo helder zijn als de ligchamen zelve. Daarentegen 
laat rood glas alleen de rood gekleurde lichtstralen door, en slorpt 
al de andere op, terwijl ander gekleurd glas eene soortgelijke uit- 
werking op het licht heeft. Wat hier ten aanzien van het licht bij 
gekleurd glas plaats grijpt, ontdekt men ook bij de warmte. Het door- 
schijnende steen- of klipzout verhoudt zich ten aanzien der warm- 
te, zooals helder doorschijnend glas ten aanzien van het licht: het 
laat bijna al de warmte, die het aan de eene zijde ontvangt, door 
zich heen, en dus aan de andere zijde waarnemen; het slorpt er 
bijna niets van op. Door aluin en ijs dringt, hoewel deze ligchamen 
even doorschijnend zijn als het steenzout, bijna geene warmte, zij 
zuigen haar omtrent volkomen op. Men is daarom op het denk- 
beeld gekomen, om eene bolle lens van steenzout te maken; hier- 
door heeft men de niet lichtende warmtestralen, zooals die bij 
voorbeeld welke van een geheel donker, heet gemaakt ligchaam afkomen, 
aan de tegenovergestelde zijde der lens weten te vereenigen. In dit 
vereenigingspunt werd de warmte aanzienlijk vermeerderd. Alzoo 
zijn drieërlei soort van lenzen geschikt gemaakt, om de golven bij 
het geluid, het licht en de warmte op ééne plaats zamen te trek- 
ken. Wij zouden in staat zijn nog een aantal andere punten van 
overeenkomst te vermelden , maar zij kunnen , zonder eene grondige 



— 248 — 

beoefening van den aard der aethergolven , niet worden verstaan, 
en daarom moesten wij ons alleen tot de bovenvermelde bepalen. 

Wij hebben thans, naar onze meening, ter bereiking van het 
ons voorgestelde doel, genoeg gedaan, en aangetoond, dat schier 
onmeetbaar kleine bewegingen, door eene gedurige herhaling, en 
door bijzondere eigenschappen der stof, waarin zij plaats grijpen, 
de meest omvattende en meest verhevene uitwerkselen kunnen tot 
stand brengen. In al wat ons omringt grijpen eeuwig voortdurende, 
meestal onzigtbare bewegingen plaats , en bepalen in eene veel 
hoogere mate het bestaan der alom verspreide ligchamen, dan wij 
gewoon zijn het ons voor te stellen. Het licht immers verkondigt 
ons niet alleen hun aanwezen, maar de met het licht verbondene 
warmte bepaalt ook den toestand , waaronder wij ze waarnemen. Die 
waarneming wekt in ons eene oneindige reeks van denkbeelden op, 
en alzoo erkennen wij in het licht het levendmakend beginsel, het 
meest opwekkend en versterkend middel voor onze verstandelijke 
krachten. Daarom ook heeft men altijd licht en leven met duisternis 
en dood in tegenstelling gebragt. Het is zoo, de duisternis is eigenaar- 
dig geschikt om, terwijl wij niet door veelvuldige afleidingen wor- 
den gestoord, den geest op te voeren tot den Oneindige of ons in 
ons zelve te doen keeren ; de kiem evenwel tot deze geestes-werk- 
zaamheid ligt in den gezegenden indruk, dien het licht op onze 
gezigtswerktuigen te weeg brengt. 

En mogt nu de lezer nog niet met de vroeger gebezigde uit- 
drukking instemmen , dat de beschouwing der lucht- en aethergol- 
ven tot eene der aangenaamste en uitlokkendste in de natuurkunde 
behoort, zoo ontbreekt er niets meer aan, dan dat hij zich oefene 
in de natuur der toonen, des lichts en der warmte, en de bereke- 
ningen en proeven der natuuronderzoekers volge. 

Wij sluiten met eene opmerking van den Hoogleeraar harïing, 
die wij ook hier geheel van toepassing achten. "De waarde der 
voorwerpen in de groote huishouding der natuur zetelt niet in de 
stof, waaruit zij bestaan, noch in hunne massa en gewigt, maar in 
de krachten, welke in hen werkzaam zijn." — 



DE WALVISCH-VANGST 

IN DE BAAI VAN ALLERHEILIGEN OP DE KUST VAN BkaZILIE. 



lijdens mijne krijgsgevangenschap te St. Salvador in de baai van 
Allerheiligen, op de kust van Brazilië, nu meer dan zeven en veertig 
jaren geleden, bragt ik eenigen tijd door, in het gezelschap van 
mijnen bevelhebber eu vriend wijlen den Kapitein ter zee W. 
Kreekel, op een klein buitenverblijf, op een korten afstand zuidelijk 
van de stad gelegen aan den zoom van den bergrug, die zich tot Kaap 
St. Anthonio uitstrekt, en waarop de stad gedeeltelijk gesticht is. 

Het was voor de eerste maal van mijn leven, dat ik mij onder 
eene andere hemelstreek, in een ander land', dan mijn vaderland 
bevond; en dat land, die hemelstreek, was het heerlijkste gedeelte 
van Zuid-Amerika, gedompeld in de gloeijende stralen van de keer- 
kringszon. Moest zulk eene krachtvolle, geheel vreemde Natuur, 
niet een diep trefienden indruk op mijn jeugdig gemoed maken? — 
Geen wonder dat het gewoonte, ja bijna behoefte voor mij geworden 
was, om voor het aanbreken van den dag, aan den rand van den steilen 
bergrug, met een heerlijk ver-gezigt over de ruime baai, op een 
rotssteen gezeten het opgaan van de zon af te wacliten , — dat 
majestueus natuurverschijnsel in de keerkringsgewesten, waar de 
schemering, door het loodregt rijzen der zon uit de kimmen, van 
zulk een kortstondigen duur is. 

Zoo was ik dan weder eens op een vroegen morgen ter dier plaatse 
verzonken in de beschouwing van het tooneel, dat zich voor mijne 
oogen uitbreidde. Alles werkte mede om dit stil, geestverheffend genot 
te verhoogen; geen kille huivering, zoo als in onze noordelijke 
streken, trilde mij door de leden. Hier, omringd van eene hartver- 
kwikkende natuur, ademde ik met volle teugen de balsamieke geuren 
der bloeijende oranjes, mangas en andere welriekende gewassen in, 
die met de geestopwekkende frischheid van het nachtelijk koeltje de 
fijne lucht vervulden. Dunne daauwwolken hingen over het donkere, 
door den sterrenglans slechts schemerachtig verlicht landschap om 



— 250 — 

mij heen , en strekten zich van het hellen des bergs , als een door- 
schijnende grenzenlooze oceaan , voor mij uit. Alleen de bladkroonen 
der kokospalmen wiegden , boven den nevel verheven , de liefelijke 
kruinen, zacht ritselend, tegen het donkere, met fonkelende sterren 
bezaaide azuur des hemels. De natuur sluimerde nog; stilte heerschte 
alom , slechts afgebroken door het gelui der klokken van de talrijke ker- 
ken en kloosters in de afgelegene stad, dat bij tusschenpoozen , door 
het ongestadige briesje gedreven, als zachte orgeltoonen door de lucht 
trilde. De vromen werden ter messa da madrugacla i) opgeroepen. 

Het azuur des hemels werd helderder ; allengs verdoofden zich de 
sterren. De dageraad streefde den gloeijenden zonnewagen vooruit, 
trok als een ontzaggelijk gordijn uit het oosten naar boven, en 
overtoog den nevel met schitterende tinten van rozenrood, pur- 
per en goud. Eensklaps schoot de zon een straal van vuur door 
dezen prachtigen sluijer, waarmede zich de dageraad omhuld had. — 
Als van eerbied en ontzag voor den koning van den dag getroffen , 
rolde zij dien in een oogenblik weg. Alles was gloed en licht, 
tintelend als diamanten op de met daauw besproeide bladeren van 
boomen en planten. — Nog een oogenblik te voren voor mij onzigt- 
baar, strekte zich nu, kalm en effen, als eene reine spiegel vlakte, 
de ruime baai met al hare vruchtbare en boschrijke eilanden voor mij 
uit. — Plotseling werd ik in mijne bespiegelingen gestoord. Met ver- 
bazing vielen mijne blikken op een tafereel beneden mij , dat mij het 
grootste belang inboezemde. Niet zeer ver van het strand verwijderd, 
omringden een aantal sloepen een Walvisoh, in volle bedrijvigheid 
om het zeemonster te bestrijden. — Zonder mij een oogenblik te be- 
denken , en vergetende mijn bevelhebber van dit voorval kennis te 
geven, ijlde ik, een smal kronkelend pad volgende, den stellen bergrug 
af. Aan het strand van klip op klip springende, gelukte het mij 
zoo nabij te komen, dat ik duidelijk de aanmoedigende kreten der 
bootslieden boven het plassen der riemen hooren kon. 

Hoe zal ik in öaauwe woorden al het treffende beschrijven, 
waarvan ik ooggetuige was? — Met starende blikken, naauwlijks 
achtslaande, dat de hevige beroering van de zee nu en dan de golven 



1) Vroege Mis. 



— 251 — 

over de klip heen spoelde waarop ik stond , sloeg ik alle bewegingen 
gade; — ik zag hoe bij iedere lans, door de vermetele bespringers 
in het kolossaal gevaarte geworpen, met een brullend sissend ge- 
weld breede waterstralen naar boven spatten, — hoe het zich dan als 
eene zwarte rots met den ontzaggelijk grooten en breeden kop boven de 
schuimende golven verhief, om daarop in de diepte neder te schie- 
ten , met den breeden staart de zee slaande, die in sneeuwwit schuim 
opstoof, terwijl de slag, door de echo herhaald, als een doffe don- 
der langs het hooge strand weergalmde en voortrolde. Met onbe- 
grijpelijke vlugheid hadden zich alle sloepen van het getergde dier 
verwijderd, en nu stond in iedere sloep een man met den eenen voet 
op den voorsteven, den anderen binnen boord, de lans in de opgeheven 
vuist trillende, gereed, den walvisch, die om adem te halen weldra 
uit de diepte moest opstijgen, nieuwe wonden toe te brengen. — 
Niet lang duurde het, of ik zag de sloepen met eene vermetele 
stoutmoedigheid eene groote zwarte oppervlakte, die zich langzaam 
uit de zee verhief, zoo nabij komen , als of zij er op zouden stooten; 
en naauwelijks was het zeewater uit de holle neusgaten met geweld 
uitgedreven, of de lansen werden met juistheid en vlug in de 
glinsterende huid geworpen, — en wederom, als door eene hevige 
stuiptrekking bevangen, schoot het zeemonster buitelend en wor- 
stelend met de schuimende golven , vreesselijk jnet staart en vinnen 
slaande, naar beneden. Het arme dier scheen met woede en angst 
tegen die onafgebroken folteringen te kampen. De slagen met den 
staart werden menigvuldiger, de zee kookte; de worsteling met den 
dood was genaderd, geen oogenblik rust werd gegund, de tusschen- 
poozen van het duiken , alsof het dier hijgde naar den adem , werden 
hoe langer hoe korter; dikwijls verdwenen de sloepen in de wolken 
van schuim, en ik vreesde dat een of meer daarvan het slagtoffer van het 
razende dier waren geworden ; doch te midden van dit rumoer lieten de 
bestrijders niet af, hunne prooi af te matten, en met aanmoedigende kre- 
ten wedijverden zij in het braveren van alle gevaar. Eindelijk scheen 
het mij toe , alsof de stralen water zich met minder kracht verhieven , en 
in steeds korter tusschenpoozen. Het was de laatste strijd tusschen 
leven en dood. Dat dit werkelijk zoo was bevestigde zich, daar de 



— 252 — 

sloepen eenen wijden kring om hunne prooi sloegen, kalm en rustig 
de laatste doodsstuipeu er van afwachtende; deze waren kortstondig, 
maar boven alle beschrijving hevig. Het gevaarte verrees uit de 
zee en stortte in de diepte , sloeg met staart en vinnen , terwijl de 
ontroerde watervlakte schuimende zich in golven verhief, waar- 
van de deining tegen het rotsig strand opstoof. — Eindelijk verscheen 
de walvisch bewegingloos, om niet weder te zinken. — De zee 
bedaarde, werd effen en kalm, even door het morgenbriesje ge- 
rimpeld. Het scheen mij toe, alsof eene krampachtige trillende bewe- 
ging de geheele zwarte oppervlakte van het logge ligchaam 
schokte. Al de sloepen naderden nu; een man sprong op het dier, 
en hechtte er eene lijn aan vast, terwijl de sloepen, ten teeken van 
de zegepraal, vlaggen, prijkende met de beeldtenissen van heiligen, 
opstaken. Allen spanden voor om den dooden walvisch naar kaap 
SL Anthonio, alwaar zich eene traankokerij bevond, te boegseren. 

Ik haalde mijn bevelhebber over, om naar kaap St. Anthonio te 
wandelen, en te zien hoe men met den Walvisch verder zoude te 
werk gaan. 

Op het zeestrand komende, was eene talrijke menigte volks be- 
zig, door middel van kaapstanders, het gevaarte, dat bijna op het 
drooge lag, nog hooger op te winden. 

Thans omringd van die wemelende menigte en vergeleken met 
de grootte van den mensch, verbaasden mij de buitengewone lengte 
en hoogte van dit reusachtig schepsel, dat bij meting bleek onge- 
veer 85 voeten lang te zijn, en wij maakten de opmerking, dat het 
oorlogsvaartuig, waarin wij met een vijftigtal reisgenooten , wind 
en golven braverende, over den grooten oceaan, tot naar de Oost- 
Indiën zouden gestevend hebben, slechts eene lengte van 75 voe- 
ten had. 

Toen de walvisch hoog genoeg op het strand gewonden, en van 
eene tallooze menigte lansen ontdaan was, toog men met ijver te 
werk, om het spek af te snijden: ten dien einde klauterden eenige 
mannen, met groote breede messen, aan lange steelen bevestigd, 
op het dier, en begonnen het spek van den kop naar den staart 
in lange roepen tot op het vleesch door te snijden; vervolgens om 



— 253 — 

ieder reep eene talie slaande, werd die, naarmate het spek van 
onJeren van het vleesch door middel der messen werd weggesneden , 
doorgehaald. De geheele, dus afgeschilde reep, wierp men in kleine 
stukken gesneden in den traanketel. 

Wij vernamen nu van een der hoofden van de walvischvangers, 
dat men bijna den halven nacht had doorgebragt om het dier te 
dooden , dat naar alle waarschijnlijkheid door den angst verwilderd 
het strand zoo nabij was gekomen. 

Terwijl wij hier rondwandelden , waren wij getuigen van het in- 
zegenen der walvischsloepen , die , op het strand gehaald , af zouden 
steken ter vangst. Eenige geestelijken naderden langzaam en eerbiedig; 
al de omstanders namen de hoeden af; na het prevelen van een 
kort, onverstaanbaar gebed, werden al de voorstevens een voor een 
met wijwater besproeid, en telkens maakten al de aanwezigen het 
teeken van het kruis, waarna de sloepen te water werden geschoven. 
Nadat een walvisch geharponeerd , en aan een der sloepen met 
eene zeer lange lijn bevestigd is, geraakt hij zelden verloren, en 
het is alleen door afmatting, dat het arme dier, in weerwil zijner 
vreesselijke krachten, onder al die folteringen bezwijken moet; want 
de behoefte om te ademhalen noodzaakt het om spoedig uit de zee op 
te rijzen, waar zijne rustelooze vervolgers het afwachten. 

De lansen zijn ongeveer twee voeten lang, zeer scherp toeloo- 
pende, van boven als een koker in een langen stok van ongeveer 
zes voeten lengte sluitende; niet ver van de lans is eene lijn be- 
vestigd, dienende om den stok terug te halen, nadat de lans ge- 
worpen is. Dit vereischt veel oefening, want de stok moet, handig 
en vlug, zoodanig bestierd worden, dat het ijzer bij het terug halen 
niet in den stok beklemd geraakt. 

Van het vleesch , dat geene waarde bezit , maakten zich de negers 
meester, die ^het op hunne wijze bereiden, om er zich mede te 
voeden; uit een aardigheid namen wij een stuk mede en lieten er 
ragout van klaar maken. De smaak was geenszins tranig, en zweemde 
naar ossen vleesch ; alleen de buitengewone dikte der vezels maakte 
dit geregt onoogelijk. 

Q. R. M. Ver Huell. 



DE BAÜMANNSGROT EN DE BIELSGROT 



IN HET 



HAEZGEBERGTE. 



Is er een land, waar men overal de duidelijkste en ontegenzeg- 
gelijkste sporen van vroeger ondergane verwoestingen en aardschud- 
dingen aantreft, dan is dit zouder twijfel het Harzgebergte. Het 
Hadau-d&l , het Sode-dal met zijnen donderenden en schuimenden 
Kessel i) , met zijnen Tanzplatz en met zijne huiveringwekkende 
Bosstrappe, die zich in eene steil loodregte rigting tot 700 voet 
boven de oppervlakte der rivier verheft, het Ocker-ddX met zijne 
StudentenJcUppe en met zijne geitenruggen {ZiegenrücJce) , zijn even 
zoovele bewijzen, dat er hier in vorige eeuwen geweldige vulkani- 
sche uitbarstingen moeten hebben plaats gehad. En hieruit laat 
het zich ook eenigzins verklaren, hoe zulke ontzaggelijke graniet- 
blokken op en door elkander zijn gestapeld en geslingerd, zooals 
dit met den Duivelsmuur het geval is, en, tot op eene vreesselijke 
hoogte, tot boven op de hoogste bergtoppen zijn opgevoerd, waar 
zij door geene menschelijke krachten of hulpmiddelen ooit gebragt 
zouden kunnen zijn. Al de genoemde plaatsen behooren tot de 
meest woeste en romantische , tot de schoonste rots-tooneelen , waar 
de natuur zich in al hare naakte ruwheid, doch ook in al hare 
kracht en majesteit vertoont en openbaart; en het kon ook wel niet 

1) De Kessel is de grootste waterval der Bode , en heeft haren naam (Kessel , ketel) 
verkregen van het oorverdoovend geraas , waarmede deze rivier , nadat zij geruimen 
tijd door eene klove van steile, zeer hooge rotsen is voortgestroomd , hier niet meer 
dan twintig voeten breed , naar heneden stort. De reiziger , die den oorsprong der Bode 
tracht op te sporen, wordt hier door het ontoegankelijke gebergte en door de woeste 
natuur in zijnen togt gestuit, en alleen in strenge winters zou hij welligt op het ijs 
uog iets verder kunnen doordringen. In den zomer van het jaar 1845 heb ik met 
cenige vrienden deze streken bezocht. 



— 255 — 

anders, of zij moesten door de bijgeloovigheid van vroegere tijden 
tot allerlei legenden aanleiding geven. De Harz heeft daarvan dan 
ook een grooten overvloed; maar het is hier de plaats niet om 
hierover uit te weiden. 

Door deze vulkanische bewegingen zijn er vooruitstekende rot- 
sen en diepe afgronden gevormd; hier zijn bergkloven ontstaan, 
waardoor de eene of andere bruischende stroom zijn water voort- 
jaagt en met eene onverwinbare kracht alles, wat slechts onder zijn 
bereik komt, medesleept; ginds daarentegen zijn holen en spe- 
lonken achter gebleven , waaronder de Baumanns- en Bielsgroi te 
regt eenea wijdberoemden naam verworven hebben. Deze beide 
grotten, welke volgens eenigen zelfs voor die van Antiparos niet 
zouden behoeven onder te doen , liggen bij Rübeland in het Bode- 
dal , de eerste aan den linker , de laatste aan den regter oever der 
rivier. Men klimt langs een steil en smal voetpad naar de Baumanns- 
grot, welke ongeveer 140 voet boven den bodem van het dal gelegen 
is, en welke ingang met boschanemonen en klokjes [Anemone pra- 
tensis en Campanula conglomeratd) als het ware is omkranst; en 
nadat de gids den reiziger een aangestoken berglampje 1) heeft ter 
hand gesteld, treedt hij de grot binnen. Deze bestaat eigenlijk uit 
zeven hoof d-afdeelin gen of eigenlijke grotten, en ligt even als de 
Bielsgrot, geheel in eenen zwartachtigen , even als marmer geaderden 
kalksteen (Porphyr?); het water, dat bestendig hierdoor henen sij- 
pelt, heeft het koolzuur van den kalksteen opgelost, en daar het 
weder in de grot verdampt, blijft er een nederslag achter, dat, 
hard geworden zijnde, onder den naam van druipsteen of stalacti- 
ten bekend is , en de allerzonderlingste en meest wonderbare ge- 
daanten en figuren, b. v. leeuwen, hagedissen, druiven, enz. te 
voorschijn roept; eene biddende non en een engeltje met vleugels 
zijn in dit opzigt vooral opmerkenswaardig. Volgens Gottschai,k 2) 
hebben de zeven grotten te zamen eene lengte van 758 voet, en 
de grootste, het zoogenaamde voorportaal of de vestibule, heeft 

1) De lamp, die door de lergwerkers wordt getruikt, 

2) T"r. Gottschalck, Taschenbuch für Eeisende in dem. Harz, Magdel)urg 
1843, pag. 222. 



— 256 — 

eene hoogte van 31 voet. Eenigen rneenen te weten, dat deze 
grot reeds in de 16*^ eeuw bekend was, doch de aandacht nog wei- 
nig tot zich getrokken had , voor dat een bergwerker daarin 
noodlottig was omgekomen ; anderen zeggen dat zij eerst in lateren 
tijd door een bergwerker is ontdekt, aan wien de ontdekking echter 
het leven kostte ; doch alle komen daarin overeen , dat een zekere 
bergwerker, Baumann genaamd (naar wien de grot dan ook haren 
naam heeft ontvangen), het voornemen opvatte om ertsen te zoeken , 
op een' zijner togten verdwaalde, en nimmer weder het daglicht 
aanschouwde ; volgens sommigen zou hij evenwel twee dagen en 
twee nachten hebben rond gedoold , tot dat hij eindelijk geheel uit- 
geput den ingang weder vond, maar spoedig aan de gevolgen der 
doorgestane vermoeijenissen bezweek. Dr. C. S. Schweitzer zegt in 
zijn Reisehandbuch fik dem Harz, dat de geheele uitgestrektheid 
der grot zelfs nu nog niet bekend zou zijn; want in 1842 gelukte 
het eenen Amerikaan , door vier geleiders vergezeld , nog verder door 
te dringen en verscheidene nieuwe spelonken te ontdekken, doch 
na 24 uren moesten zij, uit gebrek aan olie voor de lampen, terug 
keeren, zonder dat zij evenwel nog het einde bereikt hadden. De 
grot kan zonder eenig gevaar bezocht worden , waartoe één of twee 
uren voldoende zijn. De lucht is er koel, maar verkwikkend. 

De Bielsgrot ligt, zoo als reeds boven is gezegd, aan den regter 
oever der Bode, werd in 1762 na eenen boschbrand ontdekt, doch 
eerst in 1788 gereinigd en voor het publiek toegankelijk gemaakt, 
hoewel men zelfs nog tegenwoordig bij het bezoeken eenige voor- 
zio-tiarheid in acht moet nemen. Zii zou haren naam ontleend hebben 

DO ^ 

aan den Bielstein , omdat er op dezen steen menig menschelijk 
slagtoffer ter eere van den afgod Biel door den bijl der priesters 
werd geveld. De dampkring is er zoo koud, dat hij voor hen , welke 
verhit of bezweet zijn , ligt schadelijk zou kunnen worden. 

Deze grot is over het algemeen niet zoo indrukwekkend als de 
vorige , welke grootere gewelven en meerdere ruimte heeft , doch 
daarentegen is deze rijker aan enkele bijzonderheden. Zij ligt ins- 
gelijks in kalkrotsen, is in vijftien vertrekken verdeeld, welke te 
zamen eene lengte hebben van 940 voeten, heeft als het ware eene tweede 



— 257 — 



verdieping, en is even rijk aan stalactiten , waarvan vooral het orgel, 
de troon en de doopvont onze aandacht waardig zijn. Wanneer°gij 
in stille bewondering die kunststukken der natuur aanschouwt, 
wordt er u door den gids een glas water aangeboden; zooveel de 
lampen het toelaten, tracht gij te ontdekken uit welke bron hij u 
dit water heeft weten te verschafien , en na vruchteloos zoeken wijst 
hij u met een glimlach op het gelaat naar de doopvont aan den 
wand der grot en verzoekt u zelf te scheppen. Gij ziet de doopvont 
wel, maar het water is zoo helder, dat men alle , zelfs de geringste 
vormen van den druipsteen duidelijk kan zien, en slechts aan de 
bewegingen, welke er door het indoopen van het glas ontstaan, 
bemerkt men dat de doopvont geheel en al is gevuld. 

Is de natuur in deze beide grotten grootsch en verheven, en breno-t 
zi] eenen diepen indruk te weeg, de mensch heeft dien nog wetln 
te verhoogen en te verfijnen. Nu eens plaatst de gids zich op eene ver- 
hevenheid en laat zijne luide stem door de gewelven weergalmen , dan 
eensklmkt er een koraal van mannenstemmen op het oogenblik, dat ' 
men dit het minste verwacht. De grootste verrassing echter blijft 
meestal voor het laatste bespaard. Wonderlijk is men te moede en 
vreemd is het gevoel, dat er in ons opwelt, wanneer de gids zijn 
verhchtmgstoestel heeft aangestoken en de grot door bengaalsch 
vuur IS verlicht; vroeger zag men een klein gedeelte van dezelve 
nu ziet men eene geheele uitgestrektheid met al hare oneffenheden 
en stalactiten; die roode en blaauwe vlammen, die roode gloed en 
daarachter die ondoordringbare duisternis brengen een effect te 
weeg, dat boven alle beschrijving verheven is, en ons met diep 
ontzag moet vervullen voor Hem, op wiens woord alleen al deze 
wonderen zijn voortgebra-rt. 



d' 

Dr. C. Ekama. 



ZONDERLINGE GROEIPLAATSEN VAN PLANTEN. 



MaEKLiN heeft in zijn werk , getiteld Betracïiiungen über die 
TJrformen niederer Organismen, Heidelherg 1823, twee gevallen 
vermeld van zwammen, binnen in eijeren gevonden. Hij noemde 
eene schitterend-witte, op spermaceti gelijkende, losse en dooreen 
gevlochten massa, welke, na het verdroogen van den dooijer, in 
de plaats van het eiwit gekomen was: Sporotriclmm alhuminis. In 
1850 (zie Botanische ZeiUmg van Mohl en Schlechtendal 1850, 
p. 624 — 625) heeft Schenk in hoen dereij eren het eiwit voor een 
zeer groot gedeelte veranderd gezien in eene bruinachtig-zwarte, 
geleiachtige stof, zamengesteld uit lange getakte draden, welke 
aan een of aan beide uiteinden kogel vormig verdikt waren, en op 
hare oppervlakte bruine, kogelronde zaadkiemen droegen, zooge- 
naamde sporae, dat zijn onvolkomene zaden, zoo als men die in 
de minder volkomene planten waarneemt, kiemen als het ware of 
beginselen van zaden. Hij rekent deze plant onder de zwammen en 
noemt haar Sporotrichwn bnmneum. 

Waar worden de planten niet al aangetroffen ! Naegeli en an- 
deren vonden levende draadvormige conferven (onder de Wieren, 
Algae, behoorende) binnenin de cellen van andere levende planten; 
ja zelfs op het menschelijk ligchaam komen plantaardige voorwerpen, 
onder de zwammen en wieren te rangschikken , voor , welke door de 
geneeskundigen beschouwd worden als in verband te staan met 
eenige ziekten , en waarover een afzonderlijk werk bestaat van Ch. 
Robin: Bes végétaux qui croisseni sur Vhomme et sur les animaux 
vivans. Paris 1847. 

Vóór vele jaren ^ond ik binnen in een te lang bewaard hoenderei, 
bij het doorbreken van de schaal , eenen levenden , draadvormigen 
ingewandsworm, welken ik nog eenen korten tijd levende bewaard 
heb. — Hoe komt nu zulk een dier, hoe komen de bovengenoemde 
zwamraetjes binnen in een hoenderei ? 

H. C. VAN Hai.l. 




DE LEEUWEN ÏN NOORD- AFRIKA. 

EmE SCilETS NAAR HKT LliVE.\, 

DOOR 

den Luitenant DE JONG VAN RODENBURG II. 



Wanneer gij op reis gaat, wees nimmer allee'n, 
eu wapen u alsof ge den leeuw ontmoeten zoiidt. 

Arabisch sjireekwoord. 

vJp eenen avond in de maand Juli) des vorigen jaars, na eene 
vermoeijende dagreis, ontvingen wij gastvrijheid \\\ een doear van 
den stam der Ouled-Saïd, niet verre van de grenzen van Tunis. 
De zon was ondergegaan, de wachtvuren brandden helder in de 
vallende duisternis, de paarden stonden aangebonden voor de tent, 
en omringd door den Cheik en eenige Arabieren, lagen wij rustig 
de zipsie te rooken. — Eensklaps deed zich in het gebergte een 
geluid hooren als van een opkomend onweder, en kaatste terug van 
echo tot echo, eene diepe ademhaling volgde, en met kracht verhief 
zich een gebrul; dat dof langs den bosohrand rolde. De Arabieren 
waren opgesprongen ; uit de tenten kwamen eenige aangeloopen , en 
"de leeuw!" klonk het van alle zijden. Elk sprak tegelijk, vloekende 

15 



— 260 — 

en den onwelkomen nabuur verwenschende, die zijne komst in den 
omtrek aankondigde. Maar naauwelijks deed zich het gebrul luider 
en meer in de nabijheid hooren, of het woord bestierf op ieders 
lippen ; met uitgestrekten hals en de schrik op het gelaat , luisterde 
elk naar die ontzettende muzijk, en eene eerbiedige stilte toonde 
den indruk, dien de taal van den koning der dieren op allen maakte. 

Wij hadden kort te voren, bij de expeditie in het Baborgebergte, 
den Arabier gezien in den strijd tegen de Fransche wapenen, en 
steeds den onbezweken moed bewonderden de koele doodsverachting, 
die een karaktertrek is van dat merkwaardige volk. Vanwaar , vroegen 
wij ons zelven af, die zigtbare angst en onrust, door het leeuwengebrul 
op die moedige mannen verwekt? Het was, omdat in menig gevecht 
met hen de leeuw steeds de sterkste was gebleven, en omdat, zoo 
hij soms overwonnen werd, de zege altijd te veel offers had gekost. 

De leeuw, zoo als men hem ziet in de menageriën , jong gevan- 
gen en opgevoed als de huishond, van moedermelk en vrije lucht 
beroofd, met slaperigen blik, mager en moedeloos, is niet meer 
het trotsche dier, dat in het gevoel zijner meerderheid door de 
bosschen treedt, brullende om roof. Het is een schoon gezigt den 
koning van het woud in de plegtige stilte van eenen Afrikaanschen 
nacht bij helderen maneschijn te zien voorbijgaan; maar vreesselijk 
is de indruk, wanneer hij gewond, woedend van smart, uit de struiken 
stort ; met vlammend oog en te berge gerezene manen een oogenblik 
stil staat voor de hem wachtende jagers, zijne prooi kiest, en in 
weerwil der kogels bliksemsnel zijn slagtoffer neêrrukt en het 
stervende den dood geeft. 

En toch wordt er bij het Fransch-Afrikaansche leger een man 
gevonden, die, gansch alléén , des nachts den leeuw te gemoet treedt 
en den strijd met hem waagt. Gevoel van pligt om de stammen 
van hunnen geduchten vijand te verlossen, en mannelijke fierheid 
om te verrigten wat de hoogmoedige Arabier niet durft, in één 
woord, om hem eerbied af te dwingen voor zijne overwinnaars, 
heeft hem gedurende vele jaren zijn leven doen wagen, en zes-en- 
twintig dooden vielen onder zijne kogels. Door de stammen: Bou- 
Seïd, den leeuwenman ; door de Transchen : Ie itiettr de lions genoemd, . 



— 261 ~ 

wordt JULES GÉUARD door de Arabieren geacht en bemind ; met hunne 
zeden en taal bekend, is hij een kostbare reisgezel voor dengene, 
wiens inborst genot vindt in het avontuurlijke jagersleven, en zijne 
kennismaking, die later eene innige gehechtheid werd , behoort onder 
de schoonste herinneringen van onzen zwerftogt door Algerië. 



Er zijn twee soorten , of liever verscheidenheden , van leeuwen 
in het noorden van Afrika, de zwarte en de rosharige, door de 
Arabieren : el adréa en el zarzoeri genaamd. De eerste is de zeld- 
zaamste maar de meest gevreesde. Hij is sterker gebouwd dan de 
andere, breeder van kop, borst en lendenen, doch meer ineen ge- 
drongen. Zijne kleur gelijkt het meest op die van een donkerbruin 
paard, terwijl de dikke lange manen zwart zijn. Hij weegt van 250 
tot 300 Wed. ponden; de lengte van het lijf van eenen gedooden 
volwassen leeuw, op de plaats gemeten, werd bevonden van den 
neus af tot het begin van den staart, die ééne el lengte heeft, vijf 
ellebogen, (de voorarm gemeten tot de spits van de uitgestrekte 
hand), terwijl het voorhoofd ééne elleboog breed was. 

De rosharige leeuw is grooter dan de bovengenoemde en slanker 
van ligchaam. De sierlijke krachtige bouw doet zich het schoonst 
opmerken wanneer de huid afgehaald is, en herinnert aan de kat, 
tot welk geslacht hij ook behoort. 

De zwarte leeuw zwerft niet rond zoo als de roode, maar zoekt 
een' goeden schuilhoek in het gebergte en blijft zich daar een 
twintigtal jaren soms ophouden. Zeldzaam komt hij in de vlakte, 
maar beloert de kudden wanneer zij 's avonds uit het gebergte 
terugkeeren en doodt eenige runderen om hun bloed te drinken. In 
de lange zomeravonden verlaat hij zijne verblijfplaats tegen het 
ondergaan der zon, en vat post op een voetpad tusschen de rotsen 
om een' ruiter of eenzamen voetganger af te wachten. Lange jaren 
had zich een zwarte leeuw opgehouden in het Aures-gebergte 
nabij Oertèn, alwaar hij den weg naar Krenchela onveilig maakte. 
In eenen ouden olijfboom waren de teekenen zijner klaauwen nog 
zigtbaar, die hij gewoon was tegen den stam te scherpen. 



— 262 — 

Wanneer de leeuw acht jaren oud wordt is hij volwassen; hij 
heeft dan zijne volle kracht gekregen, zijne manen zijn gevuld, en 
hij is een derde grooter dan de leeuwin. Tot het derde jaar blijven 
de welpen bij de ouden , wanneer zij dezen verlaten om te paren. 

Dit gescliiedt in Januarij of op het laatst van Decenaber; de 
leeuwin draagt bijna een jaar en zoekt tegen het einde van dien 
tijd eene afgelegene spelonk om in rust te kunnen werpen. Ge- 
woonlijk bestaat de worp uit twee jongen, een mannetje en een 
wijfje, somwijlen uit één, zelden uit drie. Gedurende de eerste 
dagen der geboorte verlaat de moeder geen oogenblik haar kroost 
en de leeuw voorziet in de behoeften. Eerst met de derde maand, na 
het tanden krijgen , worden zij gespeend ; de leeuwin verlaat dan 
dagelijks eenige uren het hol, en voedt hare jongen met zorgvuldig 
van één gescheurd schapenvleesch. 

Het tijdperk van tanden krijgen is dikwerf doodelijk voor de 
welpen, vooral voor de leeuwinnen, waardoor hun getal een derde 
minder is dan dat der mannelijke leeuwen. In later tijd, bij de 
paring, ontstaan hierdoor hevige gevechten tussche.n de minnaars, 
die somwijlen met beider dood eindigen, wanneer niet een andere 
en sterkere leeuw tusschen beiden treedt en de bruid naar huis voert. 
Niet zelden, volgens het verhaal van hertejagers, die onwillekeurig 
getuigen waren van den nachtelijken strijd, brengt de leeuwin, 
welke dikwerf door twee en soms meer verliefden te gelijk gevolgd 
wordt, hare jonge volgelingen in de nabijheid van eenen ouden 
volwassen leeuw, wiens kracht zij uit zijn gebrul leerde kennen, 
om verlost te worden van eenen twist, die zonder uitslag blijft, 
daar geen hunner nog de kracht heeft om den anderen te dooden. Nu 
ontstaat eene worsteling, die spoedig beslist is. Door de overmoe- 
digen aangevallen, geeft dan de oude leeuw hier een klaauwslag, daar 
een beet, verscheurt de lendenen van den éénen, verbrijzelt den 
poot van den anderen, terwijl een derde bebloed het slagveld ver- 
laat. Zijne manen schuddende vleit zich nu het edele dier naast 
zijne gezellin neder, die met half geloken oog zijne wonden likt, 
als eerste bewijs harer genegenheid. 

De leeuv/in, die even als de Arabische schoone, kracht en dap- 



— 263 — 

perheid als eenige aanbeveling beschouwt, is nog minder dan zij 
getrouw aan dengenen, die zijn leven waagde voor haar bezit; 
wanneer een sterkere zich voordoet is deze steeds welkom. De 
leeuw daarentegen, zoolang hij er niet toe gedwongen is, verlaat 
nimmer zijne gezellin en bewijst haar de meeste gehechtheid. Op 
hunne nachtelijke zwerftogten gaat de leeuwin steeds vooruit, ter- 
wijl hij zijne schreden naar de hare rigt. Bij den doear gekomen, 
is hij het, die den sprong waagt over de omheining en haar de 
prooi brengt; hij zal niet eten voor dat zij verzadigd is, en de 
eerste weken, nadat zij geworpen heeft, verzorgt hij getrouw het 
huisgezin van de opbrengst zijner strooptogten. Hij woont echter 
niet in hetzelfde hol; het spelen der welpen verveelt hem, en hij 
zoekt gewoonlijk in de nabijheid eene verblijfplaats, van waar hij, 
zoo noodig, de familie te hulp komt. Dit gebeurt vooral als hij 
volwassen is, wanneer zijn karakter zeer ernstig wordt. 

Als de jongen vijf maanden beginnen te worden , volgen zij reeds 
des nachts de moeder tot den rand van het boscli, alwaar hun de 
leeuw het maal brengt. Maar zoodra zij een half jaar bereikt hebben, 
verlaten zij allen te zamen bij eenen duisteren nacht het hol voor altoos, 
en nu zwerft de familie onophoudelijk door het land rond, totdat de 
tijd daar is, dat zij op hunne beurt paren, namelijk tot het derdejaar. 

Tegen de acht maanden beginnen de jongen de geiten of schapen- 
kudden aan te vallen, die des daags in hunne nabijheid komen; 
somwijlen wagen zij zich aan een rund, maar de kracht ontbreekt hun 
nog. Het is eerst met het tweedejaar dat de welp, zonder hulp van den 
ouden leeuw, eenen os, paard of kameel met éénen beet in de keel 
dooden kan, en de twee ellen hooge omheining kan overspringen, 
waarachter het vee des nachts in den doear geparkeerd wordt. 

De geduchte schade, welke de Arabieren van hunnen gevaarlijken 
nabuur lijden, heeft hen lang naar middelen doen uitzien om zich 
van zijne nabuurschap te bevrijden. Eeeds sinds eeuwen hebben de 
stammen , onder anderen , de gewoonte aangenomen om de bosschen te 
verbranden, die op de vlakten lagen, welke zij met hunne kudden 
doortrekken , ten einde het roofdier te noodzaken verderop eene schuil- 
plaats te zoeken. Dit verwoestingsbeginsel op eene ruime schaal 



/ 



— 264 — 

toegepast , — daar de Arabier als herdervolk eenen ingeboren afkeer 
van wouden heeft, — is mede oorzaak, dat het oude Mauritanië sints 
het verblijf der Romeinen geheel van aanzien veranderd is. De 
reiziger is verwonderd, reeds op eenigen afstand van Constantine, 
de omstreken woest en onvruchtbaar te vinden, hetgeen toeneemt 
naarmate hij de Sah'ra nadert. Kalkbergen met kale verweerde 
kruinen, sluiten den gezigteinder af; uitgedroogde klei vormt de 
vlakte waar hij door henen rijdt, en zijn paard dreigt telkens te 
struikelen in de kloven, door de verschroeijende zonnestralen ver- 
oorzaakt; hier en daar liggen oesterbanken met de versteeningen 
der voorwereld door de winterregeus blootgespoeld ; boomen zijn 
zeldzaam en bosschen alleen in de verte langs het ontoegankelijke 
gebergte zigtbaar. Hij trekt door de puinhoopen van Romeinsche 
steden, langs de oude heerbaan; zijn weg voert hem door de neergestorte 
poort en voorbij menige tempelruïne: maar de rijke tuinen en 
bosschaadjen, die haar eertijds omringden, zijn verwoest en verbrand; 
de rivier die de wallen omsloot, van lommer beroofd , is verdroogd, 
eenzaamheid heerscht alom; en moedeloos in de brandende hitte , drukt 
hij het paard de scherpe stijgbeugels in de zijden en draaft verder 
voort, door zijne spahi's gevolgd. — Zoo reist hij door, lange, lange 
dagen ; de zon wijst de uren aan , de buks verschaft liet avondmaal 
en elke doear ontvangt hem gastvrij met het klein gevolg. — 
Eindelijk trekt hij door de bergengte van El-Cantara de schilder- 
achtige oasis van dien naam binnen , en nu ontmoet hem eene 
nieuwe wereld; — hij werpt echter slechts in het voorbijrijden een' 
blik op de Arabische jonge vrouwen, die onder de palmboomen 
zitten buiten de poort, eu hare verborgene schoonheden in de 
fontein afspiegelen; na eene korte nachtrust in de caravanseraï, 
wordt na twee dagreizen Biscara bereikt; nog één dagrid verder 
en zijn voet betreedt de woestijn. — Maar hier slaat hem de 
weemoed om het hart, en een onweerstaanbaar verlangen naar leven, 
o-roen en water, drijft hem terug naar de noordelijker streken. 

Ook de leeuw heeft behoefte aan schaduw en aan eene heldere 
bron; nimmer vertoont hij zich zoo ver zuidelijk, en zijne gelief- 
koosde verblijfplaatsen in de provincie Constantine zijn : het gebergte 



— 265 — 

Machieona in de nabijheid van Djelma; het land der Ouled-Shamza en 
vooral het wilde Aures-gebergte , i) waar hij zich steeds een igen tijd 
ophoudt, wanneer hij in den paartijd van Tunis naar Marokko trekt. 

In deze streek, in de vallei van Oertèn, hadden wij met jules 
GÉRAUD , na te zamen den veldtogt in het Babor-gebergte te hebben 
bijgewoond, onze tenten opgeslagen. Laatstgenoemde had zich her- 
waarts begeven op de bede van den stam der Amamera's, om hen 
te verlossen van een leeuwenpaar, dat hen sints lang verontrustte. 

Wanneer in den herfst de vlakten door de piasregens in moe- 
rassen zijn veranderd, trekken de stammen naar de hellingen van 
bovengemelde boschrijke gebergten, om zich van hout te voorzien, 
en verblijven aldaar den winter. Hier vinden zij jaarlijks de oude 
legerplaatsen terug en tevens hunnen ouden vijand, den leeuw, 
die even als zij de winterkwartieren betrokken heeft, maar met 
wien zij den open strijd vooreerst niet durven aanvangen. Gewoonlijk 
wordt nu een valkuil [zoelia) gegraven, op de volgende wijze. — 
De Arabieren voegen zich altijd met familiën van denzelfden stam, 
ten getale van tien tot dertig tenten, bij elkander en weiden 
gemeenschappelijk. Deze tenten {guitoen) worden in een cirkel 
tegen elkander geplaatst met eenen uit- en ingang voor het vee, 
welke des avonds door eene verhakking van takken en boomstam- 
men, ter hoogte van een paar el, gesloten worden. Dusdanige ver- 
eeniging, onder opzigt van een Cheik of Kaïd, noemen zij doear. 

Aan de hooge zijde van den doear, 'die gewoonlijk op de helling 
der bergen geplaatst is, wordt een kuil gegraven van 10 ellen diep 
en 5 breed, en iets wijder onder dan boven. Opdat de kudde zich 
des nachts niet verloope, wordt het midden van het park door 
eene heg van de zoehia gescheiden, en, door de verhakking verbor- 
gen, is van buiten niets daarvan zigtbaar; 's avonds wordt de kudde 



1) Aurès, liet oude av.rasius der Romeinen, is een gebergte, gelegen in het zuiden 
der provincie Constantine. Peocopius spreekt er omstandig over in zijn verhaal van 
den oorlog der Wandalen, en roemt zijne ongemeene vruchtbaarheid. De Romeinen 
hadden groote moeite er zich meester van te maken. Thans verstaat men onder den 
naam Aurès , de gansche dorre streek van Batna af ten westen , tot Tebcssa ten oosten, 
en die de Teil (het vruchtbare gedeelte) van de Sah'ra afscheidt. 



— 2(j6 — 

als gewoonlijk opgesloten en de wacht verbergt zich aan de binnen- 
heiniiig, digt bij den kuil. 

De leeuw, des nachts rondwarende, korat in de nabijheid van 
den doei-r , bemerkt spoedig de kudden , en , opgewonden door den 
reuk en het geloei der runderen, gaat hij naar het hoogere gedeelte 
van den doear, — daar hij altijd uit gemak van de hoogte naar de 
laagte springt, — waagt den sprong en stort brullende van woede in 
den diepen kuil. Dienzelfden nacht verkondigen geweerschoten het 
gelukkige nieuws aan al de doears in den omtrek; de eerste morgen- 
schemering vindt reeds de buren verzameld en weldra, door een 
twintigtal kogels getroffen, sterft het edele dier eenen roemloozeu dood. 

Niet altijd echter gelukt het eenen zoo gunstigen, uitslag te ver- 
krijgen ; soms worden alle tenten beroofd en juist diegene verschoond 
in wier midden de zoubia gegraven is. Daarbij kan des zomers, 
wanneer de herderstammen gedurig van legerplaats veranderen om 
nieuwe weiden te zoeken , de valkuil , die veel arbeid kost , niet 
toegepast v/orden , en in dit saisoen doorloopt de leeuw een zeer 
groot veld. Wanneer nu de aanhoudende hitte de vlakte verschroeit 
en het gebrek aan water zich soms nijpend gevoelen doet, worden 
de stammen gedwongen het kreupelhout der bergen te naderen, 
waar het vee een karig voedsel vindt. Hier heeft de leeuw schoon 
spel, en zoo het toeval wil, dat zich eene familie in de nabijheid 
bevindt met eenjarige welpen, dan brengen de verliezen, die de 
Arabieren eiken nacht ondefgaan, hen bijna tot vertwijfeling. Op 
den leeftijd namelijk van één tot twee jaren doodeu de jonge 
leeuwen niet alleen uit honger, maar ook om zich te oefenen, en dit 
tijdperk is wezenlijk eene verwoesting voor de kudde. Nadat nu 
eenige weken eene schatting betaald is,, die weldra ondragelijk wordt, 
besluit men eene 'algemeene jagt te maken en worden alle doears 
in den omtrek opgeroepen, om daaraan deel te nemen. Op eenen 
moro-en verzamelen zich de jagers ten getale van tachtig tot hon- 
derd geweeren op den rand van het bosch , waar op eene afgelegene 
plek, onder een donker prieel van wilde olijven en honderdjarige 
mastikboomen , de leeuw gerust te slapen ligt. Na eene vrij onstui- 
mige woordenwisseling wordt besloten om, voorafgegaan door eenige 



— 267 — 

ervarene spoorzoekers, de juiste plaats te bespieden, waar de vijand 
van zijne nachtelijke wandelingen uitrust. Deze wordt nu bekropen, 
en na eenige steenworpen en een paar schoten verschijnt de leeuw 
spoedig voor de jagers, die digt bij elkander gedrongen op een 
gegeven teeken allen te gelijk op hem schieten. Somwijlen valt hij 
op het eerste schot, wanneer het hart of de hersenen geraakt zijn, 
maar het leven is bij dit geslacht zoo taai, dat gewoonlijk, hoewel 
door menigen kogel doorschoten, hem kracht genoeg blijft om 
woedend op de jagers te storten en eenigen neer te rukken en te 
verscheuren. Naauwelijks geschiedt zulks, of allen werpen de ge- 
weeren weg, vallen met messen en yatagans over hem heen en 
dooden hem zonder de klaauwslagen te achten, die menigeen in 
deze vreesselijke worsteling treilen. Nu worden de dooden en ge- 
kwetsten geteld en aan de zorg hunner naastbestaanden overgelaten, 
en de overige trekken in onhandige vreugde, onder den zegezang 
der vrouwen, met het gedoode dier den doeür binnen. 

De onzekere uitkomst van eene dusdanige jagt, en de vele men- 
schenlevens die zij kost, daar de gescheurde wonden door tand of 
nagel veroorzaakt zelden genezen , heeft jules géraed doen be- 
sluiten op eene andere wijze dsn leeuw te dooden. Toegerust 
met kalmen en onwrikbaren moed, vaste hand en zeker oog, treedt 
hij den koning van het woud, wanneer deze des nachts zijne ronde 
maakt, bedaard te gemoet, laat hem op weinige passen naderen 
en legt de buks op den kop aan , zoodat de kogel treft tusschen 
het oog en het oor. Zelden echter, zelfs dan nog, is het dier 
oogenhlikkelijk buiten gevecht gesteld, en een tweede, soms een 
derde kogel is noodig hem onbewegelijk te maken. Van de drie 
leeuwen, die gedurende mijn verblijf te Oertèn geveld werden, viel 
geen oogenhlikkelijk; en dat gérakd gedurende zoovele jaren on- 
gedeerd uit het nijpendst gevaar terugkeerde, is alleen toe te 
schrijven aan eene beschermende hand die, zelfs voor het oog van 
den verstoktsten twijfelaar, hem leidt en beschermt. 

Jules gérakd is in de kracht zijner jaren; hij is Franschman 
en ofiBcier bij het regiment spahi's. Door lang verblijf vertrouwd 
met de taal en de zeden der Arabieren, behoort hij tot de weinige 



— 268 — 

Pranschen die in hooge achting bij hen staan. Bij zijne jaarlijksche 
komst in het gebergte der zuidelijke grenzen der provincie Con- 
stantine wordt hij met opene armen en met eerbied ontvangen ; de 
achting der mannen en de liefde der vrouwen wacht hem in de 
doears; maar met oosterschen trots laat hij zich de hand kussen 
of de slip van den burnoes en verwaardigt het schoonste oog met 
geen' blik. Zijn onbezweken moed niet alleen, maar zijne matigheid 
en ingetogenheid doen hem, ook bij de niet onderworpen stammen 
als Sherif 1) ontvangen , en zelfs bij de rooverbenden der Nemeracha's, 
op wier grenzen Oertèu ligt, tot in Tunis en den Soedan, is zijn 
naam gevreesd en ontzien. In één woord, hij verpersoonlijkt bij 
de stammen: "een geweldig jager voor den Heer," der gewijde 
schrift, en bij dit aartsvaderlijk volk kan men zich terugdenken 
in de kindschheid der eerste tijden. 

Naauwelijks waren onze tenten onder eenige moerbeziënboomen 
in de vallei van Oertèn opgeslagen , of van verschillende kanten 
kwamen boden, die berigt bragten van de gangen van het leeuwen- 
paar, wier oponthoud in de nabijheid de oorzaak onzer komst was. 
Een der volgende dagen werd naar die doears heengereden, welke 
het kortst geleden door hen aangevallen was, alwaar wij eene 
tent gereed vonden, gastvrij voor ons ingerigt. Het eerste werk 
was nu, door twee goede spoorzoekers vergezeld, de weinige voet- 
paden te onderzoeken en te leeren kennen, die van het gebergte 
naar de valleijen voerden , ten einde des nachts de opene plekken 
te kunnen vinden en den weg te weten, dien de leeuwen namen om 
de kudden aan te vallen. Het gevonden spoor kon met de geopende 
vingers der uitgestrekte hand niet bedekt worden, en de uitwerpsels, 
met beentjes gevuld, waren ter grootte eener vuist: bewijzen dat 



1) Skerif, meerv. SJiourfa , adellijke , tot het geslacht van Mohammed hehoorende . 
De titel van Sherif kan op verschillende wijzen, doch zeldzaam, verkregen wordea; 
groote diensten o. a. aan de godsdienst bewezen kunnen dezen doen verdienen. — Een 
Christen die muzelman wordt, is Sherif zoodra hij door daden getoond heeft dat zijn 
overgang opregt is. Een jood daarentegen kan nimmer regt hehben op dien titel; er 
moeten zelfs negen-en-negentig geslachten voorbij gaan sinds zijne bekeering , vóór dat 
zijne afstammelingen als regtgeloovig beschouwd worden. 



— 269 - 

de dieren volwassen waren. De jager wacht nu het opkomen der 
maan af en verlaat zijne tent, behalve zijne buks, een koppel be- 
proefde pistolen en een breed jagtmes mede nemende. Gérard 
volgde liefst zijn eigen weg, en klauterde gansch alleen over het 
bergpad en langs den boschrand, waar de alleenstaande boomen in 
den maneschijn de vreemdste gedaante aannamen. Hem verschafte 
die nachtelijke eenzaamheid een onbeschrijfelijk genot. ^ — Er ligt een 
geheimzinnig iets in de plegtige stilte van eenen zuidelijken nacht; in 
den sterrenhemel, die met eene helderheid schittert , aan het noorden 
onbekend, en in het gevoel, omringd te zijn van gevaar zonder 
mogelijkheid van hulp, dat de geheimste snaren der ziel trillen doet. 
Het oog peilt elke struik, het oor vangt elk geluid op, en de buks 
is steeds gereed roover of verscheurend dier op het visier te nemen. 

De leeuw doet zijne gangen door gebrul kennen ; begint hij zijnen 
togt in stilte, zoo wijst het korte afgebroken geblaf van den jak- 
hals, die hem steeds volgt en aan de overblijfselen van zijn maal 
zich vergast, den weg dien hij neemt aan, en de jager wacht hem 
af ter zijde van het voetpad op eene opene plek, waar hij voor zich 
heen zien kan. Zoodra de leeuw hem gewaar wordt, staat hij op 
eenige passen afstands stil; ziet hij hem in de verte, zoo gaat hij 
naar hem toe, den grooten kop heen en weer schuddend en toont de 
tanden. Soms drukt hij zich op den grond als eene kat, soms 
sluipt hij rond om van achteren te bespringen. De jager onderdrukt 
het vreemde gevoel, dat onwillekeurig het hart bekruipt , door vasten 
wil, gebiedt der koortsachtig trillende hand stilte en kiest als doel 
de plaats tusschen het oog en het oor of achter het oor, wanneer 
de kop ter zijde gezien wordt. Gevoelt hij zich na het schot nog 
staande en niet op den rug geworpen tusschen de klaauwen van 
den vijand, dan wordt de tweede kogel op het stuiptrekkende dier 
in het hart of in het oor, aangebragt. In geen geval kan op den 
kop geschoten worden terwijl hij gedrukt ligt, hoe nabij ook, daar 
het schuinsch vlak der hersenpan geen kogel doorlaat; er dient 
alsdan een paar passen zijdwaarts gedaan te worden naar dien 
kant, waar de maan het helderste schijnsel werpt. 

Het is merkwaardig den schrik te zien, dien alle dieren voor den 



— 270 — 

leeuw hebben. Toen de huid van één hunner eenige dagen voor de 
tent in de schaduw te droogen lag, bleven de herdershonden van 
den doear op eenen eerbiedigen afstand, en kwam er een bij toeval 
in de nabijheid, dan was de reuk genoeg hem met den staart 
tusschen de beenen te doen afdruipen. Deze honden zijn twistzieke, 
roofzuchtige, vuile dieren, die volgens den Koran "onrein" zijn en 
niet zonder reden. De Arabier zegt ook van den hond [el helh) 
sprekende: "mijn hond, met permissie gesproken." Zij leiden een 
ellendig leven, voeden zich van afval en van het doode vee, mogen 
nimmer onder de tent komen en staan veel uit, des zomers van 
de hitte, des winters van den regen. — Elke tent heeft er een of 
twee, die over dag gewoonlijk slapen, maar des nachts de wacht 
houden, en van den avond tot aan zonsopgang een onophoudelijk 
geblaf doen hooren tegen de jakhalzen, de hyena's of enkele stroopers 
der Nememcha's, die rondom den doear zwerven. 

De windhond daarentegen [el sloegï) is de vriend van het huis- 
gezin; hij zit mede aan in den kring rondom den schotel met 
de roode couscoussou, drinkt uit den beker van den meester en 
slaapt naast hem op de slip van zijn buruous. Elke Arabier van 
groote tent heeft eenige van die sierlijke moedige dieren, die voor 
de zwijnenjagt gebruikt worden. 

Wanneer nu de leeuw 's nachts een of ander doear nadert, schieten 
alle honden ten getale van zestig of tachtig naar buiten, luid 
blaffend den aanvaller te gemoet; deze stapt echter bedaard door 
en allen trekken zich voorzigtig binnen den schijn der vuren terug. 
De leeuw gaat nu den doear om, naar het hoogere einde, springt 
met een kraehtigen zet over de omheining tusschen het vee, dat als 
dol van schrik door elkander rent en de wachten vertrapt, kiest 
een kalf of schaap, "en springt even bedaard den anderen kant uit 
om zijne prooi op eenigen afstand te verscheuren. Op dit oogeublik 
echter zijn alle honden verdwenen, en angstig jankend is elk onder 
zijne tent gekropen. 

Zelfs de doode leeuw wordt door geen viervoetig dier, het 
moge jakhals of hyena zijn, aangedaan; elk eerbiedigt het lijk van 
den magtigen. Alleen de gieren vergasten zich dan. Den eersten 



— 271 - 

nacht van ons verblijf te Oertèn was eene leeuwin door drie kogels 
zwaar gewond in eene ravijn gestort, waar het in de duisternis 
geene zaak was haar te volgen. Den anderen morgen werd alles 
doorzocht zonder iets te vinden , en wij keerden tentwaarts in de hoop 
dat het dier aan zijne wonden sterven zoude. Eenige dagen daarna 
vlogen houderde gieren over het kampement, allen dezelfde rigting 
volgende en achter het gebergte neerstrijkende. "Die hebben onze 
leeuwin gevonden," zeide gérard, en zoo was het; door hun onbe- 
grijpelijk instinct geleid, kwamen zij uren ver hun middagmaal halen. 

Leeuwenvleesch is een afschuwelijk eten; de smaak is hoogst 
onaangenaam en de reuk walgelijk. De Arabieren gebruiken het 
echter met genoegen, minder uit lekkernij misschien dan wel uit 
haat. "De leeuw ," zeggen zij , "heeft ons zoolang gegeten , nu eten wij 
den leeuw." Het prachtige dier, dat in den avond van den 27sten 
Julij in de vallei der Oued-Berber door ons geveld was, werd den 
volgenden morgen in het woud ontweid , en de Arabieren die dit 
werk met wellust verrigtten, kregen hevigen twist over de verdee- 
ling der stukken. De vrouwen van de tenten der Ben-Ouled-Yagoeb, 
die het meest van hem te lijden hadden gehad, ontvingen het hart, 
hetwelk in kleine stukken verdeeld , raauw aan de kinderen eeseven 
werd om hen dapper in den strijd te maken. 

Het eigenaardige van het leeuwenkarakter is vadzigheid, hard- 
vochtigheid en onbedwingbare moed; den naam van edelmoedig, die 
hem gegeven is, verdient hij niet. Hij doodt wel niet uit lust tot 
moorden , maar om te leven en zich te verdedigen ; evenwel gebeurt 
het, dat des daags een leeuw, geplaagd door dorst of door de vlie- 
gen wakker gemaakt, zijne schuilplaats verlaat en half slaperig den 
reiziger voorbij laat gaan zonder hem te deeren; maar dan is hij 
gewoonlijk verzadigd of niet regt wakker. Des nachts is de alleen 
reizende, die dusdanige ontmoetingen heeft, onherroepelijk verloren ; 
en zoodra het duister geworden was verwijderden wij ons nimmer 
van de tent zonder de buks in den arm te lecrsren. 

DO 

Enkele uitzonderingen komen echter somwijlen voor, waarin de 
leeuw bewijzen gaf van dankbaarheid en gehechtheid. Een jonge 
welp was, ééne maand oud, in Eebruarij 1S46 door jules gérard 



é 



— 272 — 

in het gebergte van Djebel-mézioer geroofd uit het leger der ouden , 
en daaraan door hem den naam van Hubert gegeven. Met zorg werd 
het dier, dat zeer aan zijnen meester gehecht was, opgevoed; en één 
jaar oud zijnde, geschonken aan de menagerie ^tr Jarclin des plantes 
in Parijs. Hubert was toen gehoorzaam aan de oppassers, en scheen 
wijsgeerig het lot te dragen dat hem op dien vreemden grond be- 
schoren was. Lang daarna kwam gérard weder in Parijs en be- 
zocht zijnen ouden kweekeling. Bij het naderen van het hok floot 
hij, zonder zich te vertoonen, een favoriet air, bij de parforce 
jagers algemeen bekend: Ie cJievreuil de Bourgogne. JNTaauwelijks 
vernam het dier de welbekende toonen, of het herinnerde zigh de 
melodie, zoo dikwerf van den beminden meester in de wildernis 
gehoord; werd onrustig en zag naauwelijks het hok geopend of 
stortte voor zijne voeten, hem allerlei liefkozingen bewijzende, en 
legde zich eindelijk met gesloten oogen voor hem vertrouwelijk 
neder, van tijd tot tijd opziende of de teruggevonden vriend nog 
daar was. Na zijn vertrek werd Hubert zoo wild en onhandelbaar, 
dat de oppassers gérard verzochten, zijn bezoek te hervatten en 
het dier tot rust te brengen. Dit geschiedde, en hetzelfde tooneel 
herhaalde zich. Maar na de terugreize van gérard naar Afrika 
verviel Hubert in eene stille treurigheid , afgebroken door aanvallen 
van razernij , en stierf drie maanden later. 

Onder de vele verhalen van slagtoffers, die op de jagt of door 
toeval de prooi van den leeuw geworden zijn en die onuitputtelijke 
stof opleveren voor het onderhoud rondom het wachtvuur, behoort 
het volgende. Het is .bekend bij elk die Constantine bezocht heeft 
en onderscheidt zich door het dramatische van het voorval. 

Korten tijd vóór dat de stad door de Pranschen veroverd werd, 
was Ahmet-Bey heer dezer sombere rotsvesting, door de soldaten 
la ville du diable genoemd. Met onverbiddelijke gestrengheid tuch- 
tigde hij elk vergrijp tegen zijne oppermagt, en door zijne wreed- 
heid was hij gevreesd bij al de rooverbenden in den omtrek. Onder 
de struikroovers, waarvan destijds de gevangenissen vol waren, 
bevonden zich twee broeders die berucht waren door hunne onge- 
meene kracht en moed. Zij waren ter dood veroordeeld, en de 



4 



— 273 — 

Bey, die eene ontvlugtiug vreesde, had hen laten boeijen zoodanig, 
dat het been van den éénen door denzelfden ijzeren ring aan dat 
van den anderen geklonken was. Hoe de zaak eigenlijk toeging weet 
niemand, maar toen de Chaouch (scherpregter) kwam om het vonnis 
te volbrengen, was de gevangenis ledig. Na vergeefsche moeite aan- 
gewend te hebben om den noodlottigen ring te verbreken , hadden 
de broeders , wien het gelukt was te ontvlugten , het vrije veld bereikt ; 
zij verborgen zich des daags in de bosschen en zetten 's avonds hunnen 
togt voort. Des nachts ontmoette hen een leeuw ; de twee roovers be- 
gonnen met steenen te werpen en uit alle magt te schreeuwen , maar het 
dier ging vóór hen liggen en keek. hen strak aan. Daar bedreigingen 
niet hielpen , smeekten zij innig om hun leven , maar de leeuw 
sprong toe en verscheurde den eenen broeder naast den anderen , 
die zich dood hield. Toen hij zijne prooi verslonden had tot op 
het been dat vastgeklonken was , beet hij , vergramd over den tegen- 
stand, dit door onder de knie, en verwijderde zich om te gaan 
drinken aan eene nabijgelegene bron. ÜNTiet ten onregte vermoedende, 
dat de leeuw terug zou keeren, vlugtte de overgeblevene zoo snel 
mogelijk, en het toeval willende dat hij een ledige silo^) vond, 
kroop hij daarin, het been van zijn' broeder medeslepende. Niet 
lang zat hij in zijn schuilhoek , of de leeuw kwam terug en ging 
heen en weder langs den silo, brullende van woede, tot dat de 
dao: aanbrak en het dier verdween. Toen nu de vluartelinËT uit 
den kuil kroop, zag hij zich omringd door de ruiters van den 
Bey, die hem op het spoor waren; één van hen wierp hem over 
het paard, en in wilde galop ging het naar Constantine terug, 
waar hij op nieuw in den kerker geworpen werd. De Bey wilde 
het verhaal zijner ruiters niet gelooven, en liet den man vóór zich 
komen, altijd het bloedige been achterna slepende. Ahmet-Bey 
was wreed maar regtvaardig, en dacht dat de uitgestane doodsangst 
voor straf volstaan kon. Hij liet den ijzeren ring verbreken en schonk 
hem het leven. 



1) Vrij diepe kuil met naaawe opening, waarin de Arabieren hun graan bewaren. 



# 



DE LUCHT 

EEN HOOFDVOEDSEL VOOR DEN MENSCH. 



DOOK 



E. H. VON BAUMHAUER. 



Jtlet klinkt menigeen voorzeker vreemd, wanneer wij de darap- 
kringslucht, die luclitvormige zee die onzen aardbol omgeeft, een 
voedsel voor den mensch noemen , dat ten eeneamale onmisbaar te 
achten is ; onmisbaarder nog dan die zelfstandigheden , die door 
ieder onder de voedingsmiddelen gerekend worden, zoo als: brood, 
vleesch, water enz. — De oorzaak dier zoo scliaarsche oplettend- 
heid, welke wij aan de lucht schenken, is niet verre te zoeken: 
schijnbaar gering toch is hare werking op onze zintuigen ; noch 
het gezigt, noch de smaak, noch de reuk, noch het gehoor ver- 
kondigen ons haar bestaan; ja zelfs het gevoel doet ons slechts 
nu en dan, wanneer de lucht in beweging is gebragt (wind of 
togt) aan haar denken ; en ook hier nog zijn er slechts weinigen , 
die de lucht als eene stofi'elijke weegbare zelfstandigheid zich voor- 
stellen; van daar dat er velen zijn, die het naauwelijks weten, 
meerderen nog die er niet aan denken dat die lucht bestaat ; vandaar 
dat hare overgroote waarde voor ons levensonderhoud door de 
meesten ten eenenmale uit het oog verloren wordt. Het is dan wel 
niet overbodig te achten, om de aandaclit onzer lezers op deze 
zoo onmisbare zelfstandigheid te vestigen; ik stel mij daarom voor, 
de dampkringsluchl vooral uit het oogpunt van voedende zelfstan- 
digheid te beschouwen en tevens aan te toonen , hoe men deels uit 
onkunde, deels uit zorgeloosheid maar al te dikwijls een voedsel 
bederft, dat ons door de Voorzienigheid zoo ruimschoots wordt 
aangeboden; hoe ook hier weder eene geheel ongelijke bedeeling 
plaats vindt bij de meer en min gegoede standen der maatschappij , 
terwijl het eene gave geldt, die voor allen even onmisbaar is. 



% 



— 275 — 

Om ons te overtuigen, dat de lucht ter voeding van ons ligchaam 
dienstig is, en op velerlei wijzen als zoodanig bedorven kan wor- 
den, behooren wij vooraf den aard en de zamenstelling der damp- 
kringslucht te kennen. Het scheikundig onderzoek dan leert ons, 
dat de dampkringslucht voornamelijk uit een mengsel bestaat van 
twee enkelvoudige gas- of luchtsoorten , t. w. de zuurstof en de 
stikstof, en wel in deze verhouding, dat op 100 gewigtsdeelen damp- 
kringslucht voorkomen : 

33,1 gewigtsdeelen zuurstof 

en 76,9 gewigtsdeelen stikstof 
of, — dewijl gelijke maten dier beide luchtsoorten niet even zwaar 
zijn, en de zuurstof soortelijk zwaarder is dan de stikstof, — dat 
100 maten dampkringslucht bevatten : 

20,9 maten zuurstof 

en 79,1 maten stikstof. 
Die twee luchtsoorten nu bezitten geheel verschillende eigen^ 
schappen ; een brandend ligchaam toch in de zuurstof gebragt , 
brandt daarin voort met verhoogde ontwikkeling van licht en warmte; 
daarentegen wordt het bij indompeling in de stikstof terstond uit- 
gedoofd. Een levend wezen in zuurstof geplaatst ondervindt niets 
onaangenaams, hoewel een te lang verblijf daarin langzamerhand 
ontsteking der longen doet ontstaan ; wordt dat levend wezen in 
stikstof gebragt, zoo sterft het oogenblikkelijk. Hieruit volgt na- 
tuurlijk, dat van de twee luchtsoorten, die de dampkringslucht 
zamenstellen , alleen de zuurstof voor het leven en evenzeer voor 
de verbranding dienstig is, en dat de stikstof alleen in zoo verre 
eene gewigtige rol vervult, dat zij namelijk de al te hevige wer- 
king der zuurstof door hare tegenovergestelde uitwerking tempert. 
Gaan wij nu de onderscheidene oorzaken na, waardoor de damp- 
kringslucht aan bederf is blootgesteld , zoo komt hier in de eerste 
plaats de ademhaling en uitwaseming van menschen en dieren ter 
sprake. Bij eiken ademtogt immers wordt eene vrij aanzienlijke 
hoeveelheid dampkringslucht in de longen opgenomen, terwijl een 
oogenblik later eene bijna gelijke hoeveelheid lucht wordt terugge- 
geven; maar deze laatste is zeer onderscheiden van de ingeademde; 

16 



è 



— 276 — 

terwijl toch de stikstof onveranderd is gebleven , is er van de zuurstof 
een aanzienlijk deel weggenomen , hetgeen vervangen is door eene bijna 
gelijke hoeveelheid van een ander gas, namelijk koolzmcr (eene schei- 
kundigeverbinding van kool- en zuurstof), welke luchtsoort voor het 
leven even ongeschikt is als de stikstof; daarenboven bevat de uitge- 
ademde lucht eene aanzienlijke hoeveelheid waterdamp (eene schei- 
kundige verbinding van zuurstof en eene andere gassoort, die men 
waterstof noemt). — Brengt zoo de ademhaling eene onophoudelijke 
omzetting te weeg, waardoor de lucht bij vermindering der zuur- 
stof als voedsel voor menschen en dieren bedorven wordt, zoo 
veroorzaakt de uitwaseming door de huid en de longen evenzeer 
een bederf van de lucht door de gedurige inmenging van schade- 
lijke bestanddeelen; eene inmenging, die onophoudelijk in meerdere 
of mindere mate plaats vindt bij den normalen (gezonden) toestand 
van menschen en dieren , maar die zooveel te sterker is bij den 
abnormalen (ziekelijken) toestand. 

Terwijl dus reeds door het natuurlijk leven van menschen en 
dieren de lucht onophoudelijk bedorven wordt, trefl'en wij evenzeer 
in de vervulling der zoo veelvuldige, steeds toenemende, behoeften 
der menschen menigerlei oorzaak van luchtbederf aan. 

De verwarming en verlichting toch veroorzaken door de ver- 
branding van stoffen, als steenkolen, hout, turf, enz. of vet, olie, 
gas enz., een luchtbederf, nagenoeg van denzelfden aard als de 
ademhalincj. Ook hierdoor wordt er zuurstof aan de lucht ontnomen 
en in hare plaats koolzuur en waterdamp teruggegeven ; maar be- 
halve deze schadelijke omzetting ontstaan er meestal door de ver- 
branding luchtsoorten , die niet alleen voor de ademhaling onge- 
schikt zijn , gelijk wij dit straks van de stikstof en het koolzuur 
opmerkten, maar die zelfs in kleine hoeveelheid vergiftig op het 
leven werken, zoo als: kool-oxydgas , zwavelig zuur, zwavel- en 
kool-waterstofgassen. 

Voegen wij hierbij menige fabriekmatige bereiding, waardoor de 
mensch in zijn levensgemak voorziet, en die, naarmate de weelde 
meerdere behoeften doet ontstaan, ook steeds talrijker worden; 
denken wij eindelijk aan zoo vele oorzaken van luchtbederf door 



4 



— 277 — 



de zorgeloosheid van den mensch veroorzaakt, waardoor bovenal 
in volkrijke steden zoovele stoffen, die in rottenden toestand ver- 
keeren, de lucht met schadelijke bestanddeelen vervullen, — dan 
zal wel niemand kunnen ontkennen , dat de mensch zich zelven te 
beschuldigen heeft, dat hij een voedsel, dat voor zijn levensonder- 
houd ten eenenmale onmisbaar is, op velerlei wijzen bederft, en 
dus verpligt is naar de herstelling hiervan uit te zien. 

Eer wij over de middelen spreken , welke de mensch ter herstel- 
ling van het luchtbederf kan aanwenden , moeten wij vooraf op- 
merkzaam maken op de wijze zorg van den Schepper, waardoor 
het onafgebroken luchtbederf ook voortdurend hersteld wordt. Terwijl 
toch de vrees niet ongegrond te achten zou zijn, dat de damp- 
kringslucht, die eeuwen achtereen door millioenen schepselen be- 
dorven wordt, eenmaal voor de ademhaling van menschen en dieren 
ongeschikt zou worden, treffen we op de ojjpervlakte der aarde 
eene andere soort van wezens aan, wier natuur tot die herstelling 
krachtig medewerkt. De planten toch herstellen dat verbroken 
evenwigt door het koolzuur uit de lucht als voedsel in zich op te 
nemen en de zuurstof terug te geven ; terwijl daarenboven de regen 
de schadelijke dampen uit de lucht naar den grond voert, waar 
deze dan weder aan de planten tot voedsel verstrekken en zoo 
medewerken om aan menschen en dieren nieuwe voedingsmiddelen 
te verschaffen, zoo als: granen, groenten, gras enz. 

Terwijl alzoo door den Schepper gezorgd is dat de luchtoceaan 
steeds dezelfde zamenstelling behoudt, en daarenboven door de 
uiterst gemakkelijke beweegbaarheid der lucht en de onophoudelijke 
iuchtstroomen, die overal in dien oceaan plaats grijpen, de op be- 
paalde plaatsen bedorven lucht dadelijk wordt weggevoerd; zoo 
blijft voor den mensch geene andere zorg over, dan te waken dat 
de lucht, die in ruimten is ingesloten en dus van de natuurlijke 
Iuchtstroomen is afgesneden, en in die besloten ruimten door de 
vroeger genoemde redenen bedorven wordt, door de opwekking van 
kunstmatige Iuchtstroomen door van buiten aangebragte versche 
lucht verplaatst worde. 

Het onderzoek nu naar de doelmatigste luchtsverversching in 



— 278 — 

besloten ruimten noemt men de leer der ventilatie, welke gegrond 
is op de aerostatica en aërodynamica of de leer van evenwigt en 
beweging der lucht- en gassoorten , en tevens op de leer der warmte. 
Daar nu de leer der luchtverversching in de gezondheidsleer {hygiëne) 
eene eerste en gewigtige plaats bekleedt, zoo moeten wij het be- 
treuren, dat die leer in het algemeen zoo weinig beoefend wordt, 
en dat te dien opzigte zoo weinig of bijna niet gezorgd wordt, dat 
ieder en vooral weer de mindere klasse voortdurend dit hoofdvoedsel 
zuiver en in ruime mate kan genieten. Of zeg ik te veel, wanneer 
ik beweer dat bij ons bijna geene zorg gedragen wordt, dat ieder 
ruimschoots versche lucht kan inademen? treedt dan eens met mij 
de enge straten en stegen binnen, die vooral in de groote steden 
de woonplaatsen zijn van onze min gegoede natuurgenooten ; die 
enge stegen, zoodanig ingesloten tusschen hooge huizen, dat een 
sterke wind naauwelijks in staat is de lucht weg te vegen, die 
aanhoudend bedorven wordt door de op den bodem rottende zelf- 
standigheden , door de stinkende gooten en rioelen, en door de, 
ik durf zeggen, vergiftige lucht, die uit de woningen uitgestort 
wordt, terwijl eindelijk natte goederen, die op de stegen dwars 
kruisende stokken uit de vensterramen wórden uitgestoken , niet 
alleen de lucht verder bederven , maar de toetreding van versche lucht 
schier afsnijden. Treedt eindelijk met mij de woningen zelve binnen ; 
welk een schouwspel treft ons oog ! Een , soms wel meerdere talrijke 
gezinnen (waaronder dikwijls zieken, en niet zeiden ook lijken, die, 
doordien bij ons geene lijkhuizen bestaan , drie en meer dagen be- 
waard moeten worden) bewonen eene kleine lage kamer, om hier 
niet te spreken van die massa menschen , die onder den grond in 
natte kelders hun leven moeten doorbrengen; in dat eene vertrek 
wonen en slapen allen ; maar daarenboven in datzelfde vertrek staat 
de pot met smeulende turven tot bereiding der spijzen, zijn gloeijen- 
de kolen in de stoven, hangen morsige, vaak den ganschen dag 
doorweekte kleêren ; terwijl menigmaal eene opening ontbreekt om 
eenige luchtververschinij aan te brens^en : de arme bewoners tocli 

O DO 

sluiten, in hunne onkunde, vensters en deuren zoo goed mogelijk, 
toe, om gedurende den winter zich tegen de felle koude te be- 



— 279 — 



scliutteii; maar al worden die openingen naar de steeg geopend, 
zoo is de ruil meestal geen voordeel. Ik heb u, waarde lezers, de 
rustplaats geschilderd van den vermoeiden arbeider, waarvan de 
meesten in het zweet huns aanschijns voor zich en de hunnen een 
voedsel hebben verdiend, waarvan de verhouding tot goed en ge- 
noegzaam voedsel, bijna gelijk staat met de verhouding van die 
bedorven tot goede en voldoende lucht. En welke zijn de gevolgen 
van het leven in die bedorven lucht.? Behoef ik ze u te noemen, 
terwijl de ondervinding der laatste jaren ons nog allen grievend 
voor ooge.n staat; waar toch zocht de cholera bijna uitsluitend hare 
slagtoffers? Of moet de oorzaak daarvan elders gezocht worden? 
Een feit uit ons eigen land, en wel in de stad Groningen, neemt 
te dien opzigte allen twijfel weg. Eene philantropische vereeniging 
heeft in 1845 aldaar in tien verschillende streken van de stad 
100 armeuM'oningen laten bouwen, en wel met de noodige zorg 
voor goede luchtverversching. Terwijl in 1826 te Groningen eene 
epidemische ziekte heerschte, die in de arme buurten 1 van de 3 a 4 
inwoners wegrukte, zoo bestond diezelfde verhouding ook in 1849 
toen de cholera er heerschte; in de nieuw gebouwde huizen echter 
stierven toen slechts 5 van de 400 k 500 bewoners. 

Nadat wij de treurige gesteldheid van de armen , als gevolg van 
onkunde en onvermogen hebben nagegaan , moeten wij de woningen 
binnentreden van den gegoeden burger, en eens nagaan hoe het 
daar gesteld is. 

Daar treilen wij ruime met alle gemakken voorziene kamers, met 
opene haarden, die eene vrij goede luchtverversching aanbrengen; 
maar bij menigeen zijn die kamers in den regel gesloten en worden 
slechts enkele malen ontsloten, wanneer men vreemden zal ont- 
vangen; tot verblijf en slaapplaatsen van het huisgezin en dus van 
de dierste panden moeten andere kamers dienen, lage opkamertjes 
of lage vertrekken, somwijlen half ouder den grond, in ruimte 
bijna gelijk aan de vertrekken der armenwoningen. 

Zetten wij onze wandeling voort, en treden wij de schoollokalen 
binnen , de plaatsen waarin wij onze lieve kinderen , die tot hunne 
ontwikkeling de versche lucht zoo zeer noodig hebben , het grootste 



— 280 — 

gedeelte van den dag opsluiten; hoe menigmaal ben ik bij school- 
bezoeken, bij het openen der schooldeur teruggestooten geworden 
door den walgelijken reuk, die mij toestroomde uit een schoolvertrek 
gevuld met 200 h 300 kinderen, terwijl de ruimte naauwelijks 
groot genoeg was om een 20 a 30tal kinderen gedurende weinige 
uren te bevatten. 

Doch genoeg; ik zoude te veel van de aandacht mijner lezers 
vergen, indien ik met hen nog de zalen der ziekenhuizen, de 
slaapkamers der kazernen, en de opgevulde tooneel- , concert- en 
societeitszalen wilde nagaan. De mededeeling van een paar uit de 
menigte sterk sprekende feiten, zal voldoende zijn om den onge- 
loovigste tot overtuiging te brengen. 

In de kazerne te Versailles heeft men tusschen 1843 en 1849 
in September ieder jaar eene verschrikkelijke typhus - epidemie 
waargenomen , die ongeveer acht dagen voor de komst aldaar van 
den koning een aanvang nam; in de stad zelve echter bleef de 
gezondheidstoestand geheel normaal; welke mag wel de oorzaak 
dier epidemie geweest zijn? Vreugde of angst over de komst van 
den koning, of wel de komst van ongeveer 1200 man in de ka- 
zerne, die gewoonlijk slechts door 300 manschappen werd bewoond 
en ook voor dat getal was gebouwd? 

Daar de lucht voor dieren even onmisbaar is als voor den 
mensch , mag het volgende te Londen gebeurde feit hier zijne plaats 
vinden. Aldaar bevond zich eene collectie van 60 apen, die allen 
zeer gezond en vrolijk waren. Men vreesde echter dat de koude 
hun schaden zou, en bouwde daarom een heerlijk mooi en verwarmd 
apenpaleis, zorg dragende dat alle openingen tegen de togt goed 
gesloten waren. De 60 apen betrokken hunne nieuwe woning, maar 
reeds spoedig verkwijnden allen en binnen de maand stierven vij^i^^; 
een deskundige, daarover geraadpleegd, liet door eene menigte ope- 
ningen eene goede luchtverversching aanbrengen , en de tien overige 
apen herkregen spoedig hunne vroegere gezondheid en vrolijkheid. 
Onze Amsterdamsche Zoölogische tuin heeft helaas dit feit her- 
haaldelijk bevestigd gevonden. 

Ik behoef, vertrouw ik, hier niets bij te voegen; deze feiten 



— 281 — 

spreken te duidelijk, dan dat iemand aan de groote waarde eener 
goede luclitverversching voor de gezondheid en het leven van den 
mensch nog zoude kunnen twijfelen. 

Nadat wij dan eerst de vereischten zullen hebben nagegaan, welke 
gevorderd worden , opdat eene luchtverversching eener bewoonde 
beslotene ruimte goed kan genoemd worden, zullen wij u trachten 
duidelijk te maken, welke middelen de wetenschap ons aan de hand 
doet, om aan die vereischten te voldoen. 

In eene ingeslotene hoeveelheid lucht (b. v. de lucht in eene 
zaal of kamer) kan een iepaalcl aantal menschen en een bepaald 
aantal lichten en vuren gedurende eenen behaalden tijd aanwezig 
zijn, zonder dat de mensch onaangenaam aangedaan wordt, of, zoo 
als men zegt, het henaanwd vindt; maar reeds langen tijd voor dat 
wij onaangenaam worden aangedaan, is die lucht niet meer voor 
ons geschikt; zij is reeds dan ongezond. Opdat dit punt dus nim- 
mer bereikt worde, moet eene voortdurende verwijdering der be- 
dorvene lucht door versche onbedorvene lucht plaats grijpen, en 
de snelheid dier verplaatsing moet in eene juiste verhouding staan 
met de bedervende invloeden, die wij vroeger hebben aangegeven; 
die snelheid zal dus in die mate grooter moeten zijn als in een 
kleiner vertrek een grooter aantal menschen, een grooter aantal 
vuren (brandende lampen, stoven met gloeijende kolen, brandende 
sigaren enz.) en een grooter aantal lichten voorhanden zijn. Die 
luchtverversching moet verder ongevoelig plaats vinden, zoodat 
geene schadelijke (vooral koude) luchtstroomen ontstaan, die wij 
allen teregt zoo vreezen, omdat wij door ondervinding er den 
nadeeligen invloed van kennen. Zij moet eindelijk in alle jaar- 
getijden evenzeer kunnen worden toegepast, en zoo min kostbaar 
mogelijk wezen. 

Die eischen zijn dus vele, en vorderen, behalve de kennis der 
natuurwetenschappen en vooral van de leer der warmte, der statica 
en dynamica, daarenboven een grondig onderzoek naar eene menigte 
plaatselijke omstandigheden. Terwijl wij dus van den eenen kant 
de in dagbladen hooggeroemde gebreveteerde luchtververschings- 
toestellen (ventilatoren) van verschillenden aard, die voor alle ver- 



— 282 — 

trekken en alle gebouwen even geschikt zouden zijn , op hunne 
juiste waarde leeren schatten , zien wij tevens van den anderen 
kant, dat tot het inrigten eener goede ventilatie meer behoort dan 
de kennis van bouwkunde of van timmer-, metsel- en smidswerk. 

De natuurkunde leert ons nu , dat de luchtsoorten , even als al 
de ligchamen , door de warmte worden uitgezet en daardoor soortelijk 
ligter worden; dat de warme lucht dien ten gevolge, in eene 
koudere lucht opstijgt en zich boven deze koude lucht plaatst, 
even als olie, die soortelijk ligter is dan water, onder in een vat 
water gegoten door het water heen opstijgt en boven op het water 
gaat drijven; dat daarentegen eene koudere lucht boven eene warme 
lucht gebragt, door deze heen valt, en de onderste ruimte inneemt, 
even als water op olie gegoten door de olie heendringt en het on- 
derste gedeelte van het vat vult. 

Uit de natuurkunde leeren wij verder, dat de lucht een zeer 
slechte geleider is van de warmte, en dat dus de verwarming eener 
massa lucht niet zooals die van een stuk ijzer geschiedt, doordien 
ieder deeltje de warmte mededeelt aan het aangrenzende, maar de 
door het verwarmd ligchaam (de kagchelwanden) verwarmde lucht- 
deeltjes opstijgen, en dus plaats maken voor nog koude deeltjes, 
zoodat de verwarming der geheele massa door luchtstroomen ont- 
staat, die alle luchtdeeltjes op hunne beurt met het verwarmend 
ligchaam in aanraking brengen. 

De natuurkunde leert ons eindelijk, dat de lucht, die ingesloten 
is in vertrekken, waarvan de wanden niet geheel en al de gemeen- 
schap met de buitenlucht afsnijden, of, zoo als men zegt, niet 
luchtdigt of hermetisch gesloten zijn, zich in evenwigt tracht te 
stellen met de buitenlucht ; waaruit volgt , dat , indien warme lucht 
ingesloten is in een vertrek dat door slechts ééne opening met de 
buitenlucht in aanraking is , die warme lucht door die opening 
opstijgen zal in de koudere buitenlucht; maar door dat streven 
naar evenwigt, zal de warme lucht door die opening niet kunnen 
ontwijken , zonder dat de daardoor ontstane verijling der ingeslotene 
lucht aangevuld wordt door koude buitenlucht; is er dus slechts 
eene opening b. v. in den boven wand (fig. 1), zoo zullen in die 



— 283 



opening twee tegenovergestelde luchtstroomen ontstaan; een opstij- 
gende van warme lucht, een nederdalende van koude lucht; is die 





Fig- 1. Fig. 2. 

opening in den vertikalen zijwand (fig. 2), zoo zal er een bovenste 
uittredende warme luchtstroom en een onderste intredende koude 
luchtstroom plaats vinden; wanneer eindelijk twee of meerdere 
openingen de gemeenschap met de buitenlucht toelaten, zoo zullen, 
al naar de betrekkelijke grootte dier openingen onderling, ver- 
schillende luchtstroomen in die openingen kunnen ontstaan; in de 
bovenste opening zal bij voorkeur een opstijgende of uittredende 
warme luchtstroom ontstaan, in de onderste bij voorkeur een in- 
tredende koude luchtstroom ; maar indien de doorsnede der onderste 
openingen te zamengenomen niet even groot zijn als de bovenste 
openingen, zoo zullen in die bovenste openingen toch twee lucht- 
stroomen, zoo als wij straks fig, 1 aantoonden, kunnen ontstaan. 

Na met deze eenvoudige natuurwetten kennis gemaakt te hebben , 
zal het ons gemakkelijk zijn de verschillende ventilatie-methoden , 
die in gebruik zijn, aan de straks door ons opgegevene eischen 
voor eene goede ventilatie te toetsen. Wij zullen natuurlijk niet 
die honderde verschillende ventilatie-inrigtingen , M^aarvan de meesten 
op hetzelfde beginsel berusten, maar slechts door kleine wij zigino-en 
onderscheiden zijn, doorloopen ; zij die op van elkander verschillende 
beginselen berusten, zijn weinig in getal, en ook alleen deze 
wenschte ik met u te behandelen. 

Wij kunnen de ventilatie-methoden in twee hoofdsoorten splitsen : 
de natuurlijke en hmstmatige. 



— 284 — 

De natuurlijke ventilatie bestaat in het aanbrengen van openin- 
gen in de vertikale zijwanden of den horizontalen bovenwand, en 
berust op de luchtbeweging, die ontstaat door het verschil in warmte, 
en dus in soortelijk gewigt der binnen- en buitenlucht; hiertoe 
behooren het openen van vensters en van deuren, het aanbrengen 
van luchtgaten die in verbinding zijn met de buitenlucht, de ro- 
setten in den bovenwand van de vertrekken in verbinding met 
kokers, die met de buitenlucht gemeenschap hebben, die menigte 
soorten van met schepraderen voorziene rosetten, die door de 
drukking van de lucht in beweging worden gebragt, enz. 

Daar die wijze van ventilatie op het verschil in warmte tusschea 
de binnen- en buitenlucht berust, zien wij dadelijk, dat zij aan de 
door ons gestelde voorwaarden niet kan voldoen; terwijl toch 
's winters koude buitenlucht de inwendige verwarmde lucht ver- 
dringt, moet natuurlijk togt daaruit ontstaan. In het overige ge- 
deelte van het jaar zal alles afhangen van het verschil in warmte 
binnen 'en buiten, en wanneer, zoo als dikwijls plaats vindt, dat 
verschil niet bestaat, zal hoegenaamd geene ventilatie plaatsvinden; 
bovendien kan men op deze wijze de ventilatie nimmer naar de 
behoefte aan versche lucht in verhouding tot de bedervende in- 
vloeden regelen. 

Wij moeten dus tot de kunstmatige ventilatie onze toevlugt 
nemen, namelijk die, waar op eene kunstmatige wijze niet alleen 
de vuile bedorvene lucht wordt weggetrokken, maar eveneens op 
kunstmatige wijze versche lucht, en wel versche lucht met een 
gewenschten warmtegraad in de beslotene ruimte wordt gebragt. 

De kunstmatige ventilatie kunnen wij weder in twee afdeelingen 
splitsen, in die, welke door mechanische middelen, en die welke 
door opwekking van kunstmatige luehtstroomen , door de uitzetting 
der lucht door verwarming, wordt voortgebragt. 

De mechanische ventilatoren zijn die, welke door menschenhanden, 
door dieren , door gewigten of, waar deze tot een ander doel tevens 
bestaan, door stoommachines in beweging worden gebragt, en welke 
op de wijze van in beweging gebragte luchtpompen of schroefbladen 
de vuile lucht uit de ruimte wegtrekken; deze kunnen in vele 



— 2S5 — 

omstandigheden en vooral in fabrieken van groot nut zijn, en 
vooral in zulke, waar of de lucht voortdurend door schadelijke of 
vergiftige stofien wordt bezwangerd , of waar de lucht door fornuizen , 
stoomketels enz., bovenmatig wordt verhit, en dus naar koude, 
versche lucht, die ten gevolge der verijling door vele aangebragte 
openingen binnenstroomt, wordt gesnakt. 

Daar wij echter hier vooral de aandacht willen vestigen op de 
ventilatie onzer woonvertrekken, waar die mechanische middelen 
meestal niet toegepast kunnen worden, zullen wij de tweede soort 
van kunstmatige ventilatie, die het voordeel aanbiedt om 's winters 
de vertrekken tevens te verwarmen , en zoo men wil om 's zomers 
de vertrekken te verkoelen, hier eenigzins uitvoeriger moeten be- 
spreken. Zij berust, zoo als gezegd is, op de uitzetting der lucht 
door kunstmatig aangebragte warmte ; hoe die verwarming der lucht 
geschiedt door oppervlakten die onraiddelijk door vuur of door warm 
water of door waterdamp zijn verhit, doet tot de zaak der ventilatie 
minder af, ofschoon wij niet uit het oog moeten verliezen , dat het 
strijken van lucht over gloeijende, vooral metalen oppervlakten de 
zamenstelling der lucht kan veranderen, vooral daar in de lucht, 
behalve waterdamp, die door gloeijend ijzer ontleed wordt, ook 
zwevende deeltjes van organische stoffen zijn, die, door de gloeijende 
oppervlakten ontleed, een brandigen reuk aan de op deze wijze 
verwarmde lucht kunnen geven. De waterdamp of stoomverwarming 
heeft gevaren , die, weliswaar, in veel mindere mate aan de warm- 
water-verwarming eigen zijn. In zuinigheid en vooral wat de 
kosten van aanleg betreft, kunnen echter beide niet wedijveren 
met de dadelijke verwarming door vuur; bij deze laatste echter 
moet zorg gedragen worden, dat de verwarmende oppervlakten niet 
tot gloeijing worden gebragt. 

Ten opzigte van de wijze om door verwarmde lucht gedurende 
den winter te ventileren, bestaan twee bijna lijnregt tegenoverge- 
stelde denkbeelden; na het vroeger medegedeelde zal het ons echter 
gemakkelijk zijn te beslissen, aan welke dezer beiden de voorkeur 
moet worden gegeven. 

Volgens sommigen moet de zuivere verwarmde lucht van onderen 



— 286 — 

in het vertrek wordeu gebragt, terwijl de bedorvene lucht boven 
uit het vertrek moet worden weggetrokken. Volgens anderen daar- 
entegen moet de luchtstroom juist in tegenovergestelde rigting 
worden bewogen , zoodat de bedorvene lucht van onderen uit het 
lokaal wordt weggetrokken, terwijl de verwarmde versche lucht 
niet juist boven in het lokaal behoeft te worden ingevoerd, daar 
zij door hare soortelijke ligtheid toch dadelijk naar boven stroomt. 
Beschouwen wij deze twee denkbeelden eens nader, dan komen 
wij tot het besluit, dat de eerste wijze, theoretisch beschouwd, 
zeer veel voor zich heeft, maar dat hare toepassing, juist zoo als 
de theorie die eischt, of in de meeste gevallen onmogelijk, of met 
zoodanige kosten gepaard gaat , dat zij ten eenenmale doelloos 
wordt. 

In het parlementshuis in Londen heeft men, reeds vele jaren 
geleden, deze ventilatie met ontzaggelijke kosten theoretisch juist 
toegepast; de versche lucht werd verwarmd door ovens in beslotene 
ruimten en vervolgens door eene tallooze menigte kleine openingen 
in den vloer van onderen in het lokaal gebragt (fig. 3), welke vloer 

bedekt was met een tapijt, waarin 
eveneens tallooze openingen waren ge- 
maakt; de zoldering der zaal was ins- 
gelijks met vele openingen voorzien , 
en door deze stroomde de vuile lucht 
weg in een groot kanaal, waarin door 
middel van verwarming eene zuiging 
werd voortgebragt ; de parlementsleden 
zaten dus in een stroom van verwarmde 
^'f- ^- versche lucht, die de door de adem- 

haling bedorvene lucht steeds wegvoerde. En toch is deze kostbare 
ventilatie-inrigting na korten tijd moeten worden weggenomen; 
eene van de redenen was deze, dat de van onderen komende lucht- 
stroom de stofdeeltjes van den grond en het tapijt mede opvoerde 
en de parlementsleden, na een paar uren, met eene dikke stoflaag 
bedekte. 

Hier was de theorie juist toegepast, en de ventilatie op zich zelve 




287 




voldeed zeer goed ; maar zoo als deze theorie meestal wordt toegepast , 
door namelijk de versche verwarmde lucht van onderen langs de 
zijwanden te doen binnenstroomen en vervolgens door eenige ro- 
setten in de zoldering de vuile lucht weg te trekken, kan deze 
ventilatie-methode, zooals ons nevenstaande figuur 4 toont, nimmer 
eene goede genoemd worden. 

Wij hebben toch vroeger gezien, dat warmere lucht in koudere 
van onderen gebragt, door dezelve heen opstijgt, en daarvan is het 

gevolg dat de door de openingen a a 
(fig. 4) instroomende warme lucht 
langs de wanden der kamer zal op- 
stijgen en zoo spoedig mogelijk door 
de rosetten 5 è de kamer zal verlaten , 
terwijl de lucht in het binnenste ge- 
deelte der kamer hoegenaamd niet 
ververscht wordt. 

Beschouwen wij nu de tegenover- 

'^■^" gestelde methode en nemen wij hier 

eenvoudiglieidshalve aan , dat door de openingen a a (fig. 5) boven 

in den zijwand warme versche lucht in het vertrek instroomt. Daar 

deze lucht warmer is dan die van 
de kamer , blijft zij op de koudere 
lucht zweven; daar echter van 
onderen door de openingen bb, 
die door buizen in verband staan 
met een kanaal, waarin dooreene 
opzettelijke verwarming eene zui- 
ging wordt voortgebragt (four- 
neau d'appel) de lucht wordt 
weggetrokken , daalt langzamer- 
hand de kolom versche lucht naar beneden, terwijl door de openin- 
gen aa steeds nieuwe warme lucht wordt ingevoerd; bij eenig 
nadenken zal ieder tot de overtuiging komen, dat op deze wijze 
alleen eene regelmatige luchtverversching , zonder den minsten togt , 
gedurende den winter kan geschieden. De ruimte veroorlooft mij 




Fig. 5. 



288 



echter niet hier meer in bijzonderheden te treden, en de aandacht 
mijner lezers te vestigen op eene menigte storende invloeden, die 
ontstaan of door plaatselijke verwarmingen , b. v. door het branden ' 
van lampen, of door de afkoeling der lucht aan de zijwanden van 
het vertrek, of door toevallige luchtstroomen, die ontstaan door de 
reten der vensters of het openen van deuren. 

Ik wil echter nog eene vraag beantwoorden, die menigeen welligt 
na de lezing van deze oppervlakkige beschouwing zich zelven voor- 
stelt: hoe kan ik op eene eenvoudige niet kostbare wijze mijne 
woonkamer gedurende den winter, als wanneer ik de vensters en 
deuren liefst gesloten houd , goed ventileeren ? 

Een open haard is een zeer goede wegtrekker voor vuile lucht 
en juist van onderen uit het vertrek; maar indien gij daar niet 
iets bijvoegt, zal de versche lucht grooten deels door de reten van 
vensters en deuren als koude lucht moeten binnenkomen , en daar- 
door ontstaat togt; indien gij echter uwen open haard zoodanig 
laat inrigten, dat de vuurhaard omgeven is door eene geslotene 

ruimte, die van onderen naar 
willekeur (door een sleutel) 
in verbinding kan gebragt 
worden met de buitenlucht, 
terwijl die geslotene ruimte 
van boven met de lucht in 
de kamer in verbinding is, 
hebt gij op eene eejivoudige 
wijze (fig. 6) het ventilatie- 
systeem aangebragt , hetgeen 
wij als het beste hebben 
leeren kennen; en gij zijt 
tevens in staat, om, wan- 
neer de lucht der kamer 
door menschen en lampen 
niet bedorven wordt, uwe 
kamer te verwarmen zonder 
„. p koude buitenlucht, wier ver- 

Fm-. f). ' 




— 289 — 

warming natuurlijk een grooter gebruik van brandstoflen vereischt. 

De ventilatie gedurende den zomer moet echter geschieden vol- 
gens de eerste wijze, namelijk: door het inbrengen van koude 
versche lucht onder in de kamer, en het wegtrekken der warme 
vuile lucht boven uit de kamer; terwijl men, om de temperatuur 
der kamer lager te houden dan die van de buitenlucht, de versche 
lucht vooraf moet laten strijken over met koud water gevulde buizen , 
zoo als tegenwoordig geschiedt in de zaal waar de Pransche Academie 
hare zittingen houdt. Daar men echter des zomers minder genood- 
zaakt is in geslotene ruimten langeren tijd te vertoeven, zoo reken 
ik dit weinige genoegzaam over de zoraer-ventilatie. 

Wij mogen echter van de ventilatie geen afscheid nemen , zonder 
nog op een paar middelen gewezen te hebben , die in de natuur 
voortdurend werkzaam zijn, om de hoogst nadeelige gevolgen onzer 
zorgeloosheid ten opzigte der luchtverversching te verminderen ; 
zij zijn de zoogenaamde diffusie der luchtsoorten en de groote 
poreusheid der stoffen, waaruit onze woningen zijn vervaardigd. 
Onder diffusie der luclitsoorten verstaan wij het streven van twee 
verschillende luchtsoorten , of ook van twee verschillende mengsels 
van luchtsoorten , om een gelijkmatig mengsel te vormen , waar- 
door dus de zuivere dampkringslucht de onzufvere steeds verbetert; 
deze diffusie werkt echter in de meeste gevallen veel te langzaam 
om evenwigt te kunnen maken met de vroeger door ons aangevoerde 
bedervende invloeden. 

Op de groote poreusheid onzer gebakken steenen, van pleister, 
van hout enz. , heeft in den laatsten tijd een Duitsch scheikundige, 
PETTENKOFER , de aandacht gevestigd; ieder kan zich hiervan zeer 
gemakkelijk overtuigen, door een cvlinder te nemen van gebakken 
steen of van hout (zoowel loodregt als evenwijdig aan de houtvezels 
gesneden), aan de uiteinden dier cylinders door lak te bevestigen 
twee gewone pijpen (fig. 7) en vervolgens den cylinder goed met 
was of lak te bestrijken ; wanneer men nu bij a zacht blaast , da>n 
zal men, niet dadelijk maar na;, korten tijd wanneer de groote 
wrijving is overwonnen , uit de opening h die men onder water 
heeft gebragt, de lucht in bellen zien opstijgen, en het zal juist 



— 290 — 




ï"ig. 7. 
zoo zijn , alsof men door eene dunne buis zacht blaast. Maar petïen- 
KOFER heeft daarbij eene tweede zaak geleerd, die van zeer groot 
gewigt is, dat namelijk, wanneer men den steen of het hout nat 
maakt , men met het sterkste blazen er hoegenaamd geen lucht door 
krijgt, en dat dus de steen en het hout dan luchtdigt geworden zijn. 

Hij oordeelt, naar wij vermeenen te regt, dat veel van het na- 
deelige van het bewonen van vertrekken met vochtige of ook nieuw 
gemetselde muren, aan het gebrek van ventilatie door de muren 
moet worden toegeschreven. 

Mogt deze oppervlakkige beschouwing over de lucht, als voedsel 
voor den mensch, de aandacht van menigen lezer op het groote 
gewigt van versche lucht voor de gezondheid vestigen , zoowel tot 
verbetering van zijnen eigenen toestand en dien der zijnen , als 
ook vooral tot verbetering der woningen onzer arme natuurgenooten. 



DE WOEKERPLANTEN. 



E. W. VAN EEDEN. 



-nLls wij in huiselijke afzondering den langen winteravond bij den 
warmen haard en de heldere lamp doorbrengen en ons bezig houden 
met het beste, dat de menschelijke geest in vroeger of later tijd 
heeft voortgebragt , of als wij in den zomer eene om haar schoon 
beroemde landstreek bezoeken en ons verlustigen in den oppervlak- 
kigen aanblik van bloeijende velden en golvende korenakkers, van 
donkere wouden en blaauwe heuvelen; als onze dagen kalm en zon- 
nig daarheen vlieden, en wij, jaar in jaar uit, overvloedig en zonder 
veel zweet onzes aauschijns het dagelijksch brood genieten , onaf- 
hankelijk van de wereld en hare veranderlijkheid, dan loopen wij 
gevaar om in onze beschouwing van die wereld eenzijdig te worden, 
gevaar om ons in te beelden, dat het Paradijs nog niet verloren 
is. — Ik zeg, wij loopen gevaar; want hoe schoon die inbeelding 
moge zijn, zij is niet meer dan eene inbeelding, een droom. Vroeg 
of laat zullen wij gewis uit dien droom ontwaken ; vroeg of laat 
kunnen er winteravonden komen , waarop wij zonder warmen haard , 
zonder heldere lamp zitten te klappertanden , zomers die wij onder 
gloeijende zonnehitte in eenzame woeste streken moeten doorbren- 
gen, jaren waarin ons het dagelijksch brood karig wordt toebedeeld, 
waarin wij zwoegend en hijgend onze afhankelijkheid van de wereld 
moeten erkennen ; kwalen en verliezen kunnen ons teisteren , — 
en toch, al blijven wij ongedeerd, dan nog zullen gewis onze oogeu 
eenmaal opengaan voor den toestand van zoovele natuurgenooten 
wien de wereld waarlijk geen Eden is. 

Dan erkennen wij de oude waarheid, dat er duisternis bestaat 
nevens het licht. 

17 



— 292 — 

Die waarheid is ook uitgedrukt in de natuur. 

Als wij de natuur met ons menschelijk oog bescliouwen, zien 
wij in haar somtijds storingen, even als wij storingen zien in de 
maatschappij en in den mensch zelven , en deze verkondigen het luid , 
dat de aarde geen Utopia is, en nimmer eene woonplaats van reine 
gelukzaligheid worden kan. 

Eene der grootste rampen van onze menschelijke zamenleving is, 
dat daarin wezens gevonden worden, die niet op zichzelven kunnen 
staan, en naar ziel en ligchaam door de anderen moeten onderhou- 
den worden. Die wezens zijn talrijk en vormen eene soort van 
ligchaam , dat als een worm aan de welvaart der maatschappij knaagt , 
dat woekert op den arbeid der zelfstandige menschen en deze dik- 
wijls met dood en vernietiging bedreigt. 

Zulke wezens vinden wij ook in het plantenrijk, en niet minder 
talrijk en onheilbrengend. Wij noemen ze Woeker planten , Plant- 
planten of Parasieten. Waarop groeijen de planten? vragen wij aan 
de kinderen; en deze antwoorden: op den grond. — Voor de meeste 
der zigtbaarbloeijende planten is dit korte antwoord geldig: zij 
breiden hare wortels uit in het gruis van verbrijzelde rotsen en de 
overblijfsels van vergane planten en dieren , waaruit die grond be- 
staat, en nemen daarin de noodzakelijkste bestanddeelen van haar 
voedsel op. — Maar er zijn ook planten, die zich aan andere le- 
vende planten vasthechten, en op deze groeijen, die haar voedsel 
niet bereiden uit de vochten van den grond, maar het geheel toe- 
bereid aan andere planten ontnemen , en deze dus van hare beste 
sappen berooven. — Die luij aards en dieven in het plantenrijk 
noemen wij Parasieten. 

De Parasieten groeijen en woekeren dus op andere planten en 
worden nimmer 'zelfstandig op de aarde groeijend gevonden. Zij 
maken geene afzonderlijke familie in het plantenrijk uit; maar wor- 
den in verschillende plantenafdeelingen als wonderlijke uitzonderin- 
gen aangetroffen. 

Er zijn schijnbare en ware Woekerplanten. 

Gelijk het pligt is de menschen op het uiterlijk aanzien niet te 
voorbarig als dieven of luijaards te beschuldigen, zoo moet men 



— 293 — 

ook niet te ras eene plant als Parasiet beschouwen, wanneer zij er 
eenigzins den schijn van aanneemt. — Het klimop hecht zich met 
tallooze worteltjes aan den olm en bedekt hem binnen weinige ja- 
ren met zijne taaije stengels en zijn digt gebladerte. — Maar ver- 
oordeelen wij het klimop niet: het is onschuldig. Zijne kleine wor- 
teltjes dringen niet in den olmboom door, en zuigen uit dezen 
hoegenaamd geen voedsel. Zij dienen alleen om steun te geven aan 
de zwakke plant ea om haar vast te hechten, terwijl de ware wor- 
tel in den grond zit. — Snijden wij slechts het onderste gedeelte 
van den klimopstengel door , zoodat de gemeenschap tusschen plant 
en wortel verbroken is, dan zien we weldra, dat de stengworteltjes 
geen voedsel aan de plant geven en dat het bovenste gedeelte ver- 
dort en sterft. 

Even zoo is dit het geval bij de tallooze Lianen in de wouden 
van de keerkrings-landen, en met de prachtige Bignonia radicans, 
die ook ons klimaat verdragen kan. — Ook de Paardenbloem , die 
op onze afgeknotte wilgen, en het groene mos, dat op onze vrucht- 
boomen groeit, moeten wij niet van parasitisme beschuldigen. 
Als namelijk die wilgen en vruchtboomen oud worden , gaat hunne 
buitenste schors veelal tot verrotting over en verandert in eene 
korrelige zelfstandigheid, die met een laagje aarde gelijkstaat. Heeft 
zich nu in den hollen wilgenstam eene massa van die zelfstandig- 
heid verzameld , en vindt een zwervend zaadje van de paardenbloem 
daarop rust , dan zal het ontkiemen en groeijen , als op den grond. 
Het mos, dat zich zoo spoedig vermenigvuldigt en een dun laagje 
aarde voor lief neemt, breidt zich langs de takken van den ouden 
appelboom uit, en groeit op zijne vergane schors, zonder evenwel 
voedsel uit den boom te trekken. Schoon het mos niet tot de para- 
sieten behoort, is het echter op onze vruchtboomen zoo geheel 
schuldeloos niet, het omknelt de takken en hindert deze in hun- 
nen groei; daarenboven is het eene verzamelplaats van vocht en 
ongedierte, zoodat een arbeidzaam hovenier het nimmer op zijne 
boomen duldt, maar met geschikte werktuigen uit den weg ruimt. — 
Even als het mos, zijn ook vele tropische Orchideën schijnbare, of 
onechte Parasieten. Wie de warme kassen van de botanische tuinen 



— 294 — 

te Leiden of Amsterdam bezocht heeft, zal zich wel die dikke 
bladen en zonderling gevormde welriekende bloemen herinneren, die 
uit hangende turven of kurken mandjes te voorschijn komen en 
geen bijzonder treffenden indruk maken: het zijn de Orchideën, de 
zonderlinge modeplanten van onzen zonderlingen tijd. Daar zien 
wij ze echter geheel uit haar verband gerukt; maar in haar vader- 
land, in de wouden van Zuid-Amerika en Oost-Indië bieden zij 
een prachtig schouwspel aan, wanneer zij daar van de takken en 
stammen der oude boomen naar beneden hangen. Zij woekeren 
echter geenszins op die boomen: velen, en daaronder ook de vanille 
(Vanilla aromatica) vinden even als het mos hare groeiplaats in de 
spleten van vermolmde stammen en takken en ook wel in de hol- 
ligheden der rotsen , daar zij slechts een laagje vergane organische 
stof of humus om zich vast te hechten en veel vochtige lucht om 
zich te voeden , noodig hebben. 

'Na. dus eenige planten gezuiverd te hebben van den blaam van 
parasitisme, die op haar schijnt te rusten, zal ik overgaan tot 
eene beschouwing van de ware Parasieten. 

De ware Parasieten dringen met wortelachtige organen of met 
zuigwratjes in het weefsel van andere planten door , of planten 
zich ook wel met haar geheele ligchaam op de andere planten in. 
Zij lijden werkelijk aan een gebrek in hare organisatie, en zijn niet 
geschikt om zelve de voedingsstoffen uit den grond te putten , maar 
moeten zich op andere planten inplanten om te leven en zich te 
ontwikkelen. Levende planten zijn het dus , die haar voedsel en 
steun moeten geven en dikwijls onder den drukkenden last of de 
gedurige afpersingen der Parasieten kwijnen en wegsterven. 

De Parasieten, die tot de zigtbaarbloeijende planten behooren, 
vermenigvuldigen zich door zaden, hechten zich dadelijk na de ont- 
kieming aan eene nabijzijnde plant, en komen nooit tot ontwikke- 
ling wanneer er geene planten in de nabijheid zijn , waarop zij 
kunnen woekeren. 

Men heeft zaden van Parasieten met de grootste zorg in den 
goeden grond gezaaid en verpleegd, maar de plantjes stierven kort 
na de ontkieming, daar de voorwaarden tot ontwikkeling ontbraken , 



— 295 — 

en zij niet in de gelegenheid waren om zich op eene andere plant 
te vestigen. De Parasieten planten zich dus van buiten op eenig 
ander gewas in, of zij trekken hieruit haar voedsel door middel 
van zuigwratjes. 

Sommige geslachten der Parasieten vestigen zich op de wortels, 
anderen op de stengels en stammen .van andere planten , waarom men 
ze ook vroeger in stengel- en wortelparasieten plagt te onderscheiden. 
De meeste zigtbaarbloeijende Parasieten behooren in het zuiden van 
Europa en in de tropische gewesten te huis, en de Plora van Nederland 
bevat er slechts weinigen, die echter voldoende zijn om ons eenig 
denkbeeld van het leven dier zonderlinge wezens te ffeven. 

Onze Hollandsche duinen hebben voor mij iets zeer aantrekke- 
lijks, en in den zomer is mij niets zoo lief, als een togt over die 
zandige heuvelen, door die groene valleijen waar de bijen gonzen, 
waar de krekels zingen en de zeewind ons vrijheid tegenwaait. 
Welligt schijnt het menigeen eene vermoeijende en verhittende in- 
spanning om op een' warmen zomermiddag door die onbeschaduwde 
wildernissen te dwalen ; menigeen zijn de vlakke straatwegen , de 
regte lanen, de harde keisteenen en de opgeschikte menschen lie- 
ver , en alles , waarin hij de kunst of den meusch niet erkent , is hem 
een gruwel. — Voor mij, ik gevoel somwijlen behoefte om de men- 
schen te vergeten, en dank den Hemel, dat er zelfs in mijn pro- 
zaïsch vaderland bij al die regte slooten en harde wegen nog een 
weinig wildernis is overgelaten, waar ik ongestoord zwerven kan 
en onbeschrijfelijk geniet bij het beklimmen van een nieuwen top, 
bij het ontdekken van eene nieuwe vallei. Maar ach! dat paradijs 
mijner jeugd, die glooijende duinen, zij zijn de laatste wijkplaats 
der natuur tegen den onverbiddelijken tiran: Landbouw! Eeeds zie 
ik hoe die landbouw begeerige blikken slaat op de vrije duinen ; 
ik zie de vierkante aardappel- en erwten velden het natuurlijke groen 
en de wilde bloemen meer en meer verdringen : wel is de strijd noo- 
groot, maar de Landbouw zal overwinnen, want hij is de sterkste; 
doch eer dit geschiedt, laat ons dan voor het laatst nog eens onze 
vrijheid en onze jeugd genieten op die bergen van Holland, en voor 
het laatst nog eens neerzien op hunne bevallige Plora. 



— 296 — 

Verplaatsen wij ons in den geest in een dier groene dalen , die in de 
volkstaal pannen worden genoemd. — De grond is min of meer voch- 
tig en bedekt met welige grassen en mossen, waartusschen het welrie- 
kende violette standelkruid (Orchis), de rozenroode Gentiaan, de helder- 
witte Pyrola's en Parnassia's , het gele walstroo (Galium), het vrolijke 
duinviooltje, de witte duinroos en de rood en wit gestreepte win- 
den (Convolvulus soldanella) eene levendige verscheidenheid vormen. 
Ginds zien wij eene duinlielling in lichtblaauwen glans gehuld ; 
zij is bedekt met de stekelige kruisdistels (Eryngium) ; aan de 
andere zijde zien wij hoe het Galium geheele duinen geel kleurt. — 
Maar bij al die liefelijke gewaarwordingen, door eene oppervlakkig 
dor schijnende woestenij in het gemoed des beschouwers opgewekt, 
mengt zich wel eens iets onaangenaams, een storende indruk, die 
eveneens den opper vlakkigen beschouwer ontgaat. Wie zijn die 
vale bleeke schimmen daar, tusschen het heldere geel en het don- 
kere groen ? Zijn het verdorde bloemen , die een kind al spelende 
in 't voorbijgaan heeft in den grond gestoken , of zijn liet planten , 
die door de zonnehitte in het gloeijende zand zijn uitgedroogd? 
Neen, die wezens leven en groeijen en behooren tot de planten, 
schoon zij den naam van plant niet verdienen , want zij verdrukken 
en kwellen de schoone duinplantjes. Zij zijn Parasieten. Reeds van 
ouds waren zij onder den naam van Bremrapen bekend, omdat 
zij ook op de wortels der Brem woekeren en vroeger voor eene 
ontaarding dier plant gehouden werden. Maar de latere wetenschap 
heeft aangetoond, dat de Parasieten, en dus ook de Bremrapen, 
geene ontaardingen van andere planten zijn , want zij wijken in 
den vorm van hare bloemen meestal af van de planten , waarop zij 
woekeren: daarenboven brengen zij zaden voort, die op eene geheel 
andere wijze en onder andere voorwaarden ontkiemen, dan de zaden 
der planten , die zij aantasten. 

De Bremraap groeit ook niet alleen op de Brem , maar op een 
groot aantal andere planten, zoodat men thans hare verschillende 
soorten onderscheidt naar de planten , waarop zij woekeren. De 
Bremraap draagt haren wetenschappelijken naam Orohanche even zoo 
ten onregte. De grieksche wijsgeer theophuastus , die 300 jaren 



— 297 



voor onze tijdrekening eene planten-historie schreef, zag op de 
wikke (grieksch Orobos) een woekergewas, dat hij den naam van 
Orobanche gaf, afgeleid van orobos en ancho (ik wurg) omdat het 
de wikke met lange draden omsloot en verwurgde. Die beschrijving 
past niet op onze Bremraap, die slechts op de wortels van andere 
planten woekert. Zij geldt een ander woekerplantje, het zooge- 
naamde warkruid (Cuscuta) waarop ik straks nader terugkom. De 
naam Orobanche heeft de Bremraap thans nog behouden, terwijl 
zij wegens het maaksel van hare bloemen in de uitgebreide groep 
der Scrophularineën geplaatst is. 

De Orobanche vormt bij hare ontkieming eene soort van knob- 
bel , die zich dade- 
lijk aan den wortel , 
waarop zij woekeren 
zal , vasthecht. De 
wortelstok , waaruit 
die knobbel ont- 
springt, breidt zich 
uit en geeft het aan- 
zijn aan meerdere 
spruiten , die even 
als onze Aspersies 
uit den grond schie- 
ten. De wortels , 
waarop de Oroban- 
chen woekeren, zijn 
meestal zeer dun 
in vergelijking van 
hare eigene wortels, 
die , even als de ge- 
heel e plant, week, 
dik en sappig zijn. 
De Orobanche heeft 




OROBANCHE MAJOE. 



geene bladen , maar 
bruine schubben, die schaars om de naakte bloemsteng zitten en de 



— 298 — 

plaats van bladen vervullen. De bloemen zijn vrij groot en vormen 
eenen tros aan het einde van de bloemsteng; zij hebben even als deze 
eene vaal gele kleur, gelijk het zand, waarin zij groeijen; somtijds 
echter is de kleur der bloemen donkerder, en helt meer naar het 
roode, purpere of bruine over. De planten ontwikkelen een sterken 
muskusgeur, dien zij, lang nadat zij gedroogd zijn, nog behouden. 
Van nabij beschouwd hebben de bloemen iets sierlijks; zij zouden 
tusschen groene bladen geene onaangename vertooning maken ; maar 
hare vale, doffe kleuren en het aanzien der plant, die haar draagt, 
nemen die enkele schoonheid weg en maken een ongunstigen in- 
druk. — Toen ik voor het eerst de Orobanchen met oplettendheid 
beschouwde, schenen zij mij daar in de duinen, verworpelingen der 
schepping, duivelen in het plantenrijk, die boven de aarde eene 
schoongevormde bloem vertoonen , maar onder dien grond eene 
arme plant uitzuigen en verstikken : zij waren mij eene donkere 
bladzijde in het boek der natuur, even als in het boek der mensch- 
heid zij , die onder een schoonschijnend aangezigt hunne ont- 
eerende handelingen verbergen. 

Niet alleen in de duinen vindt men de Orobanchen , maar ook op 
heidevelden en bouwgronden. — Onder de kultuurplanten rigten 
zij vaak groote schade aan ; vooraf op Vlas- en Hennip-akkers ver- 
toonen zij zich dikwerf in grooten getale, en zijn zij hoogst- 
moeijelijk uit te roeijen, omdat de bloemstengen afbreken, wanneer 
men de planten poogt uit den grond te trekken ; terwijl de oor- 
spronkelijke wortelstok niet kan uitgegraven worden zonder aan- 
merkelijke schade voor de wortels der kultuurplanten, waaraan hij 
is vastgehecht. 

Eene andere inlandsche Parasiet is de Lathraea, die tot de fami- 
lie der Orobanchen behoort, doch in hare wijze van woekeren eenig- 
zins van deze verschilt. De Orobanche vormt eene soort van 
wortelstok, waaruit worteltjes ontspringen, die gedeeltelijk zich aan 
de voedende plant hechten, gedeeltelijk in den grond schieten. 
De Lathraea vormt geen wortelstok maar eene menigte zeer vertakte 
worteltjes, die door zuigwratjes aan de aangetaste plant verbonden 
zijn. Zij is hier minder overvloedig dan de Orobanche, en heeft ha- 



— 299 — 



ren naam van het grieksche Lathraios (bedekt), aangezien zij veelal 
op verborgene plaatsen gevonden wordt, i) Minder overeenkomst met 




LATIIRAEA SqUAMARIA. 



MONOTKOPA HTPOPHEGEA. 



de Orobanche heeft het Stofzaad of de Monotropa , die op de wortels 
van Dennen en Beuken woekert , en tot de familie der Ericinëen be- 
hoort. De Monotropa (dus genoemd omdat de bloemtros naar ééne zijde 
van den stengel overhelt) omwikkelt met hare worteltjes de wortels 
der voedende plant en groeit met deze ineen tot een vezelig kluwen. 
Orobanche, Lathraea en Monotropa hebben dit met elkander 
'gemeen, dat zij op de wortels van andere planten woekeren, eene 
doodsche vale kleur bezitten , en in plaats van bladen slechts ar- 
moedige schubjes aan de naakte steng ontwikkelen. 



1) De LatJiraea wordt in Duitschland Drachenwurs genoemd en veroorzaakt daar 
dikwijls veel schade in de wijnbergen, waar zij op den wijnstok woekert. 



— 300 — 

Eene zonderlinge vertoonin<y maakt een vierde inlandsche Parasiet, 
liet zoogenoemde Warkruid (Cuscuta) dat niet op de wortels, maar 




CUSCUTA EUROPAEA. 



op de stengels van andere planten woekert en soms in groote hoe- 
veelheid op het vlas en de hop wordt aangetrofien. ■ — De zaden 
van het warkruid ontkiemen op den grond, en de eerste ontwikke- 
ling der jonge plantjes is gelijk aan die der zelfstandige. Maar zoo- 
dra het uiterst fijne draadvormige stengeltje in zijn groei eene 
andere plant ontmoet, hecht het zich met kleine zuigertjes aan deze 
vast, en slingert weldra om haar heen. — Nu vangt het warkruid 
zijn parasietenleven aan; en trekt zijn voedsel niet meer alleen uit 



— 301 



den grond, want de eerste wortel sterft meestal af, terwijl de sten- 
geitjes door hunne zuigwratjes voedsel opnemen ten koste van de 
hop of het vlas, waarom zij zich geslingerd hebben. Het warkruid 
windt zich voort van plant tot plant en breidt zich over den akker 
uit. — Even als de vroeger genoemde woekerplanten heeft het geen 
bladen; de stengeltjes hangen als een bundel zijden draden om de 
moederplant, en dragen kleine trosjes van witachtige bloemen, die 
op heidebloempjes gelijken. — Het warkruid vormt door zijn groei 
een overgang van de halfzelfstandige tot de onzelfstandige planten, 
van de slingerplanten tot de Parasieten. 

De meest volkomene ontwikkeling in alle deelen en den duidelijk- 
sten vorm van parasitisme zien wij bij de Vogellijm of Marentakken 
(Viscum) , die in ons vaderland, vooral in de omstreken van Maas- 
tricht en nog menigvuldiger in midden-Europa , op de vrucht- en 
woudbooraen woekert. 

Wanneer des winters de meeste boomen van hunne bladen be- 
roofd zijn , en zooals zekere oppervlakkige menschen beweren , op 
omgekeerde bezems gelijken, dan treft ons hier en daar het zonder- 
linge schouwspel van een groenenden tak aan een overigens dorren 
boom. — Veelal is het een appel- of peerenboom, waarop die ver- 
tooning plaats heeft, 
en van verre zou de 
oppervlakkige denken , 
dat die bladrijke tak 
een voortbrengsel van 
den boom zelf was. 
Beschouwt men het 
verschijnsel echter van 
nabij , dan ziet men 
spoedig, dat de kleine 
geelgroene lederachti- 



ge blaadjes niets op de 
gewone bladen van den 
boom gelijken, en wan- 

VISCUM ALBUM. T . , „ 

neer men den tak af- 




— 302 — 

scheurt, blijkt het, dat hij geen tak, maar eene geheel afzon- 
derlijke plant is, die hare wortels langs en in den stam des booms 
heeft gevestigd, en uit dezen haar voedsel trekt. Die plant is 
boomachtig; zij vormt hout, en is daarom van de andere woeker- 
planten onderscheiden, die slechts een- of tweejarig zijn. Wij 
kunnen dus de Vogellijm een woekerboompje noemen, het eenige 
woekerboompje, dat in ons vaderland voorkomt. De Vogellijm 
brengt kleine bloempjes en witte kleverige bessen voort, in welke 
laatsten de zaden bevat, zijn. Een houtachtige stam, altijd 
groene bladen en besachtige vruchten , ziedaar eigenschappen , die 
in het plantenrijk eene vrij hooge ontwikkeling aanduiden ; maar 
die de Vogellijm nog onnatuurlijker in onze oogen doen zijn dan de 
Orobanche of het Warkruid. Want deze roepen ons reeds van verre 
toe , dat zij iets doen 't geen niet behoorlijk is ; hun vale kleur en 
hunne bladerloosheid kenmerken hen als verworpelingen van hoog 
ontwikkelde plantenfamiliën; maar de Vogellijm heeft iets innemends 
en bezit in groote mate de gaaf om zich goed voor te doen: ja voor 
den oppervlakkigen beschouwer is zij in den winter een wonder 
der natuur en speelt zij de rol van een alleraardigsten inval van 
den vruchtboom die haar draagt. Het is echter maar al te waar 
dat zij zulk een beschouwer bedriegt, den armen vruchtboom uit- 
mercfelt, en voor boomgaarden , waar zij zich in een groote hoeveelheid 
nestelt, eene plaag kan genoemd worden. En ook wanneer wij 
hare deelen in 't bijzonder gadeslaan, dan zien we de wonderlijkste 
en onnatuurlijkste afwijkingen van den gewonen plantengroei. Het 
zaad van de meeste andere planten ontkiemt natuurlijk met eene 
enkele kiem; maar de Vogellijm overtreedt die zeer algemeene wet, 
en doet twee, drie, ja soms vele kiemworteltjes uit een enkel zaadje 
te voorschijn komen. De kleur, die de kiem in de zaden van alle 
andere planten bezit, is nooit groen; bij de Vogellijm is zij juist 
groen. Ook zijn de wortels of wortelachtige organen, waarmede 
de Vogellijm woekert, groen, iets dat bijna nergens anders in het 
plantenrijk wordt aangetroffen. Bij de meeste planten is het uiteinde 
van het worteltje bij het ontkiemen naar beneden en dus naar den 
grond gerigt, zoodat, al keert men het plantje om, de wortel toch 



— 303 — 

altijd naar den grond streeft. De Vogellijm groeit nooit op den 
grond, maar alleen op een boom, en de ontkiemende worteltjes 
streven niet alleen naar beneden, maar ook zijdelings en naar 
boven, daar zij, slechts de duisternis zoekende, deze vinden in het 
weefsel van den stam waarop zij woekeren. 

De innige zamenhang van de Vogellijm met den boom, Avaarop 
zij woekert, heeft eenige overeenkomst, met die, welke wij kunst- 
matig in het werk stellen bij het enten der vruchtboomen. Bij 
het enten toch wordt een takje van den eenen boom met den 
stam van een' anderen in zulk eene naauwe verbinding gebragt, 
dat de cellen van het eerste ineengroeijen met die van den laatsten, 
en dat daardoor de ent haar voedsel uit den vreemden stam ont- 
vangt, en op dezen groeit even als een natuurlijke tak. — Maar 
om het enten te doen slagen is er eene gelijksoortigheid of ten min- 
ste eene groote overeenkomst noodig tusschen de ent en den stam, 
waarop het geplaatst wordt; de Vogellijm daarentegen wijkt in haar 
wezen doorgaans geheel af van de boomen waarop zij woekert. 

Het is waarschijnlijk, dat de zaden der Vogellijm door de vogels 
worden verspreid en in hunne uitwerpsels onverteerd op de boomen 
vallen. De ouden hebben dit ten minste verzekerd, en de ouden 
sloegen den bal niet in alles zoo geheel mis. — Van de Syringen- 
boomen, die op de tinnen van oude burgten en vervallene kerken 
groeijen, is het bekend, dat zij ontstaan zijn uit zaden, die reeds 
een togt gemaakt hebben door de magen der katuilen, en juist 
door dien togt geschikt zijn geworden ter ontkieming. 

De Vogellijm is eene klassieke plant: zij heeft hare legenden en 
overleveringen, en speelt zelfs eene rol in de Scandinavische My- 
thologie, eene eer, die weinig planten is te beurt gevallen. In de 
mythe van Baldur is zij de Misteltein , die, door eene onvoorzigtigheid 
van Treya, den blinkenden god doodelijk gewond doet vallen. De 
Scandinaviërs za£<en dus in haar een werktuig: des onsceluks. 

De oude Germanen, Britten en Galliërs hielden de Vogellijm in 
hooge achting, en beschouwden haar niet als eene schadelijke woe- 
kerplant, maar als eene gave des hemels en als een geneesmiddel 
tegen vele kwalen. Vooral wanneer zij in de heilige eikenbosschen 



— 304 — 

groeide, was zij eene bron van vreugde en een gunstig teeken; 
want men dacht dat de goden haar uit de bovenwereld op die 
eiken hadden gezonden. 

Bij de Galliërs werden de Marentakken met groote plegtigheid 
in de heilige eikenbosschen geplukt. Op den zesden dag na de 
eerste nieuwe maan des jaars, zegt Plinius, werden twee witte 
ossen , die voor 't eerst waren aangespannen , onder den boom 
gebragt. In lange witte kleederen gehuld, steeg de Druïde op hen 
en sneed met een gouden offermes den Marentak af, die in een 
wit laken opgevangen en onder de omstanders verdeeld werd. Daarna 
ofterde men de beide ossen onder gebeden voor de gelukkige 
werking der heilige plant, uit welke een drank bereid werd, die 
het groote wondermiddel, de revalenta van dien tijd was. 

Ook de oude Nederlanders bewezen dezelfde eer aan onzen Para- 
siet; maar vooral in Engeland heeft zij zelfs in lateren tijd onder 
den naam van Mistletoe hare beteekenis in het volksleven behouden. 
Na de invoering van het christendom is daar behalve de Hulst 
en het Klimop ook de Vogellijm tot een attribuut van het kersfeest 
gemaakt. De '■'■Jciss under the Mistletoe''' behoorde tot de eigenaardig- 
heden op dat feest, die haren oorsprong hadden in het verdwenen 
heidendom. De Bergschotten gingen bij de volle maan, in Maart, de 
Vogellijm plukken en vlochten daaruit kransen, die hen van teringen 
en andere ziekten moesten vrijwaren. 

De naam Marentakken of geesten-takken , doet genoeg blijken , 
welke geestelijke en etherische beteekenis onze voorvaderen aan die 
plant hebben verbonden. Bij de Galliërs heette zij de Boom der 
Bovenlucht {Pren Awijr) of de Boom van den hoogen top {Fren 
Uchelvar). 

Maar het geloof aan hare geneeskracht berustte bij de ouden niet 
op ondervinding. Zij zeiden alleen: Die plant komt uit den hemel, 
dus is zij overal goed voor. 

De ondervinding heeft later geleerd, dat het goede geloof en niet 
de Marentakken de genezing kan hebben bewerkt : daar deze plant 
eer schadelijke dan goede eigenschappen voor het dierlijke leven bezit. 

Zoo lieten zich dus onze voorvaderen door hun vooroordeel mede- 



— 305 ~ 

slepen, dat zij hulde bewezen aan een verachtelijk onkruid, aan eenen 
Parasiet. 

Hoogst merkwaardig is het, dat dezelfde eerbe wij zingen, die voor 
2000 jaren door de Germanen en Kelten aan de Yogellijm bewezen 
werden , thans nog bij een geheel verschillenden volksstam plaats 
hebben ten opzigte van Parasieten, die met deze plant de grootste 
overeenkomst hebben. De Vogellijra behoort tot de familie der Lo- 
ranthaceën, die in de tropische gewesten, en ook op ons heerlijke 
Java, hare schitterende vertegenwoordigers heeft. Op dat klassieke 
en plantrijke eiland hangen de Loranthaceën met hare gloeijend 
roode bloemen aan de heilige vijgenboomen (Ficus religiosa) die de 
pagoden en tempels beschaduwen , en de Javanen beschouwen ze met 
eerbied en welgevallen, want zij gelooven dat de schimmen van 
hunne vaderen, die nog rondom die tempels zweven, zich in den 
aanblik dier woekerplanten verlustigen, en ze bewonen als een 
verblijf van vrede en rust. 

Maar wij zullen de Marentakken en de schimmen der Javanen 
verder met vrede laten en een sprong doen van den meest ontwikkel- 
den tot den laagsten vorm der zigtbaarbloeijende Parasieten. — Wij 
blijven het oog vestigen op den Indischen Archipel , op de donkere, 
door Olifanten en Neushoornen bewoonde wouden van Sumatra. 
Daar groeit op de stammen van eene soort van wilden wijnstok 
(Cissus) AtRafflesia, de zonderlingste van alle Parasieten , de mons- 
terachtigste verschijning in het plantenrijk. 

De Eafflesia heeft geen stengel, geen wortel, geen bladen; de o-e- 
heele plant is niet meer dan eene bloem ; maar eene bloem van drie voet 
middellijn, de grootste bekende bloem van den aardboh Onmiddelijk 
uit den stam van den Cissus ontspruit zijne knop, die in den beginne 
de grootte en het aanzien eener muskaatnoot heeft, en binnen drie 
maanden tot geheele ontwikkeling komt. De knop heeft eene don- 
ker violette of bruine kleur; de bloem is vuil wit met een rood 

binnenste bij EafSesia Patma en bruingeel bij Eafflesia Arnoldi. 

De laatstgenoemde is het eerst bekend geworden en in 1818 door 
Dr. ARNOLD , een engelsch reiziger in Sumatra, in tegenwoordigheid 
van den beroemden gouverneur stamford raffles gevonden. Zii 



— 306 — 




EAFFLESIA ARNOLDI. 



groeide in een scha- 
duwrijk woud op 
eene plaats waar een 
overvloed van Oli- 
fanten-mest biieen 
lag. De Rafflesia 
Arnoldi is de groot- 
ste en bereikt bij een 
omtrek van 10 a 11 
voeten een diameter 
van ongeveer drie 
voeten; het gewigt 
van zulk eene bloem 
is van zeven tot acht Nederl. ponden. 

Onze landgenoot blume is de eerste geweest die de andere soort, 
Rafflesia Patraa, op een eilandje nabij Java ontdekt heeft. De 
Rafflesia's heeten bij de inlanders eenvoudig Krubbul (Groote 
bloem). ^) 

Veel overeenkomst met de Rafflesia heeft een andere Javaansche 
Parasiet, de Brugmansia, die kleiner en sierlijker van vorm is. — 
Men zou deze Parasieten in zeker opzigt schoon kunnen noemen ; maar 
hunne schoonheid heeft iets grofs, iets walgelijks, iets onnatuur- 
lijks. Eene ontzettend groote en dikke bloem, die zonder stengels 
of bladen uit den stam van een anderen boom schiet, en een geur 
van rottend vleesch verspreidt , verdient den naam van bloem noch 
dien van plant; zij is een beeld van valsch vernuft en doet ons 
denken aan de verachtelijke paddestoelen. En waarlijk, de plant- 
kundigen hebben in haar weefsel, in hare groeiwijze en voortplan- 
ting, in hare chemische bestanddeelen , in het gemis der groene 



1) De beste afbeeldingen van deze Parasieten vindt men in the Transactions of the 
Linnean Soc. Xlll. p. 107 en in blume. Flora Javae. — In de Bibliotheek van de Hor- 
ticultural Society te London, bevindt zich een levensgroot model van de R. Arnoldi. 
Een getrouw namaakscl van dit model heb ik gezien bij de Heeren booth, te Hamburg. 
De pogingen om de planten levend naar Europa over te brengen zijn nog met geen 
gunstig gevolg bekroond. 



— 307 — 

kleur en in den walgelijken geur, dien zij uitwasemen, eene groote 
toenadering erkend tot dien lagen trap van ontwikkeling, die de 
paddestoelen en schimmels kenmerkt. 

Ik zou nu nog van vele andere tropische Parasieten kunnen 
gewagen; doch zij zijn allen meer of min overeenkomstig met die, 
welke ik heb geschetst. De toenadering van de Rafflesia tot eene 
plantengroep, die wij zoo goed, dikwijls maar al te goed kennen, 
brengt mij van zelf tot eene beschouwing van de Parasieten , die tot 
die groep behooren, van de woekerende schimmels. 

Niets heeft in den laatsten tijd de onrust van den landbouwer 
de aandacht der wetenschap zoo zeer opgewekt, als de ziekten in 
de kultuurplanten. Als Egyptische plagen zijn zij, de eene na de 
andere, op onze akkers nedergedaald en hebben daar in weinig tijds 
de hoop van duizenden den bodem ingeslagen. 

Den bijgeloovige schenen zij eene straf des Hemels, een engel 
des verderfs, de landbouw treurde, en de wetenschap schudde be- 
denkelijk het hoofd. De geleerden waren het niet eens, zij begon- 
nen te twisten onder elkander en scheidden zich in partijen. Willen 
wij nu bij die wetenschap ons licht ontsteken, dan zijn wij o-e- 
noodzaakt, de gevolgtrekkingen van de eene secte met die van de 
andere te vergelijken. Sommige onderzoekers noemen de gebreken 
en dwalingen der kuituur de oorzaken van de plantenziekten, 
andere vinden met meer grond die oorzaken alleen in de woeke- 
rende schimmels. 

De zwammen of paddestoelen (Pungi) hebben een week en weinig 
zamenhangend celweefsel, missen de groene kleur en planten zich 
niet door zaden, maar door bijzondere cellen voort, die kiemkorrels of 
sporen heeten. De zwammen beminnen duisternis en verrotting : overal 
waar dierlijke of plantaardige stoffen in staat van ontbiudino- zijn, 
vinden hunne kiemkorrels een rijken bodem, en ontwikkelen zich 
soms binnen een ongeloofelijk korten tijd. De Bovista gio-antea 
bereikt in een enkelen nacht de grootte van een menschenhoofd 
en vormt in eene minuut 66,000,000 cellen. De Huiszwam (Me- 
rulius lacrymans) rigt binnen korten tijd de vreesselijkste verwoes- 
tingen aan. Hare fijne poederachtige kiemkorrels ontwikkelen zich 

IS 



— 308 — 

in de vochtige duisternis tot een papierachtig bekleedsel, dat langs 
de planken en balken heenkruipt, zich door de kleinste gaatjes 
heenwringt en alles weldra in onzamenhangend poeder verandert, 
terwijl zij de lucht verpest door haar vuilen stank. 

De Hoed- en Buik-paddestoelen, die door hunne meer bepaalde 
vormen en hoofere ontwikkelin^c de eer der duistere familie trach- 
ten op te houden, maken toch met al hunne verwaandheid eene 
afzigtelijke vertooning. Reeds in onze jeugd zien wij ze met een 
oog van afkeer aan en zeggen tot elkaar, dat zij vergiftig zijn. 
Want al wisten wij niets van de eigenschappen der paddestoelen , 
dan nog zou hun aanzien alleen voldoende zijn om ons voor immer 
te waarschuwen tegen eene onnatuurlijke spijs, die meer den dood 
dan de gezondheid heeft in de hand gewerkt. 

De laagste vorm der zwammen zijn de schimmels, die slechts 
uit weinige los zaraenhangende celletjes bestaan. Vocht en duister- 
nis zijn de voornaamste oorzaken, die het ontwikkelen van de 
schimmel begunstigen; bedorven, gistende en rottende stoffen zijn 
hare woonplaats. Sommigen verspreiden in het duister een lich- 
tenden glans, andere prijken met schoone kleuren. Oudbakken 
brood, vochtig papier, stilstaande laarzen, oude kaas, bedorven 
vleesch, dat alles is spoedig bedekt met eene digte laag van plant- 
jes: het beschimmelt. 

Maar duisternis en verrotting zijn niet voor den groei van alle 
schimmels noodzakelijk, want sommige soorten ontkiemen op de 
bladen van levende en gezonde planten, waarop nog geen bederf te 
vinden is. Dit zijn de eigenlijke woekerschimmels, de oorzaken 
van de meeste ziekten in de kultuurplanten. 

Onzigtbaar drijven in den warmen vochtigen zomer wolken van 
kiemkorrels door de lucht en over onze akkers; een regenbui slaat 
ze neer op de nog welige en groene bladen en spruiten , en bin- 
nen weinige dagen heeft zich de ziekte geopenbaard. De kiemkor- 
rels ontwikkelen zich tot zwamvlokken (Mycelium), die als een digt 
spinnenweb de oppervlakte der bladen bedekken , de poriën verstop- 
pen, de uitwaseming en dus ook de stofwisseling in de plant be- 
lemmeren en spoedig eene massa van kleine schimmelplantjes doen 



309 



ontstaan. -— Het weefsel der bladen gaat tot verrotting over en de plant 
^ is verloren. — Niet altijd echter komen die kiemkorrels van bui- 
ten op de kultuurplanten aanwaaijen; somtijds ontwikkelen zij zich 
in de planten en komen uit de opperhuid te voorschijn , zooals bij 
den Brand en het Zwart (Uredo) in de Tarwe, en bij \\Gt Moeder- 
koom (Sclerotium Clavus). Men heeft wel eens gemeend, dat de 
Brand in onze granen en het Moederkoorn , dat hoornvormio-e uitwas 
der Rogge-aren, ziekelijke voortbrengsels van de planten zelve wa- 
ren , en men is met die meening zelfs zoo ver gegaan , dat meu alle 
ziekten der kultuurplanten op eene dergelijke wijze wilde verklaren. 
De vooronderstelling was , dat die ziekten haren oorsprong hebben 
in eene overdrevene voeding; dat de hoeveelheid voedingstoffen, 
die men met den mest iii den grond bragt, in sommige gevallen 
voor de kultuurplanten te rijk zoude zijn, zoodat deze daardoor 
gedwongen werden om, behalve hare gewone cellen, ook nog een 
aantal buitengewone cellen te vormen, die als Brand, Zwart, Moe- 
derkoorn of aardappelziekte te voorschijn traden. Men gaf dus aan 
den landbouw de schuld van de rampen, die in de laatste jaren zoo 
onophoudelijk op hem zijn nedergedaald. 

De ondervinding echter heeft getoond, dat deze redenering slechts 
toepasselijk is op sommige andere ziekten, die in het plantaardig 
weefsel ontstaan; maar dat de zoogenaamde epidemièn in de o-ranen 
druiven, volgens sommigen ook der aardappelen, enz., die in den jongsten 
tijd zoo hevig gewoed hebben , de gevolgen zijn van woekerende schim- 
mels. — Immers , proeven hebben aangetoond, dat de zaden van granen, 
die met de kiemkorrels van den Uredo bestoven waren , wanneer zij 
later tot plant ontwikkeld zijn, den brand krijgen, en dat bij o-ra- 
nen die vóór de zaaijing in eenige bijtende stof waren geweekt ge- 
weest, de ziekte zich niet vertoonde; dat dus de schimmel reeds vroeo- 
als kiemkorrel in het plantje dringt om naderhand uit de opperhuid 
te voorschijn te komen. — Bij de druivenziekte heeft de beroemde 
HUGo voN MOHL Waargenomen, dat zich eerst de schimmel en daarna 
de verrotting in bladen en vruchten vertoont, en derhalve deze schim- 
mel (Oïdium Tuckerii) de oorzaak der ziekte is. En bovendien, 
wanneer de overdrevene kuituur oorzaak ware van de zooo-enaamde 



— 310 — 

planten-epidemiën , dan zou immers het middel tegen die ziekten 
voor de hand liggen, dan zou onze wetenschappelijke eeuw ze 
reeds lang door eene verbeterde en minder overdrevene wijze van 
bemesting van den aardbodem verdreven hebben. En juist zien wij , 
dat geen middel, geene wetenschap op deze wijze iets gebaat heeft. 
Alleen dan, wanneer men door juist gekozen middelen enkel op het 
verdelgen van de woekerschimmèls gewerkt heeft , zijn de proefnemin- 
gen meestal met den besten uitslag bekroond geworden ; zoo heeft 
onder anderen de loog van houtasch , die ook met vrucht tegen onze 
huiszwam wordt aangewend, in de druivenziekte goede diensten 
bewezen i). Ook indien het middel , dat nu onlangs uit Rusland ons 
is aanbevolen ter wering van de aardappelziekte, doeltrefiend blijkt 
te zijn, vinden wij daarin een nieuw bewijs, dat de woekerschim- 
mèls oorzaak van die ziekte zijn. Dit middel toch bestaat eenvou- 
dig in het verwarmen der aardappelen voor zij gepoot worden. Een 
zekere graad van drooge warmte moet namelijk de zwam vlokken , 
die zich reeds in den aardappel bevinden, vernielen, zonder daarom 
aan den aardappel zelven eenig nadeel te doen. 

Het is verkeerd, te vooronderstellen, dat de aardappels en drui- 
ven door de kuituur vertroeteld en verwend en daardoor vatbaar- 
der voor de ziekten zouden zijn. — Die vooronderstelling ging zoo 
ver, om de kultuurplanten te vergelijken met den mensch , die zijne 
maag overladen heeft, en daardoor in guur en vochtig weder 
of togt eer blootgesteld is aan catarrhale ongesteldheden , dan hij 
die matig is in eten en drinken; doch iedere vergelijking tusschen 
den mensch en de geheel anders georganiseerde en geheel anders 
levende planten is valsch, en niet overeenkomstig met de waarheden , 
die de physiologie aan het licht brengt. De in het wild groeijende 
planten toch, die dikwijls den armelijksten bodem tot standplaats 
hebben , worden evenzeer door woekerschimmèls aangetast als de kul- 
tuurplanten , maar daar zij van minder belang voor den mensch zijn , 
wordt dit ook minder opgemerkt. Uredo, Moederkoorn en an- 
dere woekerschimmèls worden op vele wilde planten aangetroffen; 



1) Botanische Zeiütiig 1853. p. 662. 



— 311 — 



een bewijs dat de schuld niet aan de kuituur ligt : en wanneer 
men wilde vooronderstellen, dat de druiven door de kuituur vat- 
baarder zouden geworden zijn voor de ziekte, dan dringt zich 
de vraag op, waarom zij dan niet reeds voor honderd jaren zijn 
aangetast geworden, daar zij toen toch ook vrij algemeen werden 
aangekweekt. 

Het meer dan gewoon woeden van de woekerschimmels , die de 
aardappelen aantasten, en van die welke op de wijngaarden parasiteren, 
is dus een verschijnsel, dat, even als het gekomen is, ook wel 
weer verdwijnen zal, en waartegen de mensch alleen dit vermair, 
dat hij die vijandige Parasieten bij hun ontstaan zooveel mogelijk 
te keer gaat en verdelgt. — In dit opzigt is er van de praktische 
wetenschap nog wel iets doeltreffends te verwachten. 

Woekerschimmels worden in onze dagen op vele verschillende 
kultuurplanten aangetrofien. Zoo spreekt men van eene ziekte in de 
kersen, in de erwten en boonen , in de oranjeboomen en meekrap, 
ja ook het dierlijk ligchaam wordt somtijds door plantaardige Pa- 
rasieten aangetast. De Muscardine, die zoovele zij dewor men vernielt, 
is een schimmelsoort (Botrytis parasitica) ; en ook bij ons ontstaan 
sommige huidziekten door woekerschimmels. 

De zoogenaamde planten-epidemiën van de laatste jaren zijn dus 
het gevolg van eene bijzondere magt, die gegeven is aan kleine 
plantjes, die niet in de aarde, maar op andere planten groeijen, 
die Parasieten zijn even als de Marentakken en de Eafflesia; maar 
zij doen ons echter geen van allen voor eene sreheele uitdelgino- der 
kultuurplanten en voor eene vernietiging van die groote bronnen van 
welvaart vreezen, evenmin als de longziekte of de Cholera ons doen 
vreezen voor een geheelen ondergang van alle menschen en alle vee. 
Veeleer zijn ze ons kleine welmeenende waarschuwingen om toch 
nimmer in het optimistische denkbeeld te vallen, dat de aarde een 
luilekkerland of een paradijs is. Even als de Marentakken en 
deEaiflesia, zoo roepen de woekerschimmels ons toe, dat de aarde 
niet alleen het goede voortbrengt, maar ook het kwade, en dat er 
ook in de natuur strijd is tusschen licht en duisternis. 

En, gelijk wij in een hoogeren zin hier zijn om in het zedelijke 



— 312 — 

te strijden, zoo is het onze pligt om ook het kwaad, dat ons stof- 
felijk aanzijn bedreigt, met alle krachten te keer te gaan. 

fantastisch is het denkbeeld door een beroemden Botanist van 
onze dagen (Dr. unger), aangaande de beteekenis der Parasieten 
ontwikkeld. Hij brengt hunne verschijning in verband met de ver- 
schillende geologische tijdperken. De plantengroei van vroegere vol- 
eindigde perioden , zegt hij , was geheel verschillend van die welke 
tegenwoordig de aarde bedekt, en de plantengroei die na ons in 
eene nieuwe periode op onze planeet verschijnen zal , moet eveneens 
wederom eene ganscli andere zijn. Maar dit neemt niet weg, dat 
zich nu en dan reeds eenige plantenvormen vertoonen , die eigen- 
lijk in die na-wereld thuis behooren ; en die vormen vinden wij 
in de EafHesia , in de Marentakken , in alle Parasieten , en ook in 
de paddestoelen en schimmels. Deze vooronderstelling vloeit ook 
ten deele voort uit het geloof van verschillende volksstammen, dat 
voorbedachtelijk in die Parasieten de beelden zag van een hooger, 
een ander leven in de toekomst, l) 

Het bewijs op deze redenering kan slechts door een ander men- 
schengeslacht in een volgend geologisch tijdperk worden gegeven, 
en aangezien wij nu niet tot dat geslacht en tot die periode be- 
hooren , bepalen wij ons liever tot het tegenwoordige, en houden 
met meer grond staande, dat de Parasieten en zwammen, wat ook 
hunne bestemming in de toekomst zij , thans slechts moeten be- 
schouwd worden als onnatuurlijke en gebrekkige planten, als uit- 
zonderingen op de groote wetten der natuur, als kwelgeesten in 
het plantenrijk, als vijanden van den mensch en zijn arbeid. 2) 



1) Dit denkbeeld is uitgedrukt in de Annalen des Wiener Museums voor 1850, p. 47. 

2) De redactie laat ^cze Lescliouwiug , die overal in dit opstel op den voorgrond 
treedt, doch naar hare overtuiging onjuist is, geheel voor rekening van den schrijver. 



DE LAMMERGIER.^) 



Jtloe hooger de wandelaar doordringt tot de diamanten toppen der 
Alpen , des te meer ook verlaat hem de vriendelijke plantengroei der 
lagere deelen. Hoe langer hoe minder ook, worden de gewone dieren 
aangetroffen; kevers, vliegen, vlinders en spinnen verlaten hem spoedig. 
Tusschen die kale rotsen stijgt van tijd tot tijd nog de leeuwrik en 
sneeuwvink op. 

Viervoetige dieren zijn weinig te bespeuren, welligt alleen in de 
verte eene kleine kudde rustig grazende gemsen. Steeds hooger en 
hooger voert de eenzame weg; nog vliegt een sneeuwhoen uit de 
laatste boschjes op en verdwijnt achter de hooge bergtinne; weldra 
gelooft de reiziger geheel alleen te zijn in deze kale en uitge- 
storvene natuur, waar de minste misstap den dood na zich kan slepen. 
Beneden zich z^iet hij niets dan steenklompen , in de verte verdwijnt 
de bewoonde omstreek, rondom ontwaart hij niets dan rotsen, 
ijsvelden, afgronden, de kale troon der hevigste stormen; doch op 
eens hoort hij hoog boven zich een' krijschenden kreet, een lang 
aangehouden schelklinkend pfiji, jpfiji. Hij staart naar boven en ont- 
dekt' eindelijk in het donkere blaauw des hemels een zweven den stip, 
die nadert en grooter wordt, bijna zonder beweging, en weldra komt on- 
rustig , met breed uitgespreide vleugels, de koninklijke Alpengier boven 
hem zweven, laat zich eenigzins dieper vallen , staart om zich heen om 
den vijand te verkennen en verheft zich plotseling weder pijlsnel en in 
eene regte lijn, en verdwijnt achter eenenmetijs gekroonden bergtop, die 
hem aan het oog des reizigers onttrekt, terwijl zijn hongerig geschreeuw 
nog gedurende een kwartier door de Alpentoppen weerkaatst wordt. 

De Lammergier is de Kondor der Europeesche gebergten en staat 
met laatstgenoemden nagenoeg in dezelfde evenredigheid als de grootte 
der gebergten in Europa tot die van Zuid-Amerika. Steeds is 
hij eene reusachtige verschijning en door zijne bewerktuiging en 

1) Hoezeer in den regel slechts oorspronkelijke stukken opnemende, Iieeft de redactie, 
om de lezenswaardigheid en den geringen omvang van dit stukje, gemeend de plaat- 
sing daarvan voor eene enkele maal niet te mogen n'eigcren. 



— 3U — 

levenswijze de merkwaardigste vogel der Alpen. De Zwitsersche Baard- 
of Lammergier is veel grooter dan die, welke het Sardinische ge- 
bergte, de Appenijnen of Pyreneën bewoont, en wijkt ook geheel 
af van den Afrikaanschen of Siberischen. Klaauwen, pooten, snavel en 
vleugels zijn allen veel krachtiger dan die der genoemde soorten. 

Men heeft echter nog niet genoeg opmerkingen kunnen maken 
om wetenschappelijke klassificatiën te vormen. 

Vroeger bewoonde deze grootste der Europesche roofvogels alle 
deelen der Hoogalpen; zijne geringe voortteeling en de veelvuldige 
jagten hebben hem echter zeer in aantal doen verminderen, zoodat 
hij nog wel geregeld nestelt in de gebergten van Tessin , Graauw- 
bunderlaud, het Waadland en Bern, doch zich maar zelden en dan 
nog eenzaam in de overige kantons vertoont. 

In het kanton Unterwalden werd de laatste den 21 September 1851 , 
op den Alzerherg geschoten. In eene streek van het Grindelwald , 
zag men gedurende eene reeks van jaren op bepaalde tijden regel- 
matig eenen ouden Gier op eene geweldig groote rots zitten. Hij 
was met kogels niet te bereiken en zijne zitplaats ontoegankelijk. 
De oude alpenherders kenden hem zeer goed en waren gewoon 
hem das alte Weïb te noemen. 

Nog in het begin dezer eeuw was er weinig met zekerheid om- 
trent de natuurlijke geschiedenis van dezen merkwaardigen vogel 
bekend. De groote buffon bragt hem eenigzins tot het geslacht der 
Kondors. De duitsche natuuronderzoeker sïeinmüller gaf van hem 
eene zijner zorgvuldige beschrijvingen; na hem werden verschil- 
lende onderzoekingen in het werk gesteld, en toch is er nog 
veel dat niet volkomen is opgelost en moeten sommige opgaven 
niet dan met behoedzaamheid worden aangenomen. 

Men noemt dez«n bewoner der Hoogalpen eigenlijk ten onregte 
Gier; hem ontbreken, behalve den naakten kop, nog verschillende 
andere kenmerken der Giersoorten, en met meer regt zou hij Gier- 
arend heeten (Gypaëtos.) Even zoo als bij de meeste groote roof- 
vogels, is ook bij deze soort het wijfje altijd grooter dan het man- 
netje. Een geheel volwassen Gier is dikwijls meer dan 4% voet 
lang en beslaat met uitgespreide vleugels eene ruimte van 9 tot 



— 315 — 

10 voet. De staart alleen is I14 voet lang en uitgespreid 3 voet 
breed. Zijn gewigt verschilt nog al aanmerkelijk: somtijds bedraagt 
dit 6 tot 8, slechts zelden 10 Ned. ponden. 

In de kleur is een groot verschil,^ naar mate van den ouderdom. 
De oude vogel heeft een snavel van zes oude duimen lang, hoorn- 
kleurig, in het midden eenigzins hol, uitloopende in een grooten 
boogvormigen haak. Deze haak wordt door de jaren dikwijls zoo 
groot, dat het dier daardoor in het verscheuren zijner jjrooi wordt 
verhinderd. Den kop, die bovenop vlak en aan de achterzijde breed 
is, vindt men bezet met korte, ligtgele vederen en een zwarten 
rand. Aan den onderkant van den bek, over de keel, hangt een 
zwarte baard, bestaande uit grove haren; van daar den naam van 
Baardgier. De neusgaten en de daarover liggende huid zijn met der- 
gelijke borstels bezet. De oogen , die zeer eigenaardig zijn ge- 
vormd, gloeijen als kolen vuur en zijn in een verhevenen, dikke;i, 
oranjekleurigen ring besloten, waarschijnlijk met het doel om het 
oog te beschermen voor de schitterende terugkaatsing der zonne- 
stralen van de ijsvlakten , waarboven de Gier steeds zweeft. De 
vederen van de bovenste gedeelten van den rug zijn glanzend zwart- 
bruin met lichtere randen. Het onderlijf is rosachtig geel; het ach- 
terste gedeelte van den rug is graauwachtig bruin, even als de staart- 
vederen, aan de onderzijde lichter en zeer sterk. De korte pooten 
zijn met enkele kleine vederen voorzien. De teenen zijn loodkleurig, 
de klaauwen naar evenredigheid van het overige uiterlijk zwak, met 
scherpe kanten, en zwart. De staart is lang, langzaam afgerond. 
De jonge vogels zijn, even als bij de Arenden, veel donkerder van 
kleur, bijna zwart; vooral de kop, die bij de volwassene lichtkleurig 
is, is bij de jongen bijna geheel zwart. Alleen tusschen de schouders 
zijn eenige witgevlekte vederen. Eerst na de derde ruijiug behoudt, 
deze vogel zijne blijvende kleur. 

Inwendig is deze roofvogel ook hoogst opmerkelijk zamengesteld. 
De borstspieren zijn buitengewoon groot en zwaar. De lange borst- 
beenderen zijn, even als bij de overige vogels , hol, en worden bij het 
ademen met lucht gevuld , die , alzoo verwarmd , specifiek ligter is 
dan de omringende dampkringslucht, en waardoor dus voor dit 



— :516 — 

dier het opstijgen tot eene zoo groote hoogte zeer gemakkelijk wordt. 

Het meest opmerkenswaardig zijn zijne krachtige verteringswerk- 
tuigen. De slokdarm, de krop, die, als hij gevuld is, op eene afzigte- 
lijke wijze naar beneden hangt, en de maag, zijn bijzonder wijd en 
digt bezet met fijne knobbels, waaruit steeds eene groote hoeveel- 
heid sterkriekend verteringssap vloeit, dat in korten tijd de grootste 
beenderen oplost. — De inhoud van eene maag eens pas geschoten 
vogels brengt de jagers dikwijls in verbazing en overtreft alles wat men 
omtrent de vraatzucht en verteerkracht van andere roofvogels in ons 
werelddeel weet. Zoo vond men in de maag van eenen Gier vijf beenderen 
van een runderribstuk, ieder omstreeks 5 N. duim dik en 15 duim lang, 
een haarbal, waarschijnlijk op het punt geweest zijnde van uitgeworpen 
te moeten worden , want ofschoon men dikwijls heeft gezegd dat de 
Lammersrier s:een haar of wol van de vellen der verslondene dieren 
uitwerpt, is het tegendeel herhaaldelijk bij gevangene individuen 
waargenomen. Bovendien was nog een geheel been eener jonge geit, 
van de knie af, in deze maag aanwezig. De beenderen waren reeds door 
de werking van het maagsap met kleine gaten doorboord, en die 
welke in de darmen waren , bleken geheel murw en kalkachtig te zijn. 

In eene andere maag vond men eene rib van een vos, 3 a 4 palmen 
lang, een geheelen vossenstaart, den achterpoot van een haas, ver- 
scheidene schouderbeenderen van dit dier en een haarbal. 

Nog grooter maaltijd bleek een door Dr. schinï geschoten vogel 
gedaan te hebben. Zijne maag bevatte het heupbeen eener koe, het 
scheenbeen van eene gems, een half verteerde rib van eene gems, 
verscheidene kleine beenderen, haar en de klaauwen van een berkhoen. 
Deze dieren waren alzoo na elkander de prooi vaii dezen Gier geweest. 

Het maagsap doet de beenderen laagsgewijs verteren. De voedzame 
lijmstof wordt opgelost, de kalkdeelen worden afgevoerd. 

Men vindt hierin weder eene wijze voorzorg der natuur, en de 
schadelijkheid van den Gier is door deze zamenstelling zeer ver- 
iiiinderd : moest toch dit dier zijne groote behoefte alleen door 
vleesch bevredigen, dan zou het dikwijls van honger moeten ster- 
ven en zijne geweldige strooptogten zouden de Alpen spoedig van 
al het wild berooven. De kracht van het maagsap i.s zeer buiten- 



— 317 — 

gewoon, wanneer men bedenkt dat zelfs de dikke hoeven van 
koeijen en kalveren worden verteerd en het zelfs nog werkt na den 
dood van den Gier. — Bij een vogel die men dadelijk na het roo- 
ven van eenig dier geschoten had, en die men drie dagen liet 
liggen, vond men later al het verslondene, een vossenbil met huid 
en haar, in regelmatige vertering geheel opgelost: een voorbeeld 
van merkwaardige afscheiding der werking van de maag in het hart. 

Door deze krachtige verteringswerktuigen kan de Gier de gulzig- 
heid van eene Hyena evenaren. Niet zelden gebeurt het, dat een ge- 
vangen Gier de haastig ingeslokte beenderen niet meer in den vol- 
gestopten krop kan bergen , zoo dat zij den bek uithangen totdat 
er weder plaats in de maag is. — Dat hij grootere beenderen met 
zich in de hoogte voert om die op de rotsen te pletteren te laten 
vallen, wordt voor zeer onwaarschijnlijk gehouden. Het is echter 
zeker dat hij de beenderen even gaarne als het vleesch eet. 

De levenswijze van den Lammergier is, zoo lang hij vrij is, nog 
weinig opgemerkt kunnen worden. Daartoe behoort uiterst veel ge- 
duld, zorgvuldigheid en moed; de berigten hieromtrent loopen 
dan ook maar over enkele gedeelten. Gewoonlijk vliegen de Gieren 
des morgens vroeg uit en nemen hunne rigting naar de plaats waar 
zij het laatst buit gemaakt hebben, zoowel om het overgeblevene 
te verslinden, als om nieuw wild op te doen. Rustig hangt de gier 
in de wolken , terwijl zijn scherp oog alles in den omtrek bespiedt 
en zijn verbazend fijne reuk hem op uren afstands zijnen buit 
doet ontdekken. Onder zijne uitgespreide vleugels ligt eene geheele 
wereld. De dieren der Alpen grazen rustig, zonder de doodende klaauw 
te bespeuren die boven hen zweeft; met meer zekerheid ontdekken 
zij de gevaren die hen van de diepte naderen , zij rieken slechts 
de dampen die van daar komen. Plotseling valt de Gier met zamen- 
geslagen vlerken in schuine rigting op hen neder. Er is geene vlugt 
meer mogelijk en geene schuilplaats te vinden. Zij zijn verloren 
eer zij naar redding hebben kunnen omzien en volgen stuiptrekkend 
hunnen vijand in de lucht. Doch het gelukt aan de Gieren slechts 
om kleinere dieren, vossen, marmotten, honden, katten, dassen, 
lammeren, wezels, hazen, hoenders en kleine geiten te bemagtigen. 



— 318 — 

Zijne klaauwen en pooien zijn niet sterk, alleen zijne vleugels en zijn 
bek maken zijne kracht uit. Dikwijls wordt de prooi verteerd op de 
jagtplaats, dikwi.ils ook op eene rots die tot slagtbank dient. 
Maakt de Gier jagt op een grooter dier, een zwaar schaap of een 
oude c^ems die in de nabijheid van eenen afgrond graast, dan vliegt 
hij in naauwe kringen om hen heen en tracht hen zoo angstig te 
maken, dat zij tot den uitersten rand der diepte vlugten; dan vliegt 
hij met verdubbelde vaart langs hen heen, en waagt het niet zelden 
hen met vleugelslagen in den afgrond te storten, waar hij dan den 
verpletterden buit volgt. Zijn eerste werk is dan de oogen uit te 
pikken ; vervolgens sclieurt hij den buik open , en verslindt eerst de 
ino-evvanden , daarna de beenderen. Levende katten verbrijzelt hij 
den schedel en dan gaan zij in eens naar binnen. Meermalen 
heeft men opgemerkt dat deze vogel de beschrevene wijze van 
oorlo» voeren ook op jagers, die in gevaarlijken toestand op de 
uitstekende spits eener rots stonden, of een steilen bergweg opklom- 
men, heeft willen aanwenden, en deze verzekerden dat het suizen, 
de snelheid en de kracht der geweldige vleugels een' duizelenden, 
bijna onweerstaanbaren indruk maakten. Eenmaal beproefde een Lam- 
mer"-ier met eenen os, die aan den rand eens steilen afgronds stond, 
naar beneden te vliegen en hield hardnekkig met zijne pogingen vol , 
doch de onversaagde viervoeter verloor zijne gewone bedaardheid 
niet. Met neergebogen kop bleef hij vast staan en wachtte rustig 
het ooo-enblik af dat de Gier de nutteloosheid zijner pogingen inzag. 
Als de Gier in de morgenuren zijne jagtoefeningen heeft volbragt, 
o'aat hij in de door hem bewoonde rotsen rusten en zit het overige 
wedèelte van den dag stil, oogen schijnlijk lui en wezenloos, in 
zijn nest of op eene kale rots. Heeft hij geene jongen te verzor- 
-^'•en, of wordt hij nïet op de eene of andere wijze in zijne rust gestoord, 
dan ziet men hem zelden meer uitvliegen; weinig wordt hij dus 
"ezien, daar zich geene reizigers 's morgens in de jagtvelden 
van den Gier bevinden. Zonder trekvogel te zijn, verwisselt hij 
toch vau jagtveld naarmate van de jaargetijden. In het voor- 
jaar bewoont hij de midden- en hoogere deelen der Alpen en 
nestelt in uitgeholde koppen of ontoegankelijke spitsen, die door 



— 319 — 

overhangende gedeelten der rotswanden eenigzins zijn gedekt. 
Dikwijls ziet men de nesten op grooten afstand en ieder Alpen- 
bewoner kent ze. Zij zijn echter ongenaakbaar , en buiten het schot » 
der ver dragende buksen. De zamenstelling dezer nesten is eenvoudig 
en trotsch, doch nog nooit door een natuuronderzoeker naauwkeu- 
rig opgenomen. — Tot onderste laag vindt men eene menigte hooi 
en stroohalmen , varenkruiden en stengels op een groot aantal krui- 
selings gerangschikte takken liggen. Daarop rust dan eerst het krans- 
vormige, uit heestertakken bestaande met dons en mos bekleede 
nest. Zeer vroeg in het jaar legt het wijfje 3, hoogstens 4, zeer 
groote, wit en bruin gevlekte eijeren, waarvan zij gewoonlijk slechts 
twee uitbroeit. In een kortelings gedooden vogel vond men reeds 
in het midden van Februarij een geheel voldragen en tot het leg- 
gen rijp zijnde ei. — Van de twee uitgebroeide jongen schijnt er 
meestal nog maar één te worden opgevoed. Zij zijn met wit dons 
bezet, en hebben uit hoofde van hunnen grooten misvormden krop 
en buik een zeer onbehagelijk voorkomen. De zeer dikke en warme 
vederen der ouden, die hun eekhoorntjes, hazen en lammeren 
verschaffen, verwarmen de jongen ook in de gure voorjaarsdagen. 
In den zomer vliegen de Lammergieren gewoonlijk in de hoogste 
ijsbergen rond en bezoeken vlijtig de bovenste vlakten , waar gemsen-, 
schapen- en geitenkudden grazen. Zij schijnen zich in dezen tijd, waarin 
de jongen reeds medevliegen, minder aan de nabijheid der nesten 
te binden. In den winter worden zij , door de groote woestheid der 
bergtoppen, gedwongen hun verblijf lager te houden; nooit komen 
zij echter in de diepere vlakten. De gemsen hebben zich dan, even 
als de meeste dieren der Alpen die geen winterslaap houden, in 
de wouden begeven, waar de Gieren niet jagen. Een afgedwaalde 
vos, die wat laat in den morgen naar zijn hol terugkeert, een in 
den sprenkel gevangen haas, berghoenders en kraaijen, misschien 
een marder, zijn dan het eenige wat er voor de Gieren overblijft. 
Zoo dwingt de honger hen al dieper en dieper af te zakken , waar zij 
gemakkelijker een haas, een hond of eene kat kunnen meester worden. 
Als zij gaan zitten kiezen zij steeds even als de kondors een rots- 
punt. Hunne korte pooten en lange vleugels zouden eene opstijging 



— 320 — 

van den vlakken grond zeer bezwaarlijk maken. Op hoornen gaan 
zij slechts zitten, wanneer zij takken voor huniie nesten willen zoeken. 

De bergbewoners meenen algemeen, dat de roode kleur eene bij- 
zondere aantrekkelijkheid voor deze Gieren heeft, en lokken hen 
dikwijls, door runderbloed op de sneeuw te werpen, ora hen onder 
het schot te brengen. Echter is het hoogst waarschijnlijk dat meer 
de zich van verre vertoonende buit, dan wel de roode kleur het 
lokaas is, daar zij even zoo goed op gebraden ossenvleesch afkomen. 
In Piemont neemt men wel gebradene katten of legt eenig aas in 
een naauwen kuil. De verzadigde vogel kan niet goed meer vliegen 
en wordt ligtelijk met stokken gedood ; evenzoo verslaan de Indianen 
in de Andes de kondors bij dozijnen. Met het jagtgeweer komt 
men den Gier in de gebergten slechts zeer zelden digt genoeg nabij : 
daarentegen overvalt men hem wel eens in stevig bevestigde vossen- 
vallen. Op het vangen of ter nederschieten , staat altijd eene goede 
premie. In Graauw-bunderland gaat gewoonlijk de jager met het 
geschotene dier rond , om de belooning in te oogsten. De herders 
geven gewoonlijk eenige wol, uit dankbaarheid van ontslagen te 
zijn van eenen lammerendief. 

Niet altijd gelukt het aan dit stoute roofdier, om zijnen prooi 
gelukkig mede te voeren. Er is een zeer merkwaardig voorval be- 
kend, waarbij een Lammergier in zijn eigen element het onderspit 
delfde in den strijd tegen een viervoetig dier. Bij het zoogenaamde 
Drachenloch, in het kanton Unterwalden, had een Gier een levenden 
vos gevangen , en met zich in de lucht medegevoerd. Het gelukte 
echter den vos om den hals uit te strekken , den roover in de 
keel te grijpen en die af te bijten. De Gier stortte dood ter aarde 
en meester Heintje hinkte huiswaarts, doch zal zeker zijn leven 
lang de luchtreis herdacht hebben. — Een dergelijk voorval werd 
door den kristalgraver gideon frösch in Uri , op een rijk met 
gemsen bezetten gletscher waargenomen. Een vos liep over de vlakte 
en werd met bliksemsnelheid door een reusachtigen steenarend op- 
gepakt en hoog in de lucht medegevoerd. De roover begon weldra 
eene zonderlinge beweging met zijne vleugels te maken en verdween 
achter eene rots. Frösch besteeg die en zag tot zijne verbazing 



'<0 1 

o s/ 1 — 

den vos langs zich wegloopen. Aan de andere zijde der rots vond 
hij den stervenden arend met afgebetene borst. Op gelijke wijze 
hebben reeds meermalen kleine wezels havikken en andere roof- 
vogels, waardoor zij werden weggevoerd, midden in de lucht gedood. 

Zonder eenigen grond heeft men betwijfeld, of de Gieren wel, ooit 
kinderen hebben aangevallen. Verschillende voorvallen zijn daarvan 
bekend, voor welker waarheid kan worden ingestaan. In Kundwijl , 
kanton Appenzell, werd een kind, voor de oogen zijner ouders en 
buren, door zulk eenen geweldigen roover weggevoerd. Op den 
Zilveralp, kanton Schwjtz, vloog een Gier op een bij eene rots 
zittend herdersknaapje aan , begon hem dadelijk te verscheuren en 
wierp hem in den afgrond, eer de in allerijl toegeschotene herders 
het konden verhinderen. 

In het Bernsche bovenland, werd anna zuubuchen door hare 
ouders, als driejarig meisje, bij het hooijen mede in het veld ge- 
nomen, en digt bij een stal op den grond gelegd. Weldra sliep 
het kind in ; de vader bedekte het gezigtje raet een strooijen hoed 
en ging aan zijn werk. Toen hij kort daarna met eenig hooi 
terugkeerde, was het kind verdwenen; hij zocht het in grooten 
angst gedurende geruimen tijd, doch te gelijk ging een der buren 
een steil- bergpad op en hoorde tot zijne verbazing een kind 
schreijen. Hij ging op het geluid af en zag een grooten Lammergier 
opvliegen en eenigen tijd over den afgrond zweven. Haastig klom 
de boer naar de plaats van waar de Gier was opgevlogen en vond 
op den uitersten rand het kindje liggen, dat, behalve aan den 
linkerarm, waaraan het gepakt was, geen letsel had. Het had alleen 
gedurende de luchtreis kousen, schoenen en hoofdkapje verloren. 
De klip waarop het teruggevonden was, lag 1400 pas van de plek 
waar het te slapen gelegen had. Het kind heette voortaan geyee,- 
ANNi. Het voorval werd in het kerkboek opgeteekend, en voor weinige 
jaren nog leefde de heldin van dit geval in hoogen ouderdom. 

Nog meer voorbeelden worden daarvan verhaald, en mogen som- 
mige dan al ook door den tijd iets geheimzinnigs en twijfelachtigs 
verkregen hebben, er is geen reden, waarom de Gier zijne krachten 
ook niet aan een kind zou beproeven. Hij is stoutmoedig genoeg 



— .322 — 

om met moordlust een volwassen jager te omzweven en sterk genoeg 
om een geitje uren ver te dragen; eene hem niet eigene zachtmoe- 
digheid zou hem dus alleen van kinderen moeten afhouden. Het is 
toch bewezen, dat een Gier in Graauw-bunderland een jong schaap 
opnam, dat 15 pond woog, en later een slagershond, dien hij op eene 
hooge rots voerde en daar rustig verslond. 

Hoezeer gewoonlijk in gevangen staat vreesachtig en lafhartig, 
is de Gier zulks in geenen deele gedurende de vrijheid. Een Gier 
namelijk, die eensklaps op een' jongen bok aanviel, gedurende den 
tijd dat de herder de kudde weidde, werd door dezen met eenen 
stok aangevallen, doch eensklaps wendde de Gier zich om en sloeg 
zoo geweldig met zijne vleugels naar zijnen aanvaller, dat deze 
zijn heil in eene spoedige vlugt zocht, waarna de Gier zijnen prooi 
weder opzocht en wegvoerde. Zijne levenskracht is zeer taai, zoo 
zelfs, dat een gevangen Gier die met slagen afgemaakt scheen, zich 
herstelde en zijnen vijand aanvloog, die niet dan met veel moeite 
er in slaagde om hem geheel te dooden. 

In landen waar de Lammergieren met andere groote roofvogels 
wonen, worden zij dikwijls door deze laatsten vervolgd. Twee 
Baardgieren werden alzoo eens door zes Zeearenden en eene menigte 
kaalkoppige Gieren aangevallen, waarbij een zoo geweldig gevecht 
ontstond, dat de geheele zwerm op den grond nedertuimelde en 
door een herder met stokslagen uit elkander gejaagd werd. 

In de Zwitsersche Alpen heeft deze Gier geene andere vijanden 
dan den menseh , den honger en eene soort van luizen , die hem zeer 
hinderen. 

De jongen kunnen met vleesch gemakkelijk worden groot gebragt 
en worden tam. Oud gevangen ziju zij somtijds zeer ongevoelig en 
soms zeer wild en onhandelbaar. Het spreekt van zelf dat de ge- 
vangenschap op dezen bewoner der ruime natuur een zeer grooten 
indruk moet maken , en dat men in geene deele uit het karakter 
van een ziekelijk gevangen dier tot dat van den wilden Gier kan 
besluiten, wiens kloekmoedigheid en kracht aan al de Alpenbewoners 
genoecf bekend is. 

(Naav het Hoogduitsch). J- ^- !*• '-'. 



OVER DE 

SÏRUISACHÏIGE VOGELS, 

(STRUTHIONES). 



DOOR 



H. SCHLEGEL. 



W anneer men eene reeks van onderling verwante dieren tot eene 
grootere groep heeft vereenigd, is het meestal en te regt gebrui- 
kelijk, den naam aan de eene of andere merkwaardige of algemeen 
bekende soort der groep te ontleenen , en , in eene algemeene be- 
teekenis, op de geheele groep toe te passen. Het gebeurt intusschen 
dikwerf, dat de verschillende soorten van zulk eene groep onder- 
ling veelvuldige afwijkingen in hare gestalte, grootte of andere 
eigenschappen aanbieden , en in dit geval moet de algemeene toe- 
passing van eenen dergelijken naam aan den onkundigen zonder- 
ling of zelfs ongerijmd toeschijnen. Dit zal misschien voor menigeen 
het geval zijn met de uitdrukking van Struisachtige vogels. Hij 
zal wel begrijpen , dat daarmede de Struizen van Afrika en Ame- 
rika bedoeld worden; hij zal misschien toegeven, dat de Kasuaris 
van Australië in die familie gerangschikt worde ; maar het zal hem 
vreemd voorkomen, dat ook de gewone Kasuaris daartoe behoort, 
en hij zal nog minder kunnen beseffen, hoe men nog andere, uiter- 
lijk zeer verschillende vogels in ééne familie met den struis kan 
plaatsen, zoo alsb. v. deKiwi's van Nieuw-Zeeland, welke de grootte 
eener kip, zeer korte pooten en eenen wulpachtigen bek hebben. 

De lezer, die ons verder wil volgen, zal intusschen weldra over- 
tuigd zijn, dat deze oogenschijnlijk zoo zeer uiteenloopende soorten 
inderdaad slechts als wijzigingen van eenen en denzelfden grond- 
vorm te beschouwen zijn , dat zij door hun geheel wezen van al de 
overige vogels afwijken, en verscheidene, zeer in het oog vallende ken- 
merken aanbieden , welke de onderscheiding zeer gemakkelijk maken. 

19 



— 324 — 

Om de struisachtige vogels dadelijk van alle overige te onder- 
scheiden , is het inderdaad toereikende te weten , dat het vogels 
zijn, met eenen zwaren romp, eenen langen hals, zeer dikke tot 
het loopen geschikte pooten, dikke teenen met platte zolen, zonder 
zwem- of spanvliezen , krachtige hoefachtige nagels, losse, weeke, 
donsachtige, somtijds haarachtige vederen, die steeds zeer eenvou- 
dige kleuren vertoonen; dat hunne vleugels zeer kort, en in stede 
van pennen , met zachte, gekrulde vederen of somtijds met eenvou- 
dige pennen zonder vlaggen voorzien, of ook bijkans geheel van 
vederen ontbloot zijn; dat er nooit staartpennen aanwezig zijn, 
wier plaats vervangen wordt, hetzij door zachte, gekrulde vederen, 
hetzij door zeer kleine vederen, welke in dit geval van de lange 
vederen des stuits geheel overdekt en onder deze verborgen zijn ; 
dat hun borstbeen klein is, zonder insneden, en zonder scherpen 
kam , aan de overige vogels eigen ; dat zij , behalve zaden en plan- 
tenvoedsel in het algemeen , ook allerlei kleinere dieren eten ; dat 
zij niet vliegen , maar meestal zeer schielijk loopen kunnen , zich 
derhalve op den grond ophouden en ook aldaar nestelen, en dat zij 
eindelijk aan sommige streken van het zuidelijk halfrond eigen 
zijn, en deze grens slechts in Afrika overschrijden. 

De overige werktuigen der struisachtige vogels zijn aan veelvul- 
dige wijzigingen onderworpen. Dit is vooral het geval met den 
snavel en het getal teenen. De snavel is bij sommige soorten af- 
gerond en plat, dat wil zeggen, van boven naar beueden zamenge- 
drukt-, bij andere is hij zijdelings zamengedrukt en min of meer 
puntig; bij anderen kipachtig; bij sommigen is hij dun, lang en 
regt, zoo als bij de snippen; bij nog anderen dun, lang en gekromd, 
zoo als bij de wulpen. Wat de teenen betreft, zoo zijn er bij som- 
mige soorten, zoo als deDodos, vier volmaakt ontwikkelde aanwe- 
zig. Bij anderen, zoo als b. v. de Kiwi's van Nieuw-Zeeland, is 
de vierde of achterteen zeer klein ; zij ontbreekt geheel en al bij 
anderen, zoo als de Kasuarissen en de Amerikaansche struizen; 
bij de Afrikaansche struizen eindelijk ontbreekt ook de binnenteen, 
zoodat deze vogels aan iederen poot slechts twee teenen hebben , 
te weten : den binnen- en den buitenteen. 



— 325 — 

Wanneer men de struisachtige met de overige vogels vergelijkt, 
zoo blijkt het, dat zij de meeste verwantschap vertoonen met de 
hoenderachtige en moerasvogels of steltloopers. Zij hebben, even als 
eerstgenoemde vogels, de schenkels tot aan den voetwortel met ve- 
deren bedekt, of, wanneer die, zoo als bij de Afrikaansche strui- 
zen, ontbreken, is de schenkel met eene naakte huid bekleed; bij 
de steltloopers daarentegen, is het ondergedeelte van den schenkel 
steeds niet alleen naakt, maar ook met schubben of schilden be- 
dekt. Sommige koetachtige vogels herinneren aan de struisachtige zelfs 
eenigzins door hunne vleugels: dit zijn de Ocydromus van Nieuw- 
Zeeland, wier vleugelpennen week en gekromd, ofschoon niet dons- 
achtig en los, zoo als bij de struizen, zijn, en ook, zoo als bij vele 
andere waterhoentjes, dienen om den loop des vogels te versnellen. 

De veelvuldige afwijkingen, welke de verschillende soorten der 
struisachtige vogels onderling aanbieden, verhinderen ons, hare bij- 
zonderheden verder in het algemeen te ontwikkelen. Wij zullen 
die bij iedere onderafdeeling of soort in het bijzonder aanvoeren, 
en ons nu vergenoegen , met de geographische verspreiding dezer 
dieren nader uiteen te zetten. Wij hebben reeds gezegd, dat zij 
over Afrika en verscheidene streken van het zuidelijk halfrond ver- 
spreid zijn. Deze streken zijn, wat de nieuwe wereld betreft, het 
grootste gedeelte van Zuid-Amerika van Brasilië tot Patagonië. 
In de oude wereld komen zij in Afrika en verder oostelijk voor op 
Madagaskar, Bourbon, Ile de France en Rodriguez, op de Moluk- 
sche eilanden, Nieuw- Guinea, het vaste land van Australië en 
Nieuw-Zeeland. Amerika heeft twee soorten van dit geslacht ; Afrika 
eene soort, die echter twee onder-soorten of rassen vormt; op 
Madagaskar komt er eene of misschien twee voor ; Bourbon , Ile de 
Trance en Rodriguez was het vaderland van vijf verschillende 
soorten; op de Molukken, Nieuw-Guinea en de noordelijke stre- 
ken van Australië wordt eene soort gevonden , die echter waarschijn- 
lijk twee rassen vormt; het overige Australië voedt slechts eene 
soort, terwijl in Nieuw-Zeeland ten minste zeven tot acht, en 
onder deze zeer groote soorten gevonden worden. Het blijkt uit 
deze opgaaf, dat de drie kleine eilanden ten oosten van Madagas- 



326 — 



kar, even als Nieuw-Zeeland, als het ware, de brandpunten vormen, 
waar de meeste soorten vereenigd zijn. En inderdaad is dit een zonder- 
ling verschijnsel, vooral wanneer men in aanmerking neemt de buiten- 
gewoon geringe uitgestrektheid dier eilanden in vergelijking met de 
groote vastlanden van Afrika, Zuid-Amerika en Australië , welke ieder 
slechts eene of twee soorten dezer orde van vogels voortbrengen. 

Men heeft de struisachtige vogels in verscheidene geslachten ver- 
deeld, welke wij nu, met de soorten, welke zij bevatten, zullen 
doorloopen. Verscheidene dezer soorten zijn echter zeer onvolledig 
bekend, en die van drie eilanden ten oosten van Madagaskar, en 
de meeste der soorten yan Nieuw-Zeeland zijn reeds geheel uit- 
geroeid en ons slechts door overblijfselen van enkele deelen of 



onvolledige berigten bekend. 




Wij beginnen met 
de meest bekende 
soort. Deze is de 
APRIKAANSCHE 

STRUIS. 
{Strnthio Camelus). 

Het hoofdkenmerk 
van den Struis van 
Afrika is, dat hij 
aan iederen poot 
slechts twee teenen 
heeft. Zeer in het 
oog vallende zijn 
ook de breede, zach- 
te, losse en gekrulde 
vederen , welke in 
stede van de staart- 
en vleugelpennen 
aanwezig zijn; maar 
hij heeft dit ken- 
merk gemeen met de 
groote Dodo's van 



— 327 — 

Bourbon en Ile de France, en de struizen van Amerika hebben 
dergelijke vederen ook aan de vleugels, ofschoon bij hun de staart, 
zoo als bij de Kasuarissen en andere soorten , eigenlijk ontbreekt en 
door de lange stuitvederen vervangen wordt. 

De bek van den Afrikaanschen struis is breed en plat. Zijn kop 
is, naar evenredigheid, klein; de hals zeer lang; hij is hoog op de 
pooten , en zijne voetwortels en teenen zijn zeer krachtig. De teenen , 
waarvan de buitenste zonder nagel is, zijn aan de bovenzijde, en 
de voetwortels aan de voor- en achterzijde, met schilden, voor het 
overige, met schubben bedekt. De schenkels, de kop en de eerste 
twee derden van den hals zijn geheel of grootendeels van vederen 
ontbloot en roodachtig van kleur, zoo als de pooten; de vederen 
ten minste, welke den kop en hals bekleeden, zijn haarachtig en 
staan zeer enkel. De hoek des vleugels is met eenen doorn voorzien. 
De groote vleugel- en staart vederen zijn witachtig; alle overige 
vederen zijn bij de oude mannetjes fraai zwart, bij de jongere vogels 
bruin- of grijsachtig. De geheel jonge voorwerpen zijn met grijsbruine 
haarachtige vedertjes bedekt, die op den zwartgestreepten hals kort, 
op den rug lang en met zwarte en witte vedertjes gemengd zijn. 

De struis heeft, wanneer hij opgerigt staat, eene hoogte van 
omstreeks zeven voet, en zijn voetwortel is anderhalve voet lano-. 
De lengte van den geheelen kop tot aan de punt van den bek bedraagt 
hoogstens twee derden van eenen voet. 

De struisvogel was aan vele volkeren der oude wereld bekend. 
Men houdt het er voor, dat dit de Jaana is, welke in de Heilio-e 
Schrift (3 Moses XI vs. 16; Jesaias XIII vs. 21 en Micha I vs. 8) 
genoemd wordt. Herodotüs, xenephon, abistoteles , plinius en 
andere klassieke schrijvers spreken van dezen vogel, en de oude 
Eomeinen bragten dikwijls levende voorwerpen naar Rome. Sommigen 
hebben zelfs beweerd , dat de struis ook in Arabië , Indië en tot aan 
de Zwarte zee voorkomt , maar deze opgaven werden door alle latere 
onderzoekingen wederlegd : men moet derhalve vooronderstellen, dat 
zij onjuist zijn, of dat deze vogel in voornoemde streken, zoo als 
dit ook in Egypte, in de omstreken van de Kaapstad en andere be- 
woonde kuststreken plaats had, reeds vroegtijdig werd uitgeroeid. 



— 328 — 

Tegenwoordig wordt de struisvogel, behalve in Egypte, in de 
meeste vlakke en opene streken van Afrika aangetroflen. Het blijkt 
intusschen uit de vergelijking van een groot getal levende voor- 
werpen dat de struizen , welke uit het noordwestelijke gedeelte van 
Afrika, b. v. van Algiers, Tripoli en Tunis tot ons gebragt wor- 
den, altijd aanzienlijk kleiner zijn dan die, welk van de Kaap de 
Goede Hoop levend tot ons komen. 

De struisvogel wordt in vrijen staat meestal troepsgewijze aan- 
getroffen. Hij loopt met buitengewone snelheid, schielijker als 
een paard, en met uitgebreide vleugels , welke hij als het ware dan 
riemen in de lucht gebruikt, om zijnen loop te versnellen. Het 
is een sterke vogel, die vooral veel kracht in de pooten heeft. Zoo 
als bij de meeste vogels, zijn het de zinnen van het gezigt en het 
gehoor, die ten koste der overige ontwikkeld zijn. Hij wordt, vooral 
in de gevangenschap, zeer vet. Het vleesch der jonge vogels wordt 
gegeten; dat der ouden is taai en heeft een slechten smaak. De 
struisvogel voedt zich met zaden en allerlei planten, en slikt dikwijls 
steenen of andere harde voorwerpen in. In de gevangenschap wordt 
hij meestal met granen of allerlei andere zaden, wortels of andere 
groenten, zoo als salade, en met brood gevoed. Hij drinkt dagelijks 
omstreeks acht pond water, in den winter nog meer, maakt, zoo als 
vele andere vogels, zijne vederen gaarne nat en baadt zich in het zand. 

De struizen houden zich meestal op groote met gras, heide, of 
andere kruiden begroeide vlakten op, en worden somtijds introepen 
van eenige honderden aangetroffen. Bij aannaderend gevaar nemen 
zij spoedig de vlugt, waarbij zij, tegen den wind in, met groote 
snelheid wegrennen. In den tijd der voortplanting leeft ieder man- 
netje met zijne drie of vier wijfjes afzonderlijk. Deze leggen hare 
eijeren gezamenlijk in een nest , hetwelk uit eene eenvoudige uitholling 
van den grond bestaat en om welke zij eene soort van dam van aarde 
of zand krabben. De eijeren worden door elkander gelegd en liggen 
niet bij uitsluiting op de puntige einden, zoo als sommige reizigers 
opgegeven hebben. In de meer gematigde streken, zoo als in Zuid- 
Afrika, worden de eijeren bebroed, en men zegt, dat de haan 
vooral des nachts daarop zit, ten einde de roofdieren, welke de 



— 329 — 

eijeren komen stelen, af te weren. Het bebroeden der eijeren begint 
reeds, wanneer er tien of twaalf stuks gelegd zijn. Een nest kan 
er omstreeks dertig bevatten. Meestal vindt men er nog eenige 
buiten den wal van het nest, en deze, door de ouden gedeeltelijk 
stuk geslagen, worden weldra door insekten-larven bevolkt, welke 
aan de uitgekomen jongen als eerste voedsel dienen. Een ei weegt 
omstreeks drie pond en bevat den inhoud van 24 kippeneijeren. 
De jonge struizen worden, nadat zij uitgekomen zijn, nog geruimen 
tijd door de ouden geleid en beschermd. 

Het gebruik, in de schil der struizeneijeren allerlei figuren te 
snijden, even als dat van zich met de struisvederen op te smukken, 
is reeds zeer oud. 

Wij zullen nu kortelijk handelen over 

DE AMERIKAANSe HE STRUIZEN. 

{Rhea). 

De Amerikaansche struizen, welke men ook met den inlandschen 
naam Nandoe bestempelt, hebben veel overeenkomst met den Afri- 
kaanschen struis, van welken zij zich voornamelijk onderscheiden 
door het gebrek aan eigenlijke staartvederen , en door het getal 
hunner teen en, hetwelk drie, in stede van twee bedraagt, en welke 
alle met nagels gewapend zijn. Behalve dat zijn zij, ofschoon 
de grootste vogels van Amerika, aanzienlijk kleiner dan de Afri- 
kaansche struis; hun hals en kop zijn gelijkmatig met smalle vedertjes 
bekleed; hunne schenkels zijn tot aan of zelfs over de voetworteJs 
met vederen bedekt ; hunne kleur is een min of meer geschakeerd grijs, 
en hunne stuitvederen zijn groot en hangen , gelijk bij de Kasuarissen, 
langs het afgeronde achtergedeelte van den vogel naar beneden. 

De Amerikaansche struizen leven van allerlei plantenvoedsel,zoo- 
als zaden, plan ten wortelen, gras, boombladen, kruiden, bezien, 
vruchten; zij verslinden ook allerlei kleine dieren, zoo als torren, 
vliegen, sprinkhanen , ja zelfs hagedissen , en slikken steenen en andere 
harde ligchamen in. Zij zijn even vlug ter been als de Afrikaansclie 
struis. Zij bewonen de groote, zandachtige, met gras begroeide 
vlakten, Pampas genaamd, van Patagonië tot Paraguay, in welk land 



— 330 — 

zij reeds tamelijk schaars zijn; zij komen ook in sommige streken van 
Brazilië voor, worden aan de oostelijke helling van het Andesge- 
bergte, tot eene hoogte van zesduizend voeten , gevonden, maar aan de 
westelijke zijde van dat gebergte in het geheel niet aangetroffen. 
Er zijn twee soorten van dit geslacht bekend, welke wij nu 
nader willen beschouwen, 

DE GEWONE NANDOE. 

[Rhea americand). 

De gewone Nandoe bereikt eene hoogte van bijkans vijf voet. 
Hij is grijsachtig van kleur, op het voorgedeelte van den romp 
en de vleugels niet zelden bruinachtig geschakeerd, op den rug 
en aan den benedenhals zwartachtig. Hij houdt zich bij voorkeur 
in eenzame streken op en is schuw en listig. Desniettegenstaande 
wordt hij door de inboorlingen dier streken , die voortreffelijke 
ruiters zijn, gemakkelijk door middel hunner holas gevangen. Deze 
lolas of slingerballen , welke zi] tot dat einde gebruiken, bestaan 
uit twee ronde , met leder overtrokkene steenen , van de grootte eens 
appels , welke door eenen dunnen , gevlochten riem , van ongeveer acht 
voet lengte, vereenigd zijn. De eene steen wordt in de hand ge- 
houden, de riem met den anderen steen in eene draaijende bewe- 
ging, die boven het hoofd plaats heeft, gebragt, en het geheele 
werktuig alsdan op het wild geworpen , hetwelk met de grootste 
juistheid geschiedt, niettegenstaande de jager zich in vollen rid 
bevindt. De ballen, het wild omslingerende, vellen het oogenblik- 
kelijk ter aarde, en maken de verdere vlugt onmogelijk. 

De gewone iVöw^oe bewoont voornamelijk het land door deLaPlata- 
rivier bespoeld en verder noordelijk tot Brazilië; terwijl hij zuidelijk 
tot 41°, dus tot een weinig zuidelijker dan deRio Negro, voorkomt. 

Bij heet weder -verbergen zich deze vogels niet zelden in het riet. 
Zij laten somtijds eenen diepen sissenden toon hooren. De eijeren 
worden meestal in de maanden September en October gevonden. 
Het nest bestaat uit eene eenvoudige uitholling in den grond en 
bevat twintig tot veertig en meer eijeren , die door verschillende wijfjes 
gelegd worden , zoo als dit ook bij den Afrikaanschen struis plaats 
heeft. Men vindt niet zelden ook enkele eijeren als rondgestrooid 



331 



liggen , en deze zijn , even als bij hunne geslachtsvervvanten in Afrika , 
tot voorraadkamers voor de jongen bestemd. De inboorlingen beweren 
dat het mannetje de eij eren alleen uitbroedt. Zooveel is zeker, dat 
het meestal broedende aangetroöen wordt, en zijn kroost tegen 
menschen en dieren dapper verdedigt. 

De inboorlingen eten het vleesch dezer vogels,- zij maken uit 
het vel randsels , broeken , kussens of buidels ; uit de vederen stof- 
fers, zonneschermen; uit de eijeren drinkbekers. 

De tweede soort van Amerikaansche struizen is 

DE PEÏISE. 

[Rhea Darwinii). 

Deze soort is een 
weinig kleiner dan 
de gewone Nandoe; 
de kleur harer vede- 
ren is meer bruin- 
achtig, en zij on- 
derscheidt zich niet 
alleen van hare 
geslachtsverwanten , 
maar ook van al de 
overige struisachti- 
ge vogels daardoor, 
dat het bovenste en 
voorste gedeelte ha- 
rer voetwortels met 
vederen bedekt is, 
welke zich met die 
der scheenen veree- 
nigen. Zij bewoont 
Patagonië zuidelijk 
van den Rio Negro, en vervangt derhalve hier de plaats van den 
gewonen Nandoe. Deze soort, wier bestaan reeds sedert meer 
dan eene eeuw aangeduid werd, is eerst in de nieuwste tijden 
naauwkeurig waargenomen, en n^ar Europa overgebragt geworden. 




— 382 — 

Deze vogels schijnen voornamelijk de vlakten in de nabijheid 
der zee te beminnen. Zij zwemmen niet zelden over breede rivieren 
of naar de aan de zeekust gelegene eilanden. De eijeren zijn slechts 
weinig kleiner dan die van den gewonen Nandoe , maar hunne kleur 
is meer in het blaauwachtige trekkende. 



Wij zullen nu over de Kasuarissen handelen. 

DE KASUAEISSEN. 
[Casuarius). 

De beide soorten, welke tot nog toe van dit geslacht bekend 
werden , hebben , ofschoon zij onderling veelvuldig afwijken, in hare 
dubbele vederen, een gemeenschappelijk kenmerk, waardoor zij zich 
van alle overige struisachtige vogels onderscheiden. Hare pooten 
zijn, even als bij de Amerikaansche struizen , ieder met drie teen en 
voorzien; haar staart is zonder eigenlijke vederen en overdekt door de 
lange vederen van den stuit. Vleugels en bek zijn bij beide soorten 
zeer verschillend gevormd. Zij worden op het vaste land van Australië , 
de Moluksche eilanden en Nieuw-Guinea aangetroffen. 

De soort, welke het meest de struizen nadert is: 

DEKASUARISVAN 
AUSTRAl.lë. 

( Casuarius No vae 
Hollandlae). 
DeKasuarisvan 
Nieuw- Holland, 
door de heden- 
daagsche natuur- 
kundigen onder 




eigen 



ge- 



een 

slacht, Bromaius, 
geplaatst , wordt 
tegenwoordig al- 
gemeen met den 
naam van Etneti 
bestempeld : een 



— 833 — 

naam ten tijde van de ontdekking der Moluksche eilanden door de 
Portugezen aan den gewonen Kasuaris gegeven, die op zijne beurt 
nu met zijnen Maleischen naam Kasuaris genoemd wordt. 

De Emev, heeft veel meer overeenkomst met de struizen dan de 
eigenlijke Kasuaris. Hij is hoog op de pooten, naar evenredigheid 
zelfs nog hooger dan deze, en zijn bek is breed en plat als bij de 
struizen. Zijne vleugels zijn daarentegen kleiner en hunne vederen 
lang en smal zoo als die der overige deelen. Hij houdt, ten opzigte 
zijner grootte, het midden tusschen de Amerikaansche en Afrikaan- 
sche Struizen, daar hij eene hoogte van zes voet bereikt. De kleur 
der vederen is bij beide seksen een vaal bruin. Aan den hals staan 
deze vederen zoo enkel dat de paarschachtig gekleurde huid door- 
schijnt. De bek en pooten zijn zwart. De geheel jonge voorwerpen 
zijn grijsachtig, en op de bovendeden met witte en zwarte strepen 
voorzien. 

Deze groote vogel was vroeger over het geheele vaste land van 
Australië, de naburige kleine eilanden en Tasmanië verspreid. Tegen- 
woordig reeds, dus omstreeks vijf-en-zestig jaar nadat hij aan de 
natuurkundigen bekend werd, is hij in vele dezer streken, waar de 
Europeanen volkplantingen gesticht hebben, grootendeels uit- 
geroeid. 

Hij heeft, ten opzigte zijner zeden, veel overeenkomst met de 
struizen. Hij loopt met buitengewone snelheid. De honden jagen 
dezen vogel zeer ongaarne, eensdeels om den onaangenamen reuk 
van zijn vleesch, anderdeels omdat zij de slagen zijner pooten 
vreezen, met welke hij zijne vervolgers afweert. Het vleesch der 
ouden is zoetachtig en taai; niet te min wordt het veel gebeten. 
Dat der jongen daarentegen is voortreffelijk van smaak. Hij is zeer 
schuw, en wordt niet zelden in kleine gezelschappen van acht 
tot tien stuks aangetroffen. Het eenige stemgeluid, dat hij laat 
hooren, is een zwak suisend gedruisch. Het nest van dezen vogel 
is eene eenvoudige uitholling in het zand. Men vindt gewoonlijk 
daarin zes tot zeven fraai donkergroene, segrijnachtig gespikkelde 
eijeren. Mannetje en wijfje houden zich steeds in de nabijheid van 
het nest op, en broeden beurtelings. 



— 334 




DE EIGENLIJKE KASUARIS. 

[Casuar'ms galeatns). 

Deze soort, bij welke 
men misschien twee rassen 
moet onderscheiden, Avijkt 
in vele opzigten geheel 
en al van den Emeu af. 
Zij is voornamelijk geken- 
schetst door den grooten , 
met hoorn bekleeden 
helmachtigen knobbel , 
welke zich boven op den 
kop verheft; door haren 
smallen bek met ver naar 
voren geplaatste neusga- 
ten ; door haren naakten 
en fraai blaauw gekleurden kop en bovenhals, die gedeeltelijk met 
roode wratachtige knobbels bedekt is, terwijl onder de keel twee 
lange roode lobben hangen ; door hare vleugels , welke in stede van 
met pennen, eenvoudig met vijf, aan de punt afgeronde, schachten 
zonder vlaggen voorzien zijn; door hare tamelijk korte pooten, en 
hare zwarte vederen. Jongere voorwerpen intusschen zijn bruinach- 
tig van kleur, en de fraaije roode en blaauwe kleuren van den hals 
zijn , even als de zoogenaamde helm , nog weinig zigtbaar. 

De Kasuaris bereikt eene hoogte van ruim vier voet. Ofschoon 
voornamelijk van plantenvoedsel levende, eet hij ook allerlei kleine 
dieren. Zijn stemgeluid is zwak en brommend; somtijds laat hij 
ook fluitende toonen hooren. De eijeren, drie tot vier in getal, 
en in kleur en aanÉien met die van den Emeu overeenstemmende, 
worden in het zand gelegd. 

Deze vogel bewoont Ceram , Boeton , de Aroe-eilanden , Nieuw- 
Guinea, en werd eenige jaren geleden ook op de noordkust van het 
vaste land van Australië waargenomen. Hij werd voor het eerst 
in 1597 naar Europa, en wel naar Amsterdam gebragt. Nadat dit 
levend voorwerp gedurende vier maanden in die stad voor geld te 



— 335 — 

zien geweest was , werd het door den graaf g. e. von solms , te 
's Gravenhage woonachtig , gekocht. Deze gaf het later aan den keur- 
vorst ERNEST van Keulen, die het op zijne beurt aan den Keizer 
RUDOLPR den Tweeden ten geschenke aangeboden heeft. 

De overige soorten van struisachtige vogels, over welke wij nu 
nog zullen handelen, zijn grootendeels minder bekend dan de voor- 
gaande; zij hebben eene veel meer beperkte verbreiding, en de meeste 
van hen zijn door den mensch verdelgd, en behooren nu reeds 
niet meer tot de hedendaagsche geschiedenis van den aardbol. 

DE STRUISACHTIGE VOGELS VAN MADAGASKAR. 

De Eransche reiziger flacourï, die gedurende de jaren 1655 
tot 1657 op Madagaskar vertoefde, en een werk over dit eiland 
heeft uitgegeven , geeft in eene naamlijst der merkwaardigste soorten 
dier streken , ook een vogel op , welke door de inboorlingen Varoun- 
patra genoemd wordt, en van welken hij het volgende verhaalt. 
"Dit is een groote vogel, die zich in de Ampdtres (een landschap 
in het zuiden van het eiland) ophoudt, en eijeren legt zoo als de 
Struisvogel. Het is eene soort van Struis. De inboorlingen kun- 
nen hem niet vangen. Hij bewoont de meest woeste streken." De 
Pransche reizigers sganzin en goudot, de eerste in 1831 , de tweede 
in 1833, hadden op Madagascar de eijeren van eenen zeer grooten 
vogel gezien, maar de berigten hieromtrent werden slechts later 
en ter loops bekend gemaakt. In 1848 zag een ander Eranschman, 
de heer dumarele, aan de noordwestpunt van het eiland, een ei 
van eene buitengewone grootte, maar kon het, als behoorende aan 
eenen inlandschen chef, die het om zijne buitengewone zeldzaam- 
heid op hoogen prijs stelde, niet magtig worden. Deze inboorlin- 
gen vertelden hem ook , dat de vogel , welke deze eijeren legt, nog op 
het eiland leeft; maar bewoners van andere streken verzekeren, 
dat hij niet meer bestaat, en een vogel was, zoo krachtig, dat hij 
eenen os kon dooden. In 1850 eindelijk werden twee dezer eijeren 
van den reuzenvogel en eenige beenstukken, door den gezagvoer- 
der van een koopvaardijvaarder, die eenigen tijd aan de Zuidwest- 
kust van Madagaskar vertoefde, verkregen, en aan het Museum te 



— 336 — 

Parijs gezonden. Zij werden in eenen in nieuweren lijd door het 
rivierwater aangeslibden grond gevonden. Het grootste dezer eijeren 
vertoonde de volgende afmetingen : groote as, 34 Ned. duim ; kleine as 
22,5 duim; omvang in de rigting der groote as 85 duim; omvang 
in die der kleine as 71 duim; dikte der schil 0,03. Dit ei kan 
8% kannen vocht, of den inhoud van zes struiseijeren of 150 
kipeijeren of 50,000 kolibrieijeren vatten. Uit een der gevondene 
beenstukken heeft men kunnen opmaken , dat de vogel , zoo als de 
overige groote struisachtige vogels , geen achterteen had. Omstreeks 
denzelfden tijd werd ook door een Engelsch reiziger berigt, dat 
er nog tegenwoordig op Madagaskar een struisachtige vogel van 
de grootte des Kasuaris leeft. 

Dit is al wat men van deze groote vogels van Madagaskar weet. 
Men mag daaruit besluiten , dat dit eiland het vaderland is of 
was van eene of misschien twee soorten van struisachtige vogels: 
de eene den Afrikaanschen struis in grootte ver overtreffende, de 
andere van de grootte van den kasuaris. Het zal uit latere onder- 
zoekingen moeten blijken , tot welke dezer beide soorten de door 
FLACOURT aangevoerde Varoun patra behoort. De groote soort 
werd onder den naam van Aepyornis aangevoerd. 

Wij gaan nu over tot de struisachtige vogels, welke op eiland- 
jes ten oosten van Madagaskar gevonden werden. Dit zijn 

DE DODO'S. 

{Didus). 
Wij begrijpen onder dezen naam de struisachtige vogelen , welke 
de drie eilandjes ten oosten van Madagaskar gelegen, te weten 
Bourbon of Mascarenhas, Mauritius of IledePrance, en Rodriguez, 
bewoond hebben. Wij zeggen "bewoond hebben," want er is nu 
reeds sedert lang geen spoor van deze vogelen meer gevonden; zij 
zijn voor altijd van de oppervlakte der aarde verdwenen , en bestaan 
slechts nog in de wetenschap als doode gedenkteekens voor de ge- 
schiedenis der schepping. De Dodo's zijn echter in alle opzigten 
struisachtige vogels, en hebben slechts een kenmerk van onderge- 
schikten aard, dat hen van deze onderscheidt en onderling vereenigt: 



- 337 — 

namelijk, een sterk ontwikkelden achterteen of duim, die bij de 
overige vogels dezer familie, of klein is, of, zoo als de binnenteen 
bij den Afrikaanschen struis, geheel ontbreekt. Men heeft uit 
beschrijvingen en af beeldingen der oude reizigers, zoo als uit eenige 
overgeblevene beenstukken , kunnen opmaken , dat er ten minste vijf 
onderling zeer verschillende soorten van Dodo's hebben bestaan, 
wier vaderland bij uitsluiting scheen bepaald te zijn tot de drie 
bovengenoemde eilanden; ja, het is zelfs met zekerheid aan te 
nemen, dat, althans van de groote soorten, ieder slechts aan een 
dezer eilanden eigen was. Wij willen nu kortelijk verhalen, wat 
wij van deze merkwaardige vogels weten. 

De soort, welke het meest volledig bekend is, welke de natuur- 
onderzoekers zoo zeer heeft bezig gehouden, en aanleiding heeft 
gegeven tot een groot getal werken en geschriften en tot het be- 
kendmaken van de meest uiteenloopende meeningen, omtrent haren 
waren aard, is 

DE GEWONE DODO. 

{Didus inepius) , i,inné. 
Deze merkwaardige vogel werd het eerst ontdekt op den 18 Sep- 
tember 1598, gedurende den tweeden scheepstogt der Hollanders 
naar Oost-Indië, onder het bevel van den admiraal jac. corne- 
LiszooN VAN NECK. Deze tweede vloot (de eerste werd, zoo als 
bekend is, door corn. houtman aangevoerd), was in 1598 ten getale 
van acht schepen van Amsterdam uitgezeild, geraakte echter, nadat 
zij de Kaap de Goede Hoop omgevaren was , door eenen zwaren storm 
uit elkander, met dit gevolg, dat zij haren togt in twee afdeelingen 
vervolgde. De eerste afdeeling, bestaande uit drie schepen, waarop 
zich ook de Admiraal van neck bevond, zeilde, na het eiland St. 
Maria , aan de kust van Madagaskar , aangedaan te hebben , regtstreeks 
naar Bantam. De tweede, uit vijf schepen bestaande, onder het geleide 
van den Vice-Admiraal wijbrand van warwijk, een Amsterdammer, 
landde op den 18''^" September aan een eiland, hetwelk men Mauri- 
tius noemde, van hetwelk het reisverhaal echter vermeldt, dat het 
reeds door de Portugezen Il/ia do Cerne genoemd werd. Onze Hol- 
landers vonden aan en op de kust van dit onbewoonde eiland , waar 



— 338 — 



zij veertien dagen lang vertoefden , visch en gevogelte iu overvloed , 
en de laatste zoo mak, dat men ze, zelfs de duiven, met de hand 
kon grijpen of met stokken doodslaan. Onder deze vogels werd er 
vooral een opgemerkt door zijne grootte en zonderlinge gestalte, en 
door hen onder den naam van walgh-vogel beschreven en afgebeeld; 
dit was de vogel, dien wij tegenwoordig Dodo noemen. 




Verscheidene andere reizigers, en ten laatste herbeet, welke 
Mauritius in het jaar 1626 bezocht heeft en hoogst waarschijnlijk 
ook CAUCHE, die er in 1638 was, maken gewag van deze vogels, 
van welke reeds c. matelief in 1605 zegt, dat zij door sommigen 
Bodaersen, door anderen Bronten genoemd worden, terwijl zij door 
HERBEKT ondcr den naam van Bodo aangevoerd worden. Men weet 



— 339 — 

uit eenen brief van den bekenden schrijver l'estrange , dat er in 
1638 een Dodo in Engeland levend vertoond werd, en het blijkt 
ook uit een berigt van den Engelschen schilder edwards, dat 
een in Holland levende Dodo aanleiding had gegeven tot het 
maken van eene afbeelding in olieverw van dezen vogel. Verschei- 
dene andere, blijkbaar naar het leven gemaakte afbeeldingen in 
olieverw, zijn tot ons gekomen. Zij zijn vervaardigd door roeland 
SAVARij en zijnen neef joh. savarij. De eerste, van het jaar 1628, 
bevindt zich in het kabinet te Weenen, eene andere van 1638 in 
dat te 's Hage; die van j. savarij te Oxford is van het jaar 1651. 
Uit het een en ander blijkt, dat er dus reeds vóór het jaar 1628 
een levende Dodo naar Holland werd overgebragt. Latere reizigers 
dan de aangevoerde, zwijgen over den Dodo, en leguat, die in 
1693 op Mauritius was en eene naamlijst der aldaar levende vo- 
gels bekend heeft gemaakt, noemt den Dodo niet op. De natuur- 
onderzoekers hadden intusschen dezen vogel in het stelsel opge- 
nomen en gingen voort met hunne, beschrijvingen daarvan uit de 
aangevoerde reisverhalen op te maken, en den Dodo als een nog 
levenden vogel aan te merken, tot dat morel, die op Mauritius 
of He de Trance woonachtig was, in 1778 bekend maakte, dat 
er sedert eene eeuw geen Dodo meer op dat eiland gezien was, 
en de oudste inwoners zich niet herinnerden ooit iets van dezen 
vogel gehoord te hebben. Latere onderzoekingen hebben deze uit- 
spraak bevestigd, en daar het uit alles blijkt, dat deze soort, zoo als 
die der naburige eilanden, tot het plekje van onzen aardbol, waar 
zij gevonden Averden, beperkt waren, zoo moet men alle hoop opge- 
ven, dezen vogel ooit weder levend te kunnen aanschouwen. Wij 
moeten nog opmerken, dat reeds vóór 1652 een opgezet voorwerp 
van eenen Dodo in de verzameling van tradescant te Oxford 
bewaard werd, maar dit voorwerp, later aan de Akademie dier 
stad ten geschenke vermaakt, werd in 1755 vernield, en slechts 
de kop en eene poot daarvan bewaard. Deze, als ook een andere 
poot, in het British Museum bewaard, werden nu in 1793 voor 
liet eerst weder voor den dag gehaald en beschreven ; in 1845 
werd, in het Museum te Kopenliagen, een tweede kop, afkom- 

20 



— 340 — 

stig uit de verzameling van Dr. paludanus te Enkhuizen , ontdekt 
en afgebeeld , en later nog een snavel in het Museum van Praag 
gevonden. 

De Dodo werd ten allen tijde als een hoogst zonderling, ja, zelfs 
raadselachtig schepsel beschouwd. De vroegere schrijvers over dezen 
vogel toonden reeds aan , dat hij in eenige opzigten aau den Struis 
herinnert. Linnaeus plaatste hem aanvankelijk , zoo als ook buffon 
en vervolgens bi-umenbach en i,atham, bij de Struisvogels; maar 
later moest hij in zijn systema plaats nemen onder de Hoendervogels. 
Shaw vergeleek den bek van den Dodo met dien der Albatrossen ; 
cuviEii met dien der Alkas en de pooten met die der Pengoeïns. 
Temminck maakte voor den Dodo en Xiwi eene eigene orde , die der 
Ineptes. Andere hadden zelfs de meening geopperd, dat de over- 
gebleven bek en pooten van twee verschillende soorten van vogels 
afkomstig waren, en de Dodo, zoo als die voorgesteld was, in 
het geheel niet had bestaan. — Intusschen werd eerst in 1830 de 
geschiedenis van den Dodo meer uitvoerig en opzettelijk behandeld, 
en wel door den Parijsclien hoogleeraar de bi,ainvili,e. i) Deze ge- 
leerde meende in den Dodo een afwijkendeii vorm van het geslacht 
der gieren te zien. Deze stelling werd door den beroemden Engel- 
schen ontleedkundige owen en andereu aangenomen, en bleef 
onaangetast, totdat omstreeks twaalf jaren later, brandt en 
KEiNHARDï eene andere stelling opperden, namelijk dat de 
Dodo onder de duiven dient geplaatst te worden, en deze stel- 
ling, later in een prachtwerk door stricki,and en melvilt.e uit- 
gegeven, breedvoerig ontwikkeld, werd door vele anderen aangeno- 
men. Nieuwe onderzoekingen hadden intusschen brandt van mee- 
ning doen veranderen, en hem den Dodo als een moerasvogel of 
steltlooper doen beschouwen. Slechts weinige zoo als poeppig, 
en A. WAGNER bleven den Dodo voor een struisachtigen vogel 
houden: eene stelling, welke ik, in de zitting der Kon. Academie 
der wetenschappen van 29 Februarij , getracht heb, voor het eerst 
uitvoerig te ontwikkelen eii te bewijzen. 

1) Zijn ■■iibüiil zaj; cchU'i' liet terst in 1835 Ju't liclil. 



— 3 il — 

Wij zullen nu trachten de gestalte en liet wezen van den' 
Dodo in groote trekken te schilderen. 

De reizigers geven eenparig op dat deze vogel een gewigt van 
vijftig pond had; en vergelijken hem, wat zijne grootte betreft, 
met een zwaren zwaan of grooten kalkoen. Een vette kalkoen 
weegt intusschen hoogstens twintig pond , en ofschoon de bek , kop , 
hals en pooten van den Dodo veel krachtiger waren dan van den 
kalkoen, moet de romp van den Dodo aanzienlijk grooter geweest 
zijn dan die van eenen kalkoen, om bovengenoemd gewigt vol te 
maken. De kop van den Dodo, met den bek, had eene lengte van 
ruim twee derde van eenen voet. De bek was krachtig, meer hoog 
dan breed, op meer dan de helft zijner lengte tot achter de ongen en den 
mondhoek met eene naakte huid bekleed, van voren met eene 
hoornschede bedekt, die aan de bovenkaak in eene korte naar voren 
en beneden gerigte punt uitliep. De langwerpige neusgaten door- 
boorden de bovenkaak in den hoek, gevormd door den achterraud 
der hoornschede en den zij rand der bovenkaak. Het voorhoofd was 
verheven. De middelmatige oogen lagen ver naar achteren. De mond 
was tot een weinig achter de oogen gespleten. De hals was lang- 
en zeer krachtig; de romp buitengewoon dik en vet, met eene 
vooruitstekende borst. De pooten waren zeer krachtig en tot aan 
den voetwortel met vederen bedekt. Deze was zeer dik, niet geheel 
een halve voet lang, en met schubben bekleed. Er waren vier 
dikke, middelmatig lange, van boven met breede schilden bedekte 
teenen zonder zwemvliezeu aanwezig. De nagels waren dik, kegelvormig 
en een weinig gekromd. De zool van den voet vormde eene breede 
vlakte. De vleugels waren zeer kort en, in stede van pennen, 
met zachte, losse, omgekrulde, breede vederen voorzien , geheel zoo 
als men die bij de Struizen opmerkt. Dergelijke vederen, ten ge- 
talle van zes tot acht, vervingen ook de plaats der staartpennen. 
De vederen van het ligchaam waren afgerond en zacht, verkregen 
echter aan het bovengedeelte van den hals en op den kop eene 
langwerpige, haarachtige gedaante, en hielden op aan de huidplooi, 
welke, van het voorhoofd, achter de oogen, het oor en den mond- 
hoek tot onder de keel verliep en het naakte gedeelte van den voor- 



— -óu — 

kop en schedel begrensde. De vederen waren grijsaclitig van kleur. 
De naakte huid van den bek was wifc, in het geel- of blaauwachtige 
trekkende; de hoornschede van den snavel zwart, op den bovensnavel 
in het geelachtige trekkende. De pooten waren geelachtig. Het oog 
was donkergrijs of zwartachtig. 

In het leven had deze vogel eene meer opgerigte houding dan 
de kalkoen; dat is te zeggen, zijne pooten waren in de geledingen 
minder gebogen. De romp daarentegen werd in eene horizontale 
rigting gedragen, terwijl de hals in de hoogte gerigt was. Dit 
laatste was tevens het geval met de staartvederen. De naar het 
leven in de vrije natuur gemaakte afbeeldingen stellen den Dodo 
meestal in eene vlugge houding en als met groote stappen loopende , 
voor. Zoo als dit in de meeste door menschen onbewoonde streken 
ten opzigte van vele dieren wordt waargenomen, was hij intusschen, 
even als de duiven en andere vogels dier streken, zoo weinig schuw, 
dat men hem met stokken kon doodslaan. Volgens het zeggen 
van verscheidene reizigers werd hij ook verhinderd in het ont- 
vlugten door de buitengewone hoeveelheid vet, hetwelk zijn lig- 
chaam bedekte. De in Europa levend vertoonde voorwerpen hadden, 
volgens de oude schilderijen, eene minder vlugge, loggere, meer 
ineengezakte houding dan die in vrijen staat, hetgeen intusschen 
een gewoon verschijnsel is bij vogels in lange gevangenschap levende. 
Behalve dat zijn deze schilderijen, wat de onderlinge verhouding der 
enkele deelen betreft, zoo onjuist geteekend, dat zij een zeer onvol- 
ledig en zelfs verkeerd denkbeeld geven van den waren aard des vogels. 

De Dodo werd tot onmiddelijk aan het zeestrand waargenomen, 
en wij vinden nergens vermeld, dat hij ook in de binnenste, berg- 
achtige streken van het eiland leefde. Over zijn voedsel zwijgen de 
verhalen der reizigers ; zij vermelden alleen , dat men , even als bij den 
Struisvogel , steenen in zijne maag heeft gevonden. De zonderlingste 
opgaaf is die, dat de Dodo slechts één ei zoude gelegd hebben: 
een verschijnsel dat tot nog toe slechts bij sommige watervogels 
werd opgemerkt. 

De lezers van het Album der Natuur zullen zich herinneren, 
dat de hoogleeraar w. vrolik reeds (zie Jaargang 1853, blz. 177) over 



— 343 — 

dezen vogel afzonderlijk gehandeld en er eenige afbeeldingen van 
heeft medegedeeld, waarop wij verwijzen. 

DE DODO VAN BOURBON. 

{Bidus apterornis). 




De Dodo van Bourbon, ook solitaire van Bourbon genoemd, 
werd door carré en castleton op de volgende wijze beschreven.' 
Het was een vogel zoo groot als een kalkoen, maar hooger op de 
pooten, welke voor het overige op die van den kalkoen geleken. 
Zijn bek was gevormd als die der houtsnippen, maar was grooter; 
de hals lang; de vleugels en de staart met vederen, zoo als die 
van den struisvogel. De kleur was witachtig. 

Deze vogel, reeds in 1613 door casti,eton aangevoerd, is eerst 
m het midden der vorige eeuw geheel uitgeroeid geworden. Hij 
kon, even als de eigenlijke Dodo, niet vliegen en werd in den loop 
gevangen , of met stokken en steenen doodgeslagen. 

Er zijn tot nog toe niet de minste overblijfselen van dezen vogel 



— èU ~ 



gevonden. Hij is derhalve alleen volgens de aangevoerde, zeer korte 
beschrijving bekend. Wij hebben, ten einde zich dit dier beter te 
kunnen verzinnelijken , naar deze beschrijving, de hier medegedeelde 
afbeelding in omtrek vervaardigd. 

DE DODO VAN EODKIGUEZ. 

[Biclus soUtarius). 

De Dodo van Ro- 
driguez werd in 1691 
door I.E6UAT op dit 
eiland ontdekt, be- 
schreven en afgebeeld. 
Latere berigten over 
dezen vogel ontbre- 
ken ten eenenmale ; 
ten tijde dat op 
dit eiland eene volk- 
planting werd aange- 
legd, hetwelk om- 
streeks 1780 plaats 
had, was hij reeds ge- 
heel uitgeroeid. De 
eenige overblijfselen 
welke men van dezen 
vogel bezit, zijn eeni- 
ge beenderen van de 
pooten , de vleugels 
en den kop, zoo 
als ook het borstbeen. 
Zij werden in 1829 
op eenen kalkachti- 
gen bodem van nieu- 
we vorming gevonden . 
De Dodo van Rodriguez week in onderscheidene opzigten van 
die van Mauritius en Bourbon af, en wel voornamelijk door het 
gebrek aan eigenlijke staartvederen. Hij had een gewigt van omstreeks 




~ 345 - 



vijf-en-veertig pond, en was dus bijkans even groot als de eigen- 
lijke Dodo; maar hij was hooger op de pooten dan deze. De pooten 
en de bek worden voor het overige door i.eguaï vergeleken met 
die van eenen kalkoen. Van den bek des solitaire van Eodriguez zegt 
deze reiziger, dat hij tevens overeenkomst had met dien van den 
kalkoen , maar grooter en sterker gekromd was. De vleugels waren 
klein en met zachte vederen bezet. De schenkels waren tot aan de 
voetwortels met vederen bekleed. De hals was niet langer dan die 
van eenen kalkoenschen haan. De kleur der vederen was grijs- 
of bruinachtig; die der oogen zwart. Deze vogel kon, even als de 
overige Dodos, niet vliegen. Leguat zegt, dat zij het dier alleen 
dienden om zich te verdedigen , en zich met snelheid in eenen 
kring rond te draaijen. Bij deze beweging werd een sterk geruisch 
veroorzaakt, dienende, zoo als voornoemde reiziger beweert, om 
elkander te roepen. 

DE KLEINE DODO VAN VAN DEN BKOIICKE 

DiduH Brouckei. 

Cauchr, die in hetjaar 1638 
veertien dagen op Mauritius 
vertoefd had , spreekt van vo- 
gels, van de grootte eener kip, 
met eenen snipachtigen bek , 
en die men met de hand kon 
vangen , door hen een stuk rood 
laken voor te houden. Zij wa- 
ren , volgens LEGUAT,die hun 
den naam van Qelïnottes gaf, 
reeds in 1698 zeer zeldzaam geworden. In de reis van van den 
BKoucKE, die van den 19 April tot de 24 Mei 1617 op Mauritius 
vertoefde, vindt men , tegenover de afbeelding van den eigenlijken 
Dodo, die van eenen kleineren vogel zonder staart, die blijkbaar 
eene van de overige Dodo's zeer verschillende soort en hoogst waar- 
schijnlijk die voorstelt, van welke Cauche cti i.eguat spreken. 
Verder is er van dezen vogel, die tevens sedert lang schijnt uit- 
geroeid te zijn, niets bekend. 




— 34.(5 




DE KLEINE DODO VAN HERBERT. 

( Blclus Herier iii). 

Leguat verhaalt, dat er op 
Rodriguez ook Gelinottes voorko- 
men. Deze vogels, zegt hij, kon- 
den niet vliegen en werden, even als 
die van Mauritius, gevangen, door 
hun een stuk rood laken voor te 
houden. Hun bek was twee duim 
lang, regt en puntig. Zij waren 
grijs van kleur. Herbert heeft 
eenen vogel afgebeeld , op welken 
deze beschrijving beter past, dan op eenige andere soort. Zijne afbeel- 
ding schijnt in ieder geval een anderen vogel voor te stellen 
dan die van van den broücke. Herbert intusschen was Eodri- 
guez slechts voorbij gevaren, en had daarentegen, in 1629, Mau- 
ritius bezocht. Wanneer men aanneemt, dat, zoo als het schijnt 
te blijken, iedere soort van Dodo slechts tot een der drie eilanden 
beperkt was, zoo moet men vooronderstellen, dat de teekening van 
herbert, die het meest met de beschrijving van leguat over- 
eenstemt, den kleinen Dodo van Rodriguez voorstelt, en dat de 
door herbert gegeven afbeelding hem door een of anderen zee- 
vaarder uit Rodriguez werd medegedeeld. Ook deze vogel heeft 
blijkbaar het lot der overige Dodo's ondergaan, want sedert leguat 
wordt er door geen reiziger gewag van gemaakt. 



DE MOAS. 

['üinornis). 
Men heeft, sedert het jaar 1839, allengskens eene groote menigte 
beenderen van groote vogels uit Nieuw-Zeeland naar Europa gebragt. 
Deze beenderen werden meestal op het noordelijke eiland, aan de 
oevers van rivieren gevonden , en wel in eenen klei- en mergelach- 
tigen grond, van zeer nieuwe vorming, of niet zelden in menigte 
bij elkander en alsdan door heuveltjes van zand bedekt. Uit het 
onderzoek dezer beenderen bleek weldra, dat zij aan een aanzien- 



— 347 — 

lijk getal, misschien acht tot tien, verschillende soorten behoord 
hebben, welke zich blijkbaar aan de struisachtigen aansluiten. De 
best bekende soorten ten minste vertoonen weinig ontwikkelde 
vleugelbeenderen en een borstbeen zoo als dat der struizen. Sommige 
overtreffen in grootte den Afrikaanschen struis. De meesten hadden 
slechts drie teenen; maar bij anderen, Palapteryx en Aptornis 
genoemd, was nog eene kleine achterteen aanwezig. Van de ui- 
terlijke gestalte dezer vogels en van hunne zeden is volstrekt niets 
bekend, want men kan de overdrevene, door overlevering bewaarde 
verhalen der inboorlingen over deze groote vogels niet als geloof- 
waardig aannemen. Zij bewijzen voor het overige, dat deze dieren 
eerst in de nieuwere tijden uitgeroeid zijn, of misschien nog in de 
binnenlanden , vooral van het weinig bevolkte en weinig bekende 
zuidelijke eiland voorkomen. De inboorlingen wezen , onder anderen 
den Duitschen reiziger dieffenbach, de plaats aan, waar hunne 
vaders de laatste Moa gedood hadden. 

Wat de overige bijzonderheden aangaande deze vogels betreft, 
verwijzen wij naar de verhandeling van Prof. j. van der hoeven, 
in het Album der Natuur, 1853, bladz. 5 tot 14. 

Wij hebben nu nog te handelen over eenige merkwaardige, thans 
nog levende struisachtige vogels van Nieuw- Zeeland. Dit zijn 

DE KTWIS. 

[Apteri/x). 
Deze zonderlinge vogels werden het eerst in het jaar 1813 be- 
kend. De Engelsche natuurkundige shaw deelde in dit jaar eene 
beschrijving en afbeelding eener soort mede, welke hij Apteryx 
australls noemde. Ofschoon nu shaw de verwantschap, welke deze 
vogel met de struisachtigen en vooral met den Kasuaris heeft, gevoelde, 
meende hij echter dat hij overeenkomst had met de Pengoeïns, 
misschien omdat zijn voorwerp in eene opgerigte houding, die der 
Pengoeïns gelijk, opgezet was. Intusschen was er eene tijdruimte 
van vijf en-twintig-jaren verstreken, alvorens er op nieuw voor- 
werpen van Kiwis, meestal opgezet, of ook in wijngeest, in de 
nieuwste tijden zelfs levend, naar Europa gebragt werden. Men was 



— 348 — 

liet mi weldra eens over de plaats, welke deze vogel in eene na- 
tuurlijke rangschikking dient in te nemen. Intusschen hield men 
deze voorwerpen , welke men thans in de meeste verzamelingen 
aantreft, voor dezelfde soort als die, welke shaw had beschreven: 
eene dwaling, welke wederom eerst in de jongste tijden en nadat 
men nog eene andere soort van dit geslacht ontdekt had , uiteen- 
gezet werd. Er zijn dus reeds drie soorten van K'mis bekend , welke 
de volgende hoofdkenmerken vertoonen. 

Het zijn vogels omstreeks van de grootte eener kip. Het ach- 
tergedeelte van hun ligchaam is afgerond , zoo als bij de Kasuarissen 
en de Nandoes, en er zijn geene eigenlijke staartvederen aanwezig. 
Zij hebben eenen tamelijk langen hals, en een langen, smallen, 
wulpachtigen bek , van boven met twee voren voorzien , aan wier 
einde, dus digt bij de punt des bovenbeks, de neusgaten geopend 
zijn. De pooten zijn kort, maar zeer dik, zij hebben vier dikke 
teenen, maar de achterteen is buitengewoon kort. De vleugels 
zijn zeer klein , slechts met eenige haarachtige vedertjes bekleed , 
en worden in de rust geheel door de lange en smalle vederen van 
het ligchaam bedekt. 

De grootste en eerst bekende soort, Apteryx australis, is bruin- 
achtig van kleur, maar zij heeft witachtige nagels. Behalve het 
voorwerp door shaw beschreven, bestaan er in de verzamelingen 
slechts nog een zeer klein getal andere, die eerst in de laatste 
jaren naar Europa overgebragt werden. 

De tweede soort, waarvan tegenwoordig in bijkans alle verzame- 
lingen opgezette voorwerpen te vinden zijn , is die, welke men tot 1S50 
raet Apteryx australls , welken naam zij meestal nog draagt, heeft 
verwisseld. Zij wordt nu ^^^er^.i; il/a?i^e^/i^ genoemd, is zeer verwant 
met de voorgaande,* maar een weinig kleiner, minder krachtig en 
heeft donkergekleurde nagels. Zij wordt op het noorder-eiland aan- 
getroffen en aldaar Kmi genoemd, terwijl, zoo als men meent, 
Apteryx australis in het zuider-eiland te huis behoort. 

De Kiwi houdt zich voornamelijk op aan plaatsen, welke met 
varens, eene op Nieuw-Zeeland ver verbreide planten-familie, begroeid 
zijn. Hij kan zich, wanneer hij vervolgd wordt, gemakkelijk daarin 



349 




verbergen. Wan- 
neer hij liier niet 
meer veilig is voor 
de vervolgingen 
der jagers en hon- 
den, kruipt hij in 
rotsholen , holle 
boomen, of in diepe 
en lange gaten in 
den grond, welke 
hij zelf graaft. Men 
zegt, dat hij ook 
in deze holen zijne 
eijeren legt, in een nest, uit varen en gras vervaardigd. Wan- 
neer hij zit, trekt hij den kop tusschen de schouders en steunt 
met de punt van den snavel op den grond. Bij het loopen , het- 
geen met buitengewoon groote snelheid geschiedt, rekt hij denhals 
uit. Hij houdt zich over dag schuil en komt slechts bij nacht 
te voorschijn. Bij de vangst bedienen zich de inboorlingen om 
die reden van fakkels. Men zegt dat hij zich met worinen voedt, 
die hij met zijne nagels uit den grond graaft. In het naauw ge- 
bragt, verdedigt hij zich tegen de aanvallen van menschen en 
dieren en brengt hun niet zelden met zijne krachtige pooten , 
teenen en nagels gevaarlijke wonden toe. Daar de huiden dezer 
vogels dienen tot het maken van kleedingstukken voor de inboor- 
lingen , en zij veel gejaagd worden, zijn zij nu reeds zeer zeld- 
zaam en schijnen weldra het lot eener algemeene vernieling, het- 
geen reeds verscheidene andere merkwaardige dieren van onzen 
aardbol getroffen heeft, te zullen deelen. 

De derde soort, Apteryx Owenii, is nog een weinig kleiner; 
zij heeft eenen korteren snavel dan de voorgaande, als ook smal- 
lere vederen , en is over geheel het ligchaam met witachtige dwars- 
banden voorzien. (Zie de afbeelding in de reeds genoemde Verhandeling 
van den Hoogleeraar van der hoeven in dit Album, Jaargang 
18.53, bl. 4.) 



850 



In deze verhandeling hebben wij geen gewag gemaakt van de 
reusachtige vogels, welke in de vroegere tijdperken der ontwikke- 
ling van onzen aardbol geleefd hebben. Onze kennis omtrent de 
fossiele beenderen van vogels is in het algemeen nog zeer gebrek- 
kig; zij zijn, in vergelijking met de overblijfselen van andere dieren , 
slechts in kleinen getale gevonden geworden, en hunne juiste be- 
stemming biedt vele moeijelijkheden aan , wegens de groote 
eenvormigheid, welke het beenstelsel der vogels in het algemeen 
kenschetst. Dat er voor het overige, reeds in zeer vroege tijdper- 
ken, vogels geleefd hebben, welke onze struizen in grootte even- 
aardden en zelfs verreweg overtroffen, bewijzen de afdrukken van 
voetstappen , welke men in den zoogenaamden bonten zandsteen 
der Trias-formatie, in de vallei van de Connecticut-rivier, in den 
staat Massachusetts van Noord-Amerika heeft gevonden. Men heeft 
uit die afdrukken kunnen opmaken, dat zij van vogels afkomstig 
waren, van welke de grootste soort, Ornithichnites giganteus , eene 
voetzool van meer dan eenen voet lengte had, en schreden gemaakt 
heeft van vier tot zes voet. Het zal uit latere ontdekkingen moeten 
blijken , of deze vogels tot de struisachtigen , steltloopers of hoen- 
dervogels behoord hebben. 

Wij hebben getracht, in de voorgaande regels eene korte schets 
te geven van eene groep vogels, welke meer dan eenige andere 
geschikt is, de algeraeene belangstelling op te wekken. Zij 
bevat de reuzen onder de vogels. Het overzigt over deze groep is 
gemakkelijk, omdat zij slechts een klein getal soorten omvat. 
Ofschoon een afzonderlijk en streng van de overige vogels ge- 
scheiden geheel vormende, en in de hoofdtrekken naar eenen en 
denzelfden grondvorm gemaakt, toonen de soorten dezer groep niet 
te min, onderling, buitengewone verscheidenheden. Naast soorten, 
die in hoogte bijkans eene Giraf evenaren , vinden wij andere ge- 
plaatst, welke naauwelijks de grootte eener kip bereiken. De vorm 
van haren snavel biedt bijkans ongeloofelijke afwijkingen, en het 
getal harer teenen, de beide uitersten aan, welke in de geheele 



— 351 — 

klasse der vogels opgemerkt worden. Hare verspreiding over de 
oppervlakte, en de beperking der meeste soorten op, naar even- 
redigheid zeer kleine plekjes van onzen aardbol, zijn verschijnsels, 
van welke de in onze verbeelding zoo ver gevorderde wetenschap 
nog niet de minste rekenschap vermag te geven. — En zoo gera- 
ken wij ook bij deze beschouwing wederom tot de uitkomst, dat 
onze, aan de stof gebondene en slechts door middel van stoffelijke 
werktuigen met de buitenwereld verkeerende geest, overal terug- 
stuit, wanneer hij de eindoorzaken der geheimzinnige wonderen 
van de schepping wil verklaren. Gelukkig hij , die geleerd heeft te 
bewonderen, waar hij niet kan verklaren! Wij, ten minste, hebben 
ons, ook bij het schrijven dezer regelen, verheugd over de onein- 
dige verscheidenheid , welke de natuur tot in het kleinste bestek 
ten toon spreidt, en onze vreugde zoude ongestoord geweest zijn, 
indien wij niet overal op onze wandelingen den mensch moesten 
ontmoeten , die onbarmhartig en onverstandig vernielt en uitroeit, 
hetgeen niet weder kan worden geboren, en dagelijks voortgaat 
met de harmonie in de schepping te storen, in plaats van te 
trachten die in stand te houden , zoo als het hem , als den meester 
der aarde, betaamt. 



RAÏTEINKRUID-ETEUS. 



vJiider de vergiften, die het delfstofl'elijke rijk oplevert, is het 
raiienhruicl of arsenicum^ voorzeker een der lievigste en gevaarlijkste. 
Ieder onzer lezers deukt bij het vernemen van dien naam aan een 
zwaar vergift, dat door de misdaad bij voorkeur tot werktuig wordt 
gekozen, en dat nog vaker door achteloosheid tot betreurenswaardige 
vergiftigings-gevallen aanleiding geeft. Reeds betrekkelijk kleine 
hoeveelheden zijn voldoende om meer of minder belangrijke ver- 
giftigings-verschijuselen op te wekken. Ja men leest van slepende 
rattenkruids-vergiftigingen, die door het gebruik — maar het aan- 
kotidend gebruik — van uiterst geringe hoeveelheden rattenkruid zou- 
den ontstaan, en welke, na eeue reeks van ziekelijke verschijnselen 
ten gevolge gehad te hebben, eindelijk, na maanden en zelfs na 
jaren, in den dood zouden geëindigd zijn. 

Bij dit alles moet het ons vreeuid voorkomen, wanneer wij hooreii 
van menschen , die van het gebruik van rattenkruid eene gewoonte 
maken, zonder dat dit hun nadeel schijnt te berokkenen. Het is 
echter zeker, dat er zulke menschen, zulke ratlenkruid-eters, zijn. 
Hetgeen J. f. von tschudi daarvan niet lang geleden heeft mede- 
gedeeld, is zoo belangrijk, dat het wel eene kleine plaats in dit 
Album verdient. 

De gewoonte, arsenicum te eten, is in de bergstreken van Oos- 
tenrijk, Stiermark, 'en bepaaldelijk in Salzburg en Tyrol tamelijk 
algemeen verbreid, vooral onder de gemzenjagers. De rattenkruid- 
eters verschafien zich het rattenkruid onder den naam van Hedri 
(Hidri, Hidrich — Huttenrook) van rondtrekkende kruidenverzame- 
laars, die het in de Hongaarsche glashutten koopen van de arbei- 
ders; of zij verkrijgen het van veeartsen, kwakzalvers enz. Hun 
oogmerk bij het gebruik van dit vergift is tweeledig. Tn de eerste 



— :i5;3 — 

plaats willen zij zich een gezond en frisch aanzien en eene zekere 
mate van gezetheid verschafien. Daarom zijn het zeer dikwijls boe- 
renjongens en meisjes, die naar dit middel grijpen, om wederkeerige 
genegenheid op te wekken, en het is in der daad merkwaardig, 
met welk een gunstig gevolg zij hun doel bereiken, want juist de 
jeugdige vergift-eters onderscheiden zich doorgaans door eene bloei- 
jende gelaatskleur en een door en door gezond uiterlijk. — Echter 
is het aantal van doodelijke gevallen ten gevolge van te sterk rat- 
tenkruid-gebruik niet onbeduidend, vooral bij jonge lieden. Ieder 
geestelijke in die streken, waar dit misbruik heerscht, ontmoet 
meermalen gevallen van zulke vergiftigingen, en de berigten, die 
VON TSCHUDI bij hen ingewonnen heeft, leveren zeer eigenaardige 
resultaten. Hetzij uit vrees voor de wet, die het onbevoegde bezit 
van rattenkruid verbiedt, hetzij omdat eene inwendige stem hen 
over die gewoonte als over iets kwaads verwijtingen doet, zoo ver- 
bergen de rattenkruid-eters zooveel mogelijk het gebruik van dit 
gevaarlijk middel, en het is doorgaans slechts de biechtstoel of het 
doodbed, die den sluijer van hun geheim opligt. — Het tweede 
oogmerk, dat de vergift-eters willen bereiken, is, zoo als zij 
zich uitdrukken, zich luchtiger, dat is, bij het bestijgen van 
bergen de ademhaling gemakkelijker te maken. Bij eiken langen 
weg, dien zij bergop moeten gaan, nemen zij een zeer klein stukje 
rattenkruid in den mond, en laten het daarin langzamerhand oplos- 
sen. De uitwerking is verrassend , en met gemak bestijgen zij hoogten , 
die zij anders slechts met groote moeijelijkheid in de ademhaling- 
zouden hebben kunnen beklimmen. — De hoeveelheid rattenkruid, 
waarmede zij beginnen , is , naar het getuigenis van eenigen onder 
hen, een stukje zoo groot als eene linze, dus iets minder dan een 
half grein. Bij deze hoeveelheid, die zij, eenige malen 's weeks, 
's morgens vóór het ontbijt nemen, blijven zij geruimen tijd ''om 
er zich aan te gewennen ;" dan vermeerderen zij langzamerhand en 
voorzigtig die hoeveelheid , en wel naarmate de reeds tot gewoonte 
gewordene gift niet meer de verlangde uitwerking doet. Bij hen , 
die bij dit alles voorzigtig te werk gaan, vertooneu zich geene 
verschijnselen van slepende rattenkruids- vergiftiging; ja zelfs zijn 



— ;35i. — 

er, die beweren, dat zulk een rattenkruid-gebruik de arbeiders in 
arsenik-bergwerken voor den schadelijken invloed van hun beroep be- 
veiligen kan. Indien echter de rattenkruid-eters om de eene of 
andere reden zich eenigen tijd lang van het gebruik van rattenkruid 
onthouden, dan vertoonen zich verschijnselen, die de grootste over- 
eenkomst hebben met ligte graden van rattenkruids-vergiftiging, 
en waartegen slechts één middel helpt, te weten het onverwijlde 
terugkeeren tot de oude gewoonte. Het eenige, waardoor het rat- 
tenkruid-eten zich meestal doet kennen, is eene eigenaardige schorre 
of heesche stem. Ook bij dieren wordt het rattenkruid niet zelden 
aangewend. Zoo maken de stalknechts te Weenen , en vooral de 
koetsiers van aanzienlijke personen, daarvan voor hunne paarden 
een zeer uitgestrekt gebruik. Zij dienen het dezen in verschillende 
hoeveelheden en op onderscheidene wijze, doch altijd bij eene was- 
sende maan toe, welk tijdstip de meeste rattenkruid-eters insgelijks 
voor het geschiktste achten, — en hier van daan het glanzige, schoone 
ronde aanzien der meeste wagenpaarden in Weenen; ook het zoo 
zeer gewilde schuimen wordt er door bevorderd, dewijl het ratten- 
kruid de afscheiding van het speeksel vermeerdert. In bergstreken 
geeft men vrij algemeen in de laatste portie voeder eene gift ratten- 
kruid, wanneer de paarden zware vrachten tegen steile hoogten 
moeten optrekken. Men gaat zoo jaren lang voort zonder cenig 
nadeel; doch indien zulk een paard in handen komt van iemand, 
die geen rattenkruid geeft, dan wordt het mager, verliest zijne vro- 
lijkheid, wordt mat, en kan zelfs door het overvloedigste voeder 
zijn vroeger aanzien niet terugkrijgen. — Minder algemeen wordt 
aan het rundvee rattenkruid gegeven, en dan nog alleen aan mest- 
ossen en kalveren. De omvang des diers Mordt daardoor zeer ver- 
meerderd, doch het'gewigt naar evenredigheid niet. Daarom koopen 
de slagters zulke ossen zelden op het uiterlijk aanzien. Zoowel in 
Stiermark als ook in Oostenrijk is menige landeigenaar ten gevolge 
van deze praktijk onder den naam van "Hidribauer" (Rattenkruid- 
boer) bekend. 



OVER HET BEGRIP 



VAN 



DIERLIJKE VOLKOMENHEID 

EN HAEE VEBSCHILLENDE TRAPPEff. 



DOOR 



D. LUBACH. 



X>ij eene opmerkzame beschouwing der gezamenlijke bewerktuigde 
schepping kan het niet anders, of wij moeten getroffen worden 
door den oneindigen rijkdom aan levende wezens, met welken de 
Natuur de oppervlakte van den bol , dien wij bewonen , vervuld heeft. 
Overal, waar de voorwaarden, zonder welke geen leven denkbaar 
IS, in meer of minder ruime mate voorhanden zijn, heeft zij dat 
leven met kwistige hand verspreid; en zelfs daar, waar die voor- 
waarden bijkans ontbreken, is het, alsof zij slechts noode wijken 
wil voor de omstandigheden, die de ontwikkeling en het voortbe- 
staan van levende organismen onmogelijk maken. De eeuwige sneeuw 
der Noordpool-streken en van de toppen der Alpen kleurt zij nog 
rood met millioenen en millioenen van den Protococcus nivalis , 
en op ruim 82° N. B. vindt nog eene soort van Ap/m of bladluis 
haar voedsel. Beschouwen wij die levende voorwerpen, zooals de 
onderzoekingen van plant- en dierkundigen ons die doen kennen, 
van naderbij, dan ontdekken wij eene andere omstandigheid, die 
ons met nog grooter bewondering vervullen moet: het is de ver- 
bazende verscMdenMd, die door de natuur in die levende schep- 
ping gebragt is. Om niet van de planten te gewagen , en ons slechts 
tot de dieren te bepalen, hoe verbazend groot is het aantal thans 
bekende diersoorten, waarvan elke door bepaalde eigenaardigheden 
in haar zamenstel van alle overige levende wezens onderscheiden is; 



21 



— 356 — 

en er is niet aan te twijfelen, of dit aantal zal door de voortge- 
zette nasporingen der natuuronderzoekers nog aanmerkelijk vergroot 
worden, i) Bij dat groot aantal diersoorten moeten wij nog voegen 
die menigte van dieren , die tot vroegere tijdperken der schepping 
behooren en thans uitgestorven zijn , maar wier overblijfselen in den 
schoot der aarde bewaard zijn gebleven en thans als 't ware de 
letters uitmaken van het schrift, door welks ontcijfering wij ons 
eenig denkbeeld vermogen te vormen van die vroegere geschiedenis 
onzer aarde, van welke ons noch geschrevene oorkonden, noch over- 
levering iets kunnen berigten. Ook onze kennis van die uitgestor- 
vene, fossile diersoorten wordt van dag tot dag rijker; doch hoe 
oneindig vele moeten er bestaan hebben , van welke wij nimmer 
eenige kennis zullen erlangen , omdat zij tot die uitgebreide dier- 
klassen behooren , welke geene harde ligchaamsdeelen bezitten , en 
daarom ongeschikt zijn om in den schoot der aarde bewaard te 
blijven. Dit inderdaad ontzettend aantal verschillende diersoorten 
moet, willen wij ons een zoo veel mogelijk juist denkbeeld vormen 
van de verbazende verscheidenheid in het dierenrijk, nog verme- 
nigvuldigd worden door het aantal der ontwikkelingstrappen , die 
elk dier doorloopt van het oogenblik af, dat het nog slechts als 
kiem aanwezig is, tot op den tijd, wanneer het als volgroeid en 
volkomen ontwikkeld kan worden aangemerkt ; — trappen van ont- 
wikkeling, op elke waarvan het dier verschilt van hetgeen het op 
den voorgaanden was en op den volgenden wezen zal. En wanneer 
wi] dan daarenboven nog verschil opmerken bij de individuen van 
elke soort, dan worden wij gedroiigen om dat onmiskenbaar streven 
der Natuur naar verscheidenheid aan te nemen als een hoofdbeginsel 
dat haar bij de vorming van het dierenrijk geleid heeft, — als eene 
van de grondwetten «der dierlijke schepping. 

Büiven wij evenwel niet staan bij eene bloote bewondering dier 
zoo rijke verscheidenheid , maar gaan wij verder , en vragen wij , 
waarin haar grond gelegen is, welke de middelen zijn, waardoor 



1) Volgens CARPENTER zijn er thans 1700 levende soorten van zoogdieren, 8000 van 
vogelen, 1200 van kruipende dieren, 8000 van visschen, lüOOO van schelpdieren, 
150000 van insekten bekend. 



- 357 — 

het de Natuur mogelijk is geweest zulk eene menigte alle onder- 
ling verschillende diersoorten — want van individuele verscheiden- 
heden spreken wij hier niet — daar te stellen, dan luidt het ant- 
woord, dat het eerste en voornaamste middel, dat zij daartoe bezigt , 
de invoering is van zeer onderscheidene trappen van volkomenheid 
onder de dieren. Het is over dat onderscheid in volkomenheid 
dat ik te dezer plaatse het een en ander in het midden wensch te 
brengen. Ik zal ten dien einde eerst het denkbeeld, dat wij ons 
van meerdere of mindere dierlijke volkomenheid moeten vormen, 
trachten duidelijk te maken, — vervolgens de vraag: "hoe de Natuur 
is te werk gegaan om bij de dieren zulk een verschil in volko- 
menheid daar te stellen," zooveel mogelijk beantwoorden, — en ein- 
delijk nog op de eene en andere bijzonderheid opmerkzaam maken, 
die tot een regt begrip en eene juiste opvatting van het vroeger 
gezegde onmisbaar is. 



AVat is dierlijke volkomenheid.? Wat hebben wij er onder te 
verstaan, Vi'anneer wij lezen of hooren spreken van meer of minder 
volkomene dieren? Het is niet zonder belang, dat wij onze denk- 
beelden dienaangaande eenigzins naauwkeurig bepalen, en ons, zoo 
mogelijk, van het regt verzekeren om die uitdrukkingen te blijven 
gebruiken. Het denkbeeld van volkomenheid of volmaaktheid is 
genomen van voorwerpen, die door menschelijke kunst vervaardigd 
zijn, en daarvan overgedragen op alle zaken, van welken aard oolc. 
Wij noemen eene zaak dan volkomen , wanneer er niets aan ont- 
breekt, — wanneer er niets is, wat er nog bijgevoegd zou moeten 
worden, om haar te doen zijn, wat zij zijn moet. In het algemeen 
is dus datgene volkomen, wat alle de eigenschappen bezit, die tot 
zijn wezen behooren. Er is nu wel geen twijfel aan, of alle be- 
staande levende wezens zijn volkomen , daar elk hunner juist dat 
is, wat het volgens den wil des al wijzen Scheppers zijn moest. De 
minst zamengestelde infusiediertjes, de eenvoudigste schimmels 
voldoen geheel aan de bestemming van alle organische wezens, 
namelijk : zich zelve in stand te houden en hunne soort voort te 



- 358 — 

planten, — even goed als het meest zamengestelde gewervelde dier 
en de trotsclie woudboom, — en zij verdienen dientengevolge, 
even als deze, den naam van volkomen. Spreekt men alzoo, zonder 
nadere bepaling, van een "onvolkomen dier," dan kan daaronder 
geene diersoort, maar slechts een gebrekkig gevormd of verminkt 
individu verstaan worden; en in dit opzigt heeft b. v. de plant- 
kundige k. muller regt, wanneer hij de benaming van "onvolko- 
men" voor de allereenvoudigste planten (Protococcus-soorten , Des- 
midiaceën en Diatomeën) verwerpt, en beweert, dat deze even vol- 
komen zijn, als de reusachtige eikenboom. 

Maar wij kunnen de zaak nog op eene andere wijze beschouwen. 
En ten dien einde moeten wij eenen blik werpen op de verhouding 
tusschen de beide groote afdeelingen der organische natuur, het 
dieren- en het plantenrijk. Het is bekend, dat, hoe gemakkelijk 
het bij den eersten opslag schijnen moge een dier van eene plant 
te onderscheiden, evenwel op de vragen: wat is een dier? waardoor 
onderscheidt het zich van de plant? eigenlijk geen regt bevredi- 
gend antwoord te geven is, en dat de grenzen tusschen beide natuur- 
rijken met geene voldoende zekerheid te trekken zijn. Men heeft 
een aantal eigenschappen opgegeven, die aan alle dieren, en aan 
geene enkele plant zouden toekomen , en uit die eigenschappen de 
bepaling willen opmaken van datgene wat men onder den naam 
van dier te verstaan heeft; — maar bij naauwkeuriger onderzoek 
stootte men telkens op dieren , die eenige dier eigenschappen niet 
bezaten, of men vond sporen van de eene of andere dierzelfde eigen- 
schappen bij voorwerpen, die toch ongetwijfeld tot de planten moes- 
ten gebragt worden. Daar, waar het dieren- en plantenrijk elkander 
raken , en waar men dus de grenzen tusschen beide zoude willen trek- 
ken, schijnen zich de'voorposten van beide rijken ondereen te mengen, 
zoodat men moeijelijk bepalen kan, welke aan de eene, en welke aan 
de andere zijde dier grenzen te huis behooren. Dit is ook natuur- 
lijk, indien men slechts in het oog houdt, dat de grenzen van het 
dieren- en plantenrijk daar gevormd worden door die wezens, wier 
bewerktuiging de eenvoudigst mogelijke is, en die dus in de wei- 
nige bijzonderheden dier bewerktuiging wel op elkander moeten 



— 359 — 

gelijken. Zoo wij echter die uiterste grenzen verlaten, en ons tot 
die wezens begeven, die, schoon eenigzins meer zamengesteld , aan 
de allereenvoudigste het naast komen, dan zien wij al spoedig aan 
beide zijden der grenzen zekere bijzonderheden, zekere eigenschappen 
zich opdoen, die vervolgens, wanneer men altijd op diezelfde wijze 
van het meer eenvoudige tot het meer zamengestelde voortgaat, 
weldra nergens meer worden gemist, ja zich al gaande weg duide- 
lijker voordoen en veelzijdiger ontwikkelen. En het zijn deze, die 
wij mogen aannemen als de hoofdeigenschappen, waardoor zich het 
dierenrijk ter eene en het plantenrijk ter andere zijde onderscheidt, 
als de hoofdkenmerken der dierlijkheid en der plantaardigheid. 

Ik kan hier niet treden in eene breedvoerige ontwikkeling dier 
eigenschappen. Het is voor mijn oogmerk voldoende te doen op- 
merken, dat wel is waar zoowel bij de plant als bij het dier de 
instandhouding van zich zelven en de voortplanting der soort de 
opgaven zijn, die zij als levende wezens hebben te vervullen, en 
dat de organisatie van beide dan ook daarop geheel ingerigt is; dat 
evenwel, zoodra men de allereenvoudigste wezens verlaat, een groot 
verschil bespeurd wordt in de wijze, waarop die doeleinden bereikt 
worden, in de verrigtingen die daartoe dienen, en in de oro-anen, 
welke die verrigtingen in beide natuurrijken uitoefenen ; — dat bij de 
planten de verrigtingen, die tot instandhouding van het individu 
dienen, zich slechts bepalen tot diegene, welke meer onmiddelijk 
met de vochts-beweging , de stofwisseling en voeding in verband 
staan, terwijl bij de dieren diezelfde verrigtingen voorafgegaan wor- 
den door de spijsvertering; — dat er bij de dieren bovendien ver- 
mogens worden aangetroffen , die , met de daartoe behoorende orga- 
nen, bij de planten ten eenemale ontbreken , ik bedoel ^eM?aamof^%, 
door welke het dier verwittigd wordt van hetgeen hem nuttig of 
schadelijk zijn kan, en willekeurige beweging, waardoor het instaat 
wordt gesteld het eene op te zoeken en het andere te vermijden; — 
eindelijk, dat zich aan die beide, gewaarwording en willekeurige 
beweging, eene reeks van vermogens aansluiten, de verstandelijke 
namelijk, van welke bij de plant geen spoor wordt aangetroffen. 

Het is en blijft waar, dat men op deze eigenschappen geene 



— 360 — 

algemeene bepaling bouwen kan, die alle dieren zonder onderscheid 
zamenvat en van de planten afzondert. Maar het is even waar , 
dat diezelfde eigenschappen, zoodra wij de allereenvoudigste dier- 
vormen daarlaten, bij alle diersoorten in meerdere of mindere mate 
worden aangetroffen, terwijl wij daarvan ook bij de meest ontwik- 
kelde plant niets bespeuren, en dat men haar daarom veilig aanne- 
men mag als makende zij gezamenlijk het onderscheidende karakter 
uit van het dier tegenover de plant. — Naarmate nu een dier die 
eigenschappen der dierlijkheid in meerdere mate en sterker ont- 
wikkeld bezit, naarmate de natuur er zich meer op schijnt toege- 
legd te hebben om die eigenschappen bij dat dier meer te doen uit- 
komen, — naarmate het derhalve daardoor zich scherper van de planten 
afzondert, — naar die mate is het ook meer dier, of, wanneer wij 
de gegevene bepaling van "volkomenheid" hier toepassen, naar die 
mate is het meer een volkomen dier, meer en volkomeuer dan een 
ander, dat diezelfde eigenschappen minder bezit, of waarbij de 
natuur die, om zoo te spreken, minder in bijzonderheden uitgewerkt 
heeft. Het blijkt nu, welken zin wij aan de uitdrukking van meer- 
dere of mindere volkomenheid behooren te hechten, wanneer ervan 
dieren sprake is. Elk dier, welk het ook zij, is op zich zelf, en 
als zelfstandig in de schepping bestaand wezen, even volkomen als 
alle anderen. Maar ten aanzien van den afstand, op welken het 
geplaatst is van de planten, en naar gelang het in meerdere of 
mindere mate die eigenschappen bezit, welke het kenmerkend 
onderscheid tusschen dieren en planten daarstellen, kan het eenen 
hoogeren of lageren graad van volkomenheid bezitten. In deuzelfden 
zin spreekt men, zelfs nog veelvuldiger, van hoogere en lagere dier - 
soorten; deze uitdrukkingen duiden eigenlijk hetzelfde aan ; meerdere 
volkomenheid toch sluit eenen voorrang in. Beide wijzen van uit- 
drukken zijn altijd betrekkelijk ; elk dier is volkomener , staat hooger, 
in vergelijking met die, bij welke de hoofdkenmerken der dierlijk- 
heid zich, al ware 't in ééne enkele bijzonderheid; minder uitvoerig 
uitgewerkt vertoonen , terwijl het terzelfder tijd in vergelijking van 
anderen minder volkomen zal wezen , en lager staan zal. 

Dat er nu werkelijk zulke onderscheidene graden van volkomen- 



— 361 — 

heid onder de dieren bestaan, behoeft bijna geene aanwijzing. Oin 
maar een zeer klein aantal voorbeelden te noemen , zoo weet ieder , 
dat de hond in alle opzigten verheven is boven den haas, doch op 
zijne beurt weder geplaatst is beneden den orang-oetan. Maar de 
haas, ofschoon beneden de meeste zoogdieren staande, bezit een 
onmiskenbaren voorrang boven den kikvorsch; de kikvorscli is weder 
volkomener georganiseerd dan de karper, de slak daarentegen onvol- 
komener. Maar de slak staat te dien aanzien boven den oester, 
die weder een volkomener, liooger dier is dan de zeekwal, beneden 
welke laatste nog een aantal dieren bestaan , bij welke de kenmer- 
ken der dierlijkheid slechts onvolkomen worden waargenomen. — 
Men gevoelt, dat de opgenoemde, zoo aanmerkelijk van elkander 
verschillende dieren slechts de vertegenwoordigers zijn van eenige 
weinige trappen van volkomenheid, die zeer ver van elkander gele- 
gen zijn, en waarvan de wijde tusschenruiraten door een overgroot 
aantal andere trappen worden aangevuld. 

Heeft de natuur nu het eene dier volkomener gemaakt, hooger 
geplaatst, in den zin dien wij daaraan gaven, dan het andere; heeft 
zij een overgroot aantal trappen van volkomenheid onder de dieren 
daargesteld ; — trachten wij thans , zoo ver wij dit vermogen , na 
te gaan , welke gedragslijn zij ten dezen aanzien is gevolgd , welke 
wetten zij zich daarbij schijnt voorgesteld te hebben. Hetgeen wij 
dienaangaande ontdekken, zal ons het reeds aangevoerde duidelijker 
maken, en ons in den aard der dierlijke volkomenheid eenen die- 
peren blik doen slaan. 



De organisatie van een dier staat tot den aard zijner verrigtin- 
gen , dus ook tot haar aantal en volkomenheid , in regtstreeksche 
verhouding, zoodat wij, over 't geheel, van de volkomenheid der 
organen tot die der verrigtingen kunnen besluiten en omgekeerd. 
De resultaten , de voortbrengselen dier verrigtingen kunnen wederom 
als de maatstaf voor beide gebezigd worden. Want even als wij uit 
de producten van eene fabriek tot de meerdere of mindere volko- 
menheid van hare inrigting besluiten kunnen, zoo kunnen wij ook, 



— 362 — 

wanneer wij b. v. een dier een aantal zeer verschillende bewegingen 
met vlugheid, juistheid en kracht zien uitoefenen, daaruit beslui- 
ten, dat zijne bewegings-organen op zeer volkomene wijze moeten 
zamengesteld , en daardoor tot krachtige en veelzijdige werkingen 
in staat zijn. — Even als verder de voortbrengselen eener fabriek 
die van eene andere in tweederlei opzigt kunnen overtreffen , te weten 
in hoeveelheid en in hoedanigheid, zoo kan dit ook met de voortbreng- 
selen der verrigtingen van een dierlijk organisme het geval zijn. Bij 
voorbeeld: wanneer een dier verder springen kan dan een ander, dan 
bezit het eene meerdere volkomenheid dan dat andere, eene meerdere 
volkomenheid , die haren grond heeft in de hoeveelheid van het product 
dier beweging. Indien het daarentegen zijne bewegingsorganen tot 
meer onderscheidene bewegingen en met meer juistheid en vaardigheid 
bezigen kan, dan het andere, dan is dit eene hoogere soort van 
volkomenheid, welke berust op de hoedanigheid van het product. 
Het is vooral het verschil in hoedanigheid der voortbrengselen van 
de werkingen van het dierlijk organisme, dat de meerdere of min- 
dere volkomenheid der dieren bepaalt; maar toch heeft de natuur 
dien anderen weg, welke de hoeveelheid dier voortbrengselen ten 
grondslag heeft, niet onbetreden laten liggen. Dit zal ons blijken, 
wanneer wij bedenken, dat de som der krachten, de magt, om het 
in één woord uit te drukken, waarover een ligchaam beschikken 
kan, in 't algemeen evenredig is aan de massa en het volume van 
dat ligchaam. En dan is het wezenlijk opmerkelijk, dat die dier- 
soorten, die in onze rangschikking lagere plaatsen bekleeden, wel 
met vele uitzonderingen, maar toch over 't geheel kleiner zijn, dan 
de hooger staande. De Infusoriè'n zijn de kleinste van alle dieren , 
de Polypen, schoon grooter, zijn toch altijd nog klein; de MoUus- 
ken, die hooger sta^ dan de Polypen, zijn ook doorgaans veel 
grooter dan deze, maar worden op hunne beurt overtroffen door de 
gewervelde dieren , bij welken de gemiddelde grootte des ligchaams 
het aanmerkelijkst is. Ditzelfde neemt men waar, wanneer men de 
groepen , in welke elke dezer groote afdeelingen zich splitst , met 
elkander vergelijkt; men denke b. v. aan de knaagdieren onder de 
zoogdieren. 



. — 363 — 

Even als echter in onze werkplaatsen de hoeveelheid der produc- 
ten ondergeschikt is aan de hoedanigheid daarvan, zoo is het ook 
die hoedanigheid, op welke de natuur vooral gelet heeft bij haar 
streven om den graad van volkomenheid der dieren te doen ver- 
schillen. — Het middel nu, waardoor zij de hoedanigheid der pro- 
ducten van den arbeid der organen, en gevolgelijk dien arbeid en 
die organen zelve volkomener gemaakt heeft bij het eene dier dan 
bij het ander, is: de verdeeling van den arbeid.^) 

Op den laagsten trap des maatschappelijken levens voorziet ieder 
mensch in eigen persoon in de bevrediging van al zijne behoeften; 
zelf maakt hij den boog, de pijlen en het net, of de landbouw- 
werktuigen, met welke hij zich en de zijnen het noodige voedsel 
verschaft; hij bouwt zijne eigene woning, maakt al zijn huisraad 
zelf, vervaardigt zijne eigene kleederen. De producten , die hij te 
voorschijn brengt, zijn uit den aard der zaak weinig en slecht, of- 
schoon zij, strikt genomen, voor de instandhouding des levens vol- 
doende mogen zijn. Maar zoodra begint zich niet een eenigzins 
hoogere graad van beschaving te ontwikkelen , of men bespeurt den 
eersten aanvang van eene verdeeling des arbeids over verschillende 
personen. De meesten blijven zich bezig houden met het voort- 
brengen van de eerste behoeften des levens ; sommigen echter leg- 
gen zich meer bepaald toe op het bouwen van woningen , niet voor 
zich zelven alleen, maar ook voor anderen; er zijn er, die zich 
meer bepaald bezig houden met het bewerken van metalen, weder 
anderen , die hun Averk maken van het vervaardigen van kleederen en 
wat dies meer zij. In het eerst is deze aanvankelijke verdeeling 
des arbeids nog zeer onvolkomen; de bouwmeester, de smid, de 
kleedermaker blijven nog min of meer landbouwers en jagers, of 
één persoon oefent meerdere met elkander in eenig verband staande 
bedrijven 'tegelijk uit, gelijk wij dit nog wel hier en daar waarne- 
men, onder anderen op de dorpen onzer afgelegenste provinciën. Maar 
niettegenstaande dit on volkomene, is reeds hier eene groote verbe- 



1) Deze stelling is vooral betoogd en ontwikkeld door milne edwards, het laatst 
in zijne Introduction a la Zoölogie générale , ou considératiotis sur les tendances de la 
nature dans la consiUution du règne animal. Paris, 1851. Ire pariie. 



— 364. — 

tering der producten niet te miskennen. De verdeeling des arbeids 
wordt uu al gaande weg volkomener, naarmate de vooruitgaande 
beschaving al hoogere en hoogere eischeu doet , en meerdere kennis 
en ervaring in staat worden om aan die eischen te voldoen ; en naar 
die zelfde mate worden de producten menigvuldiger, meer verschei- 
den , doelmatiger en schooner, met één woord, meer volkomen. 

Die verdeeling van den arbeid is ook door de natuur aangewend 
als middel, om de dieren tot hoogere volkomenheid optevoeren. 
Het dierlijk organisme toch gelijkt naar eeue meer of min uitge- 
strekte werkplaats, in welke de organen, als zoovele werklieden, 
arbeiden aan het voortbrengen dier verschijnselen, die de uitdruk- 
kingen van het leven zijn. Even als nu in eene fabriek, waar de 
verdeeling van den arbeid niet of onvolkomen is ingevoerd, de 
producten in hoedanigheid zullen achterstaan bij diegene, bij wier 
bewerking dat beginsel in het oog is gehouden — wel te verstaan 
altoos bij gelijk verbruik vao krachten en tijd — zoo zullen ook 
de voortbrengselen van den organischen arbeid bij die dieren, bij 
welke de verrigtingen, en zelfs elk der onderdeelen van die verrig- 
tingen, door afzonderlijke, daartoe opzettelijk ingerigte werktuigen 
worden uitgeoefend, volkomener zijn, dan bij die, waar die ver- 
deeling van den arbeid niet of onvolkomen plaats vindt , — en het 
dier zelf zal ook dientengevolge volkomener kunnen genoemd worden. 

Werpen wij eeneu blik op de hoofdverrigtingeu van het dierlijk 
organisme; wij zullen ontwaren, dat de natuur den arbeid over 
ineer verschillende organen verdeeld, elke verrigting meer aan een 
bepaald orgaan verbonden, gelocaliseerd heeft, naarmate wij van de 
lagere tot de hoogere dieren opklimmen. 



Wat dan vooreerst de spijsvertering aangaat, zoo bestaat daar- 
voor bij de allerlaagste diervormen geen afzonderlijk orgaan. Even 
als bij de laagste plautsoorten , slurpt hunne geheele uitwendige 
oppervlakte het water op, waarin zij leven, hetgeen dan het geheele 
weefsel des diers doordringt, en in de zelfstandigheden , die het 
opgelost houdt, aan dit de stof levert tot onderhoud en groei. Bij 



— 365 — 

anderen , die van vaste zelfstandigheden leven , zoude volgens köl- 
LiKER en NicoLET slechts eeue tijdelijke, accidentele maag of spijs- 
holte voortgebragt worden door het inpersen van zulk eene zelf- 
standigheid in het weeke ligchaam des djers i). Zoodra men echter 
eenigzins hooger klimt, vindt men algemeen, en voortaan altijd, 
eene ware spijsholte, eeue maag, waarin de spijsvertering plaats 
heeft. Eerst is deze echter zeer eenvoudig, eene soort van zak, die 
slechts eene enkele opening naar buiten heeft, door welke niet 
alleen het voedsel naar binnen geraakt, maar ook het onverteerde 
weder naar buiten ontlast wordt. Doch bij die Polypen, die de 
orde der Bryozoa vormen , en bij de klasse der Stekelhuiden , vertoont 
zich niet alleen eene tweede tot dit laatste doel geschikte opening, 
waardoor dus nu de spijsholte den vorm van eene aan beide einden 
geopende buis aanneemt, maar bovendien begint zich al spoedig 
die buis door beurtelingsche vernaauwingen en verwijdingen in 
onderscheidene holten af te deelen, welke verdeeling hooger op al 
gaande weg duidelijker en meer bepaald wordt, terwijl elke dier 
holten bijzonderheden aanbiedt, die in verband staan met de be- 
paalde rol, welke zij, als mondholte, slokdarm, maag en darmen, 
bij het werk der spijsvertering te vervullen hebben. 

Gelijk bekend is, geschiedt de spijsvertering vooral door de schei- 
kundige werking van zekere door bijzondere organen afgescheidene 
vochten. Bij de laagste van eeue maag voorziene diersoorten is er 
naar alle waarschijnlijkheid slechts een enkel verteringsvocht , dat 
door de zeer eenvoudige spijsholte wordt afgescheiden. Maar reeds 
bij sommige Polypen en bij de Zeesterren treffen wij zekere andere 
organen aan, die zich bij de laatsten onder den vorm van blinde 
aanhangsels der maag binnen de stralen bevinden , en welke als de 
eerste sporen der galafscheidende organen moeten worden aangemerkt , 
die zich vervolgens al meer en meer ontwikkelen, en, bij de hoogere 
dierklassen , de lever vormen. Bij de Eaderdieren , Eingwormen , 
Spinnen en Insekten vertoonen zich bovendien speekselklieren ; 
daar, waar de afdeeling van de spijsbuis in afzonderlijke holten 



1) Zie Album der Nahmr voor 1853, biz. 126. 



— 366 — 

geheel ontwikkeld is, begint men een onderscheid tusschen raaag- 
en darmvocht te bespeuren ; — ook het alvleeschsap wordt door 
eene bijzondere klier afgescheiden ; — kortom, hoe hooger wij komen , 
des te meer zien wij elk onderdeel van het spijsverteringswerk , elke 
bijzonderheid daarvan aan afzonderlijke organen en vochten op- 
gedragen. 

Er is echter eene tot de spijsvertering behoorende verrigting, 
waarop wij bijzonder onze aandacht moeten vestigen; ik bedoel de 
werktuigelijke verdeeling des voedsels. Eerst geschiedt deze slechts 
door de zamentrekking der spijsbuis zelve, in den beginne zonder, 
later met behulp van zamentrekbare vezels, welke eindelijk een' 
geheelen spierrok rondom het spijskanaal vormen. Spoedig evenwel 
nemen wij deelen waar, die tot dat werk opzettelijk zijn ingerigt, 
b. V. hoornachtige tandjes aan de binnenste oppervlakte der maag 
of, zooals bij de Zeeëgels, andere hoorn- of kalkachtige toestellen, 
die tot de fijnmaking der spijzen dienen. Maar het is vooral de 
mondopening, die tot dit einde groote veranderingen ondergaat, 
naarmate wij van de laagste tot de hoogste dieren opklimmen. Eerst 
niets dan eene opening in de zelfstandigheid des diers, is zij bij 
vele Ringwormen reeds van hoornachtige plaatjes voorzien; bij de 
Insekten en Schaaldieren vinden wij zeer ontwikkelde hoornachtige 
kaken, en de kopdragende en koppootige Weekdieren bieden eene 
dergelijke inrigting aan. Bij de Gewervelde dieren trefl'en wij einde- 
lijk eenen eigenlijken tandtoestel aan, — behalve bij de Vogelen en 
bij eenige uitzonderingen uit de andere klassen ; — en niet alleen 
dat zij tanden bezitten, maar deze zijn ook nog bij de Zoogdieren 
onderscheiden in snijtanden, hoektanden en kiezen, die alle hunne 
eigene verrigtingen uitoefenen. Soms zelfs zijn de kiezen mede in 
twee soorten verdeeld ,, en anders gevormd , naar gelang zij moeten 
dienen om dierlijke zelfstandigheden fijn te snijden, of plantaardige 
stoffen te verbrijzelen. 

Nadat het voedsel in de spijsholte de vereischte bewerkingen 
ondergaan heeft, moeten de uit dat voedsel afgezonderde, thans 
in vloeibaren staat in de spijsholte aanwezige voedingsstoffen in alle 
deelen van het organisme worden verspreid. Bij de allereenvoudigste 



— 367 — 

dieren , die wij beschouwd hebben , kan hiervan wel geene sprake 
wezen, daar bij hen spijsvertering en voeding één, en niet van 
elkander af te scheiden zijn. Dit is zelfs nog bij vele Polypen het 
geval. Doch bij andere Polypen {Alcyonmm palmatum b. v.) en vele 
Zeenetels beginnen zich afzonderlijke werktuigen voor den vochts- 
omloop te vertoonen , welke werktuigen of kanalen echter slechts 
aanhangsels van de spijsholte zijn. Bij de Stekelhuiden , vele Eing- 
wormen en de Weekdieren scheidt zich de circulatie-toestel geheel 
van die der spijsvertering af. In 't eerst bewegen de vochten zich 
echter nog in holten, in tusschenruimten , wier wanden slechts 
gevormd worden door de omliggende deelen; later worden die hol- 
ten afzonderlijke kanalen, met eigene wanden, dat is te zeggen, 
zij worden vaten. Tevens voert de natuur eene belangrijke verdee- 
ling van den arbeid bij die vochtvoerende holten en vaten in. 
Dienden namelijk in den beginne alle vaten om het voedingsvocht , 
niet alleen naar de verschillende ligchaamsdeelen , maar ook om het 
van deze weder terug te voeren , zoo zien wij daarentegen later een 
dubbel stelsel van vaten, een slagaderlijk en een aderlijk ontstaan, 
waarvan het eerste de vochten in centrifugale, het tweede in cen- 
tripetale rigting voortleidt. — Bij zeer vele lagere dieren zijn het 
de vaten zelve, en deze alleen, die de in hen bevatte vochten voort- 
stuwen; bij anderen wordt deze verrigting daardoor bevorderd, 
dat een der vaten eene grootere ruimte en krachtig zamen- 
trekkende wanden bezit, zooals het ruggevat der Duizendpooten, 
Spinnen en Insekten. Dit centraalvat, in omvang en vorm gewij- 
zigd, wordt eindelijk een hart, dat in zijn' eenvoudigsten vorm, 
zooals bij de Schaaldieren , slechts ééne holte bezit. Bij de meeste 
Weekdieren en bij de Visschen bezit het twee, eene, die soms dubbel 
is, ter ontvanging, eene ter voortstuwing van het vocht. Tot dus 
ver geschiedde de beweging van het voedingsvocht door het geheele 
ligchaam, en die door de ademhalingswerktuigen, onder den invloed 
van een enkel werktuig, van één enkel hart. Bij de Kruipende 
dieren vindt men den overgang tot eene nieuwe verdeeling van den 
arbeid, die, bij de Krokodillen bijna volkomen geworden, echter 
eerst bij de Vogelen en de Zoogdieren hare hoogste volkomenheid 



— 368 — 

bereikt; deze laatste namelijk bezitten een slagaderlijk en een ader- 
lijk hart, waarvan het eene den grooten bloedsomloop door het 
geheele ligchaam , het andere den kleinen door de ademhalingswerk- 
tuigen bestuurt. 

Aan den vochtsomloop sluit zich ten naauwste de ademhaling 
aan, door welke het aderlijk, van de verschillende deelen terugge- 
keerde bloed wederom in slagaderlijk veranderd wordt. Wij vinden 
hier alweder bij die dieren, die op den laagsten trap van bewerk- 
tuiging staan, en over de geheele oppervlakte des ligchaams adem- 
halen, deze verrigting met die der spijsvertering en voeding als 
versmolten en door dezelfde organen verrigt. Bij een aantal hoogere 
dieren, Stekelhuiden, Trilwormen , enz. bestaat echter bovendien 
een aderahalingstoestel in den vorm van kanalen, welke water op- 
nemen. Bij vele Eingwormen treffen wij uitwendige blad- of pluim- 
vormige werktuigen , of inwendige, door kleine openingen toegang 
tot de lucht verleenende blaasjes aan, die misschien adem- 
halings-organen zijn; in dat geval is dus hier de ademhaling 
eene op zich zelf staande, door afzonderlijke organen uitgeoefende 
verrigting. Bij de Insekten en vele Spinnen zijn die ademhalings- 
werktuigen zeer ontwikkeld: aan elke zijde des ligchaams vindt 
men smalle op knoopsgaten gelijkenden openingen (stigmata); elk 
stigma voert in eene kleine holte, waaruit eene luchtbuis {trachea) 
ontspringt, die zich met de uit de overige luchtgaten ontspringende 
buizen tot een luchtvatenstelsel vereenigt, dat zijne takken door het 
geheele ligchaam verspreidt, zoodat hier de van de ademhaling 
afhankelijke verandering der vochten door het gansche ligchaam plaats 
heeft. Bij de eigenlijke Spinnen en de Scorpioenen is de ademhaling 
meer gelocaliseerd , te weten in zakvormige, in den buik gelegene 
longen ; bij de Schaaldiereii daarentegen geschiedt zij meestal door op 
zeer onderscheidene wijzen geplaatste kieuwen. — Ik ga een aantal 
wijzigingen dier organen met stilzwijgen voorbij , om dadelijk te 
komen op de Gewervelde dieren, onder welke bij de Visschen nog 
geene volkomene afscheiding tusschen de spijsverterings- en adem- 
halingswerktuigen bestaat, daar bij hen de lucht door dezelfde ope- 
ning binnen de kieuwen treedt , door welke het voedsel in den slok- 



— 369 — 

darm geraakt, door den mond namelijk. Bij de Kruipende dieren en de 
Vogelen zijn de neusgaten wel is waar de eigenlijke uitwendige openin- 
gen der longen , maar deze laatste liggen toch nog zelve in eene en 
dezelfde holte met de organen der spijsvertering, en bij eenige der 
eersten , namelijk de Kikvorschachtige dieren en de Schildpadden , 
wordt de lucht op dezelfde wijze als het voedsel, namelijk door 
slikken, naar binnen gedreven. Bij de Zoogdieren eindelijk bereikt 
de afscheiding der beide verrigtingen hare hoogste volkomenheid, 
doordien borst- en buikholte door het middenrif geheel van elkander 
gescheiden zijn. 

De bij uitstek dus genoemde dierlijke vermogens volmaken zich 
op dezelfde wijze. 

Bij de Infusoriën en Polypen geschiedt de beweging door de beur- 
telingsche zamentrekking en ontspanning van de geheele massa des 
ligchaams , en , waar afzonderlijke bewegingsorganen bestaan , is hun 
maaksel toch van die des overigen ligchaams niet of weinig ver- 
schillend. Komt men hooger, dan ontmoet men al spoedig deelen, 
die tot niets anders dan tot beweging dienen : zamentrekbare vezels 
en spieren, en deze worden eindelijk genoegzaam bij uitsluiting de 
werktuigen voor deze verrigting. Bij een groot aantal der lagere 
dieren is de beweging, welke de zamentrekking van ééne spier te weeg 
brengt, zeer beperkt, en om eene eenigzins uitgestrektere beweging 
mogelijk te maken, heeft de natuur in 't eerst slechts Ae /toe veeUieid 
der bewegingsorganen vermeerderd, door dezelfde spier een aantal 
malen te herhalen. Maar bij de Insekten, de Spinnen en de Schaal- 
dieren treffen wij, behalve spieren, ook door die spieren bewogene 
hef hoornen aan , — een stelsel van hardere , onderling tot zekere hoogte 
verplaatsbare deelen, waaraan de spieren zich vasthechten, — door 
welke inrigting de bewegingen in uitgestrektheid, juistheid en kracht 
winnen. Dit stelsel van hef boomen wordt hier evenwel nog gevormd 
door een orgaan , dat reeds bij de lagere dieren aanwezig was en 
tevens tot andere verrigtingen dient; het is de in maaksel gewijzigde, 
meer of minder verharde, in ringen verdeelde huid. Eerst bij de 
Gewervelde dieren vindt men een geheel zelfstandig stelsel van hef- 
boomen , een geraamte. De voortgaande ontwikkeling van dat ge- 



— 370 — 

raamte, bepaaldelijk der ledematen, kan almede worden aangevoerd 
ten voorbeeld van de door de natuur in 't werk gestelde verdeeling 
des arbeids. Ik vergenoeg mij evenwel te doen opmerken, hoe bij 
het volkomenste dier, den mensch, die verdeeling tot haren hoog- 
sten trap gebragt is , door de onderscheiding der ledematen in twee 
tot zeer verschillende verrigtingen dienende paren. 

Wat de zintuigen aangaat, zoo schijnt bij de lagere dieren slechts 
het gevoel ontwikkeld te zijn, van hetwelk het nog te bezien zou 
staan , of het wel tot bewustheid komt. Dit gevoel , of, gelijk mis- 
schien met eenigen grond kan vermoed worden, één algemeen, 
voor zeer onderscheidene indrukken vatbaar zintuig blijft langen 
tijd het eenige dat wij met zekerheid waarnemen. Bij de Medusen 
vindt men organen , die door sommigen voor oogen , door anderen 
voor werktuigen van het gehoor gehouden worden. Wat hiervan 
zij, zeker is het, dat de zintuigen van het gehoor en van het ge- 
zigt zich het eerst van het algemeene zintuig afscheiden, en dat 
de verdeeling van den arbeid vervolgens op beide haren volma- 
kenden invloed uitoefent. Ik kan daaromtrent niet in bijzonderheden 
treden ; alleen voer ik aan , dat in 't eerst het bekleedsel der oogen 
door de huid zelve gevormd wordt, die ter plaatse, waar de oogen 
door haar bedekt zijn, dun en doorschijnend is: dat alsdan in het 
oog slechts één lichtbrekand deel, de lens namelijk, voorhanden is, en 
er tevens zich geen spoor van iris vertoont; terwijl zich later allengs 
de verschillende rokken van het oog, de oogleden, het glasachtig 
ligchaam, het waterachtig vocht en de iris beginnen te ontwikke- 
len. Afzonderlijke organen voor den reuk en den smaak vertoonen 
zich eerst laat. Vele Insekten en Schaaldieren bezitten een' fijnen 
reuk, zonder dat men daarvoor met zekerheid organen kan aantoonen; 
waarschijnlijk zijn de- reukorganen hier deelen , die ook tot andere 
verrigtingen dienen, even als de smaak bij de lagere dieren in het 
algemeen een vermogen is, dat aan alle deelen der mondholte of het 
begin van de spijsbuis toekomt. — Het gevoel, het algemeenst aan- 
wezige zintuig, blijft bij voortduring verspreid over de geheele uitwen- 
dige oppervlakte des ligchaams, maar het wordt in sommige organen 
fijner dan in de overige, zoodat deze dan, ook door hun overige 



— 371 — 

inrigting eu hunne meerdere beweegbaarheid , tot werktuigen van 
den tastzin worden verheven. Deze organen zijn velerlei : bij de 
lagere dieren zijn het b. v. de voelarmen en voelhorens ; bij som- 
mige gewervelde dieren zetelt de tastzin vooral in de lippen, bij 
anderen in de uiteinden der ledematen , zoo als bij den mensch , bij wien 
die zin in de toppen der vingers tot de hoogste volkomenheid gebragtis. 
Wat nu het zenuwstelsel aangaat, aan hetwelk bij de hoogere 
dieren én gevoel én beweging ondergeschikt zijn , zoo vinden wij 
daarvan bij de laagste dieren geene sporen. Deze vallen ons echter 
reeds bij eenige, nog zeer laag staande dieren, b. v. sommige Ste- 
kelhuiden , vrij duidelijk in het oog. Eerst ontmoeten wij echter 
enkel zenuwdraden , maar geen spoor van eenig centraaldeel ; weldra 
voegen zich, bij die zenuwdraden, zenuwknoopen , die als zoovele 
centraaldeelen te beschouwen zijn. Bij de Insekten vinden wij zelfs, 
dat eene der zenuwknoopen, door hare ligging boven den slokdarm, 
terwijl de overige in eene rij aan de buikzijde des ligchaams lig- 
gen, en door hare zamenstelling uit twee bolle zijdelingsche 
deelen eenige overeenkomst met de hersenen der hoogere dieren ver- 
toont. Ook bezitten de Insekten , alsmede de Schaaldieren , nog 
een afzonderlijk zenuwstelsel , dat voor het organisch leven bestemd 
schijnt. Zoo verdeelt zich, wanneer men hooger klimt, de arbeid 
al meer en meer; de zenuwen voor het organisch leven blijven ge- 
scheiden van die voor het dierlijke; voor gevoel en beweging wor- 
den afzonderlijke zenuwen bestemd; de centraalorganen van het 
dierlijke zenuwleven scheiden zich scherper af, localiseren zich in 
de hersenen en het ruggemerg, en die centraalorganen zelve, vooral de 
eerste , worden wederom in onderscheidene gedeelten gescheiden , welke 
aan onderscheidene hersenverrigtingen tot werktuigen dienen. Ja, zoo 
er een grond van waarheid bestaat voor de schedelleer of phrenologie, 
dan zoude er bij de hoogere dieren voor elke uiting der verstandelijke 
vermogens, voor elke neiging van den geest een afzonderlijk orgaan 
bestaan , en de verdeeling van den arbeid dus hier tot haren hoog- 
sten trap gestegen zijn. Hoe dit zijn moge, dit valt niet te 
betwijfelen , dat bij de dieren de vooruitgaande ontwikkeling der herse- 
nen over 't algemeen gelijken tred houdt met die van het zieleleven. 



— 372 — 

Slaan wij eindelijk eenen blik op eene tweede klasse van verrig- 
tingen, van die namelijk, welke tot de voortplanting der soort dienen. 
Beschouwen wij nu wederom het eerst de allereenvoudigste die- 
ren, dan bemerken wij al spoedig, dat er bij deze in 't geheel geene 
afscheiding, geene localisatie der verrigtingen plaats schijnt te heb- 
ben, want ook de voortplanting is bij hen slechts een verschijnsel 
der voeding. De meeste Infusoriën toch planten zich voort door eene 
van zelf ontstaande verdeeling des ligchaams in twee of meer deelen, 
die, na hunne afscheiding van het moederdier, voortgaan te leven, 
te groeijen, en weldra op hunne beurt door eene nieuwe verdeeling 
jongen voortbrengen. Bij enkele Infusoriën b. v. bij deVorticellen, bij de 
meeste Polypen , ja zelfs bij eenige hooger staande dieren, geschiedt 
de voortplanting door knoppen , verhevenheden , die zich ergens op 
het ligchaam ontwikkelen, en eindelijk dieren worden, die met het 
moederdier overeen komen. — Intusschen vertoont zich, nevens deze 
wijze van voortplanting, zeer spoedig eene andere. Bij vele Polypen 
namelijk, b. v. bij de zoetwaterpolypen , ziet men, niettegenstaande 
zij zich ook door knoppen voortplanten, op zekere tijden aan het 
onderste gedeelte des ligchaams, dus op eene bepaalde daartoe bij 
uitstek aarigewezene plaats, zich eitjes ontwikkelen. Deze localisa- 
tie der voortteling wint hooger op al meer en meer veld, — maar 
wij zien de voortbrengende en de vruchtbaarmakende verrigting nog 
niet aan twee op zich zelf staande stelsels van organen verbonden. 
Gaan wij echter verder, dan treedt ook deze verdeeling van den 
arbeid op, — • maar doorgaans vinden wij nog de verschillende ge- 
slachtsorganen op een en hetzelfde individu vereenigd. Deze twee- 
slachtigheid is doorgaans, zooals bij Synapta, volkomen — maar 
soms wordt er eene nieuwe verdeeling van den arbeid ingevoerd , 
doordien ieder individu wel mannelijk en vrouwelijk tevens is, maar 
toch de bevruchting geene plaats kan hebben zonder zamenwerking 
van twee zulke individuen. De tuinslak levert ons van deze inrig- 
ting een voorbeeld. Klimmen wij nu nog hooger , dan zien wij ein- 
delijk de verdeeling van den arbeid volkomen geworden, daar de 
geslachten thans geheel van elkander afgezonderd en op twee indi- 
viduen verdeeld zijn. 



— 373 — 

Hetgeen ik hier slechts in groote en breede trekken heb mogen 
en kunnen schetsen, is, gelijk van zelf spreekt, voor groote ont- 
wikkeling vatbaar. Oneindig veel grooter is het aantal wijzigingen, 
die elke der beschouwde verrigtingen van het dierlijk organisme 
ondergaat , en men kan elke verrigting wederom in een aantal onder- 
deden ontleden. En overal zullen wij den invloed van hetzelfde 
beginsel ontwaren, overal zullen wij de verdeeling van den arbeid, 
de localisatie der verrigtingen , in de hand der natuur het voorname 
middel zien uitmaken, waardoor zij de dieren tot hoogere volkomen- 
heid opvoert, alzoo een verschil in die volkomenheid te weeg brengt , 
en daardoor aan haar streven naar verscheidenheid voldoet. 

Thans wensch ik nog opmerkzaam te maken op eenige bijzon- 
derheden, die wij bij dezen gang der natuur kunnen waarnemen. 



In de eerste plaats herinner ik, hoe ik bij den aanvang van dit 
opstel gewezen heb op de verscheidenheid, door de natuur gebragt 
in de levende scheiDping, in 't bijzonder in de dierlijke, en hoe wij 
er toe gedrongen werden om dat streven naar verscheidenheid 
aan te nemen als een hoofdbeginsel, dat zij bij de vorming des 
dierenrijks gevolgd is. Zij heeft zich echter bij die vorming even- 
zeer gehouden aan een ander hoofdbeginsel, hetgeen, oppervlakkio- 
beschouwd, met het beginsel der verscheidenheid in tegenspraak 
schijnt te zijn: het is het beginsel van de grootste spaarzaamheid 
in het gebruik der middelen, door welke zij die verscheidenheid te 
weeg heeft gebragt. De natuur brengt namelijk, bij al haar streven 
naar verscheidenheid, slechts zelden iets geheel nieuws voort; meest 
altijd gaat zij zóó te werk, dat zij denzelfden grondvorm of tjpus , 
een en hetzelfde organisme, een aantal malen herhaalt, maar telkens 
met eene betrekkelijk geringe wijziging van enkele deelen. Een 
paar voorbeelden mogen dit ophelderen. Er zijn thans meer dan 
zevenduizend vogelsoorten bekend, — en toch berust die groote 
verscheidenheid onder de vogelen slechts op uiterst geringe wijzi- 
gingen van een zamenstel, dat bij alle vogelen in den grond het- 
zelfde is en blijft. Ieder kent den meikever of zoogenaamden 



~ 374 — 

molenaar ; men kan dit dier beschouwen als den grondvorm aan te 
bieden van de geheele orde der Coleoptera of Schildvleugelige insek- 
ten , eene orde , waarvan thans meer dan veertigduizend soorten be- 
kend zijn. Veertigduizend soorten ! Welk eene verscheidenheid ! 
Maar zij komt de natuur op weinig kosten te staan; want het zijn 
slechts betrekkelijk ligte wijzigingen van den grondvorm des mei- 
kevers, welke aan die veertigduizend verscheidenheden ten grond- 
slag liggen , waarbij diezelfde grondvorm in zijne wezenlijkste eigen- 
schappen geheel behouden wordt en onveranderd blijft. Ja, wanneer 
wij elke der tien orden, waaruit de klasse der Insekten bestaat, 
beschouwen en onderling vergelijken, dan blijkt het, dat alle Insekten 
volgens een' algemeenen typus gevormd zijn, en dat het de natuur 
gelukt is , naar een' enkelen eersten en algemeenen grondvorm meer 
dan honderdduizend verschillende insektensoorten te vormen, wier 
onderling verschil alleen berust op zekere bijzonderheden in de 
uitvoering van een en hetzelfde algemeene plan, dat aan de vor- 
ming van allen ten grondslag ligt. 

Datzelfde beginsel van spaarzaamheid nu houdt de natuur, zoo 
lang zij kan , ook bij de verdeeling van den arbeid en de vorming 
van eigene organen voor bijzondere verrigtingen in het oog, en 
alzoo is het verschil in volkomenheid der dieren, die den voor- 
namen grond uitmaakt van hunne verscheidenheid, tevens onder- 
geschikt aan het beginsel der spaarzaamheid. 

Wanneer toch eene verrigting, in eene reeks van al volkomener 
en volkomener wordende dieren , zich begint te localiseren , dan wordt 
zij eerst uitgeoefend door een deel, dat reeds bij de lagere soorten 
bestaat, en hetgeen nu in zijn maaksel slechts zooveel gewijzigd 
wordt, dat het zijne nieuwe verrigting, tevens met zijne oorspronke- 
lijke, uitoefenen kan. Hooger op vinden wij wel een afzonderlijk 
orgaan voor die verrigting, maar dat orgaan is eigenlijk in den 
grond toch nog een reeds vroeger bestaand deel, dat echter nu zoo 
sterk gewijzigd is, dat het alleen tot die verrigting, en niet meer 
tot zijne vroegere, oorspronkelijke, dienen kan. En het is niet, 
dan nadat de natuur haren voorraad van dergelijke hulpmiddelen 
als uitgeput heeft, of wanneer het haar, om mij zoo eens uit te 



— 375 — 

. drukken, begint te vervelen om hetzelfde thema op oneindige wijzen 
te variëren, dat zij er toe besluit om een nieuw deel in de orga- 
nisatie in te voeren. 

Het zou niet moeijelijk zijn bij een overzigt van de verschillende 
afdeelingen des dierenrijks dit met een groot aantal voorbeelden te 
staven. Doch dit doende zoude ik de palen van dit opstel verre 
moeten te buiten gaan. Ik vergenoeg mij dus slechts een enkel 
voorbeeld, niet als bewijs, maar als opheldering van het gezegde 
aan te voeren. 

Bij vele der laagste vormen der Schaaldieren is geen spoor van 
zelfstandige ademhalingswerktuigen te ontdekken; bij andere is de 
ademhalingsverrigting wel is waar reeds gelocaliseerd , maar het zijn 
de vliezige en bladvormige pooten, die tegelijk tot zwempooten en 
tot kieuwen dienen. Bij de Gelijkpootigen {Isopoda) bemerkt men 
eene engere localisatie der kieuwen, maar het zijn toch de pooten, 
schoon alleen de achterste of buikpooten , die deze verrigting uitoefe- 
nen. Bij de steurkrab (Squilla) bestaan zelfstandige kieuwen; maar nog 
zijn het de buikpooten , die hier door hare bewe^in^ de vernieuwino- 
des waters langs de oppervlakte der kieuwen bevorderen, en dus 
de mechanische werktuigen der ademhaling uitmaken. Bij de Tien- 
pootigen (Becapoda) eindelijk zijn de kieuwen in afzonderlijke 
holten opgesloten; maar nog dient hier het tweede paar kaken, 
grootendeels aan zijne oorspronkelijke bestemming onttrokken, tot 
hetzelfde doeleinde, als de buikpooten bij de steurkrab. 

Maar het overzigt van de hoofdverrigtingen der dieren, dat ik 
straks gaf, leverde reeds van dergelijke bijzonderheden een aantal 
voorbeelden. Ik herinner u b. v. hoe de natuur, wanneer zij ten 
dienste der beweging een stelsel van hefboomen in de dierlijke be- 
werktuiging invoert, daartoe in de eerste plaats een reeds bestaand 
orgaan, de huid, gebruikt, en eerst veel hooger op, zich een gansch 
ander plan kiezende, ten dien einde nieuwe, inwendig geleo-ene 
deelen vormt, die met de uitwendige hefboomen niets gemeens heb- 
ben, dan hun doel. 



— 376 — 

Na al het gezegde zoude men toch nog gevaar loopen zich van 
de wijze, waarop de natuur bij de volmaking der dieren is tewerk 
gegaan , een geheel verkeerd denkbeeld te vormen , indien men niet 
twee andere bijzonderheden in aanmerking nam, die zich hier voor 
ons opdoen. Ik bedoel de onderlinge onafhankelijkheid van de vol- 
making der verschillende stelsels en organen — en de verscheidenheid 
der grondvormen of ti/pen. 

Wanneer wij ons die trappen van volkomenheid vertegenwoordi- 
gen, die wij kunnen waarnemen tusschen den mensch en die dier- 
soorten, die niet of ter naauwernood het karakter der dierlijkheid 
dragen , dan zouden wij op het denkbeeld kunnen gebragt worden , 
dat alle dieren, hunne meerdere of mindere volkomenheid in aan- 
merking genomen , eene enkele onafgebrokene reeks uitmaken , die 
zich van die laagste diersoorten tot den mensch verheft. En wezenlijk 
is dit denkbeeld bij sommige natuurkenners opgekomen, en door 
hen verkondigd. Reeds bij den ouden conrad gesner treffen wij het 
aan, maar het werd later verder ontwikkeld, eerst door leibnitz, 
en daarna vooral door bonnet, l) 

Een der wijsgeerige beginselen van leibnitz was de wet der 
aaneenschakeling, welke inhoudt, dat alles in de wereld, zoowel in 
tijd als ruimte, met elkander zamenhangt; en dit beginsel bragt 
hem er toe, om te stellen, dat alle klassen van levende wezens 
eene onafgebroken keten vormen , van welke keten de onderscheidene 
plant- en diersoorten de schakels zijn, die aaneensluiten, zonder 
eenige tusschenruimte over te laten. Het vertrouwen van leibnitz 
op de deugdelijklieid van dit beginsel ging zoo ver, dat hij het 
eenmaal ontdekken van planldieren, die met evenveel regt voor 
planten als voor dieren konden gehouden worden, als iets zekers 
en noodzakelijks durfde voorspellen, dat bij hem aan geen den 
minsten twijfel onderhevig was, hoewel men dan ook tot dus ver 
niets dergelijks gevonden mogt hebben. 

Het was echter vooral bonnet, die het beginsel van eene onaf- 
gebrokene aaneenschakeling, met hooge ingenomenheid en in wel- 



1) Contemplafion de la nature, 2 T., Amst. 1764. 



— 377 — 

sprekende taal, iiaauwkeuriger ontwikkelde. Volgens hem bestaan 
er tusschen den hoogsten en laagsten graad van ligchamelijke of 
geestelijke volkomenheid een bijna oneindig aantal tusschengraden. 
De opeenvolging dezer graden vormt de algemeene keten der ge- 
schapene dingen, die alle wezens vereenigt, alle werelden aan elkan- 
der verbindt, alle spheren omvat. Slechts één enkel wezen staat 
buiten die keten : het is Hij , die haar gemaakt heeft. — Er zijn 
geene sprongen in de natuur; alles is er gegradueerd, genuanceerd; 
er bestaat geen ledig tusschen twee wezens. Onze verdeelingen kunnen 
nooit scherp zijn ; want tusschen elke twee klassen of geslachten be- 
staan wezens , die niet meer tot de eene dan tot de andere behooren , 
en ze dus zamen verbinden. Die verdeelingen zijn dus willekeurig en 
onnatuurlijk. Alle plant- en diersoorten op deze aarde vormen als 't 
ware de op elkander volgende sporten van eene ladder, welke oprijst 
van het eenvoudige tot het zamengestelde , van het minder tot het 
meer volmaakte. Zoo is het ook met de ladder van elke wereld ; en 
allen met elkander stellen ééne enkele reeks zamen, die tot eersten 
term heeft het atome, tot laatsten den verhevensten der Cherubim. 

Dit denkbeeld , door lateren , o. a. door lamarck , in sommige 
opzigten gewijzigd, heeft, niettegenstaande het door anderen, b. v. 
KÉAUMUR en cuviER, bestreden werd, veler bijval verworven. En 
geen wonder! Het prijst zich aan door eenvoudigheid en grootsch- 
heid tevens. Want wat is natuurlijker en eenvoudiger, dan zich 
eene onafgebrokene reeks voor te stellen, in welke alle be- 
staande plant- en diersoorten naar den graad harer volkomenheid 
zoo gerangschikt zijn, dat elke eenen overgang vormt tusschen de 
voorgaande en de volgende? En welk een grootsch denkbeeld is 
het, wanneer wij ons, — de engelen en de bovenaardsche scheppin- 
gen nu eens daargelaten — de aardsche levende schepping verbonden 
denken door een' onafgebroken band, waarvan het eene uiteinde 
gevormd wordt door de naauwelijks georganiseerde cel, het andere 
door het volkomenste bewerktuigde wezen , den mensch ? 

En toch is datzelfde denkbeeld in den grond valsch. Zooals het 
werd aangenomen door bonnet en zijne onmiddelijke navolgers, 
loopt dit terstond in het oog. Bij zulk eene reeks, als waarvan 



— 378 — 

hier sprake is, moet noodzakelijk de volmaaktste soort van elke 
lasere afdeeling den overcrangr uitmaken tot de minst volmaakte 
soort vau de onmiddelijk volgende hoogere afdeeling. En als nu , 
gelijk beweerd werd, de gansche levende schepping ééne reeks uit- 
maakte, dan zou de volmaaktste plant de overgang zijn tot het minst 
volmaakte dier; het infusiediertje zoude dan een eenigzins meer vol- 
maakte eikenboom zijn, of welken anderen tweezaadlobbigen boom 
men voor de volmaaktste plant houden wil. Dit is echter te onge- 
rijmd om eenige wederlegging te behoeven. — Maar ook wanneer 
men twee afzonderlijke reeksen van georganiseerde wezens aanneemt , 
eene van planten en eene van dieren , dan kan , ten minste bij de 
dieren , toch aan geene zoodanige onafgebroken keten gedacht worden. 
Want, in de eerste plaats, heeft de natuur, wanneer zij eene 
soort of geslacht boven de daarmede het naast verwante verhief, 
dit niet altijd gedaan door die soort of dat geslacht in alle oi^zig- 
ten volkomener te maken; integendeel, veeltijds heeft zij die hoo- 
gere ontwikkeling slechts bepaald tot sommige deelen van het 
organisme, terwijl die soort of dat geslacht in andere bijzonderheden 
vaak lager staat dan die dieren, waarboven het in dat ééne opzigt 
verheven werd. Wanneer eenig orgaan of stelsel van organen bij 
een dier A volkomener ontwikkeld is dan bij B, dan kan B weder 
ten aanzien van andere organen hooger staan dan A; — in één 
woord, de eene volmaldng is hij de dieren geheel onafhankelijk van 
de andere. Bij voorbeeld: de haaijen en roggen, visschen met een 
kraakbeenig geraamte, staan ten dezen aanzien beneden de overige 
visschen , die een beenig geraamte bezitten ; maar daarentegen staan 
zij boven deze, wegens de veel grootere volkomenheid van hun 
zenuwstelsel en hunne voortplantingsorganen. De Schaaldieren , de 
Krabben en Kreeften , staan hooger dan de Weekdieren in onderschei- 
dene opzigten , vooral ten aanzien van de werktuigen , waarmede zij 
zich voortbewegen; maar de toestel voor den vochtsomloop is bij 
vele Weekdieren meer ontwikkeld, dan bij de Schaaldieren. En zoo 
is het in een aantal gevallen. — Hieruit volgt dan reeds, dat er 
aan eene enkele reeks niet te denken is, maar eerder aan een aan- 
tal reeksen , waarin de soorten niet naar hare volstrekte volkomen- 



— 379 — 

heid, maar naar de meerdere of mindere volkomenheid der afzon- 
derlijke deelen boven elkander moeten worden geplaatst. Vele dieren 
zullen dan in elTce dezer reeksen eene plaats innemen, maar in de 
eene eene hoogere, in de andere eene lagere. In de reeks b. v. die 
den aard van het geraamte ten grondslag heeft, zullen de haaijen 
en roggen beneden de meeste overige visschen staan; maar in die 
reeksen, welke berusten op den ontwikkelingsgraad van het zenuw- 
stelsel, en op de volkomenheid der voortplantingsorganen zullen zij bo- 
ven alle Visschen, en tusschen deze en de Kruipende dieren geplaatst zijn. 
In de tweede plaats is de leer van eene enkele onafgebrokene 
dierenreeks te verwerpen, omdat zij eene volstrekte eenheid van 
plan in de vorming van het gelieele dierenrijk veronderstelt. Volg- 
den alle diersoorten, of ook maar alle geslachten van dieren zoo 
op elkander, dat elke volgende soort of elk volgend geslacht als 
de hoogere ontwikkeling van de voorgaande soorten en geslachten 
kon worden aangemerkt, dan zou er eigenlijk voor de gezamenlijke 
dieren slechts een enkele grondvorm bestaan, van welken zij allen 
slechts wijzigingen zijn zouden; — de natuur zou alle dieren vol- 
gens een enkel plan zamengesteld hebben, en het verschil der dieren 
zou slechts berusten op wijzigingen van dat algemeen plan. Zo'ó 
ver drijft de natuur echter haar beginsel van spaarzaamheid niet. 
Er bestaat zonder twijfel bij de dieren eene zekere eenvormigheid 
van hunne zamenstelling, voor zoo ver men eene algemeene over- 
eenkomst waarneemt in de hoofdorganen, welke tot het zamenstel 
van elk dier behooren; wel niet bij elk dier, maar toch overal door 
het geheele dierenrijk heen vinden wij een spijskanaal, klieren, 
vochtvoerende buizen, een hart, kieuwen of longen, zenuwen en zenuw- 
middenpunten, spieren en hefboomen , enz. ; en ook de weefsels, waaruit 
die organen bestaan, zijn of van denzelfden aard, of althans met 
elkander vergelijkbaar. Maar eene algemeene eenheid van plan in 
de zamenvoeging dezer elementen tot dieren ontwaren wij niet. De 
natuur is bij de zamenstelling van het dierenrijk van meer' dan 
één plan uitgegaan; zij heeft niet een , maar verscheidene grond- 
vormen zich voorgesteld, en elke van deze uitgewerkt, wef altijd 
met inachtneming van haar beginsel van volmaking, maar toch op 



— 380 — 

eene voor eiken eigenaardige wijze. Zoo kent men in het dierenrijk 
ten minste vier hoofdtypen , vier wezenlijk van elkander verschil- 
lende vormen van bewerktuiging, waarvan elke volgens een algemeen 
plan is gevormd, maar die onder elkander zoo zeer verschillen , dat 
zij niet als ontwikkelingen van een en hetzelfde denkbeeld kunnen 
worden aangemerkt. Gij gevoelt, dat ik hier de vier hoofdafdeelin- 
gen des dierenrijks, de Gewervelde dieren, de Weekdieren, de 
Gelede dieren en de Straaldieren op het oog heb. Deze afdeelingen 
vormen onder elkander geene reeks, zooals men oppervlakkig be- 
schouwd meenen zoude; integendeel, het is er bijna even zoo mede 
gelegen, als met de veronderstelde reeks van planten en dieren, 
waarvan ik zoo even sprak. Evenmin als de volkomenste plant den 
overgang uitmaakt tot het on volkomenste dier, even zoo min is het 
volmaaktste Straaldier een overgang tot het onvolmaaktste Gelede 
of Weekdier, of het volmaaktst Gelede tot het onvolmaaktst Gewer- 
velde. Die afdeelingen toch volgen niet op elkander, maar zij 
staan, om zoo te zeggen, naast elkander, al is het ook, dat de 
eene lager begint en niet zoo hoog reikt, dan de andere. Zoo is 
er geen twijfel aan , of de laagste Gewervelde dieren staan niet zóó 
laag, als de laagste Weekdieren en Gelede dieren, en de hoogste 
Gewervelden zijn verre boven de volkomenste der beide genoemde 
afdeelingen verheven. De laagste der Weekdieren en Gelede dieren 
staan op hunne beurt niet zoo laag, en de hoogste veel hooger, 
dan bij de Straaldieren 't geval is. Maar in elke afdeeling zijn de 
laagste diervormen onvolkomener ontwikkeld , dan de hoogste in die 
afdeeling, welke men in 't algemeen als lager kan beschouwen. De 
volkomenste Weekdieren zijn hooger ontwikkeld dan de onvolko- 
menste Gewervelde dieren , en de eenvoudigste Weekdieren wederom 
lager dan sommige der volkomenste Straaldieren ; en hetgeen ten 
opzigte der Weekdieren waar is, is het ook ten aanzien der Gelede 
dieren, daar er bijna geene reden bestaat om aan de eene dezer 
afdeelingen den voorrang te geven boven de andere. 

Hieruit blijkt al weder genoegzaam de valschheid van het denk- 
beeld eener enkelvoudige reeks, waarvan elke diersoort, of, wil men , 
zelfs elk diergeslacht of elke familie, een lid zou uitmaken. En 



— 381 — 

dit zou nog meer in het oog loopen , indien wij de onderafdeelin- 
gen van elke der genoemde vier hoofdtypen in 't bijzonder beschouw- 
den. Want hier heeft, ofschoon binnen engere grenzen, hetzelfde 
plaats , wat wij bij die hoofdafdeelingen opmerkten , en er is ook 
hier aan geene opeenvolgende rangschikking te denken. 

Er zoude tot het reeds gezegde nog veel bij te voegen zijn, dat 
wel is waar daarmede onmiddelijk zamenhangt, doch evenwel niet 
regtstreeks tot het onderwerp behoort, waarover ik thans de lezers 
van dit Album wenschte te onderhouden. Ik hoop, dat ik dat onderwerp 
op eene voldoende wijze heb opgehelderd en toegelicht. Maar niet min- 
der hoop ik , dat het mij gelukt moge zijn den lezer een denkbeeld te ge- 
ven van de uitkomsten , die men verkrijgt, wanneer men, van het bijzon- 
dere tot het algemeene opklimmende, door verbinding en vergelijking 
der zoölogische feiten , welke de waarneming ons heeft doen kennen, tot 
gevolgtrekkingen komt van algemeenen aard , die in algemeene stellin- 
gen kunnen worden uitgedrukt, — dat is, met andere woorden, welke 
het onderwerp en de methode zijn der algemeene dierkunde, of van de 
wijsbegeerte der dierkunde. Hoezeer men, bij zulk eene wijsgeerige 
zamenvatting en beschouwing van op waarneming steunende feiten , 
wel op zijne hoede wezen moet, om zich niet op een' dwaalweg te 
laten voeren door gebreken in de wijze van gevolgtrekken , of door 
redeneringen te gronden op te weinige of gebrekkig bekende feiten, 
zoo is het aan den anderen kant even zeker, dat niets den blik 
meer verruimt, niets meer voor bekrompenheid van inzigten behoedt , 
en vooral niets ons meer waarde doet hechten aan elke nieuwe 
aanwinst op het gebied der wetenschap, hoe onbeduidend die aan- 
winst ook, als op zich zelf staand feit, ook schijnen moge. Want 
elk wél gestaafd feit, welk ook, is, in verband met andere derge- 
lijke feiten, eene bijdrage tot de grondslagen, waarop wij onze 
kennis moeten bouwen van de algemeene wetten, aan welke de al wij ze 
Schepper het werk zijner handen heeft onderworpen. 



BEZWAREN BIJ GEOLOGISCHE NASPORINGEN 

IN DE HEETE GEWESTEN. 



Hoe moeijelijk het voor den natuuronderzoeker is, mineralen of 
aardsoorten in de keerkringsgewesten te verzamelen, blijkt onder 
anderen uit de volgende mededeeling van richard schomburgk. 

Na het terugkeeren van een zijner togten in het binnenland van 
Guyana en bij het uitpakken van zijne daarbij gevondene natuurhisto- 
rische schatten , miste hij de door hem verzamelde geologische voorwer- 
pen , en toen hij de Indianen , die ze hadden gedragen , daar naar vroeg, 
kreeg hij eenvoudig ten antwoord : "Ach ! die hebben wij verloren !" 
Zijn broeder robert had hem reeds vroeger opmerkzaam gemaakt, dat 
de Indianen niet dan hoogst bezwaarlijk te bewegen waren tot het 
dragen van steenen , zoodat zij , zoo ras zij hunne kans schoon 
zagen, die in het geheim wisten weg te werpen. Men kan in deze 
warme landen de Indianen belasten en beladen met vruchten van 
allerlei soort, en zal daarbij nimmer eene klagt of eenig teeken 
van mismoedigheid van hen vernemen ; rustig gaan zij voort hunnen 
last te dragen over bergen en door dalen ; maar om hun '■'■steenen'' 
te doen torschen, dat is, naar hunne meening, slechts een uitvloeisel 
van plagerij of onwil. Schomburgk was daarom later, wanneer hij 
zijne geologische verzameling wilde uitbreiden, meestal genoodzaakt, 
zelf zijne gesteenten meê te voeren. Het gebeurde intusschen 
dan altijd, dat, wanneer hij met planten of dieren beladen, in de 
gehuchten waar hij zich ophield, terug keerde, hij steeds door de 
vrouwen en kinderen met een medelijdend glimlagchen ontvangen 
werd, terwijl dit tot verbazing oversloeg, wanneer zij zagen, dat 
hij ook "steenen" uit zijn zakken haalde. Zulk een vreemd schouw- 
spel, zoo een zonderling mensch was en bleef een raadsel in hare 
oogen. {Reisen in BrUtisch Guiana, 1 Th., S. 433) 

Dr. V. Ht. 



BARNSTEEN. 



Op het museum voor Natuurlijke Historie te Emden, wordt een 
overgroot aantal zeldzame en kostbare stukken barnsteen bewaard. 
Het grootste daarvan weegt 2 (oude) ponden en 28 lood en is in 
het jaar 1842 gevonden op het eiland Juist, niet ver van Nörderney 
aan de kust van Oost-Friesland gelegen [AgronomiscJie Zeitung 1851 , 
p. 1211). — Men weet, dat barnsteen is de hars van eene voorwe- 
reldlijke soort van Den of Pijnboom {Piniies succinifer). Men ver- 
klaart hieruit, waarom men niet zelden insekten of overblijfsels 
daarvan in den barnsteen aantreft. Die insekten toch werden door 
deze hars , toen zij nog vloeibaar was , omsloten en bleven er natuur- 
lijk in, toen die hars tot barnsteen verhardde. Vandaar ook de 
ongelijkheid van den barnsteen, die dan eens geel en bijna geheel 
doorschijnend, dan weder onzuiverder, meer bruinachtig en ondoor- 
schijnend is , even als men ook hars vindt van onderscheidene kleu- 
ren en meerderen of minderen graad van zuiverheid. 

In het Noorden van Oost-Pruissen vindt men den barnsteen in 
uitgebreide lagen , dikwijls nog te gelijk met het hout en de vruch- 
ten der dennensoort, waaruit hij ontstaan is. Die lagen strekken 
zich ook gedeeltelijk onder de zee uit, door welker golven zij dik- 
wijls worden opgewoeld en dan hier en daar aan de kusten der 
Noordzee komen aandrijven. Ik bezit daarvan vrij groote stukken, 
aan de kust van ons Nederlandsch eiland Ameland gevonden. 

V. Hl. 



VERHUIZING VAN WAÏERJUFFEHS. 



J.eder weet, dat vele dieren op bepaalde of onbepaalde tijden in 
groote scharen van de eene plaats naar de andere trekken. Zulk 
eene neiging tot verhuizing is ook aan sommige insekten eigen, 
en genoeg bekend is het, hoe in de warmere streken, somwijlen 
sprinkhanen (vooral Gr'yllus migratorius) in zulk een verbazend 
aantal zich te zamen op reis begeven , dat zij als eene wolk de zon 
verduisteren, en een ware plaag worden voor de bewoners wier 
velden zij bezoeken, om hunnen oogst binnen weinig tijds geheel 
te vernielen. Zeldzamer is het volgende geval, dat voor korten tijd 
in het naburige België plaats greep, en door den hoogleeraar morren 
aan de Belgische Akademie in hare zitting van den 2'^'^° July 1853 
werd medegedeeld. 

"Den lö'^^" Juny 1853, omstreeks 4 uren des namiddags, zag 
men nabij Bel-Oeil (in de provincie Henegouwen), gedurende onge- 
veer drie vierde uurs en over eene uitgestrektheid van minstens 
drie vierde uur gaans, ontelbare menigten van Waterjufi'ers heen- 
trekken in de rigting van het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen. 
Zij , die het naast bij den grond waren , waren er ongeveer twee 
en een halve Ned. el van verwijderd, doch het was onmogelijk de 
hooo-te te schatten, waarop de hoogste vlogen. De notaris chop- 
ïiNEï, van Enghien, aan wien ik de mededeeling van dit opmer- 
kelijk verschijnsel verschuldigd ben, zond mij tevens een exemplaar 
dezer verhuizende dieren, waaruit bleek, dat het de Lihellula 
depressa van ijnnaeus was. Deze soort komt zeer algemeen in 
België voor (ook in ons Vaderland), maar het is mij niet bekend, 
dat men vroeger dit merkwaardig verschijnsel van eene verhuizing 
in zoo verbazende menigte heeft waargenomen. De 16^ Juny was 
een voor onze luchtstreek buitengewoon warme dag; maar het is 



— 385 — 

niet gebleken, dat er op dat tijdstip eenige vijver droog geworden 
is, en toch kent men geene andere oorzaak, waaraan het gezamenlijk 
vertrek in eene bepaalde rigting van zoovele insekten, wier levens- 
wijs hen aan het water bindt , zoude kunnen worden toegeschreven. 
De geheele bevolking dier streken heeft dit voorbij trekken waarge- 
nomen , en is getroffen geweest over de regelmatigheid in den voort- 
gang en over de orde in het vliegen dezer WaterjuiTers, die geen 
hoofd schenen te volgen , maar in eene volkomene stilte hunne reis 
voortzetten , terwijl de sprinkhanen daarentegen op hunne verhuisr 
togten geruisch maken." 

Hg. 



ROOS YAN JERIGHO. 



Deze plant is algemeen in Palestina. Zij is bij de kruidkundigen 
als Anastatica Merochuntica , onder de Jcmishloemen [Cniciferae), 
bekend. In het Nederduitsch en in nataurkundige verzamelingen 
draagt zij den naam van Roos van Jericko , eenen ongepasten naam , 
daar zij volstrekt geene overeenkomst met eene roos vertoont. Het 
is eene kleine struik of half-heester [suffnitex) met kleine graauw- 
achtige bladen, korte, stijve en kromme takken, welke laatste, 
tijdens hunnen groei, zich straalsgewijze over den grond uitbreiden. 
Zij heeft kleine bloemen, op die van de gewone radijs gelijkende, 
en sterft na de rijpwording van het zaad. 

Het merkwaardigste van dit gewas is de eigenaardige veranderino- 
zijner gedaante, naarmate van de droogte of vochtigheidstoestand 
van de lucht. Na zijnen dood toch krommen zijne takken zich 
naar boven en trekken zich te zamen tot eenen nagenoeg ronden 



— 386 — 

bol, die, van den wortel afgescheurd, met zand uit de woestijn 
bedekt wordt en de zaden in de door die takken gemaakte holte 
bewaart, of als een bal door den wind her en derwaarts gedreven, 
maanden lang rondzwerft, tot dat de eerstinvallende regens de tak- 
ken doen uitstrekken , waardoor de plant aan den grond vastge- 
hecht raakt en hare zaden uit hunne haauwtjes uitstort, die dan, 
door diezelfde regens gedrenkt, spoedig ontkiemen en een aantal 
nieuwe planten doen geboren worden. Dit is de eenvoudige loop 
der zaken , waarop nog weder onlangs de aandacht gevestigd is door 
LYNCH en MEissNEii (Zic Botanische Zelkmg 1851, p. 601). Bij 
die bevochtiging wordt echter de plant zelve niet weder in het 
leven teruggeroepen, zoo als het volksgevoelen in die streken 
beweert. 

De veranderde rigtinj? der takken enz. van dit gewas door droogte 

DO D . O 

of vochtigheid heeft plaats , nog vele jaren na den dood van het 
gewas. In het jaar 1820 toch ontving ik voor mijne verzameling 
een droog exemplaar van die zoogenaamde Roos van Jericho; van 
welken tijd af tot Julij 1852 dit gewas, jaarlijks eens of meermalen 
in liet water gestoken, zijne takken alle langzamerhand straalsgewijs 
uitbreidt en daarna, gedroogd zijnde, ook telkens weder kogelvor- 
mig zamentrekt. 

H. C. VAN Hall. 



ALBUM DER NATUUR. 



ALBUM DER NATL'UR. 



EEN WERK 



TER VERSPREIDING VAN NATUURKENNIS 



ONUER BESCHAAFDE LEZERS 



VAN ALLERLEI STAND. 



1855. 



TE HAAKLEM, BIJ A. C. KRUSEMAN. 

1855. 



SWKIiPERSIIRlIK VAN A. C. KRUSEMAN. 



INHOUD. 



Levensberigt van A. S. Kueb Blz. 1 . 

De physische gesteldheid der Maan. Frngraent eener voorlezing dooi' wijlen 

Dr. A. S. RuEB ■' 6 . 

« Kurk en kurkvorming, door P. Harting " 13. 

Plantengroei aan de landengte van Panama, door v. H " 30. 

Broeijen van nachtegalen in gevangen staat, door W. V " 32. 

Spinnende watertorren , door Cl.\as Mulder " 33 

Iets over den Epyornis, door AV. V ■■ 57 . 

Heemann von Meyer's gevoelen over het bestaan van den mensch in de 

voorwereld , door S " 59 . 

Zienersberigten van het oorlogstooneel , door Ln " 61 . 

Twee nieuwe hulpmiddelen voor de tijdsbepaling in het dagelijkseh leven, 

aanbevolen door F. Kaiser " 65 . 

De Kolibri , door v. H " 03 . 

De Baobab, door v. H - 95, 

De kracht der gewoonte , door Ha " 96. 

Natuurhistorische schets der visschen, en van hnnne bcteekenis voor den 

mensch, door Dr. A. W. M. van Hasselt '• 97 . 

Het bovennatuurlijk krijgsheer, gezien bij Büderich den 22 Januarij 1854, 

herdacht door F. Kaiseb " 123 . 

De zakboom, door Hg » 12S. 

"*■ De Stereoskoop , door P. van der Burg " 129 . 

■■ Het ijs en de ijsvorming, door W. A. Hazeu ■' 147. 

Natuurhistorische schets der visschen. {vervolg en slot.) ■> 161 . 

Klimaat van de Krim, door v. H » 189. 



VI 



Verscheidenheden van muizen, door Cl. 51 BI/. lUO. 

Een arend gevangen door een oester, door Hii " 192. 

Over den regenboog en eenige verwante verschijnselen, door Dr. K. M. Giltay. - 193 . 

Eenige woorden over het lichten v;in een Zuid- Amerikaanschen springkever, 

door Prof. J. van der Hoeven - 205 . 

Lichtbeelden, door Mr. J. A. van Eyk " 312. 

Het verst verledene en de verste toekomst. Een blik in de schepping des 

heelals, door P. Harting -' 225. 

De melodie der planten, door F. W. van Eeden •• 267. 

Iets aangaande den harmonischen overgang van het planten- tot het dieren- 
rijk, door Q. M. R. Ver HutLL - 289. 

Steppen , savannes , prairien , door v. H ■■ 296 . 

De beweging der aardeen hare jongst ontdekte bewijsgronden, door F. Kaiser. » 299. 

Natuurkennis als opvoedingsmiddel, geschetst door P. Harting " 363. 

Over de behandeling en genezing der idioten. (Naar het Deensch.) Met een 

naschrift, door J. van der Hoeven ■■ 374- 

Een blaadje uit mijn journaal, door Mr. W. B. Bergsma - 388. 



LIJST DER AFBEELDINGEN. 



Steendrnkplaat. 

Knait van de zigtbare oppervlakte der Maan, 
volgens de kaart van Beer en Müdler. 



Hoatsneden. 

Kaartje vaneen gedeelte der Maans- 

oppervlakte BIz. 8. 

Ringbergen „ j ] . 

Bergrug met kraters „ ] i . 

Afbeeldingen tot de kurkvorming be- 
trekkelijk. Bk. 16, 17, 19, 20, 28 en 29. 
De kurkeik. {Quercus robur) . . . .Blz. 26. 
Groote watertor. {Hi/dropkilus 

piceus) „ 34 _ 

Spriet van Eydrophilus ., 3S. 

Spriet van Dytiscus marginalis . . ■■ 39. 
Nestjes van Watertorren. . . . Blz. 41 en 42. 

Spinnende watertorren •. 44 „ 45 

Maskers van watertorren Blz. 48, 

'iies.iiQSwa.nHi/dropkiluscaraboides. » 51. 
Werktuig voor de tijdsbepaling van 

Seiler „ g2 

Werktuig voor de tijdsbepaling van 

Eble „ 85. 



Vliegende visch Hlz. 100. 

Malthcea vesper lilio ., 101 . 

Vischschubben ., ]()| . 

Kofferviseh „ io;J . 

Zaagvisch .... .- 104 . 

Zwaardvisch „ 104. 

Syngnathus foliatus ., 104. 

Zuigmond van den lamprei - 105. 

Cyclopterus lumpus „ 105. 

Echeneis osteochirus (Kemora.).. ■, 105. 

Anarrhickas Iwpwi (zeewolf; verhe- 

melte en keeltanden) ,, 100. 

Slomias boa „ jq^ 

Papegaaibek van eene Scarus-sooti . « 1 07 . 

Vranoscopus (Hoo^kijker) ,/ 108. 

Plaatsing der oogen bij Rajabatis 

en Zygaena „ 108. 

Pomaiomus -sooTi (Grootoog).... ■- 108. 

Amblynpsis spelaeus « 109. 

Siluncs darias. (mond-draden). . ; 111. 

Zeus ciliaris. (vin-draden) ■. 111. 

Sciaena aquila. (zwemblaas.).... ,/ 116. 
Pogonias cJiromis. (zwemblaas.).. .. 116. 
Chironeetes pictus. (borst- vinnen.) - 122. 
Anabas scandens.{V'\aa.y,-sj>oustu:) » 122. 



VIII 

Stcreoskoop vnn Brewster Blz. laO. 

Afbeeldingen betrekkelijk den stere- 

oskoop Blz. 143 en 145. 

Lophius piscatorius Blz. 163 . 

Epibulus insidiator - l*"'*- 

C/iehuo ro-i/ra/us. (spuitviscli.) . . . - lö4. 
Vischkuit, gehecht aan een e water- 

plant •' 167. 

Kralensnoervormige haarskuit. . . . " 167. 

Ei van den panther-haai ' 167. 

Zeepaardje " ' " ' 

Fossile haaitand ' 1 ' " • 

(72//)rJ«/« i«'i«.s. (barbeel.) " 174. 

Gadiis luta. (puitaal.) " 174. 

Clupea thrissa. (goudsavdel.) . . . . ■' 175. 

Tetrodon ocelUlus. (geoogde op- 
blazer.) ' 1''°- 

Balistes monoceros " 175. 

Tetrodon-ioovi ' 1 ' 7 ■ 

Gi/muolus eleclncus.{i\Aii:tAA\.).. ■ ■■ 178 



Torpedo raja. (sidderrog.) Blz. 180. 

Bleetrisch toestel van ï'or/)erforfl;fl. " 180. 

Traehinus draco. {\i\e.i6\mw..) - 180. 

^C(T»//<«rKSC,4j/«?y?(«.(staavtstekel) - 181. 

Raja yasiinaca. (staartstekel.). ■ • " 181. 

Belone-iwxi. (bek.) ■ 1 8'^ • 

Sqaalus carcharias. (menschen- 

vreter) " ^^'^ ■ 

Haaibek " 184. 

Afbeeldingen betrekkelijk den regen- 
hoog en daarmede verwante ver- 
schijnselen. BI. 195, 196, 197, 198 en 20:5 . 

Spriet van Eluter noctilacus Blz. 20G . 

Elater noctilucus " 2'^' • 

Luchtbuizen van Elater noctilucus. « 209 . 



214. 



Kleuren-spectrum 

Bladen van Bionaea muscipula .... " 290 . 



P/iasma-soOït. 



292. 



Wandelend blad " 2ü;5 . 



Zoüphytcii . 



295 



LEVENSBEUIGT VAN A. S. RUEB. ^ 



A 

.^DOLF sTEPHANus RUEB werd geboren te Rotterdam, den 6'"=» 

Januarij 1S06. Hij was de oudste zoon van den heer christoffel 

RUEB, makelaar, en diens echtgenoote petronella van heuket.om. 

Reeds van kindsbeen af vertoonde zich in zijn karakter eene 

ernstige rigting, gepaard aan bij zonderen aanleg voor de beoefening 

der wetenschappen. Grooten invloed oefende, gedurende dit eerste 

tijdperk zijns levens, op hem uit pieter curïen, lid van het 

Bataafscli Genootschap, die hem van zijn elfde jaar af in de 

rekenkunde, algebra en wiskunde onderwees, en wiens methode 

van onderrigt aan eene groote mate van grondigheid eene zekere 

omslagtigheid paarde, zoo als deze meer aan autodidakten, gelijk 

CURTEN was, eigen pleegt te zijn. Inderdaad schijnt het, dat dit 

onderwijs de voorliefde van rueb voor de streng mathematische 

wetenschappen bepaald heeft, en aan zijne studie eene rigting heeft 

gegeven, die latere voorbeelden en andere methoden van onderricht 

wel eenigermate hebben kunnen wijzigen, doch zonder de diepe 

sporen, welke het vroeger genotene had nagelaten, geheel te kun- 

nen uitwisschen. 

Veertien jaren oud zijnde, bezocht hij de Latijnsche school te 
Rotterdam, aan welker hoofd toen de rector terpsïra stond en 
verliet haar in 1825 als een veelbelovend jongeling, op wien al'len, 

1) In het afgeloopen Jaar is de lijst onzer medearbeiders met een' naam verminderd 
dien vanDr.A.s.EUEB, lector in de sterrekunde en directeur der sterrewacht te Utrecht' 
Wij vleijen ons dat een beknopt levensberigt van dien verdienstelijken man aan onze 
lezers welkom zal zijn, en zoo ook het berigt, dat wij in staat gesteld zijn uit zijne 
nagelaten met in druk verschenen geschriften over sterrekundige onderwerpen eenise 
fragmenten in dit Album op te nemen. ' 

De Eedactie. 
1 



die hem kenden, groote verwachtingen bouwden, om verder aan 
de Hoogeschool te Utrecht zijne studiën in de wis- en natuurkun- 
dige wetenschappen voort te zetten. Het was het tijdperk, gedu- 
rende hetwelk moll een der sieraden dier Hoogeschool was, en 
vooral tot hem, den levendigen genialen man, voelde rüeb zich 
aangetrokken, welligt juist uit hoofde der tegenstelling, die zijn 
onderwijs met het vroeger genotene opleverde. 

Op den 19''«° November 1834 verwierf hij den doctoralen graad, 
na verdediging eener dissertatie: De motu gyratorio corporis rigidi, 
nulla vi acceleratrice solUcitati. 

Den 8='^" Maart 1836 werd hij door den stedelijken raad be- 
noemd tot tweeden onderwijzer in de wiskunde aan het Utrechtsch 
Gymnasium, van welke betrekking hij echter reeds den 12"!^" De- 
cember 1838 op zijn verzoek weder ontheven werd. 

In de maand Tebruarij van 1839 begaf hij zich op reis, be- 
paaldelijk met het doel, om buitenlandsche wetenschappelijke instel- 
lingen, inzonderheid die welke aan de beoefening der sterrekunde 
wewijd zijn, te leeren kennen. Hij bezocht achtereenvolgens Parijs 
en andere plaatsen in frankrijk, stak toen over naar Engeland, 
waar hij eenen geruimen tijd te Londen, Oxford, Cambridge en in 
andere steden vertoefde, begaf zich van daar naar Hamburg, en toen 
naar Berlijn. Het was op die reis, dat hij de tijding ontving 
zijner benoeming tot Observator bij de Sterrewacht aan de Hooge- 
school te Utrecht, bij koninklijk besluit , gedagteekend 19 December 
1839, welke betrekking hij, in Julij 1840 teruggekeerd zijnde, 
aanvaarde. Later, namelijk bij koninklijk besluit van 16 Junij 
1843, werd hij bovendien benoemd tot Lector in de Sterrekunde 
en hem tevens de directie van de sterrewacht opgedragen. 

Behalve deze betrekkingen nam rueb er echter nog verscheidene 
andere waar, tot welker vervulling hij werd aangezocht, en die, 
beter dan eenige lofrede, toonen, hoe zij, die rueb van nabij ken- 
den, zijnen ijver en bekwaamheden op prijs wisten te stellen. Al- 
tijd bereid om, waar hij kon, nuttig te zijn en het goede te helpen 
bevorderen, bekleedde hij gedurende verscheidene jaren den lastigen 
post van secretaris en penningmeester van het leesmuseum, terwijl 



— 3 — 

hij ook na zijn aftreden als zoodanig nog tot aan zijnen dood toe 
lid der direktie daarvan bleef. In 1853 werd hem de meer belang- 
rijke betrekking opgedragen van Algemeen Secretaris van het Pro- 
vinciaal Utrechtsch Genootschap, waarbij hij in zich de beide be- 
trekkingen vereenigde , die vroeger afzonderlijk door zijnen overleden 
schoonvader numan en door den heer van marle vervuld werden; 
en nog in het loopende jaar, weinige weken voor zijnen dood , werd 
hij door den stedelijken raad benoemd tot lid en thesorier der 
Plaatselijke Schoolcommissie. Van alle de vaak lastige en raoeije- 
lijke pligten aan deze verschillende betrekkingen verbonden, kweet 
hij zich steeds met eenen ijver, zorg, naauwgezetheid en orde, die 
door weinigen geëvenaard, door niemand overtrofien kunnen worden. 
Maar vooral moet hier genoemd worden het deel, dat kueb ge- 
nomen heeft aan de Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche en 
vreemde koloniën, inzonderheid betrekkelijk de vrijlating der slaven, 
uitgegeven door eene redactie, bestaande, behalve uit rueb zelven, 
uit de heeren Mr. j. ackersdijck, Mr. p. a. broers, Mr. w. j. 
HoiJïEMA , Mr. j. HORA siccAMA CU Mr. G. w. VREEDE. Ook hier was 
RUEB met den post van secretaris belast, dat wil zeggen met de 
eigenlijke werkzaamheid, en dat hij deze nieuwe taak op de voor- 
trejffelijkste wijze volbragt, getuigen de vier boekdeelen, welke van 
184é tot 1848 verschenen zijn, en waarin zeer vele oorspronkelijke 
opstellen van zijne hand zijn, andere eerst door zijne zorg voor de 
uitgave geschikt zijn gemaakt, terwijl hij bovendien eene uitge- 
breide zoowel binnenlandsche als buitenlandsche briefwisseling be- 
treffende deze aangelegenheden onderhield, waartoe niemand beter 
dan hij geschikt was, uit hoofde der gemakkelijkheid en zuiverheid 
waarmede hij ook in andere talen dan zijne moedertaal schreef. 

Den 14^en Augustus 1845 huwde rtjeb met de eenige dochter 
van den uitmuntenden nijman. Alle zijne vrienden verheugden zich 
in die gebeurtenis, want zij voorspelden zich daarvan, inzonderheid 
voor hem, de weldadigste gevolgen. Eeeds van nature ernstig van 
karakter, hadden zich, gedurende zijne reis de eerste sporen ver- 
toond van een ligchaamslijden, waaronder ook zijn geest gebukt 
ging, en dat bij hem eene overhelling tot droefgeestigheid wekte, 

1* 



— 4 — 

welke, door het eenzame kamerleven van den geleerde, niet dan 
versterkt kan worden. Ook hadden zijne vrienden zich niet bedro- 
gen in hunne voorspelling. De stille gezelligheid van het huisse- 
lijk leven , de liefde van zijne echtgenoot en van een viertal kin- 
deren oefenden eenen vermogenden en heilzamen invloed uit op zijn 
voor alle zachte en teedere aandoeningen hoogst vatbaar gemoed, 
en hoewel hij nog van tijd tot tijd de aanvallen zijner reeds ver- 
ouderde kwaal gevoelde, zoo wist hij doorgaans door ligchaamsbe- 
weging, vooral door het genot der vrije natuur op uitgestrekte 
wandelingen, de uitwerkselen daarvan op zijnen geest te voorkomen 
of te verdrijven. De eerste jaren van zijn huwelijk gingen dan ook 
in kalm huisselijk geluk voorbij. Toen echter braken voor kueb 
en zijne echtgenoot droevige dagen aan. In het begin van 1851 
stierf hun jongste kind. Maar vooral was het jaar 1852 voor hen 
noodlottig. In dat jaar namelijk betreurde eueb het smartelijk ver- 
lies zijner moeder en zijner eenige zuster, terwijl nog in datzelfde 
jaar ook de waardige num^n bezweek, dien rueb als een zoon 
lief had en als eenen vaderlijken vriend vereerde. Onder deze op- 
volgende slagen ging zijn gemoed diep gebukt en verhief zich he- 
laas niet geheel weder. Zijne gezondheid verminderde allengs, en, 
hoewel hij, volgens zijne gewoonte, zijn lijden in zijn binnenste 
verborg, zoo was het duidelijk voor ieder die hem van nabij gade 
sloeg, dat er een worm aan zijn leven knaagde, totdat op den 
j^O^en Maart 1854 zijn einde daar was. 

EuEB was een dier menschen, wier vele voortreffelijke eigenschap- 
pen slechts door hen naar waarde kunnen geschat worden , die hen 
van zeer nabij hebben gekend. Als man van wetenschap muntte 
hij uit door de veelzijdigheid zijner kundigheden. Behalve van zijn 
hoofdvak, de sterrekunde, was hij een ijverig beoefenaar en gron- 
dig kenner van geschied- aard- en volkenkunde, en hij , die zich met 
hem in een vertrouwelijk gesprek begaf, vooral hij die het genoe- 
gen smaakte hem op eene zijner groote wandelingen in de schoone 
Utrechtsche omstreken te vergezellen , had vaak gelegenheid zijne 
uitgebreide belezenheid, zijne kennis van menschen en zaken en 
zijn helder oordeel daarover te bewonderen. Zulk een vertrouwelijke 



omgang was echter daartoe noodig; want in eenen grooteren kring 
zocht KUEB nimmer te schitteren. Uit zijnen aard stil en overmatig 
bescheiden, hield hij zich dan altijd op den achtergrond. Dit was 
het ook wat hem steeds verhinderde, na het uitgeven zijner disser- 
tatie, als schrijver onder zijnen eigenen naam op te treden. Slechts 
eenmaal deed hij het; maar toen was het niet om eigen roem te 
behalen, maar om der nagedachtenis van zijnen overledenen vriend, 
den voor treffelij ken wencjcebach, hulde te bewijzen, en hij deed 
dit toen op eene wijze, die ieder overtuigen moest, dat de schrij- 
ver zelf een warm hart bezat en een meester was in het gebruik 
der taal. 

Heeft dan ook rueb minder geschitterd in de oogen van het 
algemeen, — heeft de roem zijnen naam niet omgeven met eenen 
zoo vaak ijdelen stralenkrans, — die naam leeft toch in de nage- 
dachtenis van hen, die hem hebben gekend, als die van een edel 
mensch, die, geheel vrij van zelfzucht, zijne vele talenten steeds 
heeft aangewend ter bevordering van hetgeen hij wist goed en nut- 
tig te zijn, en die als zoodanig onder de hoogst verdienstelijke 
leden der maatschappij zal gerangschikt worden door elk, die meer 
prijs stelt op innerlijk gehalte dan op uiterlijken glans. 



DE PHYSISCHE GESTELDHEID 

DER MAAN. 

FRAGMENT EENER VOORI-EZING 

DOOR WIJLEN 

Dr. A. S. EUEB. 



IJe middellijn der maan is slechts ruim 14 der aardmiddellijn , 
haar inhoud alzoo 50 maal kleiner dan die des aardbols. Hare massa 
is 81 maal geringer, gevolgelijk hare digtheid slechts ruim de helft 
(0,61) van die der aarde. De zwaartekracht bedraagt diensvolgens 
op de maans-oppervlakte 6 maal minder dan bij ons. Jaargetijden 
kent zij schier niet, want de omwentelingsas is bijna loodregt op 
het vlak der aardbaan; doch daarentegen zien de maanbewoners 
(indien zij bestaan) de zon onafgebroken gedurende 14 maal 24 
uren, om haar daarna gedurende even zoo langen tijd te derven. 
Zij moeten dus zulk eene bewerktuiging bezitten dat zij veel groo- 
ter hitte en veel grooter koude in veel korter afwisseling kannen 
verdragen , dan wij hier op aarde ondervinden. Doch nog in andere 
zeer gewigtige opzigten is de toestand , waarin zij verkeeren , geheel 
verschillende van dien , in welken wij aardbewoners ons bevinden ; want 
zij missen niet minder dan lucht, water, vuur en geluid, voor ons 
onontbeerlijke behoeften van ons ligchamelijk leven en geestelijke 
ontwikkeling: zoodat, indien de maan inderdaad door denkende en 
gevoelende schepselen bewoond mogt wezen, wij ons geen 't minste 
denkbeeld kunnen vormen van hun bestaan. 

Vraagt gij , met welk regt de sterrekundigen van den toestand 
onzer naaste geburin een zoo akelig tafereel, althans volgens onze 
aardsche voorstellingen , ophangen , — het antwoord is dat zij dit alles 




-V I)du,-. 


Jï 


Roscribciycr. 


ri Uosl. 


ÏS 


Y/accf 


'Zo Mttifirius. 


IV 


Hommel . 


Z-i toncfotfiont^nnts. 


■;a 


Piliscus. 


'iS B(t{/t/\ 


■u^ 


hnco. 


!(■■ Sc/u //er 


1-1 


Cui-ü'r 


n P/toc\ /il/es. 


•li 


Sleinlteil . - 


«.< IVoij/cnlin. 


M 


Clairemt 


i!> Slreit 


?j 


Iliiiocius 


30 WMic/nvI. 


M 


Licetus 


3ï Ini^/itfiuni . 


17 


O/cii 


3'X Sau.vjure 


C^ 


Mttrt/ltts. 


i'-i ycisir Eddifi . 


19 


M-^ii 


Ji I'iclet 


30 


Mc lias. 


33 Tyx/io. 


31 


Fairi'cius. 


30 &'c/tic/card 


32 


Nico/f II . 


37 Orotiliiii- . 


:iS 


Mciiii v/\cus . 


JS i'tis/èriilcs . 


34 


S/o//ci\ 


3s Jfciiisroy 


3S 


Fraiicii/ui/cr . 


'iu Hanze/ . 


36 


Furncriiis. 


Hl l)rc/i/v/ 


37 


U/icita . 


^i'l Li'/iiitaiifi 


SS 


Kiccins. 


■iS hoii^itrcl. 


JP 


ISuschiiief. 
Biicli . * 


« LCJLV//. 


-lO 


V Oaiificus. 


't! 


h'eiiu/iiis. 


'i6 \['ui-iv//iaaei\ 


ii 


yoniits . 


47 C'u/iiis 


■l3 


Slc^'iniis. 


■is Oipiuilllls. 


'l'j 


Hcic/icnhacli . 


i'J Piciiit 


4S 


Xe tl II (/er 


jO Ldf/rcilK/c' 


-iö 


Sliboriiis 


Ji II a/lcr .' 


■i? 


Raöbt Levi . 


J'l lUyio/fton/aftiLs. 


is\ 




sj ma 


49 


Linden au. 


■r^ Pitii/iis 


}0 


iaffiU. 


Jj Hcsio//us 


Si 


Gcmiiia Fristiis. 


SO Mtrcvi/or. 


S2 


Fois/cn 


J7 CaiiipaiLUs. 


33 


Alliitcciiiis 


SS Vilc//o. 


Si 


Hiiiiilio/df . 


■!!> ÜOpflc/lllttl/lT. 


35 


Lci/cudre . 


6o Futirter. 


Sd 


Hmc 


Ik l'u/ti 


37 


Fa/i/zsdi . 


62 I'uiIim/i . 


SS 


Sn cl II lis. 


(i.; /O CS . 


S;l 


Pclai'ius. 


ó'i Hijjpti/tis 


tio 


BorJa 


^S Ctn'cn(/islt 


6j 


ftcco/uimiii . 


6ii B\/t/iiii. 


6i 


Pon /(lil lis. 


67 Tl IC OU 


03 


tterin'i'. 


r.^ J, ,„„y,„/ . 


- Cxr, 


.1 



II. 



ƒ Miitiih nf 


1 Se lil lil en II IJ 




• .S'efiióliT .' 


1 Goilin . 


,1 Oambarï 


4 Rem/iolJ 


j IlhaeUniS 


S, Eiike. 


li S'fhnbfrt 


f Uextl 


7 ApaZ/oiiius- 
.t üwivt-fUi»- 


7 Cai-alerius 


S P,if/a.i 


« Aar/ppa 
A. AriiH/iKat- 


10 HorteiixiHS 


II FnesnreltT 


II Ilftiier 


/;■ f'irMiCM.t . 


li Coprrmeus 


Li TiiritiiUus 


IS h'fpler 


I-i Araifo. 

i.f .s'illvr.<rAlditf 

^ Xepfr 

1! Sosi^iin '- 


1-, (laltlet 
IS Ofl'/rs 


ui SUiilius 


17 MilteJiitis 


If .fii/tii.' Caesar 


ts Marüii 


11 liofccvuh . 


IS Krnlo.ithenes 


S fc'" 


ZO Garf.iif/ac 


11 Bèssaritm 


•J Condor<tl. 


il Cardtintif 


23 Vfisan/f i^Hia 


ii !(€>/$. 


.-. KW/' 


.( Hiiiisfn 


:s M.n/.r 


:fl Ayaitiin p'wié 


> Kr./l 


:7 Putini. 


; 7 iliiijütirng 




:.f l'stflas 


:■> Pluiiu* 


:■> Se/iucus 


M> Manilius 


jo Lambert 


]l,\ AlhaMft . 


Jl t'iifrr. 

Jt An.t(ait:/iiif 


}J Pivcluf 


.IJ Herofltflus 


u Afactvluus 


'f ftmne/uiiis 


JS Vi/riiii/fs. 


>S la ifire 


M Miv-alth - 


J6 Bivphantiis 


■7 J.itiifw 


.17 hrt^ys 


:-'■ Af/iffuaiae proin 
-•• Tiupiet 


,(.*' Ariliimetitv 


I." lUliam 


fi Mcriflatu 


-w Carhin 


., ne.-:ici 


.,/ Ur/i.-/. 


li Siilpiciiix C'a//"j 


..t WW/iM/on 


iJ i'onoii 


1' l.iehlfiil'crff - 


,, (hutm 


,, COnffi fleii- 


..< /'hitmWii/.-' 


■;.'. Laioisie'r 


■'• Al lil r/iiii'/ 


iö firo 


i' C/fOfiiff/f.-i 


i7 l.fiplfiee pro'i 


.n Romer. 


,.s- Ilcrniliticv 


.■' /.<- Motimer 


-.■> M.iiiaii. 


h. llacHey 


.10 X/iiirp . 


Il Aitiltis 


Si Loiivilli- 


.:.- Vraillty. 


S.: Hiinlniif 


■J Hahn 


Ji (•enirc/ 


.y. Üerosus 


.U rf,itü 


i) r,vf//e.^- 


JJ Aliiiipirliiis 


■i- liiinhfuinlt 


.H. Comhnniiic 


'! (•fiinniL- 


.'/ Bi II II e /il lil 


■!■ Iterimmlli 


.fS ISoitipier 


-■" l'oaiiiviiiii» 


J'J fliirpit/iil' 


<^ Mots ai!' 


f,t' aiWMifr.' 


,.i An.'hlhi>. 


t; H.p.^M 


<•! O'auss . 


r..- s-\.i,u„.n.- 


li Mesfiila 


M Uiucbc»-- 


öi lle'rzrluis. 


(.^ Tiumeiis 


of fnmUii,. 


t.S CUvshfilu.1 . 


l'b ('t til pp lis 


06 Xeitop/iaiic! - 


>■' TlieiifUliis 


01 Aiiiraiiieiiii/ei 


/.. r.isfiin 


f-f Pythiiiicras 


,- lloU 


f"> Êmtfeiic3 
70 Aiui.\iup>rii.« 


't' Schiiiiiiiiittr 


n Mrinv 


11 I'hilofaiis 


!.' ieptiriis 


li AiiMiineiHs 


:■■ Ofi-iU-d- 




7i Mimrn . 
7S l'liiiia ■ 


IIL 


;<■ lliirif . 


/ Miihnnrl 


;; KuiloA-iis 


2 fiibnis 


'".* Mfiiiiiuis 


S .\'ewl4ia 


!■> At f as 


J Shovl 


.•■.' Ikiriilei 


J t'asahia 


yi Ihiili 


é Jtoiftu.t ■ 


M .\r.^U>ides 


I h'/apr-flt/i 
S ll'i/ioii 


.«' Km,U 


,', t:„.hni,o,i 


" A'iir/ier . 


■ • Mriilm 


IQ C\-siilux 


'<■ Ih.tks 


tl (iiiteiiibeiffer 


.-' Oiirlllfi' 


li Bliiiicninii 


,','■ Ih-iiiiiiriliix . 


IS Belt UI II» 


■■' Aie/iy/fix 


li Bainy 


■V. Ariu'li/ 


if Claviiis 


■: Mrh'i, 


II- S,-li.-nn-r 


■■: liariow 


17 \y.iwl 


Kiitl.ninii 


n 2inliiii.i 


'. Srorr.sfn 


f' .Vif/ii.-r 


■■■ (iiöpi .' 


Si' miis,n 



K A A K T 
r.i.v iHi 7Ai:rs.uiE arrjir.ri.uïTE der MA.m. 

vnlqriis .If N.iarl v.u. BKKR .-.. MADI.F.Ii. 




;v D./ue 


17 


Rf^nib.Kjir 


,'r Bn-'t 


ƒ.'■ 


yiacif 


iJ Minfiiiiii 


/•> 


Hom mei 




ia 


Piiiseiis 


iS Biii/rr 


u. 


Biico. 


3(- Sc'/itlUr 


1Z 


Cuvier 


il P/nicyliifey 




Sleüilieil 


if Wriiycntui 


•lA 


Clairaiif 


ÏC Strerf 




Bamciti.1 


it> WiUidfiLl- 


■!6 


Licetiis 


U Ii.i//iiranu . 


tl 


OUii 


.U SauxfUi/' 


7fi 


Miirimis 


ii Xasir Eddüi 


19 


\cga 
Mctui.- . 


.V, rutcl 


Jt> 


.XI Tydto. 


Jl 


Fabricitis 


W S\l„ckard 


32 


Suoliii 


37 Oiaittius . 


,ïj 


}Sauiol\cus 


JS ó'eis/è/it&s 


U 


A'to/ler 


i9 Ueinsius 




Fi'auetihi>fir . 


■ia Hniixef. 


S6 


Furiicruis. 


il DitiiM 


37 


liheifa 


■iï Le/iMnitn 


3jI 


Ricirius. 


■ii lioiivard. 


iP 


Duschüiq 


■;-% LfjceU- 


-iO 


Diie/i ■ 


■iS Gaui'icus. 




FrrneU'iis. 


ió JiuizMttuci: 


-J2 


Xotntis 


il Cieliitg 


-W 


Aten II lis. 


ix Capimniis 




Reidienhach . 


i? Pmy.M 


is 


Xeaiif/er 


So Lai/rtirii/e 


-W 


Shberius 


SI II (i/ler ' 


m 


RtMn l.evi- 


Si Itetfioiiiontaniat 


is] 




sj mu 


iP 


Lmeieiiau . 


Si Pitfidis 


Jo 


'Laqut 


SS Ifcuoflus 


Jl 


Gciiiiiia Fri.mis 


Só Mercalor 


SI 


toisfüti 


Jr Caiiiptinnx 


SS 


Alliiit'^iiiis 


S3 Muilü 


Si 


Ifiimbvidt- 


so Doppfl'imi/er 


SS 


L enciidre 


6o Faiinrr 




UiL.' 


Oi l te/a 


S7 


Fahttsdi 


Ö2 Piirliiifh 


SS 


Siidlius 


I'S h'ic.1 


SU 


Pelat-ius 


Pi Uipptilus 


Hti 


RoiJa 


f.' Ca\ ■cnehslt 


61 


Pieiüloiiitin 


66 Byri/iiis 


6z 


Punliiiiiis 


bi fhebil 


63 


Weiiui- 


( i .{i iuclicl 


Ó1 


Apuinu-< 


1- AriKiriiirii pront 


. es 


Itecidiieiis 


,-. Biilhiilil 


66 


Biot 


'1 Aii.ill„u,hi,i,-<,- 


67 


StiiitJiee/i 


;.■ (lii-t/ciii/i 


6s 


FiiiinsU'itiis. 


r. M,■r.<<■,>„>,^ 


&- 


Poh/uii.y 


Tl Alfi'lllllllll.l 


TO 


Fehmil 


TT Mf^honsa^ 


II 


SiiiTi'btneo 


76 Dilly 




jMIp/ll. 


JT }]>lihliui 


73 


Abeii hJiiit 


<v Sirxfi/is 


74 


P/,n/'uir 


79 Criu/fr 


7S 


1.11 Oud^ 


so Ptolomiuiii.- 


76 


Jle/itiim 


St l)a\y 


77 


W'eiideiiiui-" 


Si Oii.Tikt 


7Jf 


imk 


■U Ptirry 




C'if/oiiibo 


Si Soriplaiid 


So 


Bohneid'i-iiKr 


SS Eiidules 


SI 


Beau lilt" Il 


fé Utiviii,^ 


JV 


('idliiiri'Ui 


ST HunicUeii 


Si 


TtHilus 


SS Heiic/iel 


Si 


Alnuiiiwn 


99 LiilniKte 


.ï.- 


AhidfMa 


90 Fra Alaiiiv 


.« 


Gebèr 


91 ¥Uuii.-.k,,l 


."7 


Airt 


n Ihiin.HSfiu 




AiM/aiiii.' 


fj Griiii.dffi 


.'V 


Lapis ititiic 


?i Mipsfiin/ 




Ahiijdiuieiis 


9S Liinilshin 


■'/ 


t\ rdliis 


96 Lofiiwii'iiii 




fbeophdiis 
/ümï 


!>7 Riccwli 






Pi 


Drxctirhvi 


w. 


."S 


UoHoiut 




«r. 


Parivl 


1 .Scliaiiibcriicr 


•'T 


.Ubateiiiiiiis 


s Boiiii.flawskv 


.".< 


Miic/iimtn . 


s Siiiipdiiit 


A-' 


l.iiiiiieeiliM. 


■t Boii.-'l»ui,iull 




J/c AjV.V 


S Uiiiniiiiis 




(.odeiini.- 


(■ Peiill'iiid 


w: 


diitli-nbin/ 


j Ciirhiif 


H'J 


Oipdlii ■ 


s Nitliis. 


loi 


Isidoriis 


9 Poiitecoiiloiit 


ICS 


('eiiiiiriiiiix. 


10 Hun lic 


106 


Tari-ieflfi . 


tl Hntl<-niiv 


lOJ 


Ih pidiH 


J! Xt'iiiv/lil'f 


lei 


JÖIiiimiiius 


IS Jm-obi . 




Ymior 


i; f.,i,-li 


lic 


tielambiv 


,s Lilti.s 


lU 


Tlieim 


,(~ Bnl.i 




Hippiu-diiis 



I 



-besluiten uit de plotselinge verdwijning der vaste sterren, welke de 
maan in haren loop, gedurende korter of langer tijd, doch hoog- 
stens een goed uur, bedekt. Uit deze veelvuldig waargenomene 
sterrebedekkingen blijkt namelijk, dat de maans-dampkring , zoo hij 
bestaat, minstens 1000 maal ijler moet wezen dan onze aardsche-, 
want reeds een slechts iets digtere dampkring zou eene bespeur- 
bare straalbreking moeten bewerken, welke deels eene trapsgewijze 
verzwakking van het licht der bedekt wordende ster zou veroor- 
zaken, deels vooral den tijdsduur der bedekking merkbaar verlen- 
gen. De maan heeft dus geen' dampkring. Maar diensvolgens kan 
er ook geen water noch eenige andere vloeistof aan hare opper- 
vlakte bestaan, want deze vloeistof zou onmiddellijk verdampen en 
eene atmospheer vormen, 't geen met de waarnemingen in strijd is. 
Dewijl voorts de meeste verbrandingen bestaan in eene scheikundige 
verbinding van luchtsoorten met andere stoffen, zoo kan, in den 
regel althans, noch vuur noch licht op de maans-oppervlakte on- 
derhouden worden. Eindelijk behoeft het geluid tot zijn ontstaan 
en voortplanting insgelijks de aanwezigheid^ eener veerkrachtige 
gas-vormige vloeistof, en dewijl deze op de maan niet gevonden 
wordt, zoo zijn ook de stem, het voertuig der gedachten , de toon- 
kunst, de uitdrukking des gevoels, van de maan geheel verbannen. 
Inderdaad ontwaren wij door onze kijkers op hare oppervlakte ook 
niets anders dan naakte kale rotsen en bergen, zonder eenigen 
plantentooi, hoedanige er hier en daar op enkele plekken onzes 
aardbols gevonden worden instreken, die vroeger door onderaardsch 
vuur verwoest zijn. In de uitgebrande vulkanen van Auvergne b. v. 
treft men enkele zulke woestenijen aan , waar mijlen ver plant noch 
dier gezien wordt. 

In vroegere tijden, toen men nog niet tot de overtuiging geraakt 
was dat op de maan geen water bestaan kan , en men haar , door eene 
voorbarige toepassing van aardsche analogiën, oceanen toedichtte, 
heeft men de groote , doorgaans eifene , vlakten , die gezamenlijk 
^/s der ons toegewende helft beslaan , voor zeeën en meeren gehouden, 
en ze door phantastische benamingen {Mare Serenitatis, Tranquil- 
liiaiis, Nectaris, Palus putredinis , Oceanus procellarum) onderschei- 



— 8 — 



den. Deze oneigenlijke benamingen zijn, ter vermijding van naams- 
verwarringen, op de nieuwere maan-kaarten behouden, doch aan 
zeeën en meeren heeft men daarbij niet te denken. 

Zoowel de groepering als de vorm der maanbergen is doorgaans 
verschillend van die, welke wij op onze aarde aantreffen. Eigenlijk 
gezegde bergketens, die op onze planeet het veelvuldigst voorko- 
men, zoo als de Andes, de Alleghani's, de Eocky mouutains in 
Amerika, en op kleinere schaal het Kjolen-gebergte tusschen Zwe- 
den en Noorwegen, de Apenijnen, het Ural-gebergte, die zich vaak 
in evenwijdige rijen verre uitstrekken, door lange valleijen geschei- 
den, treft men op onzen wachter weinig aan; meestal vormen de 
maanbergen cirkelvormige muren, vaak van zeer groote middellijn, 
hoedanige men, doch op zeer kleine schaal, hier en daar ook bij 
onze aardsche vulkanen bespeurt. Op sommige plaatsen vindt men 










Kaartje van een gedeelte der Maans-oppervlakte, ruim dubbel zoo groot als 
ons vaderland , met twee ringgebergten en bergruggen. 

echter ook afzonderlijke bergen van langwerpige gedaante, welker 
as over het geheel evenwijdig is met de meridianen en waarvan 
derhalve de nabij elkander gelegene ook doorgaans onderling even- 
wijdig loepen, door evenwijdige valleijen gescheiden (Apenijnen 
Carpathen); doch de lengten dier bergen en dus ook der tusschen- 
liggende valleijen zijn niet aanzienlijk. Voorts zijn de maanbergen' 
doorgaans veel steiler dan onze aardsche bergen, 't geen gedeelte- 
lijk toe te schrijven is aan de 6 maal geringere zwaartekracht, 



— 9 — 

waardoor de ophefiende kracht meer ongehinderd opwaarts heeft 
kunnen werken, gedeeltelijk aan de afwezigheid van al die oorza- 
ken welke de steilten onzer aardsche bergen bestendig verminderen, 
zoo als verweering, plantengroei, bergstroomen , regenwater en ont- 
dooide sneeuw in de kloven der rotsen indringende en deze door 
bevriezing verwijdende en verlengende en alzoo de rotsen van een 
splijtende. Van al deze werkingen, die de steilten onzer aardsche 
bergen onophoudelijk afronden en hun voet met afgevallene rotsblok- 
ken en rotsgruis bedekken, kan op de maan geene sprake zijn, 
welke noch lucht, noch water, noch plantengroei bezit, zoodat hare 
bergen hun' oorspronkelijken vorm veel meer moeten behouden. Wei- 
ligt is ook 't gesteente der maanbergen van meer kristallisch weef- 
sel, en alzoo de zamenhang der deelen grooter dan doorgaans bij 
onze aardsche rotssoorten ; althans schieferige en laagsgewijs splijt- 
bare rotsen , die op den bodem onzer oceanen door het water worden 
afgezet , kunnen wij op de maan niet verwachten. 

Men heeft aan de maanbergen , ter onderlinge onderscheiding 
.de namen gegeven van beroemde mannen, voornamelijk van ver- 
dienstelijke sterrekundigen. 

Dewijl wij een groot gedeelte dier bergen bestendig van boven 
en als a vol d' oiseau beschouwen , kunnen wij hunne hoogte niet 
onmiddellijk meten; dit is slechts mogelijk bij de bergen aan de 
randen der maan, die wij van ter zijde zien. De meeste berghoogten 
worden alzoo berekend door de gemetene lengten harer schaduwen, 
in verband met de uit berekening bekende hoogte der zon boven 
het rakend vlak aan haren voet op het oogenblik der meting. Aan 
een algemeen grondvlak, van 't welk berghoogten opwaarts en diep- 
ten benedenwaarts afgerekend worden, gelijk de Oceaan op onze 
planeet aanbiedt, valt bij de maan niet te denken. 

De grootste hoogte der maanbergen boven hun voet doet weinig 
onder voor de grootste hoogte der aardsche bergen boven de op- 
pervlakte der zee, ja overtreft deze somwijlen, als wij bij ringber- 
gen den top vergelijken , niet met de oppervlakte rondom en buiten 
den ringberg, maar met de veelal diepe holte binnen hun kring- 
vormigen muur besloten. In verhouding tot den maanstraal, die 4 



— 10 — 

maal kleiner is dan de aardstraal, zijn dus vele maanbergen 4 maal 
hooger dan onze aardsche bergen te noemen. 

De hoogste maanberg, Newton, zeer nabij de Zuid-Pool gele- 
gen, is juist 1 geogr. mijl hoog en bedraagt alzoo het ^/^s^ van demaans- 
middellijn; de hoogste aardsche berg, in de Himalaya, is ^ /ie geogr. 
mijl hoog en maakt alzoo het ^/us^ gedeelte der aardmiddellijn uit. 

Om een oppervlakkig denkbeeld te geven van de gemiddelde 
hoogte der hoogste maanbergen kan vermeld worden , dat beer en 
MaDLEE, van de 1995 door hen gemetene hoogten gevonden hebben : 
6 boven de 18000 vt., 38 boven de 15000 vt., 128 boven de 12000 vt. 

De geringste hoogte, welke zij nog met redelijke naauwkeurig- 
heid hebben kunnen bepalen, wanneer zij bij opgaande of onder- 
gaande zon eene zeer lange schaduw afwerpt, is eene hoogte in 
den ringberg Seleucus, nabij den N. W. maan-rand gelegen, van 
162 voeten. 

Gelijk de geologie den betrekkelijken ouderdom der aardsche 
rotslagen bepaalt, zoo kan ook de betrekkelijke ouderdom van som- 
mige maanbergen bepaald worden, doch alleen dan, wanneer ver-, 
scheidene ringgebergten elkander als doorkruisen ; want de middelen 
welke der geologie daartoe ten dienste staan, als de scheikundige 
zamenstelling, de betrekkelijke ligging en opvolging der verschil- 
lende rotslagen , vooral de ingeslotene versteeningen , zijn natuur- 
lijk bij de maan niet aan te wenden , zoodat die betrekkelijke ouder- 
doms-bepaling niet tot geheele formatiën, over de gansche maans- 
oppervlakte verspreid, kan uitgestrekt worden, maar alleen plaatselijke 
opheifingen kan betreffen, welker opvolging zich op het oog laat 
beoordeelen. 

Over het algemeen kunnen de zoogenoemde Walvlakten als de 
oudste bergvormen worden aangemerkt. Zoo noemt men uitgestrekte, 
dikwerf nog vrij onefïene vlakten, soms merkelijk van den cirkel- 
vorm afwijkende, ingesloten door onregelmatige, zeer vertakte, 
veelal duizende voeten hooge bergwallen. Op de kaart van beer 
en MaDi,ER vindt men er 37 van aangegeven , die allen meer dan 10 
geogr. mijlen middellijn, en meer dan 80 vierkante geogr. mijlen 
oppervlakte hebben, terwijl die der meeste meer dan 100, en van 



11 




ecne zelfs 817 vierkante geogr. mijlen bedraagt, dat is meer dan 
IV3 maal de oppervlakte van geheel Nederland. Op 't midden nage- 
noeg der maanschijf komen drie der grootste voor, aan elkander 
grenzende. 

Dikwerf zijn de kringvormige walbergen , welke deze groote vlak- 
ten omgeven, verbroken door kleinere meer regelmatig cirkelronde 
bergvormen, waarvan de grootere ringbergen, de kleinere kraters 

genoemd worden, en die door hare 
plaatsing ten opzigte der wal- 
vlakten haren lateren oorsprong 
verraden. De wanden dezer ring- 
bergen , waarvan de grootste eene 

Rinebereen met en zonder centraaltergen. . j- , ,. i •,, 

^ ^ inwendige oppervlakte bezitten 

van 80 vierkante geogr. mijlen (de grootte der provincie Noord-Bra- 
bant) zijn veelal duizende voeten hoog en vooral aan de binnenzijde 

zeer steil. Zelden is de ingeslotene ruimte 
vlak, doorgaans tot op eene groote diepte 
kogel- of bekervormig uitgehold; in 't midden 
verheffen zich dikwerf een of meerdere cen- 
traal-bergen , die echter doorgaans de hoogte 
des randbergs niet bereiken. 

Van de ontelbare menigte ringvormige 
bergen van alle grootte, welke de maan aller- 
wege, doch vooral in 't zuidelijk halfrond, 
bedekken, is nog slechts een zeer klein 
gedeelte ten aanzien van de horizontale 
middellijn gemeten, en gelijk natuurlijk is, 
slechts de grootste. 

Men treft ook cirkelvormige diepten aan , die 
door geen uitstekenden rand omgeven zijn. 
Eindelijk levert de maanoppervlakte nog twee merkwaardige 
formatiën op, waarvan ons op aarde niets dergelijks bekend is, 
de zoogenaamde groeven en de lichtstrepen. De eerstgemelde zijn 
smalle, diepe, regtlijnige spleten, van 2 ^ 3 tot 25 a 30 geogr. 
mijlen lengte, op eene breedte van 1500 tot 12000 voeten. Er 




a Bergrug door een krater 
afgebroken. — bd Afzon- 
derlijk staande kraters. — 
c e Gegroepeerde en elkan- 
ders randen afbrekende kra- 
ters. 



— 12 — 

kunnen daarvan echter welligt nog veel smallere aanwezig zijn, 
doch die aan de waarneming, althans aan de meting, ontsnappen; 
want een voorwerp op de maan van 1500 voet lengte wordt door 
ons gezien onder een' hoek van slechts O" 26'. De diepte laat zich 
natuurlijk niet bepalen, maar van sommige is het zeker, dat zij 
minstens 1000 voet bedraagt. Beer en müdler hebben 92 zooda- 
nige spleten gemeten en beschreven. Dewijl men ééne en dezelfde 
groeve soms de wanden van verscheidene ver van elkander verwij- 
derde kleine kraters ziet doorboren, moet men deze vormen tot 
de laatst ontstane rekenen. Welligt laten zij zich , ten aanzien van 
gedaante en oorsprong, het best vergelijken met de scheuren, welke 
door aardbevingen in de aardkorst worden te weeg gebragt, of- 
schoon deze, althans in het tegenwoordige tijdperk, noch zoo 
breed, noch ook zoo regelmatig regtlijnig zijn. 

Moeijelijker laat zich het wezen en het ontstaan der lichtstrepen 
verklaren. Zeven der grootste ringgebergten zijn door straalsgewijze 
rondom dezelve naar alle rigtingen zich verspreidende lichtstrepen 
omgeven, die zich soms over eene lengte van 100 tot 120 geogr. 
mijlen laten vervolgen , dwars over al de overige formatiën , vlak- 
ten, bergketens, afzonderlijke bergen, kraters en groeven voort- 
schrijdende, zonder daardoor eenigzins gewijzigd te worden, om 
eindelijk op onmerkbare wijze te eindigen, hetzij in eene vlakte, 
hetzij in een gebergte. Hare breedte bedraagt soms 4 geogr. mijlen. 
Bij volle maan, wanneer door de afwezigheid der schaduwen de 
overige oneflenheden , met uitzondering van enkele zeer glinsterende 
kraters, schier niet te onderscheiden zijn, overschijnen deze licht- 
strepen al de overige terrein-vormen. Het zijn noch hoogten , noch 
lavastroomen, want men ziet ze tegen en over hooge bergen doorloopen. 
De waarschijnlijkste gissing schijnt tot dus ver deze te wezen, 
dat ter plaatse dezer lichtstrepen de oppervlakte, door de werking 
van het ondermaansche, niet tot uitbarsting gekomen vuur, voor 
eene sterkere lichtspiegeling vatbaar geworden is. Zij zouden dan 
als het ware de laatste voor ons waarneembare getuigen wezen van 
deszelfs geduchte uitwerking op de korst onzes wachters. 



KURK EN KURK VORMING. 



DOOR 



P. HAETING. 



sidr zijn in het dagelijksch leven velerlei zaken in gebruik, die, 
welligt juist uit hoofde der algemeenheid van hare aanwending, 
met achteloosheid worden voorbijgegaan, vooral wanneer zij noch 
door sierlijkheid van vorm, noch door pracht van kleuren, noch 
door eenige andere dadelijk in het oog vallende eigenschap de aan- 
dacht tot zich trekken. En toch, vaak is die achteloosheid geheel 
onverdiend, vaak bezitten juist die nederige, de zinnen weinig boei- 
jende voorwerpen eene gewigtige beteekenis voor degenen, die 
haar weten te ontcijferen, en wordt ook aan hen de oude waarheid 
bevestigd, dat uiterlijke schijn niet zelden bedriegt. Tot zulke al- 
gemeen bekende, maar daarom niettemin weinig gekende zaken, 
die bij eene oppervlakkige beschouwing ter naauwernood eenige 
belangstelling waardig schijnen te zijn, behoort de iurL De 
slechts prosaische denkbeelden wekkende uitdrukking: "zoo droog 
als kurk" getuigt het reeds. Zelden wordt zij anders dan in eenen 
ongunstigen zin gebruikt. Het is alsof "droogte" het eenige ware, 
dat aan kurk valt optemerken, tenzij men er ook hare ligtheid 
bijvoege, hoewel het doorgaans in goeden zin toegepaste, poëtisch 
klinkende "zoo ligt als een veder" toont, dat men hier liever 
het punt der vergelijking ontleent aan het zich bovendien door 
sierlijkheid van vorm aanbevelende bekleedsel der vogelen, dan aan 
de onaanzienlijke kurk, waarvan men, ja, de nuttigheid erkent, 
doch zonder het der moeite waardig te achten om verder te vra- 
gen: wat die kurk toch eigenlijk is, — hoe zij ontstaan is, — 



— 14 — 

welke hare beteekenis is in de huishouding der Natuur, — of er meer 
dergelijke voortbrengselen zijn , die in eenige hoofdopzigten daar- 
mede overeenkomen , — hoe zij verkregen wordt en tot verschillende 
nuttige doeleinden geschikt gemaakt; — alle vragen, welker belang- 
rijkheid eerst door dengenen regt wordt ingezien, die gewoon is 
aan de Natuur of aan de wetenschap antwoorden te ontlokken, en 
bij ondervinding weet, hoe zeer onze belangstelling stijgt, naar 
mate onze kennis toeneemt. 

Welligt zijn er echter onder mijne lezers, die reeds hunne ant- 
woorden gereed hebben , en mij te gemoet voeren : "wij weten het 
reeds lang, de kurk komt van den kurkeik, zij is de schors van 
dien boom, die er van tijd tot tijd van wordt afgenomen , gedroogd 
en later gesneden tot stoppen voor flesschen, zooien, drijvers enz." 
Zij, die tevreden zijn met deze oppervlakkige kennis, mogen de 
volgende bladzijden ongelezen laten; maar voor hen, die gaarne 
eenen dieperen blik in de natuur werpen , zullen zij welligt dienen 
kunnen tot bevestiging van hunne overtuiging, dat niets in de 
natuur geheel op zich zelve staat, maar dat men eerst kan zeggen 
eene zaak of een verschijnsel grondig te kennen, wanneer men hen 
in verband beschouwt met andere gelijksoortige zaken en verschijn- 
selen. Tevens zal het uit deze beschouwing ten duidelijkste blij- 
ken, hoe de natuur doeltreflendheid weet te paren aan groote een- 
voudigheid der gebezigde middelen. 

Inderdaad is het er zeer verre af, dat de vorming van kurk, in 
eene meer algemeene beteekenis van dit woord, alleen eigen zoude 
zijn aan den reeds genoemden kurkeik. Integendeel, bij tallooze 
andere planten , bepaaldelijk bij allen , die eenen boomachtigen stam 
verkrijgen, heeft eene ware kurkvorming plaats. Ook de uitwendige 
lagen van vele onderaardsche plantendeelen , b. v. de zoogenaamde 
schillen onzer aardappels, bestaan uit kurkweefsel. Men ziet dus, 
het geldt hier een verschijnsel, dat geenszins uitsluitend bij eene 
enkele of eenige weinige planten voorkomt, maar integendeel zulk 
een, dat zeer algemeen plaats grijpt; en juist die algemeenheid 
doet ons teregt vermoeden, dat daaraan eene gewigtige beteekenis 
voor het leven van zeer vele planten moet worden toegekend. 



— 15 — 

Gaan wij , ten einde zulks duidelijk moge blijken , daartoe in 
de eerste plaats na, wat kurk eigenlijk is en hoe zij zich vormt. 
Duidelijkheidshalve zullen wij echter aan deze beschouwing een zeer 
algemeen overzigt van de zamenstelling der plantenweefsels laten 
voorafgaan. 

Elke plant bestaat geheel uit cellen , dat is uit zeer kleine , door- 
gaans alleen door het mikroskoop zigtbare, vliezige blaasjes. Deze 
kunnen trouwens nog zeer verschillen in gedaante. Zij kunnen 
kogelrond, eirond, vierkant, veelhoekig, zelfs stervorraig zijn, ter- 
wijl andere, b. v. die, welke het hout- en bastweefsel zamenstellen , 
zeer lang en smal zijn, zoodat zij als het ware den vorm van holle 
draden of vezelen hebben. Eindelijk zijn er nog andere, die, omdat 
zij door geheele of gedeeltelijke verdwijning harer boven elkander 
geplaatste tusschenwanden , gepaard aan nog andere wijzigingen in 
het maaksel der zijdelingsche wanden, tot holle buizen worden, 
welke in sommige planten eene aanzienlijke wijdte verkrijgen, 
den naam van "vaten" dragen. Wij behoeven ons voor ons 
doel echter niet te begeven in eene uitvoerige beschrijving van 
deze verschillende soorten van cellen, noch de wijze na te gaan, hoe 
zij zich vormen en vervormen, want de weefsels, waarbij wij hier 
hebben stil te staan , bestaan alle uit cellen van eene zeer eenvoudige 
gedaante, die gedurende hare verdere ontwikkeling weinig veran- 
dering ondergaat. Eene algemeene opmerking mogen wij hier echter 
niet achterwege laten, namelijk, dat alle cellen, zoolang zij nog 
deelnemen aan de levensbewegingen der plant, eenen vochtigen 
inhoud hebben, een sap, waarin verschillende stoffen bevat zijn, 
die, hetzij voor de vorming van nieuwe cellen binnen in de oude 
reeds bestaande, of voor andere verrigtingen dienen; doch zoodra 
de cellen hare levenswerkzaamheid verloren hebben, verdwijnt ook 
die vochtige inhoud, en in de plaats daarvan treedt lucht. In de 
meeste gevallen blijven dan echter zulke weefsels, die uit werkelijk 
reeds afgestorven cellen bestaan, nog met de plant zamenhangen; 
zij blijven daarin aanwezig, en in dat opzigt onderscheidt zich der- 
halve de plant van het dier, bij hetwelk in den regel eene verwij- 
dering en uitwerping van de verbruikte deelen plaats grijpt. Deze 



16 



doode weefsels hebben echter, in weerwil dat daarin alle omzettin- 
gen en wisseling van stoffen hebben opgehouden, toch nog niet 
alle beteekenis voor de plant verloren. Zoo b. v. zijn de cellen der 
oude houtlagen, die het binnenste van eenen stam innemen, ge- 
heel verdroogd en met lucht gevuld; maar zij dienen dan nog tot 
het daarstellen van een stevig geheel, dat den boom tegen het ge- 
weld des storms bestand maakt, en evenzoo zal het ons straks 
blijken, hoe de kurklaag, welke den stam bekleedt, ofschoon wer- 
kelijk een dood weefsel zijnde, toch door beschutting der daarbin- 
nen gelegen teedere, nog levende weefsels voor de plant van het 
hoogste gewigt is. 

Gelijk reeds gezegd is, bezitten de stam en de oudere takken 
onzer boomen zulk eene kurklaag, die men reeds dadelijk herkent 
aan de gewoonlijk grijze of grijsachtig bruine kleur. In jeugdigen 
leeftijd ontbreekt zij echter en zijn de takken doorgaans groen, 
soms rood. De oorzaak hiervan is, dat dan het buitenste laagje, 
hetwelk als een vlies den tak of de jeugdige loot bekleedt, en 
waaraan men den naam van de "opperhuid" geeft, geheel bestaat 
uit eene enkele laag van digt aaneen gesloten liggende cellen, die 
glasheldere wanden bezitten en een meestal waterhelder sap bevat- 
ten, dat slechts bij sommige planten rood gekleurd is. Is het sap 
echter, gelijk gewoonlijk, kleurloos, dan moet de tak zich groen 
vertoonen, omdat, door de doorschijnende opperhuid heen, de die- 
per gelegen cellenlagen gezien worden , welke eene groene kleurstof 

bevatten , die men chlorophyl of blad- 
groen noemt. 

De nevenstaande afbeeldingen , bij 
eene 2üOmalige vergrooting geteekend, 
kunnen hiervan eenig denkbeeld geven. 
Eig. 1 stelt een klein gedeelte voor der 
opperhuid van eenen jeugdigen tak van 
eenen vlierboom, verkregen door met 
een scherp mes even eene kleine insnij- 
ding in eene schuinsche rigting te ma- 
iritr. 1. ken , en nu het dunne , tusschen het mes 




— 17 



en den duim ingeklemde vliesje van de oppervlakte af te trekken. 
In deze rigting, dat is dus van bovenop gezien, bestaat zulk eene 
opperhuid uit onregelmatige zeshoekige cellen , met tamelijk dikke 
wanden, die hier en daar plaatselijke verdunningen (in de kunst- 
spraak "stippelkanaaltjes" geheten) bezitten. De gedaante verschilt 
echter bij de onderscheidene planten , inzonderheid wat de lengte 
der cellen, in verhouding tot hare breedte betreft, terwijl ook het 
maaksel der wanden niet steeds hetzelfde is. Een gewigtiger verschil 
levert de al of niet tegenwoordigheid van huidmondjes op, dat is 
van min of meer halvemaansvormige, met de holle zijden naar elkander 
toegekeerde cellen, die eene opene spleet begrenzen, en tusschen de 
overige cellen verspreid staan. Deze huidmondjes ontbreken nimmer 
aan de opperhuid der bladeren, althans van die der onderste blad- 
vlakte, maar in de opperhuid des stengels en der jeugdige takken 
worden zij dikwerf gemist, waarvan de vlierboom een voorbeeld 
levert. Zij staan overigens in geene betrekking tot het eigenlijke 
onderwerp, dat ons hier bezig houdt, zoodat wij met hunne korte 
vermelding kunnen volstaan. 

Ten einde het maaksel en de gedaante der kleine voorwerpen, 
die wij door het mikroskoop waarnemen , goed te leeren kennen , is 
eene hoofdvoorwaarde, dat men hen in onderscheidene rigtingen 
beschouwt. Dit blijkt dadelijk wanneer wij van denzelfden jeugdi- 
gen vliertak, waarvan wij zoo even de door aftrekking verkregen 
opperhuid beschreven, eene zeer dunne met een scherp scheermes 
vervaardigde dwarse doorsnede onder het mikroskoop brengen. Wij 
hebben hier alleen te doen met de buitenste cellenlagen, en een 

zeer klein gedeelte van deze 
zijn dan ook slechts in fig. 2 
afgebeeld. De bovenste cellenrij 
a b c d stelt nu eenige dwars 
doorgesneden cellen der opper- 
huid voor, die thans blijken, 
in deze rigting gezien, eene min 
of meer afgeronde vierkante ge- 
daante te hebben, terwijl men de 

2 




Fig. 2. 



— 18 — 

bovengenoemde verdunde plaatsen van het vlies, de zoogenaamde 
stippelkanaaltjes, nu als kleine, langwerpige plekjes waarneemt. Met 
uitzondering dezer laatste, die dikwerf ontbreken, en van de grootte 
der cellen, die zeer veel verschil kan opleveren, komt de opperhuid 
der jeugdige stengels en takken van de meeste planten met de hier 
geschetste overeen, zoodat men zich daaruit een tamelijk juist denk- 
beeld kan vormen van het maaksel der opperhuid in het algemeen. 

Deze opperhuid nu bekleedt die plantendeelen slechts gedurende 
hun eerste levenstijdperk, en wordt later vervangen door de zich 
onder haar ontwikkelende kurklaag. Gemeenlijk vangt zulks reeds 
aan op het einde van het eerste levensjaar, soms eerst in het tweede, 
terwijl er eenige weinige planten zijn, — met name die, behoorende 
tot de familiën der Cacteën en Euphorbiaceën , — bij welke zelfs 
na vele jaren een groot gedeelte harer oppervlakte zich nog groen 
gekleurd vertoont, en de kurkvorming zich altijd tot eenige wei- 
nige plaatsen beperkt. Bij verreweg de meeste onzer boomen kan 
men echter waarnemen , dat de jeugdige looten reeds na de eerste 
helft des zomers aanvangen hunne vroegere heldergroene tint te 
verliezen , welke plaats maakt voor eene dofgrijze of grijsachtig bruine , 
die allengs meer en meer de overhand verkrijgt, terwijl tevens de 
oppervlakte eene zekere mate van ruwheid erlangt. Deze verschijn- 
selen duiden het begin der kurkvorming aan. Om deze wel te be- 
grijpen moeten wij nog eens terugkeeren tot fig. 2. 

Onder de opperhuid der jeugdige stengels en takken , treft men 
verscheidene op elkander volgende cellenlagen aan, die te zamen 
datgene daarstellen wat men in den eigenlijken en beperkten zin 
"de schors" noemt. Deze schorscellen (zie fig. 2 van e tot ƒ ) heb- 
ben doorgaans eene meer afgeronde gedaante dan de opperhuidcel- 
len , en bevatten de reeds bovengenoemde groene kleurstof, hetzij 
in eenen vormloozen toestand of als kleine lensvormige ligchaampjes. 
Behalve door den vorm en den groen gekleurden inhoud, onderschei- 
den zij zich ook nog daardoor van de opperhuidcellen, dat zij veel losser 
te zamen hangen, zoodat zij openingen overlaten, die tusschencellige 
holten en gangen daarstellen , welke meestal met lucht gevuld zijn. 

Het is nu in de buitenste dezer schorscellenlagen , dat in verreweg 



- 19 



de meeste gevallen , en althans bij alle eigenlijke boomen , de kurkvor- 
ming eenen aanvang neemt. Dit geschiedt eenvoudig door verdeeling 
der daar aanwezige cellen. Men ziet namelijk binnen in eene cel 
(zie fig. 2 p) een aanvankelijk zeer dun tusschenschot ontstaan, 
dat allengs dikker wordt, en tevens worden de twee aldus gevormde 
cellen grooter, waarna zich hetzelfde in de binnenste dezer beide 
cellen weder herhaalt ; en daar nu gelijktijdig, of kort na elkander, 
ook de overige cellen derzelfde laag zich aldus door het ontstaan 
van tusschenschotten vermenigvuldigen, zoo kan men zich ligtelijk 
voorstellen, hoe, door voortgezette cel verdeeling , na eenigen tijd tus- 
schen de opperhuid en de schors zich eenige cellenlagen gevormd 
hebben, waar men derigting, in welke de celvermenigvuldiging heeft 
plaats gegrepen, nog daaraan herkennen kan, dat, gelijk uit fig. 3 

blijkt , de cellen op min of meer 
regelmatige rijen achter elkan- 
der geplaatst zijn. Reeds hierin 
onderscheiden zich de kurk- 
cellen van de schorscellen, maar 
bovendien ook nog daardoor, 
dat zij digt aaneen gesloten 
liggen, zonder spoor van tus- 
schencellige holten ; iets dat 
van veel gewigt is te achten , 
omdat daardoor het doel , waar- 
toe de kurklaag eigenlijk bestemd is, namelijk beschutting der 
daar binnen gelegen weefsels, alleen kon bereikt worden. Ook 
maken wij nog opmerkzaam op de min of meer geslingerde wan- 
den, die aan vele kurkcellen eigen zijn, aanduidende, dat de groei 
in de ruimte sterker geweest is, dan die der overige weefsels, zoo- 
dat de wederzij dsche cellen als het ware elkander hebben zoeken 
te"^ verdringen. Eindelijk zijn die wanden steeds licht bruinachtig 
geel gekleurd, terwijl daarentegen de wanden der meeste overige 
plantencellen geheel doorschijnend en kleurloos zijn. Wat den inhoud 
aanbelangt, zoo is deze aanvankelijk een sap, dat slechts door wei- 
nfge daarin zwevende deeltjes troebel is, doch in de oudere, dat 

2^ 




Fig. 3. 



— 20 



is in de buitenste kurkcellen, verdwijnt dit allengs en wordt dan 
door lucht vervangen. 

Uit het gezegde blijkt dus, dat de kurk zich door celverdeeling 
der buitenste schorscellen vormt, en derhalve gestadig van binnen 
aangroeit. Intusschen wordt niet alleen daardoor, maar ook door den 
groei der overige inwendige weefsels, de omvang van den tak of stam 
al grooter en grooter, en daar nu de vroeger beschreven opperhuid 
al spoedig ophoudt in dien groei te deelen , zoo is het noodzakelijk 
gevolg, dat na eenigen tijd de opperhuid afsterft, scheurt en laps- 
gewijs wordt afgestooten, zoo dat dan de kurk de buitenste opper- 
vlakte inneemt. In fig. 4 is zulks voorgesteld; bij n m is reeds 

^^_^ ^ eene scheur in de 

^S^^^^TP'^' opperhuid. Tevens 

5.'^ kan men in deze af- 
beelding, en in fig. 3, 
vergeleken met fig. 2, 
zien , hoe, vóór dat 
deze verscheuring 
plaatsgrijpt, de op- 
perhuidcellen nog 




eenigzins van vorm 



Fia:. 4. 



veranderen door zich 
in de rigting van 
den omtrek uit te 
rekken, en aldus 



eenigermate 
woorden. 
De hier 



aan eenen grooteren omvang van het deel te beant- 



gegeven schets van de wijze der kurkvorming in het 
algemeen bestaat slechts uit eenige hoofdtrekken , met opzettelijke 
weglating van vele bijzonderheden, welker vermelding ligtelijk het 
hier ontworpen beeld zoude verduisterd hebben. Enkele dier bij- 
zonderheden willen wij echter nog aanstippen , ten einde rekenschap 
te geven van de in het oog loopende verschillen, welke de kurk- 
laag bij onderscheidene boomen aanbiedt. Elk weet toch, dat de 
oppervlakte der stammen van onze eiken, beuken, linden, ypen , 



— 21 - 

berken enz., een zoozeer verschillend voorkomen heeft, dat er wei- 
nig oefening toe behoort, om hen, ook zonder op de takverdeeling 
en den vorm der bladeren te letten , alleen daaraan te herkennen. 
Dit verschil wordt enkel te weeg gebragt door de aan eiken boom 
eigene ontwikkelingswij ze der kurklaag, de grootte en vorm der 
deze zamenstellende cellen, den graad van haren onderlingen zamen- 
hang, de uitrekbaarheid harer vliezen, enz. Ook de leeftijd heeft 
hierop grooten invloed. Aanvankelijk zijn alle jonge stammen tame- 
lijk glad, doch daar de buitenste, dat is oudste kurklagen, niet 
meer groeijen, zoo gebeurt hetzelfde als hetgeen wij vroeger van 
de opperhuid zagen. Er ontstaan daarin barsten , scheuren , en in 
enkele gevallen, b, v. bij den Plataan, wordt jaarlijks tegen het 
einde des zomers de kurklaag afgestooten, die zich in het vorige 
jaar gevormd heeft. Groote lappen , die eene dikte van een tot 
twee strepen hebben , vallen van zelf af en laten de licht groen- 
achtig geel gekleurde oppervlakte bloot, waaraan weldra eene nieuwe 
kurkvorming aanvangt. Hier heeft dus eene geheele verwisseling van be- 
kleedsel plaats , geheel herinnerende aan de vervelling van vele dieren. 

Bij zulk eenen boom is de stam derhalve altijd slechts met eene 
enkele kurklaag bekleed. Doorgaans echter blijven vele zulke zich 
jaarlijks vormende lagen nog eene reeks van jaren in onderling 
verband, zoodat het kurkbekleedsel al dikker en dikker wordt. Het 
sterkst heeft dit plaats bij den kurkeik en den kurkolm , en op 
doorsneden van gewone kurk kan men de jaarlijks gevormde kurk- 
lagen herkennen aan strepen, die iets donkerder gekleurd zijn dan 
het overige weefsel , een gevolg daarvan , dat de cellen , die op het 
laatst van het saisoen ontstaan zijn , eenen meer platten vorm heb- 
ben en gevolgelijk digter opeen gedrongen liggen dan de overige, 
waardoor de tint, die voortgebragt wordt door de algemeene kleu- 
ring der celwanden, op die plaatsen iets donkerder is. 

Zeer eigendommelijk vertoont zich de kurk des berkenbooms. 
Ieder kent die in hunne jeugd bruinroode, later witte stammen, 
welke in een landschap eene zoo sprekende tegenstelling opleveren 
met de kleur der stammen van alle andere boomen. Ook is het 
genoeg bekend, hoe dit bekleedsel der berkenboomen zich in vele 



o-i 

lagen laat scheiden, die de dikte en buigzaamheid van papier be- 
zitten. Minder bekend is het welligt, dat de Laplanders het aan- 
wenden tot vervaardiging van schoenen , touw- en mandenwerk. Even 
als bij den Plataan -worden ook bij den berk de oudere kurklagen 
lapsgewijs afgestooten, doch dit geschiedt eerst wanneer hij vele 
jaren oud is en dan nog veel minder regelmatig, dan bij eerstge- 
noemden boom. De oorzaak hiervan is gelegen in de uitrekbaar- 
heid der cellen, die de kurklagen zamenstellen , zoodat in deze, in 
weerwil dat de stam in omvang toeneemt, toch niet ligtelijk scheu- 
ren ontstaan. Eerst wanneer die omvang sterk is toegenomen, vangt 
zulks aan, en tevens vertoont zich dan de witte kleur in de geheel 
doode lagen , wanneer de wanden verbleeken , terwijl hare holten zich 
met lucht vullen, die — gelijk genoeg bekend is uit schuimend 
zeepsap, — zich in fijn verdeelden toestand altijd wit vertoont. 

Eindelijk zijn er eenige planten, waarbij zich de kurkvorming 
niet enkel bepaalt tot de buitenste schorslaag, op de boven beschre- 
ven wijze, maar waar zij ook in de meer inwendig gelegen deelen 
plaats grijpt, zoo zelfs dat zij geschiedt in den omtrek der bast- 
vezelbundels, die onder de eigenlijke schors gelegen zijn. Voor- 
beelden hiervan leveren de wijnstok en Clematis , en het gevolg van 
deze eigendommelijke kurkvorming is, dat de kurk hier niet afge- 
stooten wordt in lappen , maar als vezelachtige draden , die dan , be- 
halve de gewone kurkcellen, ook bastbundels bevatten. 

Reeds vroeger hebben wij opgemerkt, dat niet enkel de opper- 
vlakte van stammen en takken , maar ook onderaardsche stengels 
en wortels dikwerf daardoor bekleed worden. Wij noemden als 
zoodanig de schillen der aardappels; ook de Dahliaknollen kunnen 
hiervan een voorbeeld leveren. Maar behalve de gewone, regelma- 
tige kurkvorming, heeft er ook eene zoodanige plaats, die alleen 
het gevolg is van beleediging der oppervlakte van plantendeelen. 
Zoo b. V. zien wij aan sommige vruchten, vooral duidelijk aan 
pruimen, na kwetsing van de opperhuid door de eene of andere 
oorzaak, grijs-bruine vlekken ontstaan, die bij onderzoek blijken 
de zamenstelling van het kurkweefsel te bezitten, en in het alge- 
meen kan men stellen, dat waar bij jeugdige saprijke deelen een 



— 23 — 

gedeelte der opperhuid, hetzij opzettelijk of bij toeval, verwijderd 
wordt, de natuur haar gemis zoekt te herstellen door het ontstaan 
van kurk. Wij leeren deze derhalve ook nog van eene andere zijde 
kennen, namelijk als middel tot vorming van likteekenen, daar 
waar de plant gewond is geworden. 

Vatten wij nu alles te zamen, wat tot hiertoe over de kurkvor- 
ming gezegd is, dan kan de hooge beteekenis, welke zij voor 
de planten heeft, niet twijfelachtig zijn. Dat het kurkweefsel in 
eene hooge mate ondoordringbaar is voor vocht en lucht, weet elk, 
die kurken stoppen voor het sluiten van flesschen bezigt. De reden 
dezer ondoordringbaarheid is niet moeijelijk te geven. Zij moet 
vooreerst worden gezocht in den digten zamenhang der cellen, die 
het zamenstellen , zoo dat er nergens tusschencellige holten daarin 
voorkomen. Maar ten tweede ook in de veerkracht van het weefsel, 
vooral nadat de cellen met de zoo veerkrachtige lucht gevuld zijn ; 
want daar de wanden der kurkcellen over het algemeen zeer dun 
zijn en bovendien een' slingerenden loop hebben, zoo is hunne wer- 
kelijke ruimte groot genoeg om aan drukking of rekking weerstand 
te bieden, zonder dat de wanden der kleine cellen scheuren of 
barsten. Eindelijk onderscheidt zich de stof, waaruit die wanden 
bestaan, ook nog in verschillende opzigten van die der overige 
plantencellen , en wel vooral door een grooter weêrstandbiedend 
vermogen aan de scheikundige inwerking van verschillende zelf- 
standigheden , als mede door de tegenwoordigheid eener wasachtige 
stof, die de wanden doordringt. 

Ziedaar redenen genoeg, waarom de natuur geen beter middel 
had kunnen kiezen om de teedere jeugdige weefsels voor den scha- 
delijken invloed der regtstreeksche inwerking van lucht en bodem 
te behoeden, de al te snelle verdamping der daarin bevatte sappen 
te beletten , het bederf te keeren , dat noodwendig zoude intreden 
indien de bodembestanddeelen in onmiddellijke aanraking kwamen 
met de inwendige deelen der wortels en knollen, dan door hen te 
omgeven met eene kurkhuid, dat is met eene laag van dezelfde 
stof, die elk onzer bij ondervinding weet, dat voor de hier bedoelde 
oogmerken bij uitstek geschikt is. 



— 24 — 

Maar behalve door hare ondoordrins:baarheid munt de kurk noff 
door eene andere nuttige eigenschap uit, die hier in aanmerking 
komt. Waarom leggen velen kurken zooien in hunne schoenen of 
laarzen? Waarom was men, toen het stoken van open haarden nog 
algemeener in gebruik was dan thans, gewoon kurken platen op de 
gladgeschuurde ijzeren plaat te leggen, ten einde er de voeten op 
te zetten? Waarom heeft men de binnenzijde der muren van wonin- 
gen in koude gewesten en der schepen , die voor expeditiën naar de 
poolzeeën zijn toegerust, met zulke kurkplaten bekleed? Omdat de 
ondervinding geleerd had, dat kurk een zeer slechte warmtege- 
leider is. En werkelijk heeft de natuur ook daarom de boomen in 
zulk een kurkkleed gehuld , dat hen des zomers tegen de brandende 
hitte der zonnestralen behoedt, en des winters tegen de vernielende 
werking der koude, waaronder zonder twijfel vele boomen zouden 
bezwijken, indien zij van dit beschermende hulsel beroofd waren. 
Het is trouwens niet moeijelijk eene grondige verklaring te geven 
van dit slechte warmtegeleidend vermogen. Om onze huizen voor 
koude te beschutten worden de vensterramen van dubbel glas voor- 
zien. Dit geschiedt, omdat men bij ondervinding weet, dat er geen 
slechter warmtegeleider is, dan besloten en derhalve in rust zijnde 
lucht. Kurk nu bestaat, gelijk wij zagen, uit een groot aantal, 
soms verscheidene honderde zulke door celvliezen beslotene lucht- 
lagen , en het kan derhalve in geenen deele verwonderen , dat de 
warmte daardoor bijna volstrekt niet wordt voortgeplant. 

Welnu mijne lezers ! had ik ongelijk , toen ik in den aanvang 
van dit opstel beweerde, dat indien men eenen dieperen blik inde 
ons omringende schepping werpt, zelfs kurk aanleiding kan geven 
tot leerzame beschouwingen , waaruit de doeltrefiendheid gepaard 
aan eenvoudigheid van de door de natuur gebezigde middelen ten 
duidelijkste voortvloeit? 



Na dit algemeene overzigt der kuikvorming in het plantenrijk, 
willen wij nu nog eenige regelen meer bepaaldelijk wijden aan die 
soort van kurk, welke van den Kurkeik afkomstig is, en welke 



— 25 — 

door haar gebruik tot velerlei praktische doeleinden inderdaad onder 
de voor den mensch nuttigste stoffen mag worden geteld. 

Reeds door de oude Grieksche en Romeinsche schrijvers, theophras- 
Tus, PLiNius, VAKRO, werd zij als zoodanig vermeld, terwijl uit 
het door hen medegedeelde blijkt, dat men toen reeds de kurk tot 
de meeste oogmerken bezigde, waartoe zij ook nu nog dient. Alleen- 
lijk schijnt het, dat zij in dien tijd veel minder tot vervaardiging 
van stoppen werd aangewend dan thans, iets dat trouwens in ver- 
band staat met het meer algemeene gebruik, dat men later heeft 
gemaakt van het glas tot vervaardiging van flesschen. De Grieken 
en Romeinen maakten er vooral zooien van, ook wel in den vorm 
van pantoffels, en ook nu nog draagt de boom hier en daar den 
naam van pantoffelboom en de kurk dien van pantoffelhout. 

De Kurkeik {Quercus Suber) groeit in het wild, in de zuidelijke 
landen van Europa, Italië, Spanje, Portugal, het zuiden vanPrankrijk. 
De boom bereikt aldaar eene hoogte van 30 tot 40 voet. Bij ons 
te lande gekweekt, kan hij alleen gedurende den zomer in de open 
lucht worden gehouden , daar hij tegen onze winterkoude niet bestand 
is. Maar in zijn eigen vaderland stelt hij, met andere boomen, 
uitgestrekte bosschen daar, waarvan de kurkeiken niet zelden het 
grootste deel uitmaken. Het zijn altijdgroene boomen met lang- 
werpig eironde bladeren, die scherp zaagvormig getand zijn, en in 
eene fijne spits uitloopen. 

Aanvankelijk zijn de stammen glad, doch wanneer zij twaalf tot 
vijftien jaren oud zijn, wordt de oppervlakte meer en meer ruw en 
ontstaan scheuren daarin. Dit is ook het tijdperk, waarop men met 
het afnemen van de kurk een begin maakt. Echter is deze eerst 
verkregen kurk weinig deugdzaam, maar men verwijdert haar, om- 
dat de ervaring geleerd heeft, dat daardoor de vorming van betere 
kurk bevorderd wordt. Na acht of tien jaren heeft de nieuwe laag 
eene genoegzame dikte bereikt om weder te worden afgeligt, iets 
dat nu telkens na gelijke tijdruimte kan herhaald worden. Eerst 
na de derde afschilling wordt kurk van de beste hoedanigheid ver- 
kregen. Wanneer derhalve, gelijk b. v. op het eiland Sardinië, de 
boomen niet regelmatig geschild worden, dan wordt de kurklaag 



26 




BE KURKEIK, (Qucrcus suLcr). 

wel is waar al dikker en dikker, doch dan bestaat alleen het bin- 
nenste gedeelte uit goede bruikbare kurk, die men aldaar "vrouwe- 
lijke kurk" noemt, terwijl de buitenste, welke sterk gebarsten en 
gescheurd en veel harder is , den naam van "mannelijke kurk" draagt. 
Het afnemen van de kurk geschiedt in de maanden Julij en Augustus, 
en men bedient zich daartoe van eene kleine bijl, waarvan de steel aan 
haar einde wigvormig toeloopt. Met dit werktuig doorklieft men de 
kurklaag van boven tot aan de wortelen , en maakt dan van boven en 
beneden eene kringvormige insnijding. Al naar gelang dat de boom 



— 27 — 

dik is , worden nog drie of vier overlangsche sneden gemaakt ; daarop 
klopt men met het achterdeel van de bijl op den stam, totdat het 
kurkbekleedsel loslaat, en steekt dan het wigvormige einde vanden 
steel tusschen den boom en de kurk, om deze er van af te ligten. 

Bij deze bewerking moet echter zorg gedragen worden, dat men 
de insnijdingen niet te diep maakt, ten einde niet tevens met de 
kurk ook de diepere nog levende schors mede te verwijderen, waarin 
de kurkvorming op nieuw moet plaats hebben. Is namelijk de 
schilling op behoorlijke wijze geschied, dan komt de reeds meer 
genoemde, uit verscheidene saprijke cellenlagen bestaande schors 
bloot. In den omtrek van Bayonne geeft men daaraan den naam 
van het "spek" {Ie lard), texwr\\ de Italianen haar met den zeer 
eigenaardigen naam van "hemd" (camisa) bestempelen. De buitenste 
lagen nu van deze inwendige schors verdroogen weldra door de 
zonnewarmte en nemen daarbij eene steenroode kleur aan, waar- 
door de pas geschilde kurkboomen eenen zeer bijzonderen indruk 
maken. Onder die verdroogde buitenlaag vormt zich dan eene nieuwe 
schors en aan de oppervlakte van deze eene nieuwe kurklaag op 
de wijze, welke wij vroeger geschetst hebben. 

De lange reepen kurk, door de eerste bewerking verkregen , wor- 
den tot kortere stukken gesneden , de rand wordt met een mes gelijk 
gemaakt, de oppervlakte door middel eener rasp geëffend, en de 
kurkplaten vervolgens op hoopen gestapeld, in eene beek, rivier 
of vijver gelegd, terwijl men er zware steenen op plaatst, teneinde 
de stukken plat te persen , waarna zij aan de zon of ook wel boven 
een houtvuur gedroogd worden, waardoor de oppervlakte zwart en 
de kurk harder wordt. Het laatste geschiedt vooral in Spanje, 
terwijl de Fransche kurk lichter van kleur en tevens weeker en 
veerkrachtiger is, waardoor zij beter geschikt is voor de vervaar- 
diging van stoppen voor flesschen. 

Wat den oorsprong van het woord "kurk" aanbelangt, zoo mag 
men veilig aannemen, dat dit afstamt van het Spaansche corcTio, 
dat op zijne beurt is afgeleid van het Latijnsche cortex, hetwelk 
in het algemeen schors of bast beteekent. 

De belangrijkheid van den kurkboom voor de inwoners der lan- 



— 28 - 

den, waai' hij gi'oeit, moge uit het volgende blijken. Tyndale 
(in zijn werk: The Islancl of Sardinia, London 1849) deelt mede, 
dat in een gedeelte van een bosch, op het eiland Sardinië, hetwelk 
85,000 kurkeiken bevat, in den loop van een en twintig jaren 
tweemaal eene schilling der boomen geschied was, en daar nu ge- 
middeld elke boom 75 ponden kurk levert, zoo waren daarvan in 
het geheel 6,575 tonnen ingezameld , ter waarde van 1,275,000 gulden. 

En wanneer wij nu , van deze beschouwing der kurkvorming en 
der kurkinzameling in het groot, terugkeeren tot hetgeen ons het 
mikroskopisch onderzoek leert aangaande het maaksel der kurkzelf- 
standigheid zelve, dan kunnen wij naast deze cijfers andere stellen, die 
ons de grootheid der natuur ook in de kleinheid harer voortbrengselen 
doen bewonderen. Dunne doorsneden van gewone kurk, onder het mi- 

kroskoop ge- 
bragt, vertoo- 
nen zich hetzij 
als fig. 5 of als 
fig. 6 , al naar 
gelang van de 
rigting, waar- 
in de doorsne- 

Fig. 5. Tig. 6. de genomen is. 

Hieruit besluiten wij, dat de kurkzelfstandigheid is zamengesteld 
uit cellen , die de gedaante hebben van onregelmatige zeshoekige 
zuiltjes, met min oï meer bogtige oppervlakten. De gemiddelde dwarse 
doormeter dier cellen bedraagt V30 streep , hare gemiddelde lengte ^/js 
streep. Berekent men nu hieruit hoeveel van zulke cellen in eene gege- 
vene ruimte voorhanden zijn , dan bevindt men, dat een kurkenstop van 
eene gewone wijnflesch uit ruim 200 millioenen zulke cellen bestaat ! 
In alle kurk komen echter ook gedeelten voor, die uit eene minder 
veerkrachtige en weeke zelfstandigheid bestaan, dan het overige 
weefsel, en zich bovendien daarvan onderscheiden door eene don- 
kerder roodbruine kleur. Het onderzoek leert, dat deze bestaan 
(zie fig. 7) uit groepen van nog kleinere cellen, doch die zeer 





— 29 — 

dikke wanden hebben; deze cellen hebben onder- 
ling slechts weinig zamenhang en vallen ligtelijk 
van elkander af, zoodat zij zich dan ook, met het 
bloote oog gezien, dikwerf slechts als een bruin 
poeder vertoonen, dat kleinere en grootere holten 
vult, die eindelijk ook wel alleen overblijven. Het 
is duidelijk, dat hierdoor de digtheid van de kurk vermindert, en 
in het algemeen kan men stellen, dat kurk des te deugdzamer is 
naarmate zij minder van deze roodbruine harde plekjes vertoont. 

Van de verschillende eigenschappen, waardoor de kurk zoo bij- 
zonder geschikt is tot velerlei praktische doeleinden, als van hare 
o-erinse doordringbaarheid voor vocht en lucht, hare veerkracht, 
haar slecht warmtegeleidend vermogen, hebben wij reeds boven de 
noodige verklaring gegeven. Doch behalve deze eigenschappen, 
waardoor ook de kurk als plantbekleedsel uitmunt, moeten wij ten 
slotte nog op ééne wijzen, die voor de planten van weinig of geen 
waarde is te achten, maar waarvan de mensch nut heeft weten te 
trekken. Wij bedoelen hare ligtheid. Inderdaad zijn er weinige 
zelfstandigheden, die in dit opzigt met de kurk kunnen wedijveren, 
en betere dienst bewijzen tot vervaardiging van allerlei drijftuig 
voor vischsnoeren , netten, zwemtoestellen enz. 'Hare soortelijke 
zwaarte is omstreeks 0,20, dat is, bij gelijken omvang heeft kurk 
slechts ongeveer ^/s van het gewigt van water. Desniettegenstaande 
is de stof, waaruit de wanden der kurkcellen bestaan, werkelijk 
zwaarder dan dit, waarvan men zich gemakkelijk kan overtuigen 
door uiterst dunne doorsneden van kurk in water te leggen. Na 
eenigen tijd zullen deze daarin bezinken. De eigenlijke oorzaak, 
waaraan de kurkzelfstandigheid hare ligtheid te danken heeft, is 
de lucht, die binnen in de cellen besloten is. Even als een paar 
met lucht gevulde blazen een' mensch drijvende houden, zoo doen 
het ook de millioenen kleine luchtbevattende blaasjes of cellen, 
waaruit de kurk bestaat. En zoo zien wij in haar een sprekend 
voorbeeld, hoe eene naauwkeurige kennis der voorwerpen , verkregen 
door de hulpmiddelen, welke de wetenschap aan de hand geeft, 
tevens de oorzaken der verschijnselen doet kennen, welke zij opleveren. 



PLANTENGROEI AAN DE LANDENGTE VAN PANAMA. 



Jcir heersclit hier meer afwisseling in den plantengroei, dan men uit 
de gelijkmatigheid van luchtstreek en grondgesteldheid zoude ver- 
wachten. De zeekusten en alle die streken, welke blootstaan aan 
de -wisseling van vloed en ebbe en aan de uitwasemingen der zee, 
hebben een eigenaardig aanzien ten opzigte der daar voorkomende 
gewassen, welke in het algemeen een lederachtig, glad en dik- 
gerand blad bezitten. In alle moerassige plekken, welke met den 
waterspiegel gelijk liggen, vindt men ondoordringbare bosschen , die 
verpeste dampen uitwasemen en schadelijke ziekten in den omtrek 
te weeg brengen. Duizenden van moskieten en zandvliegen ver- 
vullen de lucht; groote alligators (kaaimans) blakeren zich in de 
zon aan den moerassigen oever, en liggen stil, met groote oogen 
rondziende en te water gaande zoodra iemand nadert. De uitdroo- 
ging dezer schrikkelijke moerassen is bijna niet mogelijk. Talrijke 
Avicennias, met hare op groote aspersiën gelijkende wortelstok- 
ken, schieten ontelbare nieuwe scheuten op, zoodra de oude stam 
gevallen is. BhizopJioras (de mungleboom) schieten hunne wortelen in 
alle rigtingen van de takken des stams door de lucht heen naar den 
slijkerigen bodem, en ondersteunen de kroon van den stam naar 
alle zijden. Te Panama, waar de vloed eene hoogte van 33 voeten 
bereikt, staan deze boomen dikwijls onder water en de woelende 
branding spoelt hunne kroonen af, zonder dat hun wasdom daar- 
onder schijnt te lijden. De natuur schijnt voor dit gewas bijzonder 
gezorgd te hebben; want hun zaad kiemt reeds, terwijl de vrucht 
nog aan den boom vast zit, en eerst, wanneer de kiemwortel eenige 
duimen ver uitgeschoten is, valt het zaad naar beneden en groeit 
in het weeke slijk verder voort. In het zand der zeekusten wast 
eene soort van klokwinde {Ipomaea pes caprae) in wilden overvloed. 



— ;J1 — 

Zijne uitloopers zijn dikwijls meer dan 200 voeten lang. Meer om- 
hoog, Avaar de bodem vaster wordt, zijn bosschen van kokospalmen, 
giftige manchenilleboomen , enz. 

Geheel anders is de plantengroei op de Savannes, welker effene 
of slechts weinig golvende oppervlakte het grootste gedeelte van 
het jaar met zoden van het glinsterendste groen bedekt zijn. Hier en 
daar ontspruiten groepen van hoornen. Zilveren beken, kudden vee, 
troepen wild (herten enz.) en verspreid staande hutten der inlanders 
geven leven aan het landschap, dat door gemis van palmen en 
boomvarens meer het karakter heeft van een Europeesch park, dan 
van eene landstreek tusschen de keerkringen in Amerika. De gras- 
zode dier Savannes is overal digt, als in eenen Engelschen tuin, 
en toont, behalve ontelbare soorten van grassen, ook vele sierlijke 
vlinderbloemen , polygaleën , gentianen en violen; en het kruidje-roer- 
mij-niet {Mimosa pudica), die op enkele plekken het 't geheel over- 
heerschend gewas is , sluit hare teedere bladen , zoodra er een harde 
voetstap nabij komt. Bij de stroomen ziet men vooral talrijke 
standelkruiden (OrcMdeën), en de Vanielje wast in menigte op de 
stammen van jonge boomen, welke menigmaal buigen onder het 
gewigt dezer woekerplanten. De groepen van den Clmmicale of zand- 
papierboom [Ctiratella americana L.) verleenen zonderlinge trekken 
aan het landschap. Hij strekt zich uit over geheele distrikten, en 
toont overal eenen ijzerhoudenden bodem. Hij bereikt eene hoogte 
van 40 voeten, en zijne papierachtige bladen maken bij het suizen 
des winds een ratelend geluid, dat ons herinnert aan een Euro- 
peeschen herfst, als de Noordenwind de bladeren van het geboomte 
afzweept. 

Bosschen bedekken overigens wel twee derden van het geheele 
grondgebied. De hoogte der boomen, het digte loof en de ontel- 
bare woeker- en slingerplanten verhinderen den toegang der zonne- 
stralen en verspreiden eene bijna volkomene duisternis. De regen is 
zoo menigvuldig en de vochtigheid zoo groot, dat het verbranden 
dezer wouden geheel en al onmogelijk is. Berthot.d seemann, 
Eeise um die Welt, Hannover 1853, I. pag. 262-265. 

V.H. 



BEOEIJEN VAN NACHTEGALEN IN GEVANGEN STAAT. 



Ik acht onze liefhebbers van vogels geen' ondienst te doen, door 
hun het volgend verhaal mede te deelen van eeiie welgelukte proef 
om nachtegalen in gevangen staat te doen broeijen. — Zij werd 
door eenen sergeant-majoor van het eerste regiment Life Ouards 
medegedeeld in No. CCXXXI der Proceedings van de Zoölogical 
Societif, pag 196. 

In eene zeer groote kooi had hij een klein sparrebobmpje geplaatst, 
en overigens de kooi met bladeren en takken gevuld, om haar zoo 
veel mogelijk naar eene heg te doen gelijken. Hierin werd een 
gevangen paar nachtegalen geplaatst, die, nadat zij aan hun voedsel 
gewend waren, spoedig aan den nestbouw gingen, hetgeen door het 
wijfje geschiedde. — Gedurende het uitbroeijen bleef het mannetje 
in de nabijheid van het nest zitten, en zong het zoo helder als in 
den vrijen toestand. — Toen de jongen uit de eijeren waren te 
voorschijn gekomen, was hij zeer ijverig in het voederen van hen. 

Het wennen aan het voedsel had op zeer aardige wijze plaats. 
Men plaatste meelwormen in glazen buisjes, aan elk uiteinde met 
eene kurk verstopt. Deze buizen werden gestoken in den bak met 
het voeder. De vogels pikken er naar en daaronder glijdt steeds 
de bek in het voeder, dat aldus in den mond wordt opgenomen en 



ingeslikt. 



W. V. 



SPINNENDE WATERTORREN, 



DOOR 



CLAAS MULDEK. 



xlir is geen knaap, die niet weet, dat een vlinder niet uit een ei 
komt; hij verzamelt rupsen, ziet hen pop worden en verwacht de 
kapel uit deze laatste gestalte. Menigeen weet ook, dat uit de 
eitjes, door eene vlieg op het vleesch gelegd, geene vliegen, maar 
maden komen, welke nog moeten verpoppen, eer zij het volkomen 
insekt worden. In één woord, het is algemeen bekend, dat deze 
en soortgelijke diertjes eene voor elk zigtbare gedaante-wisseling of 
metamorphose ondergaan. 

In oorden, waar de Meikever menigvuldig is, moge men eene 
gelijksoortige wisseling van gedaante van dit insekt kennen , niet 
zoo algemeen bekend of opgemerkt is over het geheel genomen, 
die van kevers, torren en dergelijke, en wel allerminst, dat zij bij 
deze levensontwikkeling niet zelden bewonderenswaardige kunstge- 
wrochten tot stand brengen. 

Het komt mij daarom niet van alle belang ontbloot voor, om de 
aandacht van de lezers van het Albtim der Natuur eens te vestigen 
op een paar soorten van torren , die als voorbeelden én van meta- 
morphose én van instinctmatigen kunstzin mogen gelden. 

Het zijn twee inlandsche insekten, in ons waterrijk vaderland 
algemeen verspreid, zoodat het velen gemakkelijk zal vallen zich 
door eigen oogen te overtuigen van hetgeen hier zal worden mede- 
gedeeld. Bijzonder mag ik aanbevelen, dat men zich verlustige in 
het zien spinnen van de na te melden nestjes. 

3 



— 34 



Ten bewijze van de menigvuldigheid van de kleinere soort strekke , 
dat ik in Junij 1. 1. in weinige oogenblikken , in een ondiep en 
modderig slootje van geringe lengte, een twintigtal ving, en er meer 
dan twintig nestjes verzamelde. Het zal niet te ruim gerekend zijn , 
als men aanneemt, dat op dat plekje veertig nestjes waren, die elk 
gemiddeld zes-en-veertig eitjes bevatten, waaruit derhalve 1840 mas- 
kers kunnen komen. Velen strekken anderen dieren tot prooi, en 
kunnen op andere wijzen verloren gaan, maar niemand kan twijfe- 
len of er blijven zeer velen overig. De groote tor vindt men hier 
mede niet zelden, maar doorgaans in geringer getal. 

Wij handelen eerst over den grooten pikzwarten WaterJcever. 
Met regt draagt het insekt den naam van de groote, want het 
overtreft in geheele ligchaamsont wikkeling elke soort van zijn ge- 
slacht, ja ook die van andere geslachten van torren, die bij ona 
en elders in Europa plegen huis te houden. De gewone lengte is 
41/2 Ned. duimen. Aan de glinsterend zwarte kleur van het geheele 
ligchaam, vooral van de gansche rugvlakte, ontleent zij den bijnaam 
van pik-zwarte (piceiis), haar door unnaeus gegeven. De Eransche 
schrijvers noemen dit insekt HydrojiUle hrwi, hoewel het niet blijkt 
dat het in hun land eene eigenlijk bruine kleur zou, hebben. De 
bruine tint, aan de kleine tor niet zelden waarneembaar, als zij 

onder water is, komt minder 
bi.] de groote voor. 

Zie hier eene volwassene, 
mannelijke tor, in natuurlijke 
grootte, naar de afbeelding 
van LYONET. Het is fig. 15 van 
pi. 1 in LEssER, Théologie des 
Insectes, avec remarques de 
LYONEï (1742), of fig. 12 van 
pi. 13 in LYONET Recherches 
sur Vanatomie et les metamor- 
phoses d' Insectes ; ouvrage pos- 
Umme publié par de haan. 
(Parijs 1S32.) 




■j^^- 



— 35 — 

Men onderscheidt gemakkelijk den kop, het halsschild en de hoornige 
dekvleugels, waaronder de vliezige vleugels, die tot het vliegen 
eigenlijk dienen, opgevouwen verborgen liggen. Aan den kop ziet men 
de sprieten üj, de voelertjes b en de uitpuilende oogen. Eerstgenoemde 
bestaan uit negen kunstig gevormde geledingen , waarop wij weldra 
(fig. 2, A. bl. 38.) terugkomen. De voelertjes van de benedenkaak 
zijn uit drie, bijna even dikke, geledingen gevormd en worden veel 
meer, dan de sprieten, tot het betasten van voorwerpen gebezigd. 
Zij zijn, even als de sprieten, roodachtig bruin. Aan den onderkant 
zijn de breede midden- en achterborst, in het midden , van eenen 
verheven kam voorzien, die, als eene vrije, zeer spitse en stevige 
punt, 1 Ned. duim over de buikringen uitsteekt. Men wil, dat de 
tor met dit werktuig andere dieren kwetst. De borst en de eerste 
buikring zijn digt met geelbruine haartjes bezet, waardoor dit ge- 
deelte een viltig aanzien verkrijgt. De dekvleugels vormen een 
verheven rand rondom borst en buik; hierdoor ontstaat eene be- 
grensde vlakte, allezins geschikt om eene laag lucht, onder water, 
te bewaren. 

De voorpooten zijn geschikt om zich vast te houden en te be- 
wegen op voorwerpen onder water. Ook doen zij goede dienst bij 
het nemen van voedsel ; geeft men b. v. aan eene tor een' aardworm , 
dan zal deze prooi, vooral bij de eerste worsteling, als de worm 
zich in alle bogten kronkelt, door de voorpooten worden vastge- 
houden. Ltoneï oordeelt, dat zij bij het zwemmen dienen om de 
rigting te bepalen. De voet kan sterk worden teruggebogen, zoo 
als men aan den linkerpoot, bij cl, ziet. Men merkt voorts weêr- 
zijds een schijfje c op, waaraan de oneigenlijke naam van hdescMjfjes 
wordt gegeven. Hierdoor verschillen de mannetjes van de wijfjes, 
wier voet langer en dunner is, zaamgesteld uit zeven geledingen, 
eindigende in zwakke nageltjes (fig. 13 c. bl. 45). De inrigting van 
beide strekt tot het bereiken van een nuttig doel. Door de knie- 
schijfjes klemt zich het mannetje, tijdens het paren, op den rug 
van het wijfje vast, terwijl de gerekte voet het wijfje dient bij 
het spinnen van het nestje. Aan alle pooten is het mannetje, bij 
de geleding d, gewapend met twee sporen, het wij f je bezit er slechts 

3* 



— 36 — 

één: fig. 13, d. De beide achterste paren verschillen bij de seksen 
niet en zijn ware zwempooten. De voet is gerekt, aan den buiten- 
rand eenigzins getand, aan den binnenrand verbreed door stevige 
haren. Aan het laatste lid zijn twee kleine nageltjes en een spoor. 

Onze tor leeft steeds in het zoete water, en bedient zich slechts 
bij wijlen van hare vleugels om een ander verblijf op te zoeken. 
Dit schijnt in den avond of "'s nachts plaats te hebben. Een traag 
zwemmer kan men haar niet noemen , maar er zijn er die sneller 
zwemmen. Lyonet vindt voor dit minder snelle als oorzaak, dat 
beide paren zwempooten niet gelijktijdig, noch paar voor paar be- 
wogen worden , maar b. v. de regter poot van het tweede paar en 
de linker poot van het derde worden opgetrokken, terwijl de linker 
van het tweede en de regter van het derde paar worden uitgestrekt. 
Evenwel schiet de tor soms met groote snelheid naar beneden en 
bezigt hierbij alle zwempooten, hetgeen noodig is, omdat het insekt 
ligter is, dan water, en dus neigt te drijven. Vandaar dat het zich 
onder water aan planten, steenen enz. vasthoudt, en er langs kruipt. 
Het is uit dien hoofde raadzaam dergelijke voorwerpen te plaatsen 
in de glazen, waarin men ze bewaart, om hen waar te nemen. Houdt 
men de tor lang buiten het water, dan zal zij niet meer kunnen 
onderduiken en bij de pogingen om te zwemmen meestal bezwijken. 

Niettegenstaande migee, waterplanten "het voornaam voedsel" van 
de groote watertor noemt, aarzelen wij niet haar voor een waar 
roof- of vleeschetend dier te houden. Trouwens evengenoemd natuur- 
kundige voegt er bij , dat zij ook met gretigheid doode larven en 
waterslakken verslinden. Erisch hield {Beschr. v. allerley Insecten, 
II, 32. Berl. 1721.) torren, zoowel die bij hem uit de pop kwa- 
men, als die hij ving, gedurende den winter in het leven en zegt 
hen gevoed te hebben met koolbladeren en andere groenten. Zij 
aten er echter in vèrschen staat niet van, maar in toestand van 
ontbinding en verrotting. In het voorjaar poogden zij uit het water 
te komen, verzwakten, schimmelden, werden met slijm bedekt en 
stierven. Het blijkt dat hij hun eigenlijk voedsel niet kende en 
zij dus een ziekelijk leven leidden in het vuile water. Anderen hebben 
hen in gevangenschap met meel gevoed. Wormen, jonge kikvorschen, 



— 37 — 

larven van deze bekende amphibièn, kleine hagedissen, vele water- 
insekten heb ik ze zien nuttigen, doch tot nu toe geene plant. 
Een paar, dat overwinterde, gebruikte niets, doch stierf vroeg in 
't voorjaar. Lyonet zag er onder het ijs sterven. 

Onder de belangrijkste levensverrigtingen behoort voorzeker de 
ademhaling, dat is, de stofwisseling tusschen dampkringslucht en 
het voedings vocht door organische vliezen. Waarschijnlijk ontbreekt 
zij bij- geen dier geheel en al; al wat leeft, ademt, zou men zelfs 
in ruimeren zin mogen zeggen. En geene soort van verblijf belet 
deze verrigting in de natuur geheel. In het heldere water van de 
beek, in de diepten der zee, in het drabbige moeras, in de be- 
woonbare korst der aarde, overal ademen levende wezens, ten koste 
van dezelfde lucht, die den aardbol als een doorluchtig en door- 
schijnend kleed omhult. 

Het behoort dus niet in de laatste plaats tot de kennis van het 
leven eens diers , om te weten waar en hoe het zich adem verschaft. 
Onze tor levert een voorbeeld, hoe noodig het is, in bijzonder- 
heden tot deze kennis door te dringen. 

Men weet, dat de dieren, die in het water leven, op twee ma- 
nieren adem kunnen halen. Zij doen dit of in het water of aan 
de oppervlakte daarvan. In het eerste geval komt de verrigtino- 
tot stand door inwerking van de in het water opgeloste lucht 
op de kieuwen (b. v. bij visschen) of hiermede vergelijkbare organen ; 
in het laatste geval wordt de gewone dampkringslucht in de longen 
(b. v. bij bruinvisschen) of in luchtbuizen , zoo als bij de waterin- 
sekten, opgenomen. De tor, waarover wij spreken, ademt, even 
als vele anderen, op de laatstgenoemde wijze. Maar hoe doen onze 
diertjes dit? 

Het is noodig, dat wij vooraf een woord zeggen over de rang- 
schikking van de beide soorten van watertorren , waarover wij han- 
delen. Zij behoorden, volgens linnaeus, met vele anderen, tot 
één geslacht, Dytiscus [Dyticus geoffr.) , Duikelaar genaamd. In 
ons vaderland komen, onder anderen, Dytiscus marginalis en Roe- 
selii voor, die in grootte tot de pikzwarte naderen. Zij leiden ook 
in menig opzigt dezelfde leefwijze. Doch bij naauwkeurig verge- 



— 88 — 



lijkend onderzoek, heeft men later teregt begrepen, dat er eene 
scheiding behoorde plaats te hebben, omdat er niet alleen in uit- 
wendige deelen , maar ook in inwendige organen en verrigtingen 
standvastig verschil bestaat. Er is een nieuw geslacht gesticht, 
met name Hydrophilus, Waterminnaar , waaronder onze torren voor- 
komen , de eerste als H. piceus d. i. pikzwarte^ de andere als cara- 
boides d. i. loopJceverachtige of aardtorachtige. De bovengenoemde 
Dytisci zijn onder het geslacht van dien naam verbleven. . 

Het zou in dit opstel niet passen over alle bijzonderheden van 
verschil tusschen de aangestipte geslachten te handelen, wij vesti- 
gen alleen de aandacht op de sprieten: werktuigen, die algemeen 
bij de insekten voorkomen en voornamelijk als zetels van den gevoel- of 
tastzin bekend zijn, terwijl men er doorgaans weinig of niet aan 
denkt, dat zij ook eene andere bestemming kunnen hebben. Deze 
sprieten zijn in het geslacht Hydrophilus voorzien van een knods- 
vormig einde, hetwelk gevormd wordt door boven elkaar, als om 
eene as geplaatste, bladvormige geledingen. Bij Dytiscus daaren- 
tegen zijn de sprieten, hoewel uit geledingen bestaande, geheel en al 
draadvormig. Zie hier ter vergelijking de afbeeldingen van nitzsch 
(fig. 2 A. B.) en eene van mij (fig. 3). 





Fi?. 2. 



In fig. 2 A ziet men den spriet uitgestrekt met de gewone rig- 
ting der geledingen, uit een eenigzins ander standpunt, dan bij B. 
Men onderscheidt terstond negen geledingen, waarvan N°. 9 het 
groote, gekromde wortellid is, 5 tot 8 kleinere, gladde geledingen 



39 




Tig. 3. 



en 1 tot 4 de geledingen van de kolf 
-^ ■ zijn. Van de laatsten zijn 1 , 3 en 3 
behaard, terwijl de lange borstels van 
2 en 3 bijzonder in het oog loopen. 
De vierde geleding is glad van opper- 
vlakte en slechts aan den bovenrand 
behaard. In fig. 2 B zijn de deelen met 
dezelfde getallen aangeduid; zij zijn 
hier voorgesteld in den toestand van 
ademhaling. 1 , 2 en 3 zijn neerwaarts 
gebogen in het water, terwijl 4 aan de 
oppervlakte de lucht raakt. De letters 
aa, da duiden de grenzen tusschen water en lucht, rondom de 
kolf, aan; h stelt den stroom van de lucht in de evengenoemde, door 
een waterwand gevormde buis voor; c eindelijk is de plaats van 
overgang van de instroomende lucht in de luchtblaas van het lig- 
chaam der tor. In fig. 3 ziet men de elf geledingen van den spriet 
van Dytiscus marginalis ., waarvan 1 tot 9 gelijkvormig mogen 
heeten, 10 aan het benedeneinde niet verdund is, en 11 de overi- 
gen in sterkte overtreft. Dat deze inrigting geene luchtbuis kan 
vormen, behoeft geen bewijs; maar wij moeten nog voorstellen, 
hoe dit door de eerste organen (fig. 2) geschiedt. 

Vroeger meende men, dat alle watertorren zich met het achter- 
einde van haar ligchaam aan de oppervlakte van het water begeven , 
de dekschilden een weinig opligten en alzoo een voorraad van lucht , 
bij het onderduiken , medenemen. Doch men overtuigt zich gemak- 
kelijk met eigen oogen , als men Dytiscus marginalis en Hi/drophi- 
lus piceus (of andere soorten van deze geslachten) in glazen met 
water bewaart, dat zulks bij de eersten wél, bij de laatsten niet 
het geval is. Beide komen van tijd tot tijd aan de oppervlakte; 
de eerstgenoemden echter standvastig met het achtereinde des lig- 
chaams, de laatstgenoemden met het hoofdeinde. 

In 1808 nam niïzsch omstreeks veertig pikzwarte watertorren 
waar, en ontdekte, dat zij de voelhoorntjes gebruiken om de damp- 
kringslucht een weg te banen naar de luchtgaten. De tor, een 



— 40 — 

weinig op de eene zijde gekeerd, buigt de lagere geledingen van 
den eenen voelhoorn in de hoogte, doch de gebladerde kolf bene- 
denwaarts (fig. 2 B) , zoodat het bovenste lid , 1 , naar onderen , 
het benedenste, 4, naar boven en juist aan de oppervlakte van het 
water komt. Er ontstaat alzoo eene buis ter leiding van de buiten- 
lucht door het water heen , naar den benedenkant van het halsschild 
en de borst. Van hier gaat deze lucht aan beide zijden van het 
borststuk onder de vleugels , en komt door eene beweging van deze 
een in- en uitstroomen van lucht tot stand , waardoor ademhaling 
met al de luchtopeningen mogelijk wordt. Tevens is dit een mid- 
del, om het dier, door ophoopen of loslaten van lucht, ligter en 
zwaarder te maken, en dus gemakkelijker te doen rijzen of dalen. 

Vraagt men , of er eene reden te vinden is , waarom bij de Watermin- 
naars de manier van ademhalen anders is, dan bij de Duikelaars, 
dan is, volgens nitzsch, het antwoord te vinden in de inrigting 
van de luchtgaten, waardoor de lucht in de ademhalingsbuizen 
moet dringen. Bij de Dytisci namelijk zijn de voorste of borst-lucht- 
gaten zeer achterlijk en ruggelings geplaatst, zoodat zij onder de dek- 
schilden komen, terwijl de beide laatste of achterste paren van de 
buik-luchtgaten bijzonder sterk ontwikkeld en de overigen veel 
kleiner zijn. De inrigting is daarentegen bij de Hydrophili anders. 
Hunne borst-luchtgaten zijn benedenwaarts geplaatst, en van die 
des buiks zijn de voorsten van aanzienlijke grootte en de overige 
kleiner, met name zijn de achterste zeer naauw. Men ziet nu ge- 
makkelijk de schoone harmonie tusschen een en ander in: de lucht 
komt bij de Duikelaars terstond in aanraking met de meest ontwik- 
kelde ademhalings-organen , als zij door het achtereinde wordt aan- 
gevoerd, en bij de Waterminnaars, als dit door het vooreinde gebeurt. 
De beweeglijke dekschilden konden dien toevoer in het eerste geval 
bewerkstelligen , het onbeweeglijke borstschild is er niet toe in staat; 
de natuur, zoo rijk in middelen, maakt er de sprieten toe bekwaam , 
en bakent de lucht verder haren weg af. 

Onder de aanlokkelijkheden van de beschouwing der insekten 
behoort niet in de laatste plaats genoemd te worden, dat zij be- 
wonderenswaardige kunstgewrochten tot stand brengen, die ter 



^ 41 — 

bereiking van het doel voortreffelijk zijn ingerigt. De beide boven- 
genoemde torren leveren er een schoon voorbeeld van in de nestjes , 
die zij spinnen ter bewaring van hare eitjes. Te meer moet deze 
zaak der aandacht waardig geacht worden , omdat het spinnen onder 
de insekten meer voorkomt in onvolkomen staat , b. v. bij rupsen , maar 
zeldzamer in volkomen toestand , en vooral vreemder is aan schild- 
vleugeligen. Bedenkt men hierbij, dat onze torren in het water 
leven en er zich niet buiten begeven , als zij spinnen , en dat bij 
aanverwante geslachten dit vermogen geheel schijnt te ontbreken, 
dan neemt de belangstelling nog toe. 

Men vindt deze nestjes drijven op het water, waarin de maskers 
en torren plegen te leven. Soms dobberen zij vrij op den waterspie- 
gel, maar meest zijn zij omgeven door eendekroos en andere water- 
planten. Doorgaans vindt men meer dan één nestje op korten afstand 
bij elkaar, voornamelijk van de kleine soort en in grooter getal. 

Laat ons eerst het volkomen nestje in oogenschouw nemen, dan 
nagaan hoe het gesponnen en met eitjes voorzien wordt, om ein- 
delijk nog bij masker en pop een oogenblik stil te staan. 

Yig. 4 en 5 vertoonen het geheele nest naar lyonet {Theol. pi. 1 
fig. 16. en B,ech. pi. 13, fig. 3 et 4.); fig. 6 is de geopende coqwe 
van MiGER (pi. 28, fig. 4); fig. 7 is een ongeopend, fig. 8 een 
doorgesneden nest, nabij Groningen door mij gevonden. 

Men onderscheidt terstond het mastje of hoorntje a, hetwelk steeds 
boven waarts gerigt is en medewerkt , om den regten stand te bewaren 
en het omkantelen te voorkomen. Het moet bevreemden, dat lto- 






Fjg. 4. 



Fig. 5. 



Fis. 6. 



— 42 





Fig. 7. Fig. 8. 

NET de zonderlinge vooronderstelling uitsprak, dat de tor zich, 
door het mastje te vormen, ontdoet van overvloedige zijdestof, die 
anders, na voltooijing van het werk, in het ligchaam zou terug- 
blijven en schadelijk werken. Vroeger had hij teregt de meening 
voorgestaan , die wij zoo even mededeelden. Het schijnt daarenboven , 
dat door het mastje wisseling van lucht in het nest kan plaats 
vinden, hoewel het geen buisje is, maar bestaat uit rondom elkaar 
liggende lengtedraden, waarvan de buitenste de binnenste steeds in 
lengte overtreffen. 

De grondslag van het mastje is eene min of meer driehoekige 
vlakte, begrensd door eenen verheven rand. Aan den benedenkant van 
deze vlakte merkt men eene plek, l, van dunner weefsel op, waar- 
door zich de maskers een uitweg naar het water banen. Het komt 
mij voor, dat te dezer plaatse ook geschikte gelegenheid is tot lucht- 
wisseling. Het ligchaam van de coque is eivormig, nu eens wat 
ronder, dan eens wat langwerpiger. De afbeeldingen van lyonet 
en MIGEU stellen de nestjes voor, nadat zij ontdaan zijn van uit- 
wendig aanhangende deelen; althans zoo zuiver, als deze zijn, zag 
ik er geene. In dat van fig. 7 ziet men de oppervlakte bezet 
met gedeelten van bladen van Fonteinkruid en gewoon slootvlag 
of flap. Dit laatste en eendekroos zijn veeltijds aanwezig. In geen 
geval zijn de bladen regelmatig om het nest geplooid of is er eene 
orde en regelmaat in de plaatsing; zij zijn als 't ware toevallige 
inmengsels in het buitenst weefsel, deelen, die slechts losjes aan 
de buitenste draden, toen zij nog versch en kleverig waren, aan- 
hingen. Misschien kan men ook de gladheid van het nestje van 



— 43 — 

MIGER daaraan toeschrijven, dat het gemaakt is in eene bokaal met 
water, waarin hij niets schijnt gehad te hebben, dan eene grootere 
waterplant. 

Uit de doorsneden leeren wij de plaatsing van de eitjes kennen. 
MiGER nam den bodem l) van de coque weg, zoodat men de bene- 
deneinden van de zeer regelmatig geplaatste eitjes, fig. 6 ee, ziet, 
terwijl tevens in het oog loopt, dat iets minder dan de helft niets 
dan een zeer los weefsel bevat. Vergelijkt men hiermede de door- 
snede in de lengte, fig. 8, dan ontwaart men, dat de eitjes door 
een weinig donzig weefsel van den bodemwand verwijderd zijn en 
boven hen eene ruimte, met los weefsel gevuld, aanwezig is. Aan 
het blinde einde wordt de wand, bij cc, verdikt door een weefsel 
van langere draden. Boven de dunne plek h is de grondslag van 
het mastje, d, gevormd uit een bruiner en digter weefsel. 

Neemt men het gansche zamenstel in aanmerking, dan bewondert 
men voorzeker het doelmatige van het geheel. De eitjes zijn bewaard 
tegen het water, hetwelk hunne ontwikkeling hinderen zou, en 
toch zijn zij in de onmiddelijke nabijheid van dit element, waarin 
de maskers zich moeten begeven, om te leven en op te wassen. Er 
is ruimte overig om de voor de ontwikkeling van het jong in het 
ei noodige lucht te bevatten , die later ook eene poos voor de adem- 
haling van de maskers moet dienen. Het weefsel is zoo ingerigt, 
dat verversching van lucht mogelijk zal zijn. De plaatsing van de 
eitjes is zoo verordend, dat door hun gewigt de stand van het 
nestje bepaald en vrij vast wordt, waarbij het mastje zich in de 
lucht verheft. Wordt het hulkje door eene windvlaag getroft'en, 
het zal doorgaans zijn stand hernemen, en het mastje zal altoos 
een behoedmiddel tegen volkomene omkeering zijn , daar het op het 
water zal kleven en rusten. Is de tijd daar, dat de maskers uit 
het ei komen, zij verscheuren zonder veel moeite het losse inwen- 
dige weefsel en hebben ruimte om eenigen tijd in het nest te blijven 
vertoeven , te meer daar de dunne, vliezige eidoppen ook verloren gaan. 

1) Ik meen, dat men dit deel den hodem moet noemen, hoewel miger hetzelve als 
het hovenste gedeelte wil heschouwd hehben. Volgens hem keert de coque zich altijd 
om en is het bovenste ingedompeld. yecg.Ann. d. Mus. XIV. 



— 44 — 



Bewondert men de schoone inrigting van het spinsel , men zal 
als van zelf gedrongen worden te vragen : hoe maakt de tor dit 
kunstig hulkje, hoe legt zij hare eitjes in dat welgesloten drijvend 
huisje? Oppervlakkig beschouwd zal men de zaak onbegrijpelijk 
vinden, en al peinst men diep en lang, men zal het raadsel niet 
oplossen. Er staat ons ook hier slechts één weg open , om tot de 
waarheid, tot helder inzigt der zaak te komen, de weg van waar- 
neming van wat de natuur wrocht en werkt. De leerschool Gods 
staat boven die der menschen ; daar geest en waarheid , hier her- 
senschimmen en dwaling. 

De voortreflelijke lyonet lichte ons met zijne schoone waarne- 
mingen voor, terwijl wij tevens acht slaan op die van migeh. 1) 
Tot opheldering dienen fig. 9 — 12, naar pi. 13 van de Recherches 
en fig. 13 naar miger's pi. 28, fig. 3. 




Fig. 9, 10, 11, 12. 



1) Westwood, in zijne Inlroduction , vol. I, 125. schijnt lïonet niet te hebben 
begrepen, als hij meent, dat evengenoemde stelt, dat de cocon gevormd is uit fijne 
takjes van confervae , terwijl alleen migek de afscheiding van ecne «ijdeachtige en gom- 
mige stof zou opgeven. 



— 45 — 




">^, 



^ 



Fig. 13. 

Het spinsel vloeit uit twee buisjes, aan het achtereinde van het 
ligchaam, zoo als gedurende de bewerking duidelijk te zien is; 
fig. 9, 11 en 13, a. Elk buisje geeft gelijktijdig eenen draad. 

Het wijfje, want dit spint alleen, legt zich aan de oppervlakte 
van het water op den rug en verbergt het achterste gedeelte van 
het ligchaam en de twee paar achterpooten onder een weinig vlag, 
kroos of een blad, latende de voorpooten of ook wel de middelste 
er boven, vrij en onbedekt. Met laatstgenoemde spreidt de tor het 
vlag enz., over haar buik uit, zoover noodig. In deze hou- 
ding, fig. 10, begint zij terstond eene witte zijde te spinnen tegen 
den onderkant van het vlag; welk spinsel men er doorheen ziet 
schijnen. Naarmate zij voortspint drukt zij met de voorpooten het 
spinsel tegen haar ligchaam aan, zoodat er eene ronding ontstaat, 
waarvan haar buik de mal is. Nadat deze eerste laag, die het 
bovenst of dak van het nestje moet uitmaken, voltooid is, 't geen 
in minder dan een half uur gebeurt, keert de tor zich om, zoo 
als fig. 12 voorstelt. Zij spint nu eene laag, tegenovergesteld aan de 
eerste, om den benedenkant of bodem van het hulkje te vormen, 
terwijl zij de kanten van de beide helften, al spinnende, vereenigt. 
Ook nu heeft de buik gediend tot mal van deze wederhelft. Zoo 
wordt in den tijd van omstreeks vijf kwartier een blinde zak ge- 
vormd, terwijl nu de tor zich, gedurende omstreeks twee uren, 
stil schijnt te houden, de rug opwaarts gekeerd. Bij naauwlettend 



— 46 — 

toezien, wordt men echter gewaar, dat zij zich bijna onmerkbaar 
uit het spinsel terugtrekt, waarin zij aanvankelijk tot aan het borst- 
stuk toe bedolven was. Gedurende deze schijnbare rust heeft zij 
een' belangrijken arbeid verrigt, zij heeft hare eitjes, in regelmatige 
orde, in het afgewerkt gedeelte van het nestje gelegd. 

Is deze verrigting geheel afgeloopen, dan is ook het ligchaam 
gansch en al buiten het spinsel gekomen, en de tor begint, inde 
houding van fig. 11 , in de rondte te spinnen aan den boord van de 
opening der cocon , die nu nog aan dezen kant geheel ongesloten 
is. Het spreekt van zelf, dat deze opening al naauwer wordt, tot 
dat het punt bereikt is, waar het nestje zich, aan den voorkant, als 
afgeknot vertoont (fig. 4, 8 en l.'J 6). Thans neemt de tor eene andere 
rigting aan ; zij maakt draden van beneden naar boven en van boven 
naar beneden , waardoor de cocon te dezer plaatse als met eene platte , 
min of meer driehoekige plaat wordt gesloten. Nog is de arbeid niet 
voltooid; op evengenoemd fundament wordt nog een mastje opgerigt. 
Pig. 9 en 13 stellen deze werkzaamheid voor. De tor spint aanhoudend 
van beneden naar boven en terug , het ligchaam sterk uitrekkende en 
boven den waterspiegel verhefl'ende. In fig. 13, waar het mastje 
noo- laag is, wordt het oogenblik aangewezen, dat het diertje aan 
den top werkt en op het punt is neer te dalen , waarbij de rigting 
weer meer horizontaal is, dan in fig. 9. Zoo bereikt eindelijk het 
mastje zijne volle hoogte; het is alsof de tor haar laatste werk nog 
eens retoucheert, en kort daarna verlaat ze haar kunstwerk, latende 
haar wél ingerigt liulkje onbekommerd drijven. 

Het gansche werk wordt in omstreeks vijf uren voltooid. 
Ik treed hier niet in moeijelijke vraagpunten over het verschil van 
aard van de zijde, waaruit verschillende deelen zouden gesponnen 
zijn en dergelijke, maar ik meen den lezer nog een feit te moeten 
mededeelen. Als miger bij den aanvang van het spinnen de torren 
in haar werk stoorde, dan hielden zij op; maar was het eijerleggen 
eens begonnen , dan kon men hen zelfs uit het water nemen , zonder 
dat zij hare werkzaamheid staakten. Hij knipte zelfs het bovenst van 
den blinden zak weg, en gedurende % uur kon hij het mechanisme 
van het spinorgaan en van het eijerenleggen waarnemen. Hij plaatste 



— -17 



één insektmet zijne coque op tafel, en toch hielden de werkzaamhe- 
den niet op. '■'■1'ant la nature commande impérieusement^'' voegt hij er bii. 

Wat den tijd van het spinnen van nestjes aangaat, miger nam 
dit waar in het begin van Mei , lyonet den 3 Junij en volgende 
dagen. Laatstgenoemde vond er ook in Julij met eitjes; ik, 
zoowel bij Leiden als bij Groningen, gedurende de geheele Meimaand. 
Dat ik den 5 Sept. 1814, bij Ehijnsburg, een nestje vond met 
51 gele en dus jonge eitjes, verdient opmerking. Er schijnt dus 
in den nazomer nog voortteeling te geschieden , en het wordt de vraa», 
of er maskers of poppen overwinteren , dan of er zóó laat nog vol- 
komene insekten te voorschijn komen ? Yolgens miger worden er 
98 dagen vereischt om de tor volkomen te vormen , waarvan zij 60 
als masker leeft. Gesteld, de vermelde eitjes waren den 1 Sept. gelegd , 
en aangenomen , dat het koude weder eens geene vertraging aanbrao-t , 
dan zouden de torren den 7 Decemb. zijn voor den dag o-ekomen. 
Onmogelijk is dus de metamorphose vóór den winter niet, maarzij 
wordt bij vertraging onwaarschijnlijk. Miger ving in het voorjaar 
krachtige maskers; jammer dat de tijd niet bepaald wordt opgegeven. 

Het getal der eitjes is steeds omstreeks 50, soms eenige minder, 
soms meer. Zij komen in den regel na 12 a 14 dagen uit. Eerst 
zijn zij geel, worden later donkerder , bruinachtig, en zijn ten laatste 
zóó gevuld met het larf je, dat zij er als 't ware de gedaante van 
vertoonen. Toen ik, in 1814, in de door de larven verlatene nest- 
jes van de kleine torren niets terugvond van de doppen, teekende 
ik deze vraag aan: "moet men gissen, dat de jonge diertjes, na 
het uitkomen, nog niet terstond bekwaam zijn , om allerhande voedsel 
te nuttigen en den invloed van het water door te staan.? Zouden 
zij daarom nog eenigen tijd in het nest verkeeren en de doppen 
tot voedsel gebruiken?" Schubaert {Letteri. 1849 ]\'o. 40.) ant- 
woordde opzigtens de groote torren: "de jonge larfjes blijven in het 
weefsel, tot na de eerste vervelling, gedurende welken tijd zij dit 
weefsel, zoowel als de schalen hunner eijeren en de afgestroopte 
huidjes grootendeels verbruiken, en de daarin bevatte lucht door 
middel der zijdelingsche luchtopeningen ter ademhaling schijnen te 



bezigen." 



48 



Meestal duurt het vertoef van de maskers in Het nestje één dag, 
en als zij het dan verlaten, zwemmen zij vrij in het water rond, 
doch vereenigen zich in den eersten tijd nog gaarne in kleine 
hoopjes. Zij voeden zich met kleine waterslakken, vooral Bulini, 
wormpjes, kikvorsch-larven enz. Miger gaf hun ook raauw vleesch 
en in stukjes gesneden groote slakken. 

Het masker, fig. 14, heeft een plat, ruimvellig, geringd, zwart 
ligchaam met weêrzijds geplaatste, kleine, vleezige, onbehaarde lucht- 
openingen. Er zijn korte, rolronde staartaanhangsels, a. De kop 
is rond, glad, roodachtig bruin, voorzien met sprieten, die drie 
eenigzins gewimperde geledingen hebben. Er zijn stevige kaken 
tot het vatten en verkleinen van de prooi. De pooten zijn donker 
gekleurd, kort, platachtig, gewimperd en met een klaauwtje ge- 
wapend; zij dienen tot zwemmen en vastklemmen aan waterplanten of 
andere voorwerpen en de prooi. Dat het masker bij aanraking een zwart, 
stinkend vocht van zich geeft, was reeds aan frisch bekend. Zij 
komen van tijd tot tijd aan de oppervlakte van het water, omadem 
te halen; men vindt hen ook stil liggen aan slikkerige slootwallen, 
even boven water. 

Eer de larven poppen worden, vervellen zij meer dan eens. Schü- 
BAERT deed de belangrijke waarneming, dat de larve, tijdens de 
vervelling, inderdaad luchtringen aan iederen ring van het ligchaam 
bezit, zoodat de vervelling der luchtbuizen geschiedt, even als bij 
andere torren-larven, terwijl men dan ook aan het ligchaam der 
pas vervelde larve, bij vergrooting, duidelijk de openingen ziet. 
Zij sluiten zich echter spoedig en slechts de achterste blijven voor 
de ademhaling open. 





Fig, 14. uaarLïONKT, XII. 



Fig. 15. naar Migek, Fig. 8. 



— 49 — 

Is het masker volwassen, dan begeeft het zich buiten het water 
en in vochtige aarde, om de gestalte van eene pop aan te nemen. 
De larve is dan gekromd , als in fig. 14 wordt voorgesteld , en vormt 
zich een langwerpig aan alle kanten gesloten hol, gelijk in fig. 15 
te zien is. Er worden ongeveer 10 dagen voor de volkomene me- 
tamorphose gevorderd. De huid scheurt op den rug, van den kop 
af tot aan den vierden ring, en de pop wordt, om zoo te zeggen, 
door deze opening geboren. 

De pop is geelachtig wit en men kan er de deelen van het vol- 
komen insekt grootendeels in erkennen. Aan het achtereinde merkt 
men twee aanhangsels «a op, terwijl op elk van de voorste hoeken 
van het borstschild drie hoornachtige en achterwaarts omgebogene 
stekels ö zijn. Lyonet, migee. en schxibaerï stemmen overeen in 
het nut dezer deelen, terwijl eerstgenoemde bij dit onderwerp lang 
redeneert over de eigenwijsheid van hen , die beslissen , dat eenig 
ligchaamsdeel geen nut of doel heeft, als zij het niet weten of 
kennen. De pop namelijk staat in haar onderaardsch hol steeds op 
den kop en rust op de evengenoemde stekels van het borstschild , 
terwijl zij zich met de achterste uitsteeksels ook steunt. Zij komt 
dus niet in aanraking met de vochtige wanden , wat schaden zou , 
en herneemt altoos dezelfde houding. 

Gedurende de drie weken van dit levenstijdperk, wordt de kleur 
van de oppervlakte donkerder en eindelijk ontstaat eene lange scheur 
in de huid van den rug. De tor plaatst zich op haar rug en ont- 
doet zich, met behulp van hare pooten en het wringen van de buik- 
ringen, van haar omkleedsel. De dekschilden of hoornige vleugels, 
die tot nu toe over den buik lagen (fig. 15 c), gaan den rug bedek- 
ken; de vleugels ontplooijen zich, droogen op, en erlangen voldoende 
vastheid; kort daarna vlijt zich het insekt als het ware onder zijne 
nu nog witte en buigzame dekschilden neer, en tracht zich op de 
nog wankelende pooten op te rigten. In omstreeks 24 uren neemt 
het eene bruine of zwartachtige kleur aan. Gedurende nog ongeveer 
twaalf dagen blijft de tor in haar hol, doch heeft dan kracht ge- 
noeg verkregen , om zich met behulp van kaken en pooten een' uit- 
weg te banen van haar kluis naar de vrije lucht, zoo teregt levens- 

4, 



— 50 - 

voedsel genaamd. Ziedaar de volwassenheid bereikt, na menige 
wisseling van vorm en werkzaamheid : ziedaar eene volkomenheid 
geboren door trapsgewijze ontwikkeling van een harmonisch geheel. 



De tweede spinnende waterkever , waarover wij wenschen te hande- 
len, mag in vergelijking met den eersten klein heeten, hoewel in 
dit geslacht nog kleinere zijn. In gedaante heeft hij eenige gelij- 
kenis met eenen loopkever of landtor; van hier de bovengemelde 
bijnaam (bladz. 88). Hij is ronder, dan de groote, de punt aan het 
borststuk is korter; de geheele tor, met sprieten en voelertjes, 
is zwart. Hij leeft in zoet water en schijnt vooral ondiepe, stil- 
staande slooten, die van "waterplanten voorzien zijn, te beminnen. 
Mijne vindplaatsen te Leiden , Groningen en Velp waren althans 
van dien aard. Hij zwemt vrij snel en begeeft zich van tijd tot 
tijd door de vlugt naar elders en schijnt ook wel eens op het land 
te vertoeven , waartoe zijne pooten geschikter zijn , dan die van den 
vorigen. Zijn voedsel is dierlijk, gelijksoortig aan dat van den groote. 
Het is niet vreemd, dat eenigen gelijktijdig zich aan eeue en de- 
zelfde prooi te goede doen, bij welke gelegenheid men verscheidene 
in eens vangen kan. Als ik in een glas larven van Dytiscus mar- 
ginalis met deze kleine torren bewaarde, en er kleine kikkers in 
deed , werden deze eerst aangetast door de larven , en verkozen de 
torretjes later te verslinden, wat er overbleef. Ik onthoud mij 
liever van eene meer bijzondere beschrijving van de tor, pop en 
masker, om de overige ruimte te besteden aan wat uitvoeriger 
mededeeling over het nest. 

Deze nestjes verdienen niet minder onze aandacht, dan de boven 
beschrevene. Er zijn tusschen beide trekken van overeenkomst en 
verschil. 

Lyonet {Rech. p. 129.) beschrijft dit nestje zeer kort, als drij- 
vende op het water, gemaakt van zeer witte zijde en van een mastje 
voorzien. Van boven is de coque bedekt door een niet breed blad 
van eenige plant, welk blad het insekt waarschijnlijk diende, om 
zijn werk te vestigen. Van de wijze, waarop het nestje gevormd 



51 — 



wordt, hoe het in bijzonderheden zaamgesteld is, spreekt hij even- 
min, als MIGER. De laatstgenoemde vergenoegt zich zelfs met niets 
mede te deelen, dan dat hij, behalve de coque van de groote tor, 
die van Hydrophile carahoide en plcipède gevonden heeft, welke 
onbekend waren. Andere schrijvers zijn óf even kort óf zwijgen 
er van; niemand, zoo ver ik weet, heeft de nestjes afgebeeld. 

Zie hier eenige, waarvan fig. 16 — 18 in 1814 geteekend zijn 
naar voorwerpen , gevonden bij Leiden ; de overigen , in dezen zomer , 
bij Groningen en Velp. 





Tig. 16. 



Fig. 17. 






Fig. IS. 



Fig. 19. 



Fig. 20. 





X 



Fig. 21. Fig. 23. 

Al deze nestjes vertoonen, als de boven beschrevene, een mastje, 

met eenen driehoekigen grondslag, en hebben eene eivormige 

gedaante, terwijl het geheel uit eene zijdeachtige stof gesponnen 

is. Zi] hebben dit eigenaardigs, dat zij steeds door een blad of 

bladvormig deel omgeven en als beschut worden. Onder het groot 

getal cocons van deze soort , door mij waargenomen , heb ik er slechts 

4* 



— 52 - 

twee gezien , die naakt waren. Men mag dit als toevallig beschou- 
wen, omdat eenige andere nestjes, in dezelfde sloot gevonden , slechts 
omhuld waren met bijna verrotte wilgenbladen , die ligtelijk geheel 
konden verloren gaan. 

De omstandigheden bepalen eenigzins de soort van het blad, 
maar twee eigenschappen worden er bovenal in vereischt. Het moet 
niet te breed en niet te stijf zijn. In het eerste geval kan de tor 
de bladschijf niet bespannen, overklemmen; in het laatste kan zij 
het blad niet naar eisch buigen. In een slootje, langs hetwelk eene 
heg van hagedoorn staat, vond ik de meeste nestjes omgeven door 
een blad van dezen boom. Elders waar wilgen waren, zijn bladen 
van deze gebezigd : zoo ook eikenbladeren , enz. , maar geene heb ik , 
dezen zomer, in grooter getal (64 onder de 107) verzameld, dan 
die met de tweeslachtige Duizendknoop of Roowilg [Polygonum 
amphibium) waren vervaardigd , eene plant , die veelvuldig aan sloot- 
wallen en ondiepe slooten groeit, en wier lancetvormige bladen, 
even als die der wilgen , een zeer geschikte gedaante hebben. Een- 
maal vond ik een nestje omhuld met een blad van de groote brand- 
netel. Van de breedere bladsoorten kwamen meest jongere voor. 
Van de blaartrekkeude Ranonkel {Ranunculus sceleratus) zag ik 
slechts de meer eenvoudige of slippen van de breedere gebruikt. 
Doch ik mag hier in geene meerdere bijzonderheden treden, maar 
wijs den lezer op fig. 21 , waar hij zien kan , dat het der tor niet 
te doen is om de soort van stof, d. i. om het blad , maar om den 
vorm en de buigzaamheid. Het omkleedsel namelijk van deze coque, 
den 7 Julij te Velp gevonden, was een strookje wit papier, hetwelk 
toevallig op het water dreef. 

Vergelijkt men fig. 16 — 18 met fig. 19 en 20 , dan ontwaart men den 
invloed van denbladvorm. In de eerstefiguren, nog afkomstig uit mijnen 
studententijd, omgeeft het wilgenblad het spinsel geheel , zoodat er 
niets dan de beide uiteinden van de cocon te zien zijn. Het blad 
van fig. 19 en 20 is van de gemeene Vorschbeet {Hydrocliaens 
morsus ranae), waarvan ik slechts één voorbeeld zag, niettegenstaande 
het algemeen voorkomen van deze waterplant. Dit blad liet slechts 
toe den rand een weinig benedenwaarts te buigen (fig.-20 h i) , ter- 



— 53 — 

wijl de geheele bodem uit onbedekt spinsel moest bestaan (fig. 20 
cc'). Daarenboven hinderde in dit geval de steel d van dit eenig- 
zins schildvormig blad het spinnen van een regelmatigen blinden zak, 
zoodat deze eenzijdig (bij c') werd. Het mastje en de sluiting a 
zijn zeer zuiver gevormd. 

Van dit nestje valt nog eene belangrijke bijzonderheid te ver- 
melden. Het is gemaakt door een paar, hetwelk vroeger ook 
reeds gesponnen had. De paren namelijk, welke nesten bij mij ge- 
vormd hadden, werden in een afzonderlijk glas bewaard, waarineen 
plantje van de Vorschbeet en een Wilgenblad dreef. In dit glas 
vond ik het voltooide nestje 's morgens van d. 25 Junij 1. 1. Door 
een segment, in de rigting van ^ x, fig. 19, weg te nemen, over- 
tuigde ik mij dat er in het nest eitjes gelegd waren. 

Ik ben gelukkig genoeg geweest het maken van de nestjes meer- 
malen te hebben waargenomen bij voorwerpen, die in glazen met 
water, bladen of plantjes bewaard en gevoed werden. De hoofdza- 
ken zijn de volgende. 

Het nestje wordt eigenlijk alléén door het wijfje gesponnen , maar 
het mannetje bewijst gedurende het geheele werk, mag ik mij zoo 
uitdrukken , eene mechanische hulp. Voor het werk aanvangt plaatst 
zich het mannetje op den rug van het wijfje, en blijft tot eenigen 
tijd na de voltooijing onbewegelijk én onwerkzaam zitten. 

Is het blad, hetzij het vrij dreef of eerst afgebeten moest wor- 
den, gekozen, dan is het eerste werk het buigen of krommen er 
van. Dit gaat niet zonder moeite en mislukt soms door te 
groote breedte of lengte of stijfheid van het blad. Moeijelijker is 
het buigen, als het beneden vlak van de bladschijf boven drijft; 
men vindt dan ook zeldzamer nestjes met evengenoemde vlakte 
buitenwaarts gekeerd. Pig. 23. 

Het paar plaatst zich aan den benedenkant van het drijvend blad, 
zoodat het er, in het water, aan schijnt te 'hangen. Het wijfje zet 
de nagel tj es van de voor- en achterpooten op den rand van het bo- 
venvlak des blads, de middelste pooten op de benedenvlakte. Door 
drukking en toenadering van de uiterste pooten wordt nu het blad 
over de lengte-as van het diertje gebogen. Intusschen is deze bogt 



— 54 — 

te flaauw; zij moet, zal er een doelmatige vorm of mal ontstaan, over 
de dwarse as en over den rug van het mannetje gaan. Het paar 
keert zich plotseling om en verandert van rigting, d. i. het wijfje 
komt te staan en dwars over het blad. Ik beken nog niet volko- 
men te weten , hoe dit geschiedt , zonder dat het blad zich ontrolt, 
en durf hetgeen ik meen gezien te hebben , voor geene stellige 
waarneming laten doorgaan. 

Hoe dan ook, het torrenpaar is omgeven (of in zeldzame ge- 
vallen bedekt, fig. 19) door het blad, en het spinwerk daar binnen 
vangt aan. Eerst wordt de achterste opening (fig. 17 a) door spinsel 
gesloten en terstond daarna de bodem van den blinden zak (fig. 20 c'), 
en voorts omstreeks de helft van de cocon gevormd. In dit gedeelte 
worden de eitjes gelegd, op soortgelijke wijze, als van de groote 
tor vermeld is. Daarna spint het diertje de voorste helft van het 
nest en vult de ruimte daarvan met een los weefsel. Er rest 
nu nog de voorste sluiting (fig. 17 en 22 a) te maken, waarvan 
het bovenst het mastdriehoekje is, waarop eindelijk het mastje wordt 
geplaatst. Hierbij dient opgemerkt , dat men de ware gedaante van 
dit mastje niet wel leert kennen aan voorwerpen, die reeds eenigen 
tijd oud zijn; dan schijnt het afgeplat-rond en spits, doch versch 
is het driekantig en soms merkbaar aan de punt verbreed. 

Slaat men den gang der bewerking naauwlettend gade, dan blijkt, 
dat de hoogte van de cocon bepaald wordt door de hoogte van 
beide diertjes zaamgenomen, en door de rigting, die zij aannemen. 
De bodem c' fig. 20 wordt alleen door het achterlijf van het wijfje 
bereikt, terwijl meer voorwaarts de dikte van beide individuen 
aanwezig is. En naarmate het spinnen vordert, komen beide meer 
en meer buiten de coque, doch het mannetje is er het eerst geheel 
buiten. Lettede men nu niet op de veranderde rigting, het zou 
onverklaarbaar wezen, hoe het blad aan het vooreinde (fig. 17 en 22) 
zoo hoog opgetipt kan wezen en dikwerf eenen driehoekigen vorm 
vertoont. Bedenkt men echter, dat naarmate het paar buiten het 
nest geraakt , de hoofden meer dalen , dan begrijpt men , dat het 
achterlijf van het wijfje ten laatste het blad (fig. 22 bij l) moet oplig- 
ten. Hier komt nog bij , dat op dit tijdstip de achterpooten geplaatst 



— 55 — 

worden ter weerzijden van het toekomstig mast-driehoekje (fig. 22 c.) 
en alzoo de vorm nader wordt bepaald. 

Als het sluiten van het nestje zal gebeuren, zijn beide torren 
geheel buiten hetzelve en houdt het wijfje zich met de pooten vast 
aan den rand van het blad, en hebben zij eene bijna vertikale rig- 
ting aangenomen. Door hun gezamenlijk gewigt helt het nestje 
nu naar den voorkant over, en is het duidelijk, dat dit het oprigten 
van het mastje gemakkelijker maakt. Dit liep mij in het oog, toen 
ik op d. 18 Junij 's avonds ten 8 uren het wijfje alléén bezig vond 
een mastje te spinnen, hoewel het mannetje ten 4y2 uren de nest- 
vorming mede had aangevangen. Nu stond de sluiting van het nestje 
loodregt en moest het achterlijf meer worden gerekt om het mastje 
de vereischte hoogte te geven. Het was omstreeks 9 uren voltooid. 

Doch ik durf de aandacht van mijne lezers niet op meer kleine 
bijzonderheden van dit kunstgewrocht dier kleine tor vestigen, en 
eindig met nog aan te teekenen , dat deze arbeid bijna geheel onder 
water gebeurt en in omstreeks 4 uren , het krommen van het blad 
medegerekend , gereed wordt. Het leggen der eitjes gebeurt in lucht , 
hoezeer het wijfje onder water verkeert, want er wordt een bui- 
tengewone voorraad lucht , vóór het begin der werkzaamheid , mede 
genomen en later in de coqiie ontlast. Zie hierin eene reden te meer 
voor het opheffen van den achterkant en het duikelen van den voorkant 
van het nestje bij het spinnen van het mastje. 

Het voltooide nestje drijft op het water, zoo als dat vandegroote 
tor en verschilt er in schikking van de eitjes niet van. Ik vond 
in eene welgevormde coque minstens 39 en moestens 56 eitjes , 
die aanvankelijk geel zijn, maar allengs ondoorschijnender en met 
twee inwendige zwarte strepen , door de ontwikkeling van de hoofd- 
stammen der luchtvaten ontstaande, voorzien worden. 

De maskers vertoeven nog in het nest en verteren er ook de 
doppen hunner eitjes (bl. 47). Zij banen zich eenen uitweg door den 
bodem van de cocon, nabij de sluiting. Zij zwemmen lustig rond, 
doch vereenigen zich aanvankelijk gaarne tot kleine hoopjes in het 
water. Hun zucht tot bemagtigen en verslinden eener prooi open- 
baart zich spoedig, zoodat, als men hen niet van spijs voorziet, 



— 56 — 

zij elkadr verdelgen. In de eerste dagen voedde ik hen door plant- 
luizen en bladrollers (rupsjes van Tortrix) op het water te strooijen. 
Gaarne gaan zij op een drijvend voorwerp zitten, of klemmen zich 
aan eene plant, deels onder water, vast, om dan den kop, met de 
prooi tusschen de kaken , in de hoogte te rigten , waarvan rösel , 
{Insecten II DL, Tab. IV, fig. 7) eene goede afbeelding geeft. 
Volwassen geworden tasten zij grooter prooi aan, zooals onvol- 
komen kikvorschjes, enz. Behalve door geringere grootte onder- 
scheiden zij zich van de maskers van den grooten Kever door weêr- 
zijds aan de ringen van het ligchaam, van den vierden tot den tienden, 
een langen , gebaarden stekel te bezitten. 

De volwassen larve verandert op gelijksoortige wijze, als boven 
vermeld is van de pikzwarte tor, in den grond, tot eene pop. Deze 
heeft groote overeenkomst met fig. 15, in evenredigheid verkleind, 
en bezit zoowel de aanhangsels a a, als de hoornachtige stekels i. 
Uit deze pop wordt de bleeke en zwakke tor geboren, die na eenig 
vertoef zich uit zijn onderaardsch hol begeeft, het water opzoekt, 
en hierin als volkomen in sekt leeft en werkt. 

Mogt deze mededeeling iets bijdragen tot het vestigen van de 
overtuiging bij velen, dat Gods schepselen overal waardig zijn met 
naauwlettenheid te worden gade geslagen , en dat ons Vaderland van 
Zijne wonderen niet minder getuigenis geeft, dan menig ander oord. 



IETS OVER DEN EPYORNÏS. 



Het zal , naar ik vertrouw , den lezers van het Album , wier aan- 
dacht onlangs werd gevestigd op eenen grooten geheimzinnigen vogel, 
welligt nog op Madagascar levende, niet ongevallig zijn eenige nadere 
berigten daarvan te vernemen. Zij zijn ontleend aan N». 18 der Comptes 
rendus des séances de Vacad. des sciences, 30 Oct. 1854. Het ont- 
vangen van het fragment van een scheenbeen en van het linker 
schaambeen van dien vogel, welken men Epyornis heet, gaven aan- 
leiding tot eene korte aanteekening van twee fransche naturalisten, 
beide even beroemd, buvernoy en valenciennes, die uit de verge- 
lijking dezer fragmenten en van het vroeger ontvangen metatarsaalbeen 
met de vogelgeraamten van het museum van den Jardin des Plantes , de 
voorstelling opperen , dat de Epyornis geenszins tot de struisachtige 
vogels zoude behooren , waartoe j. geoffroy sï. hilaire en schleget. 
hem brengen, maar veeleer een reusachtige zwemvogel zoude wezen. 
Valenciennes is niet ongenegen den Epyornis te plaatsen tusschen 
de Pinguins {Alken) en den Vinduiker {Aptenodytes). Hij roept in 
het geheugen terug de vleugellooze Alk [Alca impennis) , waarvan de 
eijeren zeer groot zijn, en herinnert dat de zeeën van Zuid-Afrika 
sterk bevolkt zijn met een groot aantal dezer zwem- en duikvogels, 
die hun element slechts verlaten, om zich met moeite op het rots- 
achtig strand voort te slepen. Zij verhouden zich tot de vogels als 
de Zeehonden tot de zoogdieren. Vele dezer kortvleugelige vogels 
begraven hunne eijeren onder het zand, hetgeen overeenkomt met 
de omstandigheden, waaronder men de eijeren van den Epyornis vond. 



— 58 — 

Hierbij komt, dat men de ligcliaamsgrootte der vogels geenszins 
kan afleiden uit den omvang hunner eijeren. Er zijn betrekkelijk 
kleine vogels, die zeer groote eijeren leggen, en het ei van den 
struisvogel is in verhouding tot zijn ligchaam kleiner , dan dat van 
eene zwaan in verhouding tot het hare. 

Wegens al deze gronden , achten duveenoy en valenciennes het 
niet onmogelijk en zelfs waarschijnlijk, dat de Epyornis een zwem- 
vogel is. Ik zal daaromtrent niet beslissen , slechts het afgietsel van 
het ei van den Epyornis kennende; maar bij het groot verschil van 
meening omtrent den rang aan den Dodo toe te kennen, acht ik 
het niet onbelangrijk, de aandacht kortelijk te vestigen op de zeer 
onderscheidene zienswijze omtrent een' vogel, waarvan men slechts 
het kolossale ei en een paar beenstukken kent. Volgens den een' 
toch is hij een struisvogel, volgens den ander een zwem vogel, met 
de Alken verwant. Voorzigtiger ware het voorzeker, de zaak on- 
beslist te laten, tot men er iets meer van wete, 

W. V. 



HERMANN VON MEïER'S GEVOELEN 



OVEIl HET BESTAAN VAN 



DEN MENSCH IN DE VOORWERELD 



"De Palaeontoloog , die zich ten doel gesteld heeft, om de ge- 
schiedenis na te gaan der levende wezens, die de aarde bewoond 
hebben, en om te bepalen tot welk tijdperk elke diervorm behoort, 
wanneer die verschenen, wanneer die verdwenen is, moet ook de 
vraag zoeken te beantwoorden, wanneer het menschengeslacht op 
aarde is verschenen. Wanneer ik mij veroorloof om deze vraag te 
behandelen, terwijl ik mij juist onledig houd met het beschouwen 
der orde van de zoogdieren , zoo ben ik toch ver verwijderd van de 
meening, dat de mensch niet anders is dan een zoogdier met twee 
handen en twee voeten , alleen omdat hij levende kinderen ter wereld 
brengt en die zoogt, en omdat de zamenstelling van zijn ligchaam 
veel overeenkomst heeft met dat der zoogdieren. Zeer verdienstelijke 
Dierkundigen, die zich beroemen dat zij de zamenstelling der die- 
ren tot grondslag nemen van hunne classificatiën , beschouwen den 
mensch niet anders. Maar juist die zamenstelling is het, welke den 
mensch geheel op zich zelven doet staan. Hij leeft met de dieren onder 
dezelfde omstandigheden , en moest daarom in zijne zamenstelling 
ook wel met de dieren overeenkomen ; maar elk in het bijzonder 
beschouwd , verschillen de deelen van het menschelijk ligchaam zeer 
van dat der dieren. Geen dier, zelfs geen zoogdier, bezit hersenen 
als die van den mensch , of eene hand , welke aeistoteles , zoo 
teregt, het werktuig noemt, waarmede alle werktuigen gemaakt 
worden ; geen dier heeft een geestelijk leven als de mensch. Tus- 
schen hem en zelfs het verstandigste dier bestaat eene klove, die 



— 60 — 

nimmer door een ander dierlijk wezen zal worden aangevuld. De 
geestvermogens van den menscli, die zonder twijfel ten naauwste 
aan de zamenstelling van zijn ligchaam verknocht zijn, ziet men 
nergens schooner uitblinken dan in het erkennen van den alvermo- 
genden Schepper , in het navorschen der wetten, die het onmetelijke 
heelal beheerschen, en in het gebruiken der natuurkrachten ten 
zijnen voordeele. Daarin evenaart hem geen ander levend wezen. 
Buitendien is er slechts één menschengeslacht, dat niet, als bij de 
andere diergeslachten, in soorten verdeeld is, maar daarentegen het 
meest mogelijke verschil aanbiedt in persoonlijke ontwikkeling der 
individuen. 

Over den tijd, wanneer de mensch geschapen is, bestaat vol- 
komen overeenstemming tusschen hetgene regtstreeksche waarne- 
mingen leeren kennen en de overlevering, die in het boek der 
goddelijke openbaring aangeteekend staat. De Mensch is het 
laatst van allen geschapen. Eene buiten den mensch zelven aanwe- 
zende oorzaak is daarvoor niet aan te wijzen. Geheel valsch is in 
allen gevalle de meening, dat de aarde toen eerst rijp was geworden 
en geschikt , om den mensch te onderhouden ; daarom alleen reeds 
valsch, omdat onder alle dierlijke wezens het juist de mensch is, 
die het vermogen bezit, om onder alle luchtstreken te leven en om 
niet van een bepaald soort van voedsel af te hangen. Het schep- 
pingsplan steunt op eenen dieper liggenden grondslag, welken wij niet 
kennen, en denkelijk wel nimmer zullen doorgronden. 

Een naauwkeurig onderzoek heeft telkens geleerd , dat menschen- 
beenderen , die men , wegens hun voorkomen in gesteenten welke tot 
de voorwereld behooren , voor versteend hield , niet van eenen ge- 
lijktijdigen oorsprong waren met de thans verdwenen zoogdieren, 
tusschen welker overblijfselen zij aangetroffen werden. Van allen is 
het gebleken, dat zij later daaronder vermengd geraakt waren. Er 
bestaat dus nog geen enkel bewijs, dat er menschen geleefd hebben 
tegelijk met de duizenden diersoorten der voorwereld, die ons 
slechts bekend zijn uit de versteende overblijfselen , welke wij daar- 
van in de aarde bedolven aantreflen." 

S. 



ZÏENERSBERIGTEN VAN HET OORLOGSTOONEEL. 



Voor eenigen tijd heeft een couranten-berigt zeker aan inenigen lezer 
een' lach afgedwongen, — hoewel het daartoe niet bestemd was, hoewel 
de zaak, die er in vermeld werd, zeker oorspronkelijk als iets hoogst 
belangrijks en in het minst niet lachwekkends werd beschouwd. Ik 
bedoel het berigt, dat een bewoner van eene der Pransche provincie- 
steden aangaande den stand der zaken in de Krim op ieder oogenblik 
tijdingen , zekere tijdingen , beter althans dan die door Tartaren worden 
overgebragt, kon mededeelen, welke hij opmaakte uit de bewe- 
gingen van eenige bloedzuigers in een glas met water. Er is later 
niets meer aangaande deze hypersympafchetische diertjes en hunnen 
tolk bekend geworden; en men weet dus niet, of de man nog altijd 
zich daarmede bezig houdt en zijne berigten dan ten gemeenen nutte 
publiek maakt , of ze maar opteekent om ze acht of veertien dagen 
daarna met de langs den gewonen weg verkregene te vergelijken. 
Als men in aanmerking neemt , hoe arm aan uitdrukkingen , hoe 
rijk daarentegen aan symbolen en hieroglyphen de taal moet zijn, 
waardoor "bloedzuigers in een glas met water" hunne gewaarwor- 
dingen aan den mensch mededeelen, dan blijkt het, dat de laatste 
partij' voor onzen Eranschman nog langen tijd wel de wijste zijn 
zal, en dat hij, ook met den besten wil en de meest bovennatuur- 
lijke wetenschap van zijne diertjes, toch misschien wel eerst als de 
oorlog lang geëindigd is, het zoo ver zal gebragt hebben, dat hij 
eenigzins gedetailleerde berigten zal kunnen geven. 

Hoe jammer! Wat zou de man zich een roem kunnen verwerven , 
wat zou hij geld kunnen verdienen , — indien het hem daarom te doen 
was , — hoe zou hij zich de dankbaarheid verzekeren der Transche en 



— 62 — 

Engelsche regeringen en vooral van allen, die reikhalzend naar 
berigten aangaande hunne verwanten uitzien , indien hij b. v. slechts 
enkele malen in een week een bulletin kon uitgeven, waarin ver- 
meld stond, wat er op het oogenblik plaats grijpt in die streken, 
waarheen de bloedigste parodie op de beschaving der negentiende 
eeuw thans aller oogen gerigt houdt! Hoe jammer voor den man, 
hoe jammer voor de geheele wereld, dat hij dit niet kan! Hoe zou 
het te wenschen zijn, dat hij het spoedig leerde, of dat er iemand 
anders , die het kon , gevonden werd ! 

Welnu , lezer — en thans laat ik den schertsenden toon , waarop 
het alleen mogelijk is om over dwaasheden als de bovenvermelde te 
spreken, varen, en word volkomen ernstig — welnu, er zijn menschen, 
die, indien de kunst, welke zij voor de oogen der wereld beoefenen , 
geene dwaasheid, indien de wetenschap, welke zij voorstaan tegen velen, 
geen leugen is, dit moeten kunnen. Er zijn menschen, die voorgeven 
een' ander' in zulk eenen toestand te kunnen brengen, dat zijn 
geest geheel van tijd en ruimte onafhankelijk is, dat hij met het 
oog der ziel aanschouwt wat gebeurt en gebeurd is op de verst 
verwijderde plaatsen: er zijn zoogenaamde magnetiseurs, er zijn zoo- 
genaamde magnetisch helderzienden, clairvoyants of clairvoyantes. 
"Voor dezen is het thans tijd om te toonen wat hunne kun&t vermag, 
en daardoor, wat zij is. Zoo ooit, dan kunnen zij nu, eens voor 
altijd, hunne vele tegenstanders, die beweren dat alles wat van het 
helderzien verhaald wordt niets anders is dan zelfbedrog of eene aan 
anderen gepleegde behendige misleiding, overtuigen, dat zij dwalen, 
en dus hen, die thans smalen op hetgeen zij hunne kunst en we- 
tenschap noemen , dringen om daarvoor vol eerbied het hoofd te 
buigen. Daartoe zal het niet eens noodig zijn , dat alle magnetiseurs 
van hunne clairvoyantes oorlogsberigten verkrijgen en die publiek 
maken. Als onder het legio dier menschen, dat over geheel de 
wereld verspreid is, slechts één, een enkele kon gevonden worden, die 
van een enkel belangrijk oorlogsfeit op het oogenblik dat het ge- 
schiedde zulk een berigt geven kon, dat later bleek waar en juist te 
zijn, dan was het reeds veel; want wat zou dan beletten, om dit te 
herhalen en dus eene geheele reeks van onwaardeerbare berigten te 



— 63 — 

verkrijgen? Laat een of eene der duizenden in Europa, welke, zoodra 
zij slechts in aanraking komen met een kleedingstuk van den eenen 
of anderen zieke, die op mijlen afstands van hen is verwijderd, 
dadelijk aangaande den aard zijner ziekte en de geneeswijze daarvan 
alles weten te zeggen, wat aan geen sterfelijk mensch ook in de 
onmiddelijke nabijheid des patients bekend is, laat een van deze 
zich bereid verklaren om, met een kleedingstuk van Lord raglan 
of CANROBERT in aanraking gebragt , te zeggen — niet eens wat er in 
het ligchaam dier veldoversten , — maar slechts wat er in hunne na- 
bijheid geschiedt : en eene stoomboot, kan er iemand aan twijfelen , zal 
van zulke kleedingstukken dadelijk een gansche kistvol gaan halen. 
Nog eens dus, er is geene gelegenheid denkbaar, waarbij de zich 
noemende voorstanders van het dierlijk magnetisme schitterender 
triomf kunnen behalen , voor zich en voor hunne kunst meer aanzien 
kunnen verwerven, dan deze. De aanleiding daartoe ontbreekt hun 
niet; want al is het misschien nog niemand in den geest gekomen 
om ze, zoo als hier geschiedt, openlijk daartoe aan te sporen en 
ze als het ware daartoe uit te dagen , in hunne omgeving zal toch 
ligtelijk wel de een of ander aan zulke zaken hebben gedacht, en 
zoo niet, dan behooren zij er zelf aan te denken. 

Maar is het misschien te veel van hunne kunst gevergd ? O neen , 
dat kan niet zijn ! Hoe vele voorbeelden zijn er van berigten , door 
somnambules gegeven aangaande personen, die hun verblijf hadden 
op nog grooteren afstand, dan waarop zich het oorlogstooneel van 
hier bevindt, in Indië b. v. En bovendien, wat kan het tot de zaak 
doen, of de afstand, waarop de geest des helderzienden zich ver- 
plaatsen moet, eenige mijlen meer of minder is? Gewis, als de kunst, 
of de wetenschap, of hoe zal ik het noemen, die men door de 
wonderbaar uit hunne beteekenis gerukte woorden dierlijk magne- 
tisme aanduidt, wezenlijk dat is, wat hare voorstanders willen dat 
zij zijn zal , dan moeten hare beoefenaars , sommige daarvan althans , 
hunne somnambules zoo ver kunnen brengen. 

Doen zij dit, en logenstraft het vervolg hunne berigten niet, dan 
zal het klinken en weergalmen door de geheele beschaafde wereld: 
dat het Mesmerisme eene waarheid is. 



— 64 — 

Geschiedt dit 7tiet; is er onder allen geene enkele, die het durft 
te wagen, dan blijkt het, dunkt mij, zonneklaar, dat zij het niet 
kunnen. En als geen van allen dit kan , dan zullen er velen gevonden 
worden onder hen, die vroeger aan de wonderen der somnambules 
geloofden, welke nu gaan twijfelen, en een nog grooter aantal onder 
hen die aarzelen, om voor zich zelven te beslissen wat zij daarvan wel 
en wat zij er niet van gelooven moeten, welke nu, van halve voor- 
standers, geheele tegenstanders zullen worden. 

Lezers van het Album der Natuur, gij allen die naar waarheid 
zoekt, let op of er iets dergelijks geschiedt. Zoo ja, dan zal het 
van zelf gerucht maken, zooveel als het verdient; zoo neen, dan is 
het, dunkt mij, een feit belangrijk om te constateren, dat het 
niet geschiedt. 

£n het zal niet gescliieden. 

H. Dec. 1854. Ln. 



TWEE NIEUWE HULPMIDDELEN 



VOOR DE 



TIJDSBEPALING IN HET DAGELIJRSCH LEVEN , 



AANBEVOLEN DOOR 



F. K A I S E K. 



XJe behoefte aan hulpmiddelen, om den tijd met juistheid uit te 
meten, is gestadig toegenomen, naar mate de wetenschappen werden 
volmaakt en een' meer beslissenden invloed uitoefenden op de nij- 
verheid en het maatschappelijk leven. Men heeft ook met steeds 
hoogeren ernst gearbeid om die behoefte te vervullen , en misschien 
heeft het menschelijk vernuft zich nergens duidelijker geopenbaard, 
dan in de welgelukte pogingen, die, in vroegeren en lateren tijd, 
daartoe werden aangewend. De kunst om uurwerken te vervaardi- 
digen is thans inderdaad tot eene hoogte geklommen, die men in 
vroegere eeuwen voor eene hersenschim verklaard zoude hebben; 
maar al mogt de kunst het hoogste toppunt van volkomenheid heb- 
ben bereikt; al mogten de uurwerken, in zich zelf, niets meer te 
wenschen overlaten, dan zouden zij nog, alleenlijk onder bepaalde 
voorwaarden, aan hun eigenlijk doel beantwoorden. 

Het eenige middel dat ons ten dienste staat, om den tijd te 
meten, is de beweging, die wij bij het een of ander voorwerp 
waarnemen. Is die beweging eenparig, d. i. wordt door het voor- 
werp in hetzelfde tijdvak altijd dezelfde ruimte doorgeloopen , dan 
zullen ook alle ruimten, die het heeft afgelegd, evenredig zijn aan 
de tijden waarin het die aflegde, en de doorgeloopene ruimten zul- 
len onmiddellijk de maten der genoemde tijdvakken wezen. Is de 

5 



— 66 — 

beweging van het voorwerp niet eenparig , zoo zal de doorgeloopene 
ruimte in het geheel niet kunnen dienen om den tijd te meten, 
ten zij men naauwkeurig bekend is met de veranderingen, welke 
die beweging ondergaat; en ook dan zal de verloopen tijd niet 
onmiddellijk door de doorgeloopene ruimte worden gemeten, maar, 
alleen door de tusschenkomst van meer of min zamengestelde be- 
rekeningen , daaruit kunnen worden afgeleid. Een uurwerk is dus 
in zich zelf volkomen, wanneer zijne wijzers zich altijd met vol- 
maakt dezelfde snelheid rond bewegen , of wel met eene verander- 
lijke snelheid, die eene bepaalde en bekende wet volkomen opvolgt, 
zoo dat hare veranderlijkheid met alle juistheid kan worden in re- 
kening gebragt. Het is onvergelijkelijk ligter de wijzers van een 
uurwerk eene eenparige beweging te doen nabootsen, dan eene on- 
regelmatige, die eene bepaalde wet moet volgen , en daar ook alleen 
de eerstgenoemde onmiddellijk, d. i. zonder tusschenkomst van be- 
rekeningen, den verloopenen tijd doet kennen, heeft men er zich 
alleen op toegelegd, om de wijzers van een uurwerk een' zoo na 
mogelijk eenparigen gang te doen aannemen. De uurwerken zou- 
den dus volmaakt genoemd kunnen worden, indien hunne wijzers 
altijd met volkomen dezelfde snelheid werden rondbewogen ; maar 
in weerwil van alle pogingen, heeft men dit doel nimmer kunnen 
bereiken, en als het op het juiste uitmeten van den tijd aankomt, 
moet men altijd de onregelmatigheden in den gang der uurwerken, 
die zij tegen den wil hunner vervaardigers openbaren , met juist- 
heid bepalen en in rekening brengen. 

Wanneer een uurwerk in zich zelf volmaakt is , en alzoo zijne 
wijzers zich steeds met volkomen dezelfde snelheid bewegen, dan 
zal het ook, aan dezelfde plaats, de verhouding tusschen tijdsver- 
loopen met eene volkomene juistheid doen kennen. Wil men echter 
aan verschillende plaatsen , door verschillende uurwerken , in staat 
gesteld worden om tij ds verloopen met elkander te vergelijken, zoo 
. is daartoe de volkomenheid der uurwerken in zich zelven niet ge- 
noeg. Dan moeten de wijzers van elk uurwerk op zich zelf niet 
slechts altijd met dezelfde snelheid voortgaan, maar moeten bo- 
vendien de wijzers der verschillende uurwerken in volkomen de- 



— 67 — 

zelfde tijdvakken hunne wentelingen om het middelpunt der wij- 
zerplaat volbrengen, of wel men moet de verhouding tusschen die 
tijdvakken, bij de verschillende uurwerken, met juistheid kennen. 
Het natuurlijkst is dat men de wijzers van alle uurwerken elke 
wenteling laat volbrengen in juist hetzelfde tijdvak, dat men als 
de eenheid voor het meten van den tijd heeft aangenomen. Daarop 
heeft men zich ook toegelegd , maar men moest daarbij over- 
eenkomen omtrent een tijdvak, dat zich als eene eenheid voor 
het meten van den tijd geschikt betoonde, en dat tijdvak moest 
noodwendig zoodanig worden gekozen, dat het zich naauwkeurig 
liet bepalen door verschijnselen, van welke men wist, dat zij tel- 
kens na 'gelijke tijdsverloopen moesten wederkeeren. In het dage- 
lijksch leven, zoo wel als bij wetenschappelijke onderzoekingen, 
moet men het tijdstip, waarop eene gebeurtenis plaatsheeft, weten 
uit te drukken. Dit kan alleen geschieden door het tijdvak te 
vermelden ,' verloopen tusschen die gebeurtenis en eene andere, van 
welke men weet wanneer zij plaats moet hebben ; en al kon men door 
verschillende uurwerken alle tijdvakken met eene volkomene juist- 
heid onderling vergelijken, de tijd waarop eene gebeurtenis plaats 
heeft kan niet worden uitgedrukt, ten zij men is overeengekomen 
omtrent een tijdstip, bij hetwelk alle andere worden vergeleken, 
en dat algemeen wordt aangenomen als het oogenblik, van waar 
men het tellen van den tijd begint. Het doelmatig gebruik der 
uurwerken vordert alzoo de keuze van een tijdvak, als eene eenheid 
voor het meten van den tijd, en van een tijdstip, van hetwelk men het 
tellen van den tijd begint. Yoor het een zoo wel als voor het an- 
der is men genoodzaakt tot de verschijnselen aan den hemel zijne 
toevlugt te nemen. 

Wegens de wenteling der aarde om hare as, schijnt ons de ge- 
heele hemel zich dagelijks om de aarde te wentelen , en als een vast 
punt van den hemel, na zich om ons te hebben rondbewogen, tot 
denzelfden stand met betrekking tot den grond, dien wij bewonen, 
of met betrekking tot de voorwerpen , die ons omringen , is terug- 
gekeerd, heeft de aarde juist eene wenteling om hare as volbragt. 
Zoo wel de rede als de ervaring leeren ons, dat de wentelende be- 

5* 



— 68 — 

weging der aarde om hare as volkomen eenparig is , en , sedert 
de vroegste oudheid, niet de minste, voor ons bemerkbare, veran- 
dering heeft ondervonden. Het tijdvak, waarin de aarde elke harer 
omwentelingen volbrengt, is daarom, en omdat het uit zeer een- 
voudige verschijnselen van den hemel kan worden afgeleid, bij uit- 
stek geschikt ora als eenheid voor het meten van den tijd te wor- 
den aangenomen. Van oudsher heeft het ook daartoe gediend, en 
daar het overeenstemt met het tijdvak, in hetwelk vaste punten 
van den hemel hunne vroegere standen met betrekking tot de aarde 
hernemen, heeft men het den naam van sterreclag gegeven. Een vier- 
en-twintigste gedeelte van dat tijdvak wordt een ^^terr^-z^wr genoemd. 
Ieder van deze wordt in zestig minuten en elke minuut in zestig 
secunden verdeeld , en een tijdvak is volkomen bepaald , wanneer het 
in sterre-uren , minuten en secunden is uitgedrukt. Wil men ech- 
ter ook het tijdstip^ waarop eene gebeurtenis plaats heeft, kunnen 
uitdrukken, zoo moet .men een tijdstip kiezen, tot hetwelk men 
alle andere herleidt, en dat door een verschijnsel des hemels wordt 
aangewezen, of overal uit de verschijnselen des hemels kan worden 
afgeleid. Men heeft daartoe het tijdstip gekozen, waarop een be- 
paald en kennelijk punt van den hemel, en wel het voorjaarsnacht- 
eveningspunt, door den meridiaan, d. i. door het zuiden gaat, 
aan de plaats waar men zich bevindt. De sterretijd van een be- 
paald oogenblik is alzoo het aantal sterre-uren, minuten en secun- 
den , op dat oogenblik , sedert den laatsten doorgang van het voor- 
jaarsnachteveningspunt door het zuiden, verloopen. 

De telling vanden tijd, uitgaande van het oogenblik, waarop de 
geheele hemel een' bepaalden stand met betrekking tot de aarde 
moet aannemen, en waarbij de tijd, waarin de aarde elke wenteling 
ora hare as volbrengt, als eenheid dient, d. i. de telling van den tijd 
naar sterretijd, is wel de eenvoudigste die men zich kan voorstel- 
len. Zi] is sedert lang bij de sterrekundigen in gebruik en voor 
hen in vele gevallen de verkieslijkste; maar hoe eenvoudig en na- 
tuurlijk zij in zich zelve wezen moge, zij is volstrekt ongeschikt 
voor het maatschappelijk leven. De bedrijven van het maatschap- 
pelijk leven worden niet naar de standen en de schijnbare bewe- 



— 69 — 



gingen van den geheelen hemel , maar naar die van een enkel zijner 
lichten geregeld, namelijk naar die van de zon, wier verschijnen 
en verdwijnen de natuurlijke tijden van werkzaamheid en van rust 
bepaalt. In het maatschappelijk leven moet daarom de wijze om 
den tijd te tellen en te meten aan de standen en de schijnbare 
beweging van de zon worden ontleend, door welke laatste de wen- 
telende beweging der aarde niet met juistheid wordt afgespiegeld, 
daar de zon geen vast punt van den hemel is. Wegens de jaar- 
lijksche kringvormige beweging van de aarde om de zon, schijnt 
de zon zelve ons zich aanhoudend met betrekking tot de sterren 
te verplaatsen, in eene rigting tegenovergesteld aan die, in welke 
de hemel zich dagelijks om de aarde schijnt te wentelen, en 
zoodanig, dat zij ineen jaar, na den geheelen hemel te hebben rond- 
geloopen , tot dezelfde sterren wederkeert. Heeft de aarde eene wen- 
teling om hare as volbragt, zoo heeft zij de zon nog niet tot den 
meridiaan van dezelfde plaats teruggevoerd, omdat de zon zich 
inmiddels aan den hemel naar het oosten heeft voortbewoo-en. Het 
tijdsverloop tusschen twee op elkander volgende dooro-ano-en van 
de zon door het zuiden duurt omtrent vier minuten langer dan eene 
wenteling der aarde, of een sterredag, en wordt een zonne-dag ge- 
noemd. De zounedag wordt, even als de sterredag, in zijne uren, 
minuten en secunden verdeeld, en kan, onder zekere voorwaarden, 
even goed als deze, als eene eenheid voor het meten van den tijd 
worden aangenomen. Met deze eenheid kan men de telling van den 
tijd met het tijdstip beginnen, op hetwelk door de zon een be- 
paalde stand wordt ingenomen, en de tijd, aldus geteld en ge- 
meten, zal dan geen' anderen naam dan dien van zonnetijcl\.\x\\WGx^ 
dragen. De zonnetijd van een bepaald oogenblik is het aantal zonne- 
uren, minuten en secunden, sedert den laatsten doorc^an»- van de 
zon door het zuiden verloopen. 

Het tellen en meten van den tijd, naar de standen en de schijn- 
bare beweging van de zon, hoe onvermijdelijk in het maatschap- 
pelijk leven, heeft zijne eigenaardige moeijelijkheden, en kan al- 
leen onder bepaalde voorwaarden met de noodige naauwkeurigheid 
geschieden. De zonnedagen hebben namelijk niet op alle tijden- des. 



— 70 — 

jaars volkomen dezelfde lengte, zoodat zij niet onvoorwaardelijk 
als eenheden voor het meten van den tijd kunnen worden aange- 
nomen, en ook de tijd niet onmiddellijk door den stand der zon 
kan worden aangewezen. Deze ongelijke lengte der ware zonneda- 
gen is gedeeltelijk een gevolg hiervan, dat de kring, in welken de 
zon zich jaarlijks, rondom den hemel schijnt te bewegen, niet lood- 
xegt staat op de omwentelings-as der aarde, en gedeeltelijk hier- 
van , dat de zon zich , in dien kring , niet steeds met dezelfde 
snelheid aan den hemel voortbeweegt. Het zoude onmogelijk zijn 
de wijzers van een uurwerk, met eenige naauwkeurigheid , de on- 
regelmatige beweging der zon te doen nabootsen , en telkens bij 
den doorgang der zon door het zuiden met hetzelfde punt van de 
wijzerplaat te doen zamenvallen ; maar indien dit al mogelijk ware 
en werkelijk ten uitvoer werd gebragt, zoo zouden de verplaatsin- 
gen der wijzers niet evenredig zijn aan de verloopene tijden, en 
de tijd zelf zoude, niet onmiddellijk, met juistheid door het uur- 
werk worden aangewezen. Om het tellen en het meten van den 
tijd met de standen en de beweging der zon in overeenstemming 
te brengen , was men daarom verpligt tot een eigenaardig hulpmid- 
del zijne toevlugt te nemen. Dat hulpmiddel is eene denkbeeldige 
zon, die met de ware zon den geheelen hemel rondloopt, zoodat 
zij , op hetzelfde oogenblik met haar van een bepaald punt des 
hemels uitgaande, ook weder op hetzelfde oogenblik met haar tot 
dat punt wederkeert. Aan deze denkbeeldige zon, die, even als 
de ware zon, in den tijd van juist een jaar den geheelen hemel 
rondloopt, wordt eene eenparige beweging toegekend, in eenen kring 
die loodregt staat op de omwentelings-as der aarde. Die denkbeel- 
dige zon is, met betrekking tot de ware zon, nu eens vooruit en 
dan weder ten achter, en, indien zij wezenlijk bestond, zoude zij 
dagen geven, die altijd dezelfde lengte hebben, en juist met het 
gemiddeld bedrag van de veranderlijke dagen der ware zon over- 
eenkomen. Men noemt haar de middelbare zon, en de altijd even 
groote tijdsverloopen tusschen twee op elkander volgenden harer 
doorsancen door het zuiden dragen den naam van middelbare zon- 
nedageii. De middelbare zon zal, nu eens vroeger dan weder later 



— 71 — 

dan de ware zon, door het zuiden gaan, en de middelbare zonne- 
tijd van een bepaald oogenblik is het aantal middelbare zonne-uren, 
minuten en secunden, op dat oogenblik, sedert den laatsten door- 
gang van de middelbare zon door het zuiden verloopen. Het is 
ligt te berekenen welk punt van den hemel door zulk eene mid- 
delbare zon, op een gegeven oogenblik, moet worden ingenomen, 
en uit de bekende beweging van de ware' zon kan ook de plaats 
van deze, voor datzelfde oogenblik, worden afgeleid. Uit die betrek- 
kelijke standplaatsen berekent men hoeveel de middelbare en de 
ware zonnetijd van elkander moeten verschillen. Dat verschil draagt 
den naam van tijdsvereffening, en is het eenmaal gegeven, zoo is 
het uiters